Milieu-economische kerncijfers; NAMEA

Milieu-economische kerncijfers; NAMEA

Bedrijfsklassen en huishoudens Perioden Milieu: vervuiling Afval (mln kg) Milieu: vervuiling Zware metalen naar water (1 000 zware metaal-equivalenten) Milieu: vervuiling Nutriënten naar water (1 000 nutriënten-equivalenten) Milieu: vervuiling Klimaatverandering (broeikasgassen) (mln broeikasgas-equivalenten) Milieu: vervuiling Verzuring (verzurende stoffen) (mln zuur-equivalenten) Milieu: vervuiling Ozonlaagaantasting (1 000 CFK12-equivalenten) Milieu: vervuiling Fijn stof (mln kg) Milieu financieel Opbrengst milieuheffingen en -belasting. (mln euro) Macro-economie Productie (basisprijzen) (mln euro) Macro-economie Toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen) (mln euro) Macro-economie Investeringen in vaste activa (bruto) (mln euro) Macro-economie Arbeidsvolume werkzame personen (1 000 arbeidsjaren)
01 1995 . 91 17.041 40.702 3,5 92,3 12,4 6.867
01 2000 . 90 18.417 40.523 2,8 73,6 11,4 9.822
01 2005 9.511 76 19.882 39.836 2,2 58,8 11,0 12.947
01 2006 9.417 76 19.923 39.052 2,1 55,8 10,8 13.683
01 2007 9.568 76 19.987 38.275 2,1 52,8 10,7 13.605
01 2008 9.420 76 20.054 39.680 1,9 49,8 9,6 14.333
02 1995 . 103 25.591 206.362 28,0 548,8 49,3 4.462 572.833 275.686 64.210 5.774,0
02 2000 . 65 22.678 202.725 24,7 142,5 40,9 6.667 804.906 373.415 92.742 6.533,7
02 2005 51.702 48 15.429 203.018 23,1 114,9 35,2 7.630 960.793 456.182 99.170 6.478,0
02 2006 52.612 46 14.990 199.216 21,7 114,4 33,5 8.512 1.020.578 479.012 108.568 6.582,8
02 2007 53.664 51 19.566 200.715 22,5 108,6 34,2 8.560 1.084.270 507.650 116.712 6.728,3
02 2008 55.054 45 16.050 199.025 19,7 104,7 32,4 9.079 1.150.453 529.319 125.125 6.810,6
35 1995 39 4.719 12.126 0,0 38,8 0,0 1.130 -710
35 2000 31 2.817 9.427 0,0 29,9 0,0 1.255 -1.090
35 2005 27 2.210 7.071 0,0 22,2 0,0 1.214 -2.154
35 2006 20 2.310 6.624 0,0 20,7 0,0 1.205 -2.195
35 2007 24 2.790 6.167 0,0 19,2 0,0 1.252 -2.372
35 2008 22 2.762 5.764 0,0 17,8 0,0 1.305 -2.437
36 1995 53.983 234 47.351 247.344 31,5 641,0 61,7 11.329 573.963 275.686 63.500 5.774,0
36 2000 64.013 187 43.911 243.526 27,5 216,1 52,3 16.489 806.161 373.415 91.652 6.533,7
36 2005 61.213 151 37.522 243.070 25,3 173,7 46,2 20.577 962.007 456.182 97.016 6.478,0
36 2006 62.029 142 37.223 238.449 23,8 170,2 44,3 22.195 1.021.783 479.012 106.373 6.582,8
36 2007 63.232 150 42.343 239.177 24,5 161,4 44,9 22.165 1.085.522 507.650 114.340 6.728,3
36 2008 64.474 143 38.865 238.896 21,6 154,6 42,0 23.412 1.151.758 529.319 122.688 6.810,6
37 1995 5.719 538 70.763 8,4 4,5
37 2000 6.577 356 53.433 9,4 5,4
37 2005 10.743 298 35.836 9,5 4,8
37 2006 11.243 329 37.535 9,8 5,0
37 2007 11.566 324 40.708 9,2 4,3
37 2008 12.749 236 39.408 8,8 4,5
38 1995 59.702 772 118.114 247.344 39,9 641,0 66,2
38 2000 70.590 543 97.344 243.526 36,9 216,1 57,7
38 2005 71.956 449 73.358 243.070 34,9 173,7 50,9
38 2006 73.272 471 74.758 238.449 33,6 170,2 49,4
38 2007 74.798 475 83.051 239.177 33,8 161,4 49,2
38 2008 77.223 378 78.273 238.896 30,4 154,6 46,6
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel met milieu-economische kerncijfers geeft per bedrijfstak in één
overzicht aan: de bijdragen aan bepaalde milieuproblemen (broeikaseffect,
verzuring etc.), de milieu-uitgaven (milieukosten, milieubelastingen etc.)
en de rol in de economie (toegevoegde waarde, arbeidsvolume werkzame
personen etc.). Alle cijfers komen uit reeds bestaande Statlinetabellen.
De hier gepresenteerde indicatoren kunnen gebruikt worden voor analyses en
ter ondersteuning van het milieu-economische beleid.

