Sectoren; seizoen- en werkdaggecorrigeerde cijfers, nationale rekeningen

Sectoren; seizoen- en werkdaggecorrigeerde cijfers, nationale rekeningen

Seizoen- en werkdagcorrectie Perioden Totaal binnenlandse sectoren Bruto binnenlands product (mln euro) Totaal binnenlandse sectoren Bruto exploitatieoverschot (mln euro) Totaal binnenlandse sectoren Saldo primaire inkomens (bruto) (mln euro) Totaal binnenlandse sectoren Bruto beschikbaar inkomen (mln euro) Totaal binnenlandse sectoren Bruto besparingen (mln euro) Totaal binnenlandse sectoren Vorderingensaldo (mln euro) Niet-financiële vennootschappen Bruto toegevoegde waarde (mln euro) Niet-financiële vennootschappen Bruto exploitatieoverschot (mln euro) Niet-financiële vennootschappen Investeringen in vaste activa (bruto) (mln euro) Niet-financiële vennootschappen Beloning van werknemers (mln euro) Overheid Consumptieve bestedingen (mln euro) Overheid Investeringen in vaste activa (bruto) (mln euro) Overheid Totaal inkomsten (mln euro) Overheid Totaal uitgaven (mln euro) Overheid Vorderingensaldo (EMU-saldo) (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Middelen Beloning van werknemers (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Middelen Inkomen uit vermogen (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Middelen Sociale uitkeringen (in geld) (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Middelen Overige inkomensoverdrachten (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Middelen Correctie mutaties in pensioenrechten (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Bestedingen Consumptieve bestedingen (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Bestedingen Investeringen in vaste activa (bruto) (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Bestedingen Inkomen uit vermogen (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Bestedingen Belastingen op inkomen en vermogen (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Bestedingen Sociale premies (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Bestedingen Overige inkomensoverdrachten (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Bestedingen Correctie mutaties in pensioenrechten (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Bruto exploitatieoverschot (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Bruto beschikbaar inkomen (mln euro) Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Bruto besparingen (mln euro) Buitenland Middelen Invoer van goederen en diensten (mln euro) Buitenland Middelen Ontvangen primaire inkomens (mln euro) Buitenland Middelen Ontvangen inkomensoverdrachten (mln euro) Buitenland Middelen Correctie mutaties in pensioenrechten (mln euro) Buitenland Middelen Ontvangen kapitaaloverdrachten (mln euro) Buitenland Bestedingen Uitvoer van goederen en diensten (mln euro) Buitenland Bestedingen Betaalde primaire inkomens (mln euro) Buitenland Bestedingen Betaalde inkomensoverdrachten (mln euro) Buitenland Bestedingen Correctie mutaties in pensioenrechten (mln euro) Buitenland Bestedingen Betaalde kapitaaloverdrachten (mln euro)
Oorspronkelijke, ongecorrigeerde cijfers 2020 1e kwartaal* 201.031 83.687 198.352 192.926 56.858 12.633 114.044 44.731 23.216 70.173 49.979 6.936 95.860 85.679 10.181 92.717 13.228 34.527 6.752 5.408 86.153 13.715 1.351 24.842 42.841 6.640 0 25.596 97.146 16.401 141.495 55.546 9.794 -64 384 162.281 52.867 4.368 0 232
Oorspronkelijke, ongecorrigeerde cijfers 2020 2e kwartaal* 192.370 73.577 183.973 181.925 51.310 7.281 108.069 37.103 19.980 80.431 51.596 7.199 82.368 102.753 -20.385 106.574 15.593 38.000 7.032 7.111 79.075 13.931 1.502 12.321 54.740 6.709 0 23.992 115.919 43.955 124.956 60.991 5.859 -56 225 142.583 52.594 3.811 0 268
Oorspronkelijke, ongecorrigeerde cijfers 2020 3e kwartaal* 197.080 86.036 190.456 188.322 51.118 10.734 112.437 47.658 18.196 67.800 50.999 7.069 81.672 90.734 -9.062 90.259 14.238 35.275 6.611 6.753 86.261 13.138 1.216 18.307 46.072 6.232 0 25.822 100.378 20.870 135.703 60.411 5.623 -56 189 154.900 53.787 3.489 0 326
Oorspronkelijke, ongecorrigeerde cijfers 2020 4e kwartaal* 206.049 84.866 197.714 193.864 54.968 10.256 115.800 46.734 21.519 75.929 54.965 8.071 91.503 101.825 -10.322 103.225 15.020 34.788 6.757 5.680 84.001 13.785 1.147 23.323 46.749 6.090 0 25.590 108.071 29.750 141.050 58.088 8.050 -70 497 163.644 49.753 4.200 0 274
Oorspronkelijke, ongecorrigeerde cijfers 2021 1e kwartaal* 201.099 87.902 199.760 197.222 63.116 18.485 114.748 49.143 22.570 71.246 52.777 7.186 95.230 97.507 -2.277 94.480 13.256 35.959 6.875 5.786 81.394 14.965 1.122 22.199 45.349 6.708 0 25.857 101.049 25.441 138.434 58.406 6.615 -65 257 160.776 57.067 4.077 0 235
Oorspronkelijke, ongecorrigeerde cijfers 2021 2e kwartaal* 216.953 82.409 215.696 213.653 66.409 19.273 124.821 43.547 23.403 85.343 57.191 7.262 92.829 103.111 -10.282 112.299 16.842 40.387 7.109 7.606 90.113 16.100 1.238 10.870 59.498 6.599 0 27.118 125.550 43.043 151.057 67.170 6.026 -60 261 173.041 65.913 3.983 0 281
Oorspronkelijke, ongecorrigeerde cijfers 2021 3e kwartaal* 214.001 96.055 210.310 208.604 59.274 14.229 124.291 55.703 19.469 71.382 55.177 7.260 87.555 95.236 -7.681 94.805 14.772 36.390 6.507 7.130 94.205 14.726 1.226 21.098 45.363 6.421 0 28.222 106.588 19.513 162.237 63.214 5.535 -52 208 181.702 59.523 3.829 0 202
