Overheidsondernemingen; schulden, sector met zeggenschap

Overheidsondernemingen; schulden, sector met zeggenschap

Sectoren Perioden Schulden (in mln euro) Totaal schulden (mln euro) Schulden (in mln euro) Financiële instellingen (mln euro) Schulden (in mln euro) Overige instellingen Totaal overige instellingen (mln euro) Schulden (in mln euro) Overige instellingen Verliesgevend (mln euro) Schulden (in mln euro) Overige instellingen Winstgevend (mln euro) Schulden (in % bbp) Totaal schulden (in % bbp) Schulden (in % bbp) Financiële instellingen (in % bbp) Schulden (in % bbp) Overige instellingen Totaal overige instellingen (in % bbp) Schulden (in % bbp) Overige instellingen Verliesgevend (in % bbp) Schulden (in % bbp) Overige instellingen Winstgevend (in % bbp)
Overheid 2017 754.027 643.694 110.333 1.715 108.617 102,2 87,2 14,9 0,2 14,7
Overheid 2018* 749.263 628.754 120.509 3.493 117.017 96,8 81,2 15,6 0,5 15,1
Centrale overheid 2017 669.407 572.004 97.403 944 96.458 90,7 77,5 13,2 0,1 13,1
Centrale overheid 2018* 663.807 556.687 107.120 2.661 104.458 85,8 71,9 13,8 0,3 13,5
Lokale overheid 2017 84.620 71.690 12.930 771 12.159 11,5 9,7 1,8 0,1 1,6
Lokale overheid 2018* 85.457 72.067 13.390 831 12.558 11,0 9,3 1,7 0,1 1,6
Socialezekerheidsfondsen 2017 0 0 0 0 0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
Socialezekerheidsfondsen 2018* 0 0 0 0 0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel bevat de schulden van overheidsondernemingen met uitzondering van De Nederlandsche Bank (DNB), voor zover het om economisch significante bedragen (0,01 % van het bbp) gaat. De schulden zijn het totaal van deposito's, kortlopende schuldbewijzen, langlopende schuldbewijzen, kortlopende leningen en langlopende leningen aan de passiva-kant van de balans van de overheidsonderneming. De schulden van overheidsondernemingen zijn ook beschikbaar per subsector van de overheid met de meeste zeggenschap. Daarnaast zijn de overheidsondernemingen onderverdeeld naar financiële instellingen en overige (verlies- of winstgevende) instellingen. Alle gegevens betreffen de balansstanden aan het eind van het jaar. Met deze tabel wordt invulling gegeven aan EU-richtlijn 2011/85. Deze richtlijn maakt deel uit van zes Europese wetgevende maatregelen die bekend staan onder de naam 'Six Pack'.

Gegevens beschikbaar vanaf: stand van 31 december 2017.

Status van de cijfers:
Het verslagjaar 2018 heeft de status voorlopig, het verslagjaar 2017 heeft de status definitief.

Wijzigingen per 28 december 2020:
Cijfers voor de eindstand van 2018 zijn beschikbaar.
De cijfers voor de eindstand 2017 zijn nu definitief.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Eind oktober 2021 komen er nieuwe voorlopige cijfers over 2019. De eerder gepubliceerde voorlopige cijfers krijgen dan de status definitief.

Toelichting onderwerpen

Schulden (in mln euro)
De schulden van de overheidsondernemingen, exclusief de transitorische schulden en de schulden op de titel financiële derivaten.
De schuld bestaat uit de titels: deposito's, kortlopende schuldbewijzen, langlopende schuldbewijzen, kortlopende leningen en langlopende leningen. Dit komt overeen met de schuldtitels van de overheidsschuld (ook wel EMU-schuld genoemd). EMU staat voor Economische en Monetaire Unie. Schulden van de overheidsondernemingen worden echter niet tot de overheidsschuld gerekend, omdat overheidsondernemingen niet behoren tot de sector overheid.
De schuld van De Nederlandsche Bank (DNB) en overheidsondernemingen met een schuld van minder dan 0,01 % van het bbp worden niet meegerekend in deze tabel.
Totaal schulden
De schulden van de overheidsondernemingen, exclusief de transitorische schulden en de schulden op de titel financiële derivaten.
De schuld bestaat uit de titels: deposito's, kortlopende schuldbewijzen, langlopende schuldbewijzen, kortlopende leningen en langlopende leningen. Dit komt overeen met de schuldtitels van de overheidsschuld (ook wel EMU-schuld genoemd). EMU staat voor Economische en Monetaire Unie. Schulden van de overheidsondernemingen worden echter niet tot de overheidsschuld gerekend, omdat overheidsondernemingen niet behoren tot de sector overheid.
De schuld van De Nederlandsche Bank (DNB) en overheidsondernemingen met een schuld van minder dan 0,01 % van het bbp worden niet meegerekend in deze tabel.
Financiële instellingen
De institutionele sector van de economie die alle (quasi-)vennootschappen bevat met als hoofdfunctie financiële intermediatie, dat wil zeggen het aantrekken, transformeren en distribueren van financiële middelen.
De sector financiële instellingen bestaat uit drie subsectoren: monetaire financiële instellingen, verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen en overige financiële instellingen.
Niet in de sector financiële instellingen begrepen zijn:
- juridisch zelfstandige beleggingsmaatschappijen in het bezit van één of enkele eigenaren, die zelf niet tot de financiële instellingen behoren. Deze zijn ingedeeld bij de sector waartoe de eigenaar behoort;
- niet onder toezicht staande fondsen gericht op de pensioenverzekering van één enkel persoon (pensioen-bv’s). Deze zijn ingedeeld bij de sector huishoudens;
- financiële hulpbedrijven en dergelijke die geen rechtspersoonlijkheid bezitten. Deze zijn ingedeeld bij de sector huishoudens.
Vanuit de bedrijfsklassen gezien bevat de sector financiële instellingen alle eenheden uit de bedrijfsklassen banken, verzekeringswezen en pensioenfondsen en financiële hulpactiviteiten, met uitzondering van de niet onder toezicht staande financiële eenheden die werkzaam zijn voor een niet-financiële vennootschap, waarvan zij onderdeel vormen.
Daarnaast zijn er eenheden in een aantal andere bedrijfsklassen die eveneens tot de sector financiële instellingen behoren. Voorbeelden hiervan zijn:
- operationele lease door maatschappijen die onderdeel vormen van een financiële instelling (bedrijfsklasse verhuur van roerende goederen);
- houdstermaatschappijen van verzekeringsmaatschappijen en monetaire financiële instellingen die zelf niet onder toezicht staan (bedrijfsklasse economische dienstverlening);
- werkgevers-, werknemers- en beroepsorganisaties voor zover die in verband staan met financiële instellingen (bedrijfsklasse overige dienstverlening n.e.g. (niet elders genoemd)).
Overige instellingen
Institutionele eenheden die niet tot de sector financiële instellingen gerekend worden.
Totaal overige instellingen
Institutionele eenheden die niet tot de sector financiële instellingen gerekend worden.
Verliesgevend
Institutionele eenheden met een operationeel verlies in het betreffende verslagjaar.
Winstgevend
Institutionele eenheden met een operationele winst in het betreffende verslagjaar.
Schulden (in % bbp)
De schulden uitgedrukt in percentage van het bruto binnenlands product (bbp).

