Belastingdruk huishoudens gedaald van 15 naar 12 procent sinds 2011
Huishoudens betaalden in 2024 in doorsnee 12,3 procent van het bruto huishoudensinkomen aan inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. In 2011 was dit nog 15,4 procent. Tweeverdieners en gepensioneerden hebben de laagste belastingdruk. Dit meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op basis van nieuwe gegevens over inkomen en vermogen.
De belastingdruk huishoudens bestaat uit de betaalde inkomstenbelasting en de ingehouden premies voor de volksverzekeringen Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene nabestaandenwet (Anw) en Wet langdurige zorg (Wlz). Dit wordt uitgedrukt als een percentage van het bruto huishoudensinkomen. De cijfers komen uit het Integraal Inkomens en Vermogensonderzoek.
| Jaar | Belastingdruk (% van bruto huishoudensinkomen) |
|---|---|
| 2011 | 15,4 |
| 2012 | 15,3 |
| 2013 | 15,3 |
| 2014 | 14,5 |
| 2015 | 14,5 |
| 2016 | 13,6 |
| 2017 | 13,9 |
| 2018 | 14,1 |
| 2019 | 13,3 |
| 2020 | 12,9 |
| 2021 | 12,3 |
| 2022 | 12,8 |
| 2023 | 12,5 |
| 2024* | 12,3 |
| *voorlopige cijfers | |
Belastingdruk van 25 procent voor hoogste inkomens
Nederland heeft een progressief belastingsysteem, waardoor hogere inkomens relatief meer belasting af moeten dragen. Bij de tien procent met de hoogste bruto-inkomens bedraagt de belastingdruk 24,9 procent van het bruto huishoudensinkomen in doorsnee, ook wel de mediaan genoemd.
De tien procent met de laagste bruto-inkomens dragen vaak geen inkomen af aan de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen doordat hun inkomen te laag is. Zij hebben wel een relatief hoge druk van indirecte belastingen, zoals de BTW. De druk van deze belastingen is niet meegenomen in deze analyse.
Voor bijna alle inkomensgroepen ligt de mediane belastingdruk lager dan in 2014. Alleen voor de hoogste inkomensgroep is de druk iets hoger.
| Inkomensgroep (deciel) | 2024* (% van bruto huishoudensinkomen) | 2014 (% van bruto huishoudensinkomen) |
|---|---|---|
| 1e 10%-groep (laagste inkomens) | 0,0 | 0,0 |
| 2e | 2,3 | 6,7 |
| 3e | 5,2 | 8,0 |
| 4e | 8,3 | 9,6 |
| 5e | 11,8 | 13,2 |
| 6e | 14,1 | 15,1 |
| 7e | 14,3 | 16,1 |
| 8e | 15,4 | 17,2 |
| 9e | 18,3 | 19,3 |
| 10e 10%-groep (hoogste inkomens) | 24,9 | 24,7 |
| *voorlopige cijfers | ||
Hogere belastingdruk voor eenverdieners dan voor tweeverdieners
De belastingdruk van werkende huishoudens hangt samen met het aantal mensen in het huishouden dat een inkomen uit arbeid en/of een eigen onderneming krijgt. Bij (echt)paren zijn dit één of twee verdienende mensen, oftewel eenverdieners of tweeverdieners. Omdat de belastingdruk ook afhangt van de hoogte van het inkomen, moeten huishoudenstypen per inkomensklasse worden vergeleken.