Oorspronkelijke, ongecorrigeerde cijfers 2021 4e kwartaal* 224.303 92.633 211.390 210.284 56.430 10.121 127.471 52.265 23.487 78.925 60.059 7.785 101.131 103.219 -2.088 107.590 15.881 35.066 6.590 6.269 93.858 15.400 1.248 25.362 48.587 6.236 0 28.516 112.210 24.621 171.015 77.519 5.663 -63 317 195.085 64.606 4.557 0 324
Oorspronkelijke, ongecorrigeerde cijfers 2022 1e kwartaal* 224.476 96.153 220.222 218.012 64.061 17.021 129.481 54.461 23.810 76.975 56.814 7.259 102.679 95.611 7.068 101.585 13.576 37.421 6.957 5.961 97.199 16.373 1.759 23.688 48.123 6.630 0 29.210 108.549 17.311 171.914 69.669 5.842 -62 502 195.594 65.415 3.632 0 221
Oorspronkelijke, ongecorrigeerde cijfers 2022 2e kwartaal* 237.355 88.765 224.280 222.252 60.181 100.342 137.310 46.733 27.670 91.246 59.652 7.154 107.115 103.743 3.372 119.648 18.887 42.005 6.867 7.704 102.477 17.818 2.897 14.682 60.288 6.595 0 30.930 133.875 39.102 198.836 80.460 6.826 -58 410 219.054 67.385 4.798 0 253
Oorspronkelijke, ongecorrigeerde cijfers 2022 3e kwartaal* 234.061 104.168 231.242 228.547 65.287 14.090 136.308 59.909 22.120 76.977 57.794 7.642 96.542 100.007 -3.465 102.628 16.095 38.232 6.841 5.971 105.524 15.896 3.619 19.112 49.240 6.430 0 32.352 117.747 18.194 203.916 69.560 6.617 -58 227 223.224 66.741 3.922 0 271
Seizoen- en werkdaggecorrigeerde cijfers 2020 1e kwartaal* 203.774 81.593 198.588 193.211 55.098 9.371 115.727 43.249 22.482 73.431 51.180 7.149 90.531 87.599 2.932 97.557 14.913 35.202 6.697 6.241 87.587 13.652 1.351 21.005 46.659 6.496 0 25.870 105.044 23.511 144.248 58.453 9.440 -60 384 163.926 53.247 4.639 0 232
Seizoen- en werkdaggecorrigeerde cijfers 2020 2e kwartaal* 187.887 80.164 182.303 182.104 51.990 10.665 105.155 42.973 18.702 71.477 50.402 7.328 81.863 98.859 -16.996 96.030 13.223 35.007 6.866 5.933 77.959 13.034 1.502 17.924 47.780 6.564 0 24.374 101.963 29.675 124.022 55.680 5.916 -59 225 142.457 51.798 3.099 0 268
Seizoen- en werkdaggecorrigeerde cijfers 2020 3e kwartaal* 201.242 81.799 192.916 190.566 52.908 11.193 113.406 43.313 20.882 73.375 52.745 7.165 88.255 94.484 -6.229 97.964 14.871 36.152 6.696 6.525 85.131 13.812 1.216 19.397 48.115 6.287 0 25.718 105.807 27.881 135.980 62.202 6.070 -61 189 157.186 53.788 3.849 0 326
Seizoen- en werkdaggecorrigeerde cijfers 2020 4e kwartaal* 203.442 84.277 197.116 191.135 54.250 9.710 116.035 46.608 20.819 76.037 53.104 7.598 90.208 99.241 -9.033 101.131 15.013 36.393 6.892 6.270 84.793 14.094 1.147 20.111 48.056 6.351 0 25.042 108.884 29.988 138.759 58.667 7.975 -66 497 159.542 50.159 4.299 0 274
Seizoen- en werkdaggecorrigeerde cijfers 2021 1e kwartaal* 204.089 86.086 200.155 197.740 61.108 15.288 116.626 47.716 21.938 74.524 54.014 7.390 90.645 99.937 -9.292 99.451 15.066 36.661 6.810 6.564 82.893 14.886 1.122 18.847 49.101 6.517 0 26.132 109.266 32.619 141.592 61.081 6.172 -62 257 162.945 57.406 4.252 0 235
Seizoen- en werkdaggecorrigeerde cijfers 2021 2e kwartaal* 212.566 89.756 213.023 213.473 67.291 22.538 121.749 49.675 22.051 76.058 56.181 7.445 91.973 99.685 -7.712 101.598 14.553 37.109 6.954 6.469 88.974 15.168 1.238 16.877 52.035 6.460 0 27.493 110.830 28.509 150.085 62.143 6.059 -63 261 172.885 65.242 3.296 0 281
Seizoen- en werkdaggecorrigeerde cijfers 2021 3e kwartaal* 218.216 90.994 212.492 211.111 61.060 14.553 125.191 51.051 22.219 77.377 56.960 7.338 94.627 98.953 -4.326 102.706 15.363 37.201 6.597 6.913 93.057 15.428 1.226 22.190 47.851 6.479 0 28.116 111.851 26.427 162.321 65.234 5.893 -57 208 183.861 59.428 4.240 0 202
Seizoen- en werkdaggecorrigeerde cijfers 2021 4e kwartaal* 221.145 91.882 211.816 207.478 56.017 9.829 127.735 52.119 22.641 78.965 57.879 7.319 99.240 100.013 -773 105.307 15.727 36.902 6.708 6.863 94.597 15.732 1.248 22.047 49.979 6.538 0 27.973 113.596 25.236 168.566 77.794 5.768 -58 317 190.651 65.035 4.705 0 324
Seizoen- en werkdaggecorrigeerde cijfers 2022 1e kwartaal* 227.149 93.953 220.457 218.771 61.973 13.805 131.135 53.052 23.286 80.364 58.150 7.439 98.555 98.443 112 106.802 15.619 38.108 6.884 6.717 98.766 16.271 1.759 20.693 51.739 6.473 0 29.489 117.242 24.462 174.638 72.231 5.625 -59 502 197.167 65.706 3.892 0 221
Seizoen- en werkdaggecorrigeerde cijfers 2022 2e kwartaal* 233.204 96.562 221.489 221.543 60.912 103.483 134.156 53.153 26.013 81.553 58.781 7.405 105.560 100.658 4.902 108.627 16.352 38.543 6.737 6.530 101.377 16.867 2.897 20.199 52.506 6.460 0 31.303 118.237 24.366 197.865 75.622 6.810 -60 410 218.870 66.802 4.125 0 253
Seizoen- en werkdaggecorrigeerde cijfers 2022 3e kwartaal* 238.286 98.360 233.202 231.705 67.019 14.320 137.117 55.016 25.271 83.355 59.635 7.686 104.430 103.553 877 110.806 16.663 38.998 6.934 5.808 104.283 16.612 3.619 19.389 52.184 6.494 0 32.239 123.037 24.826 203.837 71.722 7.017 -63 227 225.292 66.607 4.345 0 271
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel geeft een overzicht van enkele niet-financiële (lopende) transacties en saldi per kwartaal van de institutionele sectoren van de Nederlandse economie. De bedragen zijn zowel seizoen- en werkdaggecorrigeerd als niet-gecorrigeerd gepresenteerd. Door de kwartaaluitkomsten te schonen voor seizoen- en werkdageffecten kunnen kwartaal op kwartaalontwikkelingen beter worden vergeleken en ook de onderliggende trendmatige ontwikkeling gemakkelijker worden gevolgd. De niet-gecorrigeerde cijfers komen overeen met (tellingen van) niet-geconsolideerde gegevens uit de tabel 'lopende transacties naar sectoren'. Voor de totale inkomsten en uitgaven van de overheid betreft het tellingen van geconsolideerde gegevens.