Gegevens beschikbaar vanaf: 1995
Frequentie: stopgezet per 21 november 2011.

Status van de cijfers
De gehele reeks wordt jaarlijks aangepast aan de broncijfers uit de
Statlinetabellen.

Wijzigingen ten opzichte van de vorige versie
n.v.t.

Release policy
Stopgezet. Deze tabel is vervangen door een tabel gebaseerd op de vernieuwde bedrijfstakkenindeling (SBI 2008).
href="http://statline.cbs.nl/StatWeb/table.asp?PA=81409ned"
>Milieurekeningen; kerncijfers (SBI 2008)


Toelichting onderwerpen

Milieu: vervuiling
De aantasting van het milieu door menselijke activiteiten.
Afval
Bij de indeling naar afvalsoorten is aangesloten bij de indeling in de
Europese verordening met betrekking tot afvalstofstatistieken. Het gaat
hier zowel om de productie van afval met een commerciële waarde
(afvalproducten) als om afval zonder een commerciële waarde
(afvalresiduen) voor de producent.
Zware metalen naar water
Een groep metalen met een hoog atoomgewicht. Hier worden met name de
metalen bedoeld met een hoge giftigheid, zoals arseen, cadmium, chroom,
koper, kwik, nikkel, lood en zink.
De emissies van koper, chroom, zink, lood, cadmium, kwik en arseen kunnen
worden omgerekend naar zware-metalenequivalenten en vervolgens opgeteld.
Bij de omrekening naar equivalenten wordt rekening gehouden met de
schadelijkheid van het metaal voor het milieu (VROM,1993: Environmental
policy performance indicators, A. Adriaanse).
Afzonderlijk krijgen de verschillende metalen het volgende gewicht in het
equivalent:
Zink: 1/30
Lood: 1/25
Chroom: 1/25
Arseen: 1/10
Koper: 1/3
Cadmium: 5
Kwik: 100/3
Nutriënten naar water
Voedingsstoffen die nodig zijn voor het groeien van planten en gewassen
(onder andere fosfor en stikstof).
Een te hoge concentratie van fosfor en of stikstof in het oppervlaktewater
is slecht voor de kwaliteit van het oppervlaktewater.
De emissies van fosfor en stikstof zijn omgerekend naar
nutriënten-equivalenten en vervolgens opgeteld. Bij de omrekening naar
equivalenten wordt rekening gehouden met de schadelijkheid van de
nutriënten voor het milieu. Fosfor krijgt een zwaarder gewicht dan
stikstof (factor 10).
Klimaatverandering (broeikasgassen)
Broeikasgassen houden een deel van de warmte die op aarde terecht komt
door zonnestraling vast. Door de toegenomen concentratie broeikasgassen in
de atmosfeer wordt meer warmte vastgehouden en neemt de temperatuur van
het aardoppervlak toe. Dit noemt men het versterkte broeikaseffect.
De belangrijkste broeikasgassen zijn kooldioxide (CO2), methaan (CH4),
lachgas (N2O), HFK's, PFK's en SF6.
Maatstaf die aangeeft in welke mate een stof bijdraagt aan het
broeikaseffect. Eén broeikasgasequivalent staat gelijk aan het effect dat
de uitstoot van 1 kilogram kooldioxide (CO2) heeft. Zo staat de uitstoot
van 1 kg methaan gelijk aan 21 broeikasgasequivalenten en is de uitstoot
van 1 kg lachgas gelijk aan 310 broeikasgasequivalenten.
De fluor(chloor)gassen hebben elk afzonderlijk een hoog CO2-equivalent,
maar omdat de uitgestoten hoeveelheden relatief klein zijn, is hun