De belastingdruk voor tweeverdieners is duidelijk lager dan die van eenverdieners, eenoudergezinnen en eenpersoonshuishoudens. Zo is bij een jaarinkomen tussen de 100 duizend en 110 duizend euro de belastingdruk 11,9 procent voor tweeverdieners en 19,4 procent voor eenverdieners. Voor de hele groep eenverdieners is de mediane belastingdruk 16,7 procent en voor tweeverdieners 15,9 procent. Eenpersoonshuishoudens hebben vaak de hoogste belastingdruk bij eenzelfde inkomen.
| Inkomensklasse | Eenpersoonshuishouden (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenverdiener (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Tweeverdieners (% van bruto-inkomen huishoudenskern) | Eenoudergezin (% van bruto-inkomen huishoudenskern) |
|---|---|---|---|---|
| 20 | 1,6 | 0,0 | 0,0 | 0,4 |
| 30 | 4,3 | 3,7 | 0,3 | 1,7 |
| 40 | 9,1 | 5,8 | 1,4 | 3,4 |
| 50 | 12,7 | 9,4 | 4,2 | 8,1 |
| 60 | 15,8 | 12,2 | 6,3 | 12,3 |
| 70 | 17,9 | 14,4 | 7,7 | 15,3 |
| 80 | 19,4 | 16,2 | 9,0 | 17,6 |
| 90 | 20,8 | 17,8 | 10,4 | 19,4 |
| 100 | 22,5 | 19,4 | 11,9 | 21,0 |
| 110 | 24,4 | 21,1 | 13,4 | 23,3 |
| 120 | 26,1 | 22,8 | 14,8 | 25,1 |
| 130 | 27,5 | 24,2 | 16,2 | 26,7 |
| 140 | 28,8 | 25,8 | 17,4 | 28,1 |
| 150 | 29,9 | 26,8 | 18,6 | 29,3 |
| 160 | 30,9 | 28,3 | 19,7 | 30,3 |
| 170 | 31,7 | 29,5 | 20,8 | 31,2 |
| 180 | 32,5 | 30,5 | 21,8 | 31,8 |
| 190 | 33,3 | 31,4 | 22,8 | 32,8 |
| 200 | 34,0 | 32,2 | 23,7 | |
| 210 | 34,5 | 32,7 | 24,6 | |
| 220 | 35,2 | 33,6 | 25,4 | |
| 230 | 35,9 | 34,4 | 26,2 | |
| 240 | 36,4 | 34,8 | 26,9 | |
| 250 | 36,8 | 35,6 | 27,6 | |
| 260 | 36,0 | 28,3 | ||
| 270 | 36,5 | 28,9 | ||
| 280 | 29,5 | |||
| 290 | 30,0 | |||
| *voorlopige cijfers Huishoudenskern bestaat uit de hoofdkostwinner en eventuele partner. | ||||
Laagste belastingdruk voor gepensioneerden
Huishoudens met een pensioenuitkering als belangrijkste inkomensbron hebben de laagste belastingdruk met 5,5 procent. Mensen die AOW ontvangen hoeven geen AOW-premie meer te betalen en behoren vaker tot de lagere inkomensgroepen. In 2024 was hun mediane inkomen 44,6 duizend euro, wat wel hoger is dan het mediane inkomen van bijstandsontvangers. Dit bedroeg 25 duizend euro.
Het mediane inkomen van werknemers was 101,3 duizend euro en die van zelfstandigen 98,6 duizend euro. Zelfstandigen hebben de hoogste belastingdruk met 15,6 procent van hun bruto huishoudensinkomen. Zij zijn ook de enige groep waarvan de mediane druk is toegenomen sinds 2014. In diezelfde periode is de zelfstandigenaftrek afgenomen.
| Inkomensbron | 2014 (% van bruto huishoudensinkomen) | 2019 (% van bruto huishoudensinkomen) | 2024* (% van bruto huishoudensinkomen) |
|---|---|---|---|
| Werknemer | 16,6 | 15,5 | 14,0 |
| Zelfstandige | 13,4 | 15,1 | 15,6 |
| Bijstand | 14,5 | 13,3 | 12,9 |
| Pensioen | 7,3 | 5,5 | 5,5 |
| *voorlopige cijfers | |||
Naast de inkomstenbelasting en de premies voor de volksverzekeringen betalen mensen ook premies voor verzekeringen tegen werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid en pensioenpremies. In 2024 was de mediaan van de totale belasting- en premiedruk voor huishoudens 32,3 procent van het bruto huishoudensinkomen. De totale druk is ook lager dan 2011, toen was deze 35,2 procent.