Gegevens beschikbaar vanaf het eerste kwartaal van 1999.

Status van de cijfers:
De gegevens van 1999 tot en met 2019 zijn definitief. Gegevens van 2020, 2021 en 2022 hebben de status voorlopig.

Wijzigingen per 23 december 2022:
Cijfers over het derde kwartaal van 2022 zijn toegevoegd.

Correcties per 21 oktober 2022:
De nieuwste cijfers voor werkdag- en seizoengecorrigeerde cijfers van een aantal tijdreeksen in de periode 1999-2009 waren niet opgenomen in deze tabel. In deze versie zijn deze cijfers wel opgenomen.

Correcties per 23 september 2022:
De methode voor het bepalen van de aan het buitenland betaalde en van het buitenland ontvangen winsten van niet-financiële vennootschappen is verbeterd in de periode vanaf 1995. Dit werkt door in meerdere kerncijfers. Omdat een deel van de betaalde winsten via financiële holdings lopen, zijn ook de betaalde winsten van financiële instellingen gewijzigd.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
85 dagen na afloop van een verslagkwartaal komt de eerste kwartaalraming beschikbaar. Mocht daarna nog nieuwe kwartaalinformatie beschikbaar komen, dan kan in september het eerste, en in december het tweede kwartaal nog worden herzien. In maart kunnen de eerste drie kwartalen nog worden bijgesteld. Als in juni (nieuwe) jaarcijfers beschikbaar komen, dan worden de kwartaalcijfers opnieuw herzien zodat ze aansluiten op die jaarcijfers.

Toelichting onderwerpen

Totaal binnenlandse sectoren
De totale economie bestaat uit de sectoren niet-financiële vennootschappen, financiële instellingen, overheid, huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens. Het onderscheid tussen de sectoren wordt bepaald aan de hand van internationaal vastgestelde regels.
Bruto binnenlands product
Het bruto binnenlands product (bbp) is een maat voor de omvang van de economie. De verandering van het volume van het bbp in een bepaalde tijdsperiode is een maat voor de groei (of krimp) van de economie. Het bruto binnenlands product tegen marktprijzen is het eindresultaat van de productieve activiteiten van ingezeten productie-eenheden. Het kan op drie manieren worden gedefinieerd:
- vanuit het oogpunt van de productie: het bbp is de som van de bruto toegevoegde waarde van alle institutionele sectoren of bedrijfstakken en het saldo van productgebonden belastingen en subsidies (die niet aan sectoren en bedrijfstakken worden toegerekend). Het is eveneens de sluitpost van de productierekening van de totale economie;
- vanuit het oogpunt van de bestedingen: het bbp is de som van de finale bestedingen aan goederen en diensten door ingezeten institutionele eenheden (consumptie en bruto-investeringen) en het saldo van uitvoer en invoer van goederen en diensten;
- vanuit het oogpunt van het inkomen: het bbp is de som van de bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de totale economie (beloning van werknemers, belastingen op productie en invoer exclusief subsidies, bruto-exploitatieoverschot en gemengd inkomen van de totale economie).
Door het bbp te verminderen met het verbruik van vaste activa, wordt het netto binnenlands product (nbp) tegen marktprijzen verkregen.

Bruto exploitatieoverschot
Het saldo dat resteert nadat de toegevoegde waarde tegen basisprijzen is verminderd met de beloning van werknemers en het saldo van belastingen en subsidies op productie en invoer. Bij zelfstandigen (die deel uitmaken van de sector huishoudens) wordt dit saldo gemengd inkomen genoemd omdat het ook de beloning voor de door hen geleverde arbeid bevat.

In de nationale rekeningen betekent 'bruto' vóór aftrek van afschrijvingen (het verbruik van vaste activa) en 'netto' na aftrek van afschrijvingen. Uit het bruto-exploitatieoverschot moeten het verbruik van vaste activa worden bekostigd.
Saldo primaire inkomens (bruto)
Het totaal van de door ingezeten institutionele eenheden ontvangen primaire inkomens: beloning van werknemers, netto-exploitatieoverschot / netto gemengd inkomen, het saldo van ontvangen en betaald inkomen uit vermogen en de belastingen op productie en invoer minus subsidies. Inkomens uit vermogen die van de ene binnenlandse sector naar de andere gaan, vallen in dit inkomensbegrip tegen elkaar weg. Het bruto nationaal inkomen (tegen marktprijzen) is gelijk aan het bbp minus het primaire inkomen dat ingezeten eenheden aan niet-ingezeten eenheden betalen plus het primaire inkomen dat ingezeten eenheden uit het buitenland ontvangen. De afdrachten van lidstaten aan de Europese Unie is voor een groot deel gebaseerd op het bruto nationaal inkomen.

Het begrip nationaal inkomen is geen productie-, maar een inkomensbegrip; het is daarom relevanter indien het netto wordt uitgedrukt, dat wil zeggen na aftrek van afschrijvingen (het verbruik van vaste activa).

