Handel en hulp
Handel en hulp gaat over de manieren waarop Nederland verbonden is met het buitenland. De brede welvaart in andere landen wordt beïnvloed door handel en ontwikkelingssamenwerking en door het geld dat mensen vanuit Nederland overmaken aan familie en vrienden in het buitenland.
- De Nederlandse invoer komt voor het grootste deel uit hoge- en hogemiddeninkomenslanden.
- Nederland heeft de OESO-norm voor ontwikkelingshulp niet gehaald in 2024.
Handel en hulp
in EU
in 2024
in EU
in 2024
| Thema | Indicator | Waarde | Trend | Positie in EU | Positie op EU-ranglijst |
|---|---|---|---|---|---|
| Handel en hulp | Invoer van goederen uit lageinkomenslanden | € 61 per inwoner (constante prijzen 2020) in 2025 | stijgend (stijging brede welvaart) | ||
| Handel en hulp | Invoer van goederen uit lagemiddeninkomenslanden | € 1 226 per inwoner (constante prijzen 2020) in 2025 | |||
| Handel en hulp | Invoer van goederen uit hogemiddeninkomenslanden | € 4 968 per inwoner (constante prijzen 2020) in 2025 | stijgend (stijging brede welvaart) | ||
| Handel en hulp | Invoer van goederen uit hogeinkomenslanden | € 18 064 per inwoner (constante prijzen 2020) in 2025 | |||
| Handel en hulp | Ontwikkelingshulp | 0,6% van het bruto nationaal inkomen in 2024 | 5e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst | |
| Handel en hulp | Overdrachten | 1,5% van het bbp in 2024 | 6e van 27 in 2024 | bovenste kwart van de ranglijst |
Uitleg dashboard, kleuren en noten
Met de invoer van goederen heeft Nederland invloed op banen en inkomens in andere landen. In dit thema, Handel en hulp, wordt deze invloed positief geïnterpreteerd: meer invoer betekent meer banen en hogere inkomens. Het is echter niet bekend om wat voor banen het gaat en welke maatschappelijke en ecologische effecten de economische activiteiten hebben. Deze effecten worden voor een deel gemeten in het thema Milieu en grondstoffen.
Om een indruk te geven waar de effecten van Nederland op andere landen gevoeld worden, zijn de landen waarmee Nederland handelt ingedeeld in vier groepen: lage-inkomenslanden, lagemiddeninkomenslanden, hogemiddeninkomenslanden en hoge-inkomenslanden. Deze indeling is gemaakt door de Wereldbank en is gebaseerd op het bruto nationaal inkomen (bni) per hoofd van de bevolking van een land. De invoerwaarde is voor inflatie gecorrigeerd, alle bedragen zijn uitgedrukt in prijzen van het jaar 2020.
De invoer van goederen uit lage-inkomenslanden neemt voor het eerst trendmatig toe. Deze invoer is in 2025 met 12,7 procent toegenomen. Ongeveer 74 procent van de waarde van de goedereninvoer komt uit hoge-inkomenslanden en ongeveer 20 procent uit hogemiddeninkomenslanden. Hier komen dus ook de meeste effecten op banen en inkomens terecht. Slechts 0,2 procent van de goedereninvoer komt uit lage-inkomenslanden.
Ontwikkelingshulp en inkomensoverdrachten dragen op een vergelijkbare manier bij aan de brede welvaart van mensen elders in de wereld. Nederland haalt de afgesproken norm voor ontwikkelingssamenwerking niet. In 1970 kwamen VN-leden overeen jaarlijks 0,7 procent van hun bni aan ontwikkelingssamenwerking te besteden (de OESO-norm). Ontwikkelingshulp bedroeg in 2024 0,6 procent van het bni. De inkomensoverdrachten door mensen die in Nederland wonen (ingezetenen) aan mensen die in andere landen wonen (niet-ingezetenen) en salarissen van niet-ingezetenen bedroegen 1,5 procent van het bbp. Hiermee stond Nederland in 2024 aan de bovenkant van de EU-ranglijst (6e van de 27 landen). De echte effecten op brede welvaart ‘elders’ worden bepaald door de manier waarop de ontvanger het geld uitgeeft. De aanname is dat ontwikkelingshulp en inkomensoverdrachten een positieve bijdrage leveren aan de bestaansmogelijkheden in de ontvangende landen.