Aantal werkenden tot AOW-leeftijd tweede jaar op rij niet meer toegenomen

© ANP / Peter Hilz

In het tweede kwartaal van 2026 waren er 9,6 miljoen werkenden van 15 jaar tot de AOW-leeftijd. Dat aantal veranderde de afgelopen twee jaar vrijwel niet, terwijl het in de jaren ervoor bijna voortdurend toenam. De rest van de bevolking (personen jonger dan 15 jaar, personen vanaf de AOW-leeftijd en niet-werkenden van 15 jaar tot de AOW-leeftijd) groeide daarentegen naar ruim 8,5 miljoen in 2026 na een daling in de jaren ervoor. Daarnaast werken mensen gemiddeld ook iets minder uren per week. Dat blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Werkzame bevolking en overige deel van de bevolking, tweede kwartaal
JaarWerkzaam (15 jaar tot AOW-leeftijd) (mln)Overige deel van de bevolking
(jonger dan 15 jaar, vanaf AOW-leeftijd of 15 jaar tot AOW-leeftijd en niet-werkzaam) (mln)
20138,2848,502
20148,1818,668
20158,3018,612
20168,4138,591
20178,5768,529
20188,7568,443
20198,9488,365
20208,8968,524
20219,0358,46
20229,3578,318
20239,5398,307
20249,6198,351
20259,6298,443
20269,6168,531
In 2014 was het werkzame deel van de bevolking van 15 jaar tot de AOW-leeftijd - in de nasleep van de kredietcrisis - bijna een half miljoen mensen kleiner dan het overige deel van de bevolking. Sindsdien nam het aantal werkenden toe, van bijna 8,2 miljoen in het tweede kwartaal van 2014 tot ruim 9,6 miljoen in het tweede kwartaal van 2024. Het overige deel van de bevolking kromp in die periode van bijna 8,7 miljoen naar bijna 8,4 miljoen. In de afgelopen twee jaar stopte die trend en groeide dit deel van de bevolking naar ruim 8,5 miljoen terwijl het aantal werkenden bijna gelijk bleef. Deze toename betreft vooral AOW-ers en in mindere mate niet-werkenden tot de AOW-leeftijd. Onder de AOW-ers is er een klein maar groeiend aandeel dat betaald werk heeft, in het tweede kwartaal van 2026 gold dat voor 9,5 procent, tegenover 7,2 procent in het tweede kwartaal van 2014. Het aantal kinderen tot 15 jaar neemt juist af.

Toename werkenden van 55 jaar tot de AOW-leeftijd vlakt af

Zowel het totale aantal mensen van 55 jaar tot de AOW-leeftijd als hun arbeidsparticipatie stijgt de laatste drie jaar minder sterk. De arbeidsparticipatie nam voorheen onder andere sneller toe door verhoging van de AOW-leeftijd. In 2013 werd deze verhoogd naar 65 jaar plus een maand, en inmiddels ligt de AOW-leeftijd op 67 jaar. Daardoor steeg het aantal werkende 65- en 66-jarigen sinds 2013 het sterkst.

Bij 25- tot 45-jarigen was er ook meerdere jaren een toename, maar ook deze vlakt af. Bij 45- tot 55-jarigen daalt het aantal werkenden al negen jaar. De daling van het aantal werkende 45- tot 55-jarigen hield in eerste instantie gelijke tred met de daling van het totaal aantal mensen in deze leeftijdsgroep. De afgelopen drie jaar versnelde de daling doordat ook het percentage werkenden in deze groep afneemt.

Werkzame beroepsbevolking naar leeftijd, tweede kwartaal
Jaar15 tot 25 jaar (mln)25 tot 35 jaar (mln)35 tot 45 jaar (mln)45 tot 55 jaar (mln)55 jaar tot AOW-leeftijd (mln)AOW-leeftijd of ouder (mln)
20131,3921,7051,8822,0501,2560,173
20141,3551,7001,8152,0421,2690,200
20151,4121,7181,7532,0711,3460,183
20161,4171,7331,7512,0931,4190,165
20171,4511,7971,7222,1011,5040,171
20181,5001,8411,7222,1021,5910,180
20191,5451,8811,7392,0901,6920,186
20201,4461,9011,7362,0461,7670,184
20211,5031,9351,7772,0171,8030,207
20221,6291,9931,8372,0031,8950,228
20231,6692,0241,8941,9711,9800,232
20241,6702,0651,9101,9392,0350,268
20251,6602,0851,9371,8812,0660,280
20261,6522,0881,9511,8372,0890,299

Gemiddelde arbeidsduur licht gedaald

Terwijl het aantal werkenden niet meer toeneemt, neemt de gemiddelde arbeidsduur van werkenden licht af. Dat speelt vooral bij mannen van 25 jaar tot de AOW-leeftijd: zij werkten vier jaar geleden gemiddeld nog 39,4 uur per week en in het tweede kwartaal van 2026 38,6 uur per week. Bij vrouwen van 25 jaar tot de AOW-leeftijd is er sprake van een lichte toename van de gemiddelde arbeidsduur: van 29,8 uur naar 30,2 uur per week.

Het totale aantal gewerkte uren van de Nederlandse bevolking kan worden omgerekend naar voltijdbanen, de zogeheten voltijdequivalenten (vte’s). Het aantal vte’s ten opzichte van het overige deel van de bevolking daalt licht doordat het aantal werkenden zo goed als gelijk blijft en zij gemiddeld iets minder uren werken, terwijl de rest van de bevolking groeit. Voor het tweede kwartaal van 2026 komt dat neer op 90 vte’s per 100 mensen in de overige bevolking. In het tweede kwartaal van 2024 waren dat nog 92 vte’s per 100 in de overige bevolking.