Het primaire inkomen (nationaal inkomen) is het inkomen dat de sectoren ontvangen voor hun directe deelname aan het productieproces en het inkomen dat zij ontvangen in ruil voor het beschikbaar stellen van financiële middelen, grond e.d. Het nationaal inkomen is gelijk aan het bruto binnenlands product (bbp) plus het per saldo uit het buitenland ontvangen (primaire) inkomen. Het kan ook berekend worden als de som van de primaire inkomens van alle sectoren samen (totale economie). Bruto is inclusief verbruik van vaste activa.
Bruto beschikbaar inkomen
De som van de bruto beschikbare inkomens van de institutionele sectoren. Het bruto nationaal beschikbaar inkomen is gelijk aan het bruto nationaal inkomen (tegen marktprijzen) minus de inkomensoverdrachten (belastingen op inkomen, vermogen enz., sociale premies, sociale uitkeringen en overige inkomensoverdrachten) die aan niet-ingezeten eenheden worden betaald, plus de inkomensoverdrachten die ingezeten eenheden uit het buitenland ontvangen.
Bruto besparingen
Het deel van het beschikbaar inkomen dat niet gebruikt wordt voor de consumptieve bestedingen. De som van de vrije besparingen en het saldo van ontvangen kapitaaloverdrachten is beschikbaar voor investeringen, beleggingen in financiële activa of het aflossen van schulden.
Vorderingensaldo
Het vorderingensaldo is het saldo van middelen en bestedingen op de lopende rekening en de kapitaalrekening in de betreffende periode. Dit is gelijk aan het saldo van de transacties op de financiële rekening; een tekort op de lopende rekening en kapitaalrekening wordt gefinancierd met het aangaan van nieuwe schulden en/of door de verkoop van financiële activa terwijl bij een overschot schulden worden afgelost en/of financiële activa worden gekocht.

Het nationaal vorderingensaldo is het saldo van middelen en bestedingen op de lopende rekening en de kapitaalrekening van de gezamenlijke binnenlandse sectoren. In de financiële rekening van Nederland geeft het saldo aan voor welk bedrag nieuwe leningen zijn aangegaan met het buitenland en/of financiële activa zijn verkocht (bij een tekort) of voor welk bedrag schulden zijn afgelost aan het buitenland en/of financiële activa zijn gekocht (bij een overschot). Het vorderingensaldo is dan ook in theorie gelijk aan de mutatie van de saldo van vorderingen en schulden ten opzichte van het buitenland. In praktijk bestaat er echter een statistisch verschil tussen die twee.
Niet-financiële vennootschappen
De sector niet-financiële vennootschappen bevat alle vennootschappen met als hoofdfunctie het produceren van goederen en verhandelbare niet-financiële diensten.
Tot de niet-financiële vennootschappen behoren:
- alle vennootschappen (nv's, bv's, cv's, vof's) en coöperatieve verenigingen die niet tot de financiële instellingen worden gerekend. Ook grote zelfstandig opererende (niet-financiële) ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid worden tot de niet-financiële vennootschappen gerekend. Voorbeelden van deze zogenoemde quasi-vennootschappen zijn grote familiebedrijven;
- alle instellingen zonder winstoogmerk (stichtingen en verenigingen) die voor de markt produceren en niet tot de financiële instellingen worden gerekend. Voorbeelden zijn bejaardentehuizen, ziekenhuizen en woningcorporaties. Minimaal 50 procent van de productiekosten dient door de verkoop gedekt te worden anders wordt de betreffende instelling gerekend tot de sector overheid of de sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens;
- overheidsbedrijven (vennootschappen die geheel of gedeeltelijk eigendom zijn van de overheid) zoals de Nederlandse Spoorwegen.
Bruto toegevoegde waarde
De waarde van alle geproduceerde goederen en diensten (de 'productiewaarde' of 'output') minus de waarde van goederen en diensten die tijdens deze productie zijn opgebruikt, het 'intermediair verbruik'. 'Basisprijzen' wil zeggen de prijzen zijn die door producenten zijn ervaren: per bedrijfstak zijn de productgebonden belastingen er namelijk vanaf getrokken en de productgebonden subsidies erbij opgeteld.
Bruto exploitatieoverschot
Het saldo dat resteert nadat de toegevoegde waarde tegen basisprijzen is verminderd met de beloning van werknemers en het saldo van belastingen en subsidies op productie en invoer. Bij zelfstandigen (die deel uitmaken van de sector huishoudens) wordt dit saldo gemengd inkomen genoemd omdat het ook de beloning voor de door hen geleverde arbeid bevat.

In de nationale rekeningen betekent 'bruto' vóór aftrek van afschrijvingen (het verbruik van vaste activa) en 'netto' na aftrek van afschrijvingen. Uit het bruto-exploitatieoverschot moeten het verbruik van vaste activa worden bekostigd.
Investeringen in vaste activa (bruto)
De aanschaf van productiemiddelen die kunnen worden ingezet tijdens een productieproces en hierbij niet direct worden opgebruikt. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een gebouw of een machine zoals een hoogoven. Dit in tegenstelling tot goederen of diensten die tijdens het productieproces worden opgebruikt, zoals ijzererts, het 'intermediair verbruik'. Bij grensgevallen wordt volgens internationale afspraken van vaste activa gesproken wanneer zij tenminste één jaar bruikbaar zijn. Hoewel zij niet worden opgebruikt, kunnen vaste activa in de loop der jaren wel in waarde verminderen, door slijtage of omdat bijvoorbeeld de techniek veroudert ('economische veroudering'). Voor dit verouderingsproces moeten producenten afschrijvingen doen. Bij 'bruto-investeringen' zijn die afschrijvingen niet afgehaald van de waarde van de investeringen, bij 'netto-investeringen' is dit wel het geval.

De volgende investeringen worden onderscheiden: bouwwerken, machines, apparatuur, vervoermiddelen, wapensystemen, computers, software, onderzoek en ontwikkeling, in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen, exploratie en evaluatie van minerale reserves, kosten van eigendomsoverdracht voor niet-geproduceerde activa en intellectuele-eigendomsrechten. Ook de veranderingen in voorraden en het saldo van de aan- en verkopen van kostbaarheden worden aan de investeringen aan de vaste activa toegekend. De precieze afbakening van de investeringen is te vinden in artikel 3.122 e.v. van het Europees Systeem van Rekeningen 2010. Ten opzichte van het vorige Europees Systeem van rekeningen (1995) zijn de investeringen uitgebreid met onderzoek en ontwikkeling, wapensystemen en in eigen beheer ontwikkelde software. Onder het oude ESR vielen deze posten onder het intermediair verbruik.
Beloning van werknemers
De totale vergoeding, in geld of in natura, die door een werkgever aan een werknemer verschuldigd is voor de arbeid die deze tijdens een verslagperiode heeft verricht. De beloning van werknemers is gelijk aan het totaal van lonen en sociale premies ten laste van werkgevers.
Overheid
De overheid bestaat ten eerste uit eenheden die uitvoerende, wetgevende en rechterlijke bevoegdheden op nationaal of regionaal niveau hebben. Zij hebben daarmee de bevoegdheid belastingen en andere verplichte heffingen op te leggen en wetten vast te stellen die het gedrag van economische eenheden beïnvloeden. Het gaat hierbij in Nederland om het rijk, gemeenten, provincies, waterschappen en dergelijke. Daarnaast worden die instellingen tot de overheid gerekend die gecontroleerd en voornamelijk gefinancierd worden door de eerder genoemde eenheden, én daarbij niet voor de markt produceren. Van niet-marktproductie is sprake als de verkoopopbrengsten structureel minder zijn dan 50 procent van de productiekosten. Dergelijke entiteiten zijn vaak opgericht voor specifieke taken, zoals de aanleg van wegen of de niet-marktproductie van diensten op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs of onderzoek. Op deze wijze worden onder meer ook ProRail en de Open Universiteit tot de overheid gerekend. Nederlandse overheidsinstellingen die werkzaam zijn in het buitenland, zoals ambassades, behoren ook tot de Nederlandse overheid. Omgekeerd worden buitenlandse ambassades en internationale instellingen, zoals Europol en het Internationaal gerechtshof, daar niet toe gerekend.