De schulden van de overheidsondernemingen, exclusief de transitorische schulden en de schulden op de titel financiële derivaten.
De schuld bestaat uit de titels: deposito's, kortlopende schuldbewijzen, langlopende schuldbewijzen, kortlopende leningen en langlopende leningen. Dit komt overeen met de schuldtitels van de overheidsschuld (ook wel EMU-schuld genoemd). EMU staat voor Economische en Monetaire Unie. Schulden van de overheidsondernemingen worden echter niet tot de overheidsschuld gerekend, omdat overheidsondernemingen niet behoren tot de sector overheid.
De schuld van De Nederlandsche Bank (DNB) en overheidsondernemingen met een schuld van minder dan 0,01 % van het bbp worden niet meegerekend in deze tabel.
Totaal schulden
De schulden uitgedrukt in percentage van het bruto binnenlands product (bbp).

De schulden van de overheidsondernemingen, exclusief de transitorische schulden en de schulden op de titel financiële derivaten.
De schuld bestaat uit de titels: deposito's, kortlopende schuldbewijzen, langlopende schuldbewijzen, kortlopende leningen en langlopende leningen. Dit komt overeen met de schuldtitels van de overheidsschuld (ook wel EMU-schuld genoemd). EMU staat voor Economische en Monetaire Unie. Schulden van de overheidsondernemingen worden echter niet tot de overheidsschuld gerekend, omdat overheidsondernemingen niet behoren tot de sector overheid.
De schuld van De Nederlandsche Bank (DNB) en overheidsondernemingen met een schuld van minder dan 0,01 % van het bbp worden niet meegerekend in deze tabel.
Financiële instellingen
De institutionele sector van de economie die alle (quasi-)vennootschappen bevat met als hoofdfunctie financiële intermediatie, dat wil zeggen het aantrekken, transformeren en distribueren van financiële middelen.
De sector financiële instellingen bestaat uit drie subsectoren: monetaire financiële instellingen, verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen en overige financiële instellingen.
Niet in de sector financiële instellingen begrepen zijn:
- juridisch zelfstandige beleggingsmaatschappijen in het bezit van één of enkele eigenaren, die zelf niet tot de financiële instellingen behoren. Deze zijn ingedeeld bij de sector waartoe de eigenaar behoort;
- niet onder toezicht staande fondsen gericht op de pensioenverzekering van één enkel persoon (pensioen-bv’s). Deze zijn ingedeeld bij de sector huishoudens;
- financiële hulpbedrijven en dergelijke die geen rechtspersoonlijkheid bezitten. Deze zijn ingedeeld bij de sector huishoudens.
Vanuit de bedrijfsklassen gezien bevat de sector financiële instellingen alle eenheden uit de bedrijfsklassen banken, verzekeringswezen en pensioenfondsen en financiële hulpactiviteiten, met uitzondering van de niet onder toezicht staande financiële eenheden die werkzaam zijn voor een niet-financiële vennootschap, waarvan zij onderdeel vormen.
Daarnaast zijn er eenheden in een aantal andere bedrijfsklassen die eveneens tot de sector financiële instellingen behoren. Voorbeelden hiervan zijn:
- operationele lease door maatschappijen die onderdeel vormen van een financiële instelling (bedrijfsklasse verhuur van roerende goederen);
- houdstermaatschappijen van verzekeringsmaatschappijen en monetaire financiële instellingen die zelf niet onder toezicht staan (bedrijfsklasse economische dienstverlening);
- werkgevers-, werknemers- en beroepsorganisaties voor zover die in verband staan met financiële instellingen (bedrijfsklasse overige dienstverlening n.e.g. (niet elders genoemd)).
Overige instellingen
Institutionele eenheden die niet tot de sector financiële instellingen gerekend worden.
Totaal overige instellingen
Institutionele eenheden die niet tot de sector financiële instellingen gerekend worden.
Verliesgevend
Institutionele eenheden met een operationeel verlies in het betreffende verslagjaar.
Winstgevend
Institutionele eenheden met een operationele winst in het betreffende verslagjaar.