Componenten van werkloosheid

De statistische methode om componenten van werkloosheid te berekenen wordt in grote lijnen beschreven en vervolgens worden componenten economisch geïnterpreteerd.

Binnen de economische wetenschap zijn er globaal twee stromingen die oorzaken (componenten) van werkloosheid analyseren: de neoklassieke benadering en de neokeynesiaanse benadering. Een gevolg is dat er geen algemeen geaccepteerde methode bestaat om componenten van werkloosheid samen te stellen. Qua methode berekent de neoklassieke stroming de NAIRU (Philipscurve, evenwichtswerkloosheid) , terwijl de Keynesiaanse stroming zich meer heeft gericht heeft op de kwalitatieve discrepanties door het schatten van een Beveridgecurve.

Het CBS heeft er voor gekozen om componenten van werkloosheid samen te stellen vanuit een statistische basis. Terwijl in de economische benaderingen een theorie het vertrekpunt vormde, en werkt toegewerkt naar het schatten van een model met data, wordt in de statistische benadering de route andersom genomen. Begonnen wordt met data, en vervolgens toegewerkt naar interpretatie en theorie. De statistische benadering komt tot de volgende concepten:

  • Conjunctuurgecorrigeerde en conjuncturele werkloosheid (statistische decompositie)
  • Kwalitatieve en kwantitatieve werkloosheid (logische decompositie).

Bovendien is een matrix van componenten samengesteld door verschillende decomposities met elkaar te combineren.

Er is voor de kortcyclische component uit de statistische decompositie aangetoond dat deze geïnterpreteerd mag worden als conjuncturele werkloosheid. Deze aanpak sluit ook aan bij de seizoensgecorrigeerde werkloosheid van het CBS, zowel qua concepten als qua methode, de uitkomsten sluiten ook aan bij de NAIRU. De logische componenten mogen geïnterpreteerd worden als kwantitatieve (N) en kwalitatieve (Q) werkloosheid. Als oorzaken voor deze componenten zijn gevonden: Loonrigiditeit (voor N) en de combinatie van loonrigiditeit en segmentatie (voor Q). Bovendien is aangetoond dat het onwaarschijnlijk is dat aanbod en vraag zo rigide zijn dat er geen marktevenwicht mogelijk zou zijn. De concepten komen grotendeels overeen met die uit de neokeynesiaanse traditie, maar de gevonden oorzaken van werkloosheid niet.
De combinatie van de beide composities leidt tot een genuanceerd beeld van oorzaken van werkloosheid: niet alleen imperfecties van de arbeidsmarkt, maar ook relaties met andere markten hebben invloed op de werkloosheid. Op basis hiervan is een kader voor beleid afgeleid.