Niet tot de sector overheid behoren bijvoorbeeld De Nederlandsche Bank (DNB), de NS, ziekenhuizen en energiebedrijven, maar ook sommige Zelfstandige Bestuursorganen (ZBO's) als het Kadaster. Zij worden wel in min of meerdere mate gecontroleerd door de overheid. Hun diensten en goederen worden echter (grotendeels) gefinancierd via tarieven, waardoor er sprake is van marktproductie. De sector overheid bestaat uit drie subsectoren: centrale overheid, lokale overheid en socialezekerheidsfondsen.

De belangrijkste economische functies van de overheid zijn:
a) het verschaffen van goederen en diensten aan de gemeenschap, hetzij voor collectieve consumptie, zoals bij openbaar bestuur, defensie en wetshandhaving, hetzij voor individuele consumptie, zoals bij onderwijs, gezondheidszorg, recreatie en culturele voorzieningen, en de financiering hiervan uit belastingmiddelen en andere inkomsten;
b) het herverdelen van inkomen en vermogen door middel van overdrachten, zoals door belastingen en sociale uitkeringen;
c) het verrichten van andere vormen van niet-marktproductie.
Consumptieve bestedingen
Uitgaven aan goederen en diensten die worden gebruikt voor de rechtstreekse bevrediging van individuele of collectieve behoeften. De consumptieve bestedingen kunnen zowel op het eigen grondgebied als in het buitenland worden gedaan, maar het gaat altijd om uitgaven door ingezeten institutionele eenheden, dat wil zeggen in Nederland gevestigde huishoudens, izw's t.b.v. huishoudens en overheidsinstanties. Consumptieve bestedingen worden gedaan door huishoudens, izw's t.b.v. huishoudens en de overheid. Ondernemingen consumeren niet: kosten aan goederen en diensten die ondernemingen maken ten behoeve van hun productie vallen hier niet onder, maar onder intermediair verbruik of investeringen. De overheid is een speciaal geval. Ook de overheid kent intermediair verbruik, naar analogie van ondernemingen. Maar de productie die de overheid levert en waar niet rechtstreeks voor wordt betaald, niet-markt-output (veiligheid bijvoorbeeld), valt onder de (overheids-)consumptie. Het heet dat de overheid 'haar eigen productie consumeert'. Binnen de nationale rekeningen moet alles wat wordt geproduceerd namelijk ook worden afgenomen. Dat de consumptie van de overheidsproductie bij de overheid zelf is neergelegd, is een conventie. Daarnaast bevat de overheidsconsumptie ook door de overheid verstrekte sociale uitkeringen in natura zoals basiszorg (gefinancierd uit AWBZ en de Zorgverzekeringswet) en huurtoeslag.
Investeringen in vaste activa (bruto)
De aanschaf van productiemiddelen die kunnen worden ingezet tijdens een productieproces en hierbij niet direct worden opgebruikt. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een gebouw of een machine zoals een hoogoven. Dit in tegenstelling tot goederen of diensten die tijdens het productieproces worden opgebruikt, zoals ijzererts, het 'intermediair verbruik'. Bij grensgevallen wordt volgens internationale afspraken van vaste activa gesproken wanneer zij tenminste één jaar bruikbaar zijn. Hoewel zij niet worden opgebruikt, kunnen vaste activa in de loop der jaren wel in waarde verminderen, door slijtage of omdat bijvoorbeeld de techniek veroudert ('economische veroudering'). Voor dit verouderingsproces moeten producenten afschrijvingen doen. Bij 'bruto-investeringen' zijn die afschrijvingen niet afgehaald van de waarde van de investeringen, bij 'netto-investeringen' is dit wel het geval.

De volgende investeringen worden onderscheiden: bouwwerken, machines, apparatuur, vervoermiddelen, wapensystemen, computers, software, onderzoek en ontwikkeling, in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen, exploratie en evaluatie van minerale reserves, kosten van eigendomsoverdracht voor niet-geproduceerde activa en intellectuele-eigendomsrechten. Ook de veranderingen in voorraden en het saldo van de aan- en verkopen van kostbaarheden worden aan de investeringen aan de vaste activa toegekend. De precieze afbakening van de investeringen is te vinden in artikel 3.122 e.v. van het Europees Systeem van Rekeningen 2010. Ten opzichte van het vorige Europees Systeem van rekeningen (1995) zijn de investeringen uitgebreid met onderzoek en ontwikkeling, wapensystemen en in eigen beheer ontwikkelde software. Onder het oude ESR vielen deze posten onder het intermediair verbruik.
Totaal inkomsten
Totale inkomsten van de overheid. Tot de inkomsten behoren belastingen, premies wettelijke sociale verzekering, marktproductie, inkomen uit vermogen, overige inkomsten niet elders gespecificeerd (investeringen in eigen beheer, betalingen voor niet-marktoutput, niet-productgebonden subsidies, toegerekende sociale premies, overige inkomensoverdrachten, kapitaaloverdrachten). Verkopen van investeringsgoederen en gronden zijn onder de uitgaven opgenomen met een minteken.
Totaal uitgaven
Totale uitgaven van de overheid. Tot de uitgaven behoren de beloning van werknemers, intermediair verbruik, investeringen, uitkeringen wettelijke sociale verzekering, uitkeringen sociale voorziening, subsidies, inkomen uit vermogen, overige uitgaven niet elders gespecificeerd (niet-productgebonden belastingen op productie, uitkeringen rechtstreeks door werkgevers, overige inkomensoverdrachten, kapitaaloverdrachten, saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde niet-financiële activa).
Afschrijvingen worden niet gerekend tot de uitgaven, investeringen wel.
Vorderingensaldo (EMU-saldo)
Het vorderingensaldo is het saldo van middelen en bestedingen op de lopende rekening en de kapitaalrekening in de betreffende periode. Dit is gelijk aan het saldo van de transacties op de financiële rekening; een tekort op de lopende rekening en kapitaalrekening wordt gefinancierd met het aangaan van nieuwe schulden en/of door de verkoop van financiële activa terwijl bij een overschot schulden worden afgelost en/of financiële activa worden gekocht.
Het vorderingensaldo van de sector overheid in de nationale rekeningen (ook wel EMU-saldo genoemd) is één van de onderdelen van het Groei- en Stabiliteitspact. Een positief getal betekent een overschot en een negatief getal een tekort.

Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish.
Huishoudens inclusief instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van de huishoudens (IZWh).
De sector huishoudens bestaat uit personen of groepen van personen in hun hoedanigheid van consument en personen of groepen van personen die als ondernemer goederen en al dan niet financiële diensten voor de markt produceren (marktproducenten), voor zover de goederen en diensten niet worden geproduceerd door afzonderlijke entiteiten die als quasivennootschap worden aangemerkt. Deze sector omvat ook personen of groepen van personen die als producent uitsluitend voor eigen finaal gebruik goederen en niet-financiële diensten voortbrengen. Tot de sector huishoudens behoren alle natuurlijke personen die langer dan een jaar in Nederland verblijven, ongeacht hun nationaliteit. Omgekeerd worden Nederlanders die langer dan een jaar in het buitenland verblijven niet tot de Nederlandse huishoudens gerekend. Huishoudens omvatten niet alleen op zichzelf of in gezinsverband wonende personen, maar ook personen in verpleeginrichtingen, bejaardentehuizen, gevangenissen en internaten. Indien de tot de huishoudens gerekende personen een eigen bedrijf hebben, wordt dit bedrijf ook tot de huishoudens gerekend. Dit is het geval bij de zelfstandigen (eenmanszaken). Grote, zelfstandig opererende ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid (quasi-vennootschappen) behoren echter tot de (niet-financiële of financiële) vennootschappen.
De sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens (IZWh) bestaat uit izw's met rechtspersoonlijkheid die werken ten behoeve van huishoudens en die particuliere niet-marktproducent zijn. De voornaamste middelen van deze instellingen zijn vrijwillige bijdragen, in geld of in natura, van huishoudens in hun hoedanigheid van consument, betalingen door de overheid en inkomen uit vermogen. Voorbeelden zijn religieuze instellingen, liefdadigheidsinstellingen, politieke partijen, vakbonden en verenigingen op het gebied van cultuur, sport en recreatie.
Middelen
Middelen bestaan uit transacties die de economische waarde van sectoren verhogen (oftewel de inkomsten door sectoren).
Beloning van werknemers
De totale vergoeding, in geld of in natura, die door een werkgever aan een werknemer verschuldigd is voor de arbeid die deze tijdens een verslagperiode heeft verricht. De beloning van werknemers is gelijk aan het totaal van lonen en sociale premies ten laste van werkgevers.
Inkomen uit vermogen
Inkomen uit vermogen ontstaat wanneer de eigenaren van financiële activa of van natuurlijke hulpbronnen deze ter beschikking stellen aan andere institutionele eenheden. Het inkomen dat voor het gebruik van financiële activa verschuldigd is, wordt inkomen uit beleggingen genoemd, terwijl het inkomen dat voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen verschuldigd is, inkomen uit natuurlijke hulpbronnen wordt genoemd. Inkomen uit vermogen is de som van inkomen uit beleggingen en inkomen uit natuurlijke hulpbronnen.
Sociale uitkeringen (in geld)
Deze uitkeringen worden aan huishoudens toegekend om financiële zekerheid te bieden tegen een aantal risico's (zoals ziekte, invaliditeit, arbeidsongeschiktheid, ouderdom, het overlijden van naasten en werkloosheid) of om in bepaalde behoeftes te voorzien (zoals huisvesting en onderwijs). Hieronder vallen de uitkeringen wettelijke sociale verzekering, uitkeringen sociale voorziening, pensioenuitkeringen, overige particuliere sociale premies en uitkeringen rechtstreeks door werkgevers.
Overige inkomensoverdrachten
Hieronder vallen inkomensoverdrachten die niet in de andere categorieën zijn ingedeeld.
Correctie mutaties in pensioenrechten
Deze correctie is bedoeld om de verandering in de pensioenrechten en collectieve levensverzekeringsrechten, in de besparingen van de huishoudens tot uitdrukking te kunnen brengen. Deze rechten worden in de financiële rekeningen en de balansen beschouwd als vorderingen van huishoudens op pensioenfondsen en levensverzekeraars.
De correctie is gelijk aan het verschil tussen netto pensioenpremies (incl. toegerekende premies) en de pensioenuitkeringen. Zo blijven de besparingen van huishoudens op hetzelfde niveau als wanneer de pensioenpremies en uitkeringen niet als inkomenstransacties zouden zijn opgenomen.
Bestedingen
Bestedingen bestaan uit transacties die de economische waarde van sectoren verminderen (oftewel de uitgaven door sectoren).
Consumptieve bestedingen
Uitgaven aan goederen en diensten die worden gebruikt voor de rechtstreekse bevrediging van individuele of collectieve behoeften. De consumptieve bestedingen kunnen zowel op het eigen grondgebied als in het buitenland worden gedaan, maar het gaat altijd om uitgaven door ingezeten institutionele eenheden, dat wil zeggen in Nederland gevestigde huishoudens, izw's t.b.v. huishoudens en overheidsinstanties. Consumptieve bestedingen worden gedaan door huishoudens, izw's t.b.v. huishoudens en de overheid. Ondernemingen consumeren niet: kosten aan goederen en diensten die ondernemingen maken ten behoeve van hun productie vallen hier niet onder, maar onder intermediair verbruik of investeringen. De overheid is een speciaal geval. Ook de overheid kent intermediair verbruik, naar analogie van ondernemingen. Maar de productie die de overheid levert en waar niet rechtstreeks voor wordt betaald, niet-markt-output (veiligheid bijvoorbeeld), valt onder de (overheids-)consumptie. Het heet dat de overheid 'haar eigen productie consumeert'. Binnen de nationale rekeningen moet alles wat wordt geproduceerd namelijk ook worden afgenomen. Dat de consumptie van de overheidsproductie bij de overheid zelf is neergelegd, is een conventie. Daarnaast bevat de overheidsconsumptie ook door de overheid verstrekte sociale uitkeringen in natura zoals basiszorg (gefinancierd uit AWBZ en de Zorgverzekeringswet) en huurtoeslag.
Investeringen in vaste activa (bruto)
De aanschaf van productiemiddelen die kunnen worden ingezet tijdens een productieproces en hierbij niet direct worden opgebruikt. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een gebouw of een machine zoals een hoogoven. Dit in tegenstelling tot goederen of diensten die tijdens het productieproces worden opgebruikt, zoals ijzererts, het 'intermediair verbruik'. Bij grensgevallen wordt volgens internationale afspraken van vaste activa gesproken wanneer zij tenminste één jaar bruikbaar zijn. Hoewel zij niet worden opgebruikt, kunnen vaste activa in de loop der jaren wel in waarde verminderen, door slijtage of omdat bijvoorbeeld de techniek veroudert ('economische veroudering'). Voor dit verouderingsproces moeten producenten afschrijvingen doen. Bij 'bruto-investeringen' zijn die afschrijvingen niet afgehaald van de waarde van de investeringen, bij 'netto-investeringen' is dit wel het geval.

De volgende investeringen worden onderscheiden: bouwwerken, machines, apparatuur, vervoermiddelen, wapensystemen, computers, software, onderzoek en ontwikkeling, in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen, exploratie en evaluatie van minerale reserves, kosten van eigendomsoverdracht voor niet-geproduceerde activa en intellectuele-eigendomsrechten. Ook de veranderingen in voorraden en het saldo van de aan- en verkopen van kostbaarheden worden aan de investeringen aan de vaste activa toegekend. De precieze afbakening van de investeringen is te vinden in artikel 3.122 e.v. van het Europees Systeem van Rekeningen 2010. Ten opzichte van het vorige Europees Systeem van rekeningen (1995) zijn de investeringen uitgebreid met onderzoek en ontwikkeling, wapensystemen en in eigen beheer ontwikkelde software. Onder het oude ESR vielen deze posten onder het intermediair verbruik.
Inkomen uit vermogen
Inkomen uit vermogen ontstaat wanneer de eigenaren van financiële activa of van natuurlijke hulpbronnen deze ter beschikking stellen aan andere institutionele eenheden. Het inkomen dat voor het gebruik van financiële activa verschuldigd is, wordt inkomen uit beleggingen genoemd, terwijl het inkomen dat voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen verschuldigd is, inkomen uit natuurlijke hulpbronnen wordt genoemd. Inkomen uit vermogen is de som van inkomen uit beleggingen en inkomen uit natuurlijke hulpbronnen.
Belastingen op inkomen en vermogen
Alle verplichte betalingen om niet, in geld of in natura, die regelmatig door de overheid en door het buitenland over het inkomen en het vermogen van institutionele eenheden worden geheven.

Bij vennootschappen omvatten de belastingen op inkomen en vermogen met name de vennootschapsbelasting en de dividendbelasting. Deze belastingen hebben als grondslag de winst van vennootschappen.
Bij huishoudens worden als belastingen op inkomen en vermogen alle belastingen beschouwd, die periodiek worden geheven op het inkomen of het vermogen, zoals inkomstenbelasting, loonbelasting en vermogensbelasting. Niet-periodieke heffingen, zoals de successierechten, zijn als kapitaaloverdrachten aangemerkt.
Enkele belastingsoorten die bij producenten gerekend worden tot belastingen op productie en invoer worden bij huishoudens, in hun hoedanigheid van consument, beschouwd als belastingen op inkomen en vermogen. Zo is de motorrijtuigenbelasting op auto's die privé worden gebruikt, gerekend tot de belastingen op inkomen en vermogen.
De behandeling van de dividendbelasting vloeit voort uit de bruto registratie van dividend, dat wil zeggen inclusief dividendbelasting. Dit betekent dat de dividendbelasting geboekt dient te worden bij de sector die het dividend ontvangt. Dit heeft tot gevolg dat er ook dividendbelasting aan het buitenland wordt betaald en uit het buitenland wordt ontvangen.
Sociale premies
Sociale premies (netto) zijn de werkelijke of toegerekende premies die huishoudens aan socialeverzekeringsregelingen bijdragen om voorzieningen te treffen voor sociale uitkeringen.

Dit zijn de premies wettelijke sociale verzekering, pensioenpremies, overige particuliere sociale premies en toegerekende sociale premies. Deze premies komen ten laste van werkgevers, werknemers, zelfstandigen en niet-werkenden.
In de praktijk wordt het werkgeversdeel van deze premies rechtstreeks door de werkgevers aan de verzekeraars en pensioenfondsen betaald. Omdat de werkgeverspremies ook deel uit maken van de loonkosten zijn zij in eerste aanleg behandeld als beloning van werknemers aan huishoudens. Vanuit de huishoudens vloeien ze daarna, samen met de premies die niet ten laste komen van werkgevers, naar de verzekeraars en pensioenfondsen.
Overige inkomensoverdrachten
Hieronder vallen inkomensoverdrachten die niet in de andere categorieën zijn ingedeeld.
Correctie mutaties in pensioenrechten
Deze correctie is bedoeld om de verandering in de pensioenrechten en collectieve levensverzekeringsrechten, in de besparingen van de huishoudens tot uitdrukking te kunnen brengen. Deze rechten worden in de financiële rekeningen en de balansen beschouwd als vorderingen van huishoudens op pensioenfondsen en levensverzekeraars.
De correctie is gelijk aan het verschil tussen netto pensioenpremies (incl. toegerekende premies) en de pensioenuitkeringen. Zo blijven de besparingen van huishoudens op hetzelfde niveau als wanneer de pensioenpremies en uitkeringen niet als inkomenstransacties zouden zijn opgenomen.

Bruto exploitatieoverschot
Het saldo dat resteert nadat de toegevoegde waarde tegen basisprijzen is verminderd met de beloning van werknemers en het saldo van belastingen en subsidies op productie en invoer. Bij zelfstandigen (die deel uitmaken van de sector huishoudens) wordt dit saldo gemengd inkomen genoemd omdat het ook de beloning voor de door hen geleverde arbeid bevat.

