CBS verbetert cijfers over levensverwachting naar onderwijsniveau

/ Auteur: Masja de Ree
Twee oudere zussen genieten van een kopje koffie
© Hollandse Hoogte / Patricia Rehe
De statistieken over levensverwachting en gezonde levensverwachting uitgesplitst naar onderwijsniveau geven een beeld van de sociaaleconomische gezondheidsverschillen in Nederland. Dankzij een herziening van de methode is de vergelijking van de (gezonde) levensverwachting tussen groepen met een laag, middelbaar en hoog onderwijsniveau nu verbeterd. Vandaag verschijnen de nieuwe cijfers over de afgelopen jaren.
De nieuwe methode ontwikkelde het CBS in samenwerking met het RIVM, een belangrijke gebruiker van CBS-statistieken over gezondheid en (gezonde) levensverwachting. Daarbij is ook overleg geweest met wetenschappers van verschillende universiteiten. Ellen Uiters van het RIVM: ‘Het RIVM deed zelf ook onderzoek naar levensverwachting, gezonde levensverwachting en onderwijsniveaus. De cijfers die daaruit kwamen, sloten echter niet helemaal aan bij de cijfers van het CBS.’ Jan-Willem Bruggink, onderzoeker bij het CBS: ‘Dat kwam vooral doordat onze oude methode vrij grof was: we werkten met tamelijk brede leeftijdsgroepen, dat is zo gegroeid omdat er vroeger minder data beschikbaar waren. Nu dat veranderd is, was het tijd voor een nieuwe aanpak.’

Nieuwe methode

De nieuwe statistiek maakt gebruik van meer informatie over het onderwijsniveau. Bruggink: ‘Dat maakt onze schattingen van sterftekansen voor een specifiek onderwijsniveau robuuster en stabieler.’ Mede omdat er meer data gebruikt worden, kan het CBS de sterftekansen per onderwijsniveau en geslacht nu voor individuele leeftijden schatten, in plaats van voor leeftijdsgroepen. Bruggink: ‘Vroeger keken we bijvoorbeeld naar de sterftekans voor middelbaaropgeleide mannen van 50 tot 54 jaar. Nu schatten we die kans apart voor middelbaar opgeleide mannen van 50 jaar, 51 jaar, et cetera. Hiermee sluiten we aan op de methode die het CBS gebruikt om de cijfers over de gewone, niet naar onderwijsniveau uitgesplitste, levensverwachting te bepalen.’ De verbetering is het duidelijkst terug te zien bij de categorie 80-plussers. ‘Daar werkten we tot nu toe met één leeftijdsgroep: 80-plus. Nu kunnen we elke leeftijd tot 90 jaar per leeftijdsjaar in beeld brengen. Alleen boven de 90 werken we nog met groepen, omdat er in die leeftijdscategorieën simpelweg te weinig mensen zijn om gedetailleerder te werk te gaan.’

De nieuwe statistiek maakt gebruik van meer informatie over het onderwijsniveau

Meer data beschikbaar

Het CBS beschikt tegenwoordig over informatie op onderwijsniveau op basis van opleidingsregisters en data uit de omvangrijke Enquête Beroepsbevolking. Bruggink: ‘We kunnen de statistiek over de onderwijsspecifieke sterftekansen op basis van deze gegevens goed maken. De informatie over de kans op ongezondheid is niet veranderd. De gegevens hiervoor verzamelen we met de relatief kleine jaarlijkse Gezondheidsenquête. Om de kans op ongezondheid te schatten werken we daarom nog steeds met leeftijdsgroepen. Wel is een extra leeftijdsgroep toegevoegd: vroeger was 80 jaar of ouder de hoogste leeftijdsgroep. Nu onderscheiden we 80-84 jaar en 85 jaar en ouder. Hierdoor wordt ook op het gebied van gezondheid de vergelijking tussen groepen met een laag, middelbaar en hoog onderwijsniveau iets verfijnd.’
Door de onderwijsniveauspecifieke kansen op ongezondheid per geslachts- en leeftijdsgroep te combineren met de sterftekansen naar geslacht, leeftijd en onderwijsniveau bepaalt het CBS de gezonde levensverwachting per onderwijsniveau.

Verschillen bij ouderen nemen iets af

Het CBS publiceert de cijfers volgens de nieuwe methode voor de volgende jaren: 2007–2010, 2011–2014 en 2015–2018. Hiermee ontstaat direct een kleine tijdreeks. ‘De herziene cijfers wijken iets af van de bestaande cijfers over die periode, die overigens ook nog vindbaar zijn via een link in StatLine’, zegt Bruggink. ‘Het verschil in levensverwachting ten opzichte van de oude cijfers is het grootst bij hoger opgeleiden - hun levensverwachting en gezonde levensverwachting komt lager uit, waarmee het verschil in levensverwachting tussen lager en hoger opgeleide mensen ook afneemt.’

Belangstelling bij politiek en beleid

Ondanks de veranderingen als gevolg van de nieuwe methode blijft het algemene patroon gelijk, zegt Uiters. ‘Hoger opgeleiden blijven een hogere levensverwachting en gezonde levensverwachting hebben dan lager opgeleiden. Dat zien we al vele jaren en het sluit aan bij de uitkomsten van andere gezondheidsstatistieken.’ Er is veel belangstelling voor de verschillen in levensverwachting naar onderwijsniveau bij politici en beleidsmakers, bijvoorbeeld vanuit het ministerie van VWS. Uiters: ‘Wij krijgen daar regelmatig vragen over. Als je beleidsdoelen wil stellen - bijvoorbeeld dat de verschillen in 20 jaar tijd afnemen - dan heb je betrouwbare data nodig.’ Bruggink: ‘Om de doelstellingen van beleid te kunnen monitoren moet je het om te beginnen eens zijn over de uitgangswaarden. Dat is nu het geval. Er is breed draagvlak voor onze nieuwe methode.’

Samenwerking

Het CBS en RIVM zijn blij met de recente samenwerking. Uiters: ‘Het RIVM maakt al jaren dankbaar gebruik van deze CBS-statistieken, onder andere voor onze websites staatvenz.nl en volksgezondheidenzorg.info. Wij presenteren daarbij samen met andere kennisorganisaties trends op het gebied van gezondheid in Nederland. Het is mooi dat we in onderling overleg de statistiek nog beter konden maken.’