bijdrage van het landelijk totaal gering.
Verzuring (verzurende stoffen)
Proces waarbij bodem en water zuurder worden als gevolg van de belasting
door verontreinigende stoffen, zoals NOX, SO2, NH3 en VOS (Vluchtige
Organische Stoffen).
De verzurende stoffen worden, samen met andere luchtverontreinigende
stoffen (VOS en fijn stof), geschaard onder het milieuthema: "Verzuring
en grootschalige luchtverontreiniging".
Maat waarin wordt uitgedrukt in welke mate een stof bijdraagt aan
verzuring van het milieu. Een zuurequivalent (zeq) is gelijk aan één mol
H+.
Bij de omrekening naar zuurequivalenten wordt rekening gehouden met de
bijdrage van de emissie aan de verzuring van het milieu.
De emissie van 1 kg NOx is gelijk gesteld aan 0,0217 zuurequivalent, de
emissie van 1 kg SO2 is gelijk aan 0,0313 zuurequivalent, en de emissie
van 1 kg NH3 is gelijk aan 0,0588 zuurequivalent.
Ozonlaagaantasting
Aantasting van de ozonlaag ten gevolge van de uitstoot van CFK's en
halonen naar de lucht, omgerekend naar CFK12 equivalenten.
De emissies van chloorfluorkoolwaterstofverbindingen (CFK's) en halonen
kunnen worden omgerekend naar CFK12-equivalenten. De omrekenfactoren zijn
afhankelijk van de mate waarin de verschillende CFK's en halonen de
ozonlaag aantasten.
Fijn stof
Hierin is alleen de uitstoot van PM10 opgenomen.
PM10 zijn deeltjes met doorsnede kleiner dan 10 micrometer die diep in de
longen kunnen doordringen.
Milieu financieel
Uitgaven en ontvangsten die samenhangen met de zorg voor het milieu.
Opbrengst milieuheffingen en -belasting.
Totale opbrengsten milieubelastingen en milieuheffingen.
Milieuheffingen zijn heffingen die zijn ingevoerd voor de financiering van
specifieke milieumaatregelen die door de overheid worden uitgevoerd.
Voorbeelden van milieuheffingen zijn rioolheffingen en rioolrechten,
waterverontreinigingsheffing, geluidsheffing burgerluchtvaart,
grondwaterheffing en heffing nazorg stortplaatsen.
Milieubelastingen zijn belastingen die het afremmen van milieubelastende
activiteiten beogen via een verhoging van de prijs. De opbrengsten van
deze belastingen gaan naar de algemene middelen van de overheid en worden
dus niet speciaal gebruikt voor de financiering van milieubeleid.
Voorbeelden van milieubelastingen zijn accijnzen op benzine,
motorrijtuigenbelasting, energiebelasting en belastingen op personenauto's
en motorrijwielen (BPM).
Niet meegenomen zijn de belastingen betaald door niet-ingezeten in
Nederland en Nederlandse ingezetenen in het buitenland.
Macro-economie
Economie die zich bezighoudt met groepen van goederen en
productiefactoren.
Productie (basisprijzen)
De waarde van alle voor de verkoop bestemde goederen (ook de nog niet
verkochte) en de ontvangsten voor bewezen diensten. Verder omvat de
productie producten met een marktequivalent die voor eigen gebruik zijn
geproduceerd zoals investeringen in eigen beheer, eigen woningdiensten en
landbouwproducten voor eigen consumptie door landbouwers. De