In de nationale rekeningen betekent 'bruto' vóór aftrek van afschrijvingen (het verbruik van vaste activa) en 'netto' na aftrek van afschrijvingen. Uit het bruto-exploitatieoverschot moeten het verbruik van vaste activa worden bekostigd.
Bruto beschikbaar inkomen
De som van de bruto beschikbare inkomens van de institutionele sectoren. Het bruto nationaal beschikbaar inkomen is gelijk aan het bruto nationaal inkomen (tegen marktprijzen) minus de inkomensoverdrachten (belastingen op inkomen, vermogen enz., sociale premies, sociale uitkeringen en overige inkomensoverdrachten) die aan niet-ingezeten eenheden worden betaald, plus de inkomensoverdrachten die ingezeten eenheden uit het buitenland ontvangen.
Bruto besparingen
Het deel van het beschikbaar inkomen dat niet gebruikt wordt voor de consumptieve bestedingen. De som van de vrije besparingen en het saldo van ontvangen kapitaaloverdrachten is beschikbaar voor investeringen, beleggingen in financiële activa of het aflossen van schulden.
Buitenland
Onder de sector buitenland wordt een groep eenheden verstaan die niet worden gekenmerkt door hun functie of inkomensbron. Het omvat niet-ingezeten eenheden, voor zover deze transacties plegen met ingezeten institutionele eenheden of andere economische banden hebben met ingezeten eenheden. De buitenlandrekeningen geven een overzicht van de economische betrekkingen tussen de nationale economie en het buitenland. De instellingen van de EU en internationale organisaties behoren ook hiertoe.
Het buitenland is geen sector waarvoor een volledig rekeningenstelsel moet worden samengesteld, maar wordt gemakshalve als sector behandeld. Sectoren worden verkregen door opsplitsing van de totale economie in homogene groepen van ingezeten institutionele eenheden die wat hun economisch gedrag, doelstellingen en functies betreft, bepaalde overeenkomsten vertonen. Dit geldt niet voor de sector buitenland: onder deze sector vallen de transacties en overige stromen van niet-financiële vennootschappen, financiële instellingen, instellingen zonder winstoogmerk, huishoudens en overheid enerzijds met niet-ingezeten institutionele eenheden anderzijds, alsmede andere economische betrekkingen tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, bijvoorbeeld vorderingen van ingezetenen op niet-ingezetenen.
Middelen
Middelen bestaan uit transacties die de economische waarde van sectoren verhogen (oftewel de inkomsten door sectoren).
Invoer van goederen en diensten
De goederen- en dienstenstromen (verkoop, ruil en giften) van niet-ingezetenen naar ingezetenen (in Nederland). Invoer van goederen vindt plaats wanneer de economische eigendom van goederen door een niet-ingezetene wordt overgedragen aan een ingezetene, ongeacht of er sprake is van een fysieke grensoverschrijdende goederenbeweging. Een bedrijf of instantie wordt als hier ingezetene beschouwd wanneer het minimaal een jaar in Nederland actief is. Of dit bedrijf of deze instantie in buitenlandse handen is, doet niet ter zake.
Ontvangen primaire inkomens
De door het buitenland van Nederland ontvangen beloning van werknemers, inkomen uit vermogen en belastingen op productie en invoer.
Ontvangen inkomensoverdrachten
De door het buitenland van Nederland ontvangen belasting op inkomen en vermogen, de sociale premies, de sociale uitkeringen in geld en de overige inkomensoverdrachten.
Correctie mutaties in pensioenrechten
Deze correctie is bedoeld om de verandering in de pensioenrechten en collectieve levensverzekeringsrechten, in de besparingen van de huishoudens tot uitdrukking te kunnen brengen. Deze rechten worden in de financiële rekeningen en de balansen beschouwd als vorderingen van huishoudens op pensioenfondsen en levensverzekeraars.
De correctie is gelijk aan het verschil tussen netto pensioenpremies (incl. toegerekende premies) en de pensioenuitkeringen. Zo blijven de besparingen van huishoudens op hetzelfde niveau als wanneer de pensioenpremies en uitkeringen niet als inkomenstransacties zouden zijn opgenomen.
Ontvangen kapitaaloverdrachten
De door het buitenland ontvangen kapitaaloverdrachten.
Kapitaaloverdrachten zijn betalingen waarvoor geen tegenprestatie verwacht wordt en die drukken op het vermogen van de betaler of dienen om investeringen in vaste activa of andere lange termijn uitgaven van de ontvanger te financieren.
Er zijn vier deeltransacties onderscheiden: investeringsbijdragen, vermogensheffingen, overige kapitaaloverdrachten en de toegerekende kapitaaloverdrachten.

Bestedingen
Bestedingen bestaan uit transacties die de economische waarde van sectoren verminderen (oftewel de uitgaven door sectoren).
Uitvoer van goederen en diensten
De goederen- en dienstenstromen (verkoop, ruil en giften) van ingezetenen (in Nederland) naar niet-ingezetenen. Uitvoer van goederen vindt plaats wanneer het economisch eigendom van goederen door een ingezetene wordt overgedragen aan een niet-ingezetene, ongeacht of er sprake is van een fysieke grensoverschrijdende goederenbeweging. Een bedrijf of instantie wordt als hier ingezetene beschouwd wanneer het minimaal een jaar in Nederland actief is. Of dit bedrijf of deze instantie in buitenlandse handen is, doet niet ter zake.
Betaalde primaire inkomens
De door het buitenland aan Nederland betaalde beloning van werknemers, inkomen uit vermogen, en subsidies (EU).
Betaalde inkomensoverdrachten
De door het buitenland aan Nederland betaalde belasting op inkomen en vermogen, sociale premies, sociale uitkeringen in geld en overige inkomensoverdrachten.
Correctie mutaties in pensioenrechten
Deze correctie is bedoeld om de verandering in de pensioenrechten en collectieve levensverzekeringsrechten, in de besparingen van de huishoudens tot uitdrukking te kunnen brengen. Deze rechten worden in de financiële rekeningen en de balansen beschouwd als vorderingen van huishoudens op pensioenfondsen en levensverzekeraars.
De correctie is gelijk aan het verschil tussen netto pensioenpremies (incl. toegerekende premies) en de pensioenuitkeringen. Zo blijven de besparingen van huishoudens op hetzelfde niveau als wanneer de pensioenpremies en uitkeringen niet als inkomenstransacties zouden zijn opgenomen.
Betaalde kapitaaloverdrachten
De door het buitenland betaalde kapitaaloverdrachten.
Kapitaaloverdrachten zijn betalingen waarvoor geen tegenprestatie verwacht wordt en die drukken op het vermogen van de betaler of dienen om investeringen in vaste activa of andere lange termijn uitgaven van de ontvanger te financieren.
Er zijn vier deeltransacties onderscheiden: investeringsbijdragen, vermogensheffingen, overige kapitaaloverdrachten en de toegerekende kapitaaloverdrachten.