productiewaarde hiervan wordt berekend door de geproduceerde hoeveelheid
te waarderen tegen de prijs die de producent bij verkoop zou hebben
ontvangen. De productie is gewaardeerd tegen basisprijzen. De basisprijs
is de prijs die de producent daadwerkelijk overhoudt, dus exclusief de
handels- en vervoersmarges van derden en exclusief het saldo van
productgebonden belastingen (waaronder btw) en productgebonden subsidies.
Toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen)
De toegevoegde waarde tegen basisprijzen per bedrijfsklasse is gelijk aan
het verschil tussen de productie (basisprijzen) en het intermediair
verbruik (aankoopprijzen).
Investeringen in vaste activa (bruto)
Uitgaven voor geproduceerde materiële of immateriële activa die langer dan
een jaar in het productieproces worden gebruikt, zoals gebouwen, woningen,
machines, vervoermiddelen en dergelijke.
Tot de investeringen in vaste activa behoren ook:
- het onderhanden werk in de bouwnijverheid, dat tot de investeringen in
vaste activa van de opdrachtgever is gerekend. Het gaat hierbij om
woningen, bedrijfsgebouwen, weg- en waterbouwkundige werken etc.;
- militaire bouwwerken die op soortgelijke wijze als door civiele
producenten worden gebruikt, zoals vliegvelden en ziekenhuizen;
- verbeteringen aan gebruikte vaste activa, die veel verder gaan dan wat
voor gewoon onderhoud en gewone reparaties nodig is;
- de bij de aankoop van nieuwe en gebruikte vaste activa gemaakte kosten,
zoals overdrachtskosten en kosten van makelaars, architecten, notarissen
en taxateurs.
Op het niveau van de totale economie (en de sectoren) worden de
investeringen gecorrigeerd voor de aan- en verkopen van gebruikte vaste
activa.
Arbeidsvolume werkzame personen
Arbeidsvolume werkzame personen: De hoeveelheid arbeid die in een bepaalde
periode is ingezet. Het arbeidsvolume kan worden uitgedrukt in banen,
arbeidsjaren of gewerkte uren. Werkzame personen zijn alle personen die
een baan hebben bij een in
Nederland gevestigd bedrijf of bij een particulier huishouden in
Nederland. Tot de werkzame personen behoren alle personen die betaalde
arbeid verrichten, ook al is het maar voor één of enkele uren per week,
ook als zij:
- arbeid verrichten die op zichzelf genomen legaal is, maar waarvan de
beloning aan de registratie door fiscus en sociale zekerheidsautoriteiten
wordt onttrokken ('zwarte arbeid');
- tijdelijk geen arbeid verrichten, maar wel doorbetaald krijgen
(bijvoorbeeld bij ziekte of vorstverlet);
- tijdelijk onbetaald verlof hebben opgenomen.
Werkzame personen kunnen worden onderscheiden in werknemers en
zelfstandigen. Werknemers zijn personen die in een bepaalde periode arbeid
verrichten voor loon of salaris, in geld of in natura. Zelfstandigen zijn
personen die een inkomen ontvangen door voor eigen rekening of risico
arbeid te verrichten in het bedrijf of het beroep dat zij zelfstandig
uitoefenen. Ook meewerkende gezinsleden worden tot zelfstandigen gerekend,
tenzij zij een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan.