Dierlijke mest en mineralen 2025

3. Rekenmethodiek graasdieren

Door een lager stikstofgehalte in het voer van jongvee daalde de stikstofexcretie van rundvee in 2025 vergeleken met 2024. De fosfaatexcretie van rundvee daalde in 2025 door een lager fosforgehalte van het gevoerde ruwvoer.

3.1 Ruwvoer en krachtvoer

Runderen, schapen, geiten, paarden en pony’s krijgen in hoofdzaak ruwvoer aangevuld met krachtvoer. Het ruwvoer wordt in Nederland geteeld en bestaat voornamelijk uit graskuil, hooi, snijmaïskuil en weidegras. Het krachtvoer omvat mengvoeders, enkelvoudige krachtvoergrondstoffen, melk(poeder) en vochtrijk krachtvoer. Bij schapen, geiten, paarden en pony’s wordt krachtvoer verstrekt in de vorm van mengvoer. Bij rundvee wordt het krachtvoer voor circa 90 procent verstrekt als mengvoer en voor de rest als enkelvoudige krachtvoergrondstoffen en vochtrijk krachtvoer. Vochtrijk krachtvoer bestaat vooral uit bijproducten van de levensmiddelenindustrie met een lager drogestofgehalte dan het mengvoer.

Het voerverbruik van graasdieren is gebaseerd op de voederbehoefte van het dier en de landelijke beschikbaarheid aan voedermiddelen. Bij het voerverbruik wordt rekening gehouden met 2 procent voerverliezen voor droge en vochtrijke krachtvoeders en 5 procent voor geconserveerd ruwvoer. De voerverliezen worden bij het voerverbruik opgeteld waarbij wordt aangenomen dat de voerverliezen in de mest terechtkomen (zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019).

Omdat er in de melkveehouderij grote verschillen bestaan tussen de rantsoenen op zandgronden en in veen- en kleigebieden maakt de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM) voor de berekening van de excretiefactoren van melk- en kalfkoeien en het bijbehorende jongvee onderscheid in twee regio's: Zuid-Oost Nederland en Noord-West Nederland. In regio Noord-West is het aandeel snijmaïs in het rantsoen relatief klein en in Zuid-Oost relatief groot. Regio Noord-West bestaat uit de provincies Groningen, Friesland, Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland en de regio Zuid-Oost bestaat uit de provincies Drenthe, Overijssel, Flevoland, Gelderland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Figuur 3.1.1 laat het verschil zien in de rantsoensamenstelling van melk- en kalfkoeien tussen de beide regio’s.

3.1.1 Rantsoensamenstelling van melkkoeien in Noord-West en Zuid-Oost Nederland in 2025
 Graskuil en hooi (% van drogestofopname)Snijmais (% van drogestofopname)Vers gras (% van drogestofopname)Droog krachtvoer (% van drogestofopname)Vochtrijk krachtvoer (% van drogestofopname)
Noord-West431114294
Zuid-Oost36295274

Ruwvoer

De totale beschikbaarheid en het verbruik van graskuil en hooi is gebaseerd op de resultaten van het CBS-onderzoek naar graslandgebruik. Het verbruik van snijmaïs wordt berekend op basis van de opbrengst per hectare in het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Economic Research en het areaal snijmaïs in de Landbouwtelling, verminderd met 4 procent conserveringsverlies (Schröder et al., 2018). Voor de berekening van het snijmaïsverbruik zijn gegevens over voorraadmutaties in het BIN niet tijdig beschikbaar. Daarom is het verbruik gebaseerd op de gemiddelde opbrengst per hectare over de afgelopen vier jaar vermenigvuldigd met het areaal van het jaar voorafgaand aan het verslagjaar. Op deze manier worden sterke, niet realistische, schommelingen in het verbruik vermeden die in de praktijk worden opgevangen door voorraadvorming en -onttrekking.

Het verbruik van weidegras wordt berekend uit de resterende voederbehoefte van graasdieren na vervoedering van alle andere verbruikte voeders. De weidegrasproductie wordt dus berekend als restpost waarin alle onnauwkeurigheden samenkomen. In de loop der jaren is het totale aandeel van geconserveerde ruwvoeders zoals graskuil en snijmaïskuil en van krachtvoer steeds verder toegenomen waardoor weidegras inmiddels een kleine voercomponent is. Hierdoor hebben kleine veranderingen in het verbruik van geconserveerd ruwvoer en krachtvoer al een sterk effect op de opname van weidegras. Omdat de versgrasopname in omvang beperkt is, is de invloed daarvan op het eindresultaat gering.

Hoewel er jaarlijks behoorlijke fluctuaties optreden in de productie van weidegras en geconserveerd gras, neemt de productie van weidegras per hectare sinds 1990 af ten gunste van geconserveerd gras (Figuur 3.1.2). Enkele oorzaken zijn een toename van de periode waarin de koeien op stal staan en mede daardoor een steeds groter verbruik van geconserveerd ruwvoer (snijmaïs, graskuil en hooi) in de weideperiode.

3.1.2 Graslandproductie netto
 Graskuil (miljoen kg droge stof)Hooi (miljoen kg droge stof)Weidegras (miljoen kg droge stof)
199043364455430
200042533003906
201051391832929
202055371982618
202464242512080
202559182471812


Figuur 3.1.3 laat zien dat de opbrengst van snijmaïs per hectare sinds het begin van de jaren negentig is toegenomen van krap 12 ton droge stof per hectare tot 16 à 17 ton per hectare.

3.1.3 Snijmaïsoogst per hectare
 Snijmaisoogst per hectare (kilogram droge stof per hectare)
199011709
200013833
201015595
202016772
202415452
202516531


De samenstelling van ruwvoer is gebaseerd op gegevens van Eurofins Agro. Dit bedrijf bepaalt van een groot aantal monsters van kuilvoer en vers gras de voederwaarde en de mineralengehalten. Variaties in mineralengehalten tussen verschillende jaren worden veroorzaakt door weers- en groeiomstandigheden (temperatuur en vocht) en verschillen in bemesting. Voor hooi worden vaste voederwaarden aangehouden omdat het aandeel in het rantsoen zeer gering is.
In Tabel 3.1.4 is de hoeveelheid van het verbruikte voer weergegeven en in Tabel 3.1.5 de samenstelling. Voor geconserveerd voer wordt er normaliter van uitgegaan dat tot en met de weideperiode voer wordt verstrekt dat in het voorgaande jaar is geoogst. In de stalperiode van circa half oktober tot en met 31 december wordt dan gerekend met de samenstelling van het voer dat in dat jaar is geoogst.

In studies naar de forfaitaire stikstofexcretie is de ruwvoersamenstelling gedifferentieerd naar gangbaar en extensief graslandbeheer (Tamminga et al., 2000; 2004; 2009; Heeres-Van der Tol, 2002). De samenstelling van extensief beheerd grasland is toegepast in de excretieberekeningen van zoog-, mest- en weidekoeien, jongvee ouder dan 1 jaar en schapen. Vanaf 2015 is de samenstelling van graskuil bestemd voor schapen gebaseerd op de samenstelling van kuilmonsters die zijn geselecteerd op de maaidatum die geldt voor natuurgrasland (na 15 juni) en celwandgehalte (zie ook Van Bruggen, 2016).

3.1.4 Verbruik van graasdiervoeders1) in 2025 (mln kg)
CategorieVerbruik
Graskuil voor rundvee, schapen en geiten (droge stof)6092
Grashooi voor rundvee, schapen en geiten (droge stof)194
Graskuil voor paarden en pony's (droge stof)87
Grashooi voor paarden en pony's (droge stof)71
Graszaadstro voor paarden en pony's (droge stof)11
Snijmaïskuil voor rundvee, schapen en geiten (droge stof)3033
Weidegras voor rundvee en schapen (droge stof)1721
Weidegras voor paarden en pony's (droge stof)91
Melkveekrachtvoer3972
Volle melk voor opfok jongvee98
Krachtvoer voor rosévleeskalveren en vleesstieren390
Startmelk voor rosévleeskalveren en vleesstieren 12
Kunstmelk voor witvleeskalveren274
Melkvervangmix voor witvleeskalveren364
Vochtrijk krachtvoer voor rundvee (droge stof)582
Krachtvoer voor schapen20
Kunstmelk voor geitenbokjes3
Krachtvoer voor geiten308
Krachtvoer voor paarden en pony's37
1) Inclusief voeders voor vleeskalveren.

3.1.5a Samenstelling van graasdiervoeders in 2025
CategorieVerbruikFosfor (P)Kalium (K)VEM1)
g/kg droge stofg/kg droge stofg/kg droge stofaantal/kg
Graskuil oogst 202425,43,729,4897
Graskuil oogst 202527,73,730,2916
Grashooi21,12,734,1790
Graskuil en hooi in de stalperiode26,23,629,9902
Graskuil en hooi in de weideperiode25,33,729,5894
Graskuil en hooi extensief grasland in de stalperiode2)23,43,529,4857
Graskuil en hooi extensief grasland voor schapen2)16,82,819,9704
Graskuil voor paarden en pony's20,53,325,2
Grashooi voor paarden en pony's14,12,518,5
Graszaadstro voor paarden en pony's9,81,718,3
Snijmaïskuil oogst 202410,21,99,01003
Snijmaïskuil oogst 202510,91,79,1998
Snijmaïskuil in de stalperiode10,51,89,01001
Snijmaïskuil in de weideperiode10,21,99,01003
Weidegras van regulier beheerd grasland voor rundvee32,04,029,9961
Weidegras extensief grasland3) voor rundvee en schapen25,63,629,9905
Weidegras voor paarden en pony's29,13,929,0
Vochtrijk krachtvoer totaal24,43,48,41000
Vochtrijk krachtvoer voor melkvee25,03,38,4
Vochtrijk krachtvoer voor vleesvee21,63,88,4
1) Voederwaarde uitgedrukt in Voedereenheden Melk (VEM).
2) Mest-, weide- en zoogkoeien en schapen krijgen graskuil en hooi van laag bemest grasland.
3) Jongvee ouder dan 1 jaar, mest-, weide- en zoogkoeien en schapen krijgen weidegras van laag bemest grasland.

3.1.5b Samenstelling van graasdiervoeders in 2025
CategorieStikstof (N)Fosfor (P)Kalium (K)VEM1)
g/kgg/kgg/kgaantal/kg
Krachtvoer jongvee - regio Noord-West2)26,74,611,1967
Krachtvoer jongvee - regio Zuid-Oost2)22,73,711,1959
Krachtvoer melkkoeien - regio Noord-West2)26,64,011,1967
Krachtvoer melkkoeien - regio Zuid-Oost2)32,04,411,1959
Startmelk voor rosévleeskalveren en vleesstieren 33,05,920,4
Opfokvoer voor rosévleeskalveren32,55,513,7
Groei- en afmestvoer voor rosévleeskalveren25,24,612,2
Opfokvoer voor vleesstieren39,15,313,7
Groei- en afmestvoer voor vleesstieren23,74,012,2
Kunstmelk voor witvleeskalveren27,05,915,6
Melkvervangmix witvleeskalveren24,13,04,0
Krachtvoer voor schapen24,74,011,7
Kunstmelk voor geitenbokjes34,07,016,0
Krachtvoer voor geiten26,54,59,0
Krachtvoer voor paarden en pony's3)22,35,511,7
1) Voederwaarde uitgedrukt in Voedereenheden Melk (VEM).
2) Inclusief aanvullende voeders en enkelvoudig vervoederde krachtvoedergrondstoffen.
3) Gewogen gemiddelde samenstelling van diverse typen krachtvoeders.


Krachtvoer

Onder krachtvoer vallen mengvoer, enkelvoudig vervoederde krachtvoergrondstoffen, vochtrijk krachtvoer en kunstmelk(poeder). De samenstelling van krachtvoer is afgeleid van de opgaves van voerleveranciers (voerjaaroverzicht; VJO) aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en van mengvoerleveranciers aan Nevedi.

Voerleveranciers zijn verplicht om leveringen van mengvoer en enkelvoudig voer voor rundvee te rapporteren aan RVO. In de leveringen van mengvoer wordt aangegeven voor welke diergroep het voer bestemd is. In de overzichten van mengvoerleveringen (VJO) komen soms ook leveringen voor van ruwvoer en vochtrijk krachtvoer. Om gedeeltelijke dubbeltellingen met gegevens uit andere bronnen te vermijden, wordt hiervoor gecorrigeerd. Voor de afzet van vochtrijk krachtvoer en de verdeling over rundvee en varkens wordt geen gebruik gemaakt van het VJO. Deze gegevens worden jaarlijks beschikbaar gesteld door de Circular Feed association (CFa).
Bij de berekening van excretiefactoren voor de stal- en weideperiode in de regio’s Noord-West en Zuid-Oost Nederland werd tot en met 2022 voor melkvee onderscheid gemaakt in eiwitarm en eiwitrijk krachtvoer (Van Bruggen; 2023). Sinds 2023 wordt dit onderscheid niet meer gemaakt.

Het verbruik en de samenstelling van melkveemengvoer is gebaseerd op de afzet volgens Nevedi. Dit cijfer is verdeeld naar regio op basis van de voerleveringen in het VJO. Het verbruik en de samenstelling van enkelvoudig droog voer voor melkvee is gebaseerd op het VJO. Vervolgens is het totale verbruik van droge krachtvoeders verdeeld over melkkoeien en jongvee. Het verbruik door jongvee is berekend door kengetallen over het verbruik te vermenigvuldigen met het aantal dieren in de Landbouwtelling. De samenstelling van het krachtvoer voor jongvee is afgeleid van voerleveringen (VJO) aan jongvee-opfokbedrijven. Samen geeft dit een totaalverbruik van voer, N en P door jongvee per regio. Het verbruik door melkkoeien is berekend uit het verschil tussen de totale hoeveelheid droog krachtvoer en het verbruik door jongvee.

In tabel 3.1.6. is het resultaat weergegeven.

3.1.6 Samenstelling van krachtvoer voor melkkoeien en jongvee per regio in 2025 (g/kg)
CategorieRegioStikstof (N)Fosfor (P)
MelkkoeienRegio Noord-West26,64,0
MelkkoeienRegio Zuid-Oost32,04,4
MelkkoeienGemiddeld29,34,2
JongveeRegio Noord-West26,74,6
JongveeRegio Zuid-Oost22,73,7
JongveeGemiddeld24,74,2


Voor de verschillende categorieën vleesvee wordt gewerkt met vaste hoeveelheden opfok- en afmestvoer in het rantsoen. Deze gegevens zijn voor de berekeningen van 2025 waar mogelijk geactualiseerd, zie Bijlage 1.

De samenstelling van opfok- en afmestvoer voor rosévleeskalveren en vleesstieren is gebaseerd op gegevens van RVO. De gemiddelde samenstelling van het aan witvleeskalveren verstrekte voer is gebaseerd op informatie van de kalversector. Het kaliumgehalte van het mengvoer wordt incidenteel bijgesteld.

Voor vrouwelijk jongvee in de vleesveehouderij zijn de excretiefactoren gelijk verondersteld aan de excretiefactoren van jongvee in de melkveehouderij.

3.2 Dierlijke productie

De vastlegging van mineralen in dierlijke producten is afhankelijk van het productieniveau van melk en vlees en van de mineralengehalten van die producten. De mineralengehalten van dierlijke producten worden jaarlijks afgestemd op de forfaitaire waarden in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet of op de nieuwste wetenschappelijk onderbouwde inzichten. Nieuwe gegevens over het levend gewicht van graasdieren en de gehalten aan stikstof, fosfor en kalium komen incidenteel beschikbaar. De samenstelling van dierlijke producten is weergegeven in tabel 3.2.1.

3.2.1 Gewicht en samenstelling van graasdieren en van dierlijke producten in 2025
CategorieGewicht (Gew) (kg)Stikstof (N) (g/kg)Fosfor (P) (g/kg)Kalium (K) (g/kg)Bron [Gew] [N] [P] [K]
Kalf, geboortegewicht 4429,48,002,05[1] [2] [2] [3]
Vleeskalf, blank, begingewicht4729,48,002,05[5] [2] [2] [3]
Vleeskalf, rosé, begingewicht5029,48,002,05[5] [2] [2] [3]
Vleeskalf, blank 27127,37,201,67[5] [6] [7] [6]
Vleeskalf, jong rosé31726,46,851,69[5] [6] [9] [6]
Vleeskalf, oud rosé38026,46,851,69[5] [6] [9] [6]
Vleesstier, begingewicht 5029,48,002,05[5] [2] [2] [3]
Vleesstier op 12 maanden-zuiver vleesras 57128,57,501,91[4] [10] [10] [3]
Vleesstier, eindgewicht-zuiver vleesras 82527,07,401,91[5] [10] [12] [3]
Jongvee, 1 jaar 32024,17,402,00[13] [13 [12] [3]
Jongvee, 2 jaar en ouder 54023,17,402,00[14] [13] [12] [3]
Melkkoe 67522,57,402,00[14] [13] [12] [3]
Zoog-, mest- en weidekoe75022,57,402,00[20] [13] [12] [3]
Fokstier van 1 jaar40025,67,402,00[12] [2] [12] [3]
Fokstier van 3,5 jaar 110025,37,402,00[12] [2] [12] [3]
Volwassen schaap 7525,07,801,70[22] [15] [11] [15]
Schaap - geboortegewicht4,7526,95,201,70[11] [11] [11] [15]
Schaap - vleeslam4226,25,201,70[1] [16] [16] [15]
Geiten - geboortegewicht3,2527,46,301,70[23] [11] [11] [15]
Geiten - melkgeit 7524,07,901,70[21] [13] [11] [15]
Geiten - bok9524,07,901,70[21] [13] [11] [15]
Geiten - vleeslam9,024,06,301,70[5] [13] [16] [15]
Paard54029,97,502,00[17] [17] [17] [3]
Pony28529,97,502,00[17] [17] [17] [3]
Melkproductie per melkkoe per jaar1)93705,71,011,60[18] [18] [19] [15]
Melkproductie per melkgeit per jaar11505,01,122,00[8] [11] [11] [15]
Wolproductie per schaap per jaar 3,0122,00,111,45[11] [15] [15] [15]

1) Wordt jaarlijks geactualiseerd.

N.B. Het gewicht van dieren is het levend gewicht.

[1] Tamminga et al. (2004).
[2] Jongbloed et al. (1985).
[3] Jongbloed et al. (1984).
[4] Opgave vleesveesector (2022); Rekengroep Excretiecijfers Vleesvee (sectordeskundigen), bewerkt.
[5] KWIN-V 2025-2026.
[6] Heeres - van der Tol en Gerrits (1999).
[7] Kemme et al. (2004).
[8] Bedrijveninformatienet (BIN 2020-2022) van wageningen Economic Research.
[9] Kemme et al. (2003).
[10] Heeres - van der Tol (2001).
[11] Kemme et al. (2005a).
[12] Van der Hoek (1987).
[13] Tamminga et al. (2000).
[14] Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie melkvee, 2022.
[15] IKC (1993).
[16] Jongbloed en Kemme (2002b).
[17] Kemme et al. (2005b).
[18] Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
[19] Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO).
[20] Opgave vleesveesector (2022); Rekengroep Excretiecijfers Vleesvee (sectordeskundigen).
[21] Persoonlijke mededeling Van Roekel (5 februari 2024).
[22] Handboek Schapenhouderij (2002), Praktijkonderzoek Veehouderij https://edepot.wur.nl/29959 aangevuld met J. Verkaik (persoonlijke mededelingen nov ’23 en 2 febr ’24 via I. Vermeij - Wageningen Livestock Research).
[23] Handboek Geitenhouderij (2000). Praktijkonderzoek Rundvee, Schapen en Paarden, themaboek 44.

3.3 Mineralenexcretie

De excretiefactoren voor graasdieren zijn weergegeven in Tabel 3.3.1.

3.3.1 Excretiefactoren van graasdieren in 2025 (kg/dier/jaar)
CategorieGehele jaarGehele jaarGehele jaarStalperiodeStalperiodeStalperiodeWeideperiodeWeideperiodeWeideperiode
Stikstof (N)Fosfaat (P2O5)Kali (K2O)Stikstof (N)Fosfaat (P2O5)Kali (K2O)Stikstof (N)Fosfaat (P2O5)Kali (K2O)
Nederland - rundvee voor de melkveehouderij
Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar30,87,841,727,37,037,33,50,84,4
Mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar29,87,141,3
Vrouwelijk jongvee, 1-2 jaar66,218,796,551,914,774,914,34,021,6
Mannelijk jongvee, 1-2 jaar77,923,5107,1
Vrouwelijk jongvee, 2 jaar en ouder66,318,896,651,914,774,914,44,121,7
Melk- en kalfkoeien totaal1)141,341,1165,979,823,393,861,517,872,1
Melk- en kalfkoeien - excretie in de stal126,536,8148,579,823,393,846,713,554,7
Melk- en kalfkoeien - excretie in de wei14,84,317,4 14,84,317,4
Stieren voor de fokkerij, 2 jaar en ouder77,823,5107,1
Nederland - rundvee voor de vleesproductie
Witvleeskalveren18,44,513,0
Rosévleeskalveren26,98,923,7
Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar29,87,540,426,66,836,43,20,74,0
Mannelijk jongvee (incl. ossen) jonger dan 1 jaar24,14,222,7
Vrouwelijk jongvee, 1-2 jaar65,618,695,651,914,774,913,73,920,7
Mannelijk jongvee (incl. ossen), 1-2 jaar55,716,238,7
Vrouwelijk jongvee, 2 jaar en ouder65,618,695,651,914,774,913,73,920,7
Mannelijk jongvee (incl. ossen), 2 jaar en ouder55,716,238,7
Zoog-, mest- en weidekoeien, 2 jaar en ouder76,824,1120,428,79,446,648,114,773,8
Noord- en West-Nederland (graskuilrantsoen)
Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar34,38,846,829,87,841,24,51,05,6
Vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder68,719,5100,252,114,875,116,64,725,1
Melk- en kalfkoeien totaal1)147,943,4182,780,724,0100,667,219,482,1
Melk- en kalfkoeien - excretie in de stal129,638,1160,480,724,0100,648,914,159,8
Melk- en kalfkoeien - excretie in de wei18,35,322,3 18,35,322,3
Zuid- en Oost-Nederland (snijmaïsrantsoen)
Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar28,37,038,225,56,434,72,80,63,5
Vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder64,518,394,051,814,774,812,73,619,2
Melk- en kalfkoeien totaal1)136,439,4153,279,222,888,757,216,664,5
Melk- en kalfkoeien - excretie in de stal124,235,9139,579,222,888,745,013,150,8
Melk- en kalfkoeien - excretie in de wei12,23,513,7 12,23,513,7
Nederland - overige graasdieren
Schapen (ooien)2)13,94,321,61,20,41,612,73,920,0
Geiten (melkgeiten)2)19,56,314,1
Paarden76,528,798,940,815,653,135,713,145,8
Pony's35,613,047,116,16,121,719,56,925,4
1) In de weideperiode van melkkoeien (mei-oktober) kan sprake zijn van opstallen of beweiden.
2) Excretie per moederdier, inclusief de excretie van lammeren, mannelijke dieren en opfokdieren.

Melk- en kalfkoeien

De voederbehoefte, de samenstelling van het voerrantsoen en de vastlegging van stikstof en fosfor worden jaarlijks geactualiseerd. Met ingang van 2017 wordt ook het fosforgehalte van de geproduceerde melk jaarlijks aangepast (Van Bruggen, 2018; Koning en Šebek, 2019). Voor de andere categorieën runderen, schapen en geiten worden alleen de voederwaarden en de mineralengehalten van het voer jaarlijks aangepast.

De totale melkproductie is de som van de melkleveringen aan fabrieken en de melk die achterblijft op de boerderij voor bijvoorbeeld de productie van boerderijzuivel en de opfok van kalveren. Voor de melk die achtergehouden wordt op de boerderij wordt gebruikgemaakt van het BIN.

De melkproductie per koe wordt normaliter berekend door de totale melkproductie te delen door het aantal melkkoeien in de Landbouwtelling. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het aantal melkkoeien in de Landbouwtelling representatief is voor het gemiddeld aantal melkkoeien in het jaar. In jaren met een sterke toe- of afname van het aantal melkkoeien in de loop van het jaar wordt bij de berekening van de melkproductie per koe het gemiddeld aantal dieren gecorrigeerd (Van Bruggen en Gosseling, 2019).
De uitgangspunten voor de berekening van de voederbehoefte van melkkoeien en jongvee en voor de vastlegging van mineralen in dierlijke producten zijn afgestemd met de Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie (BEX). Van het aantal kalveren dat gedurende het leven van de koe wordt geboren, wordt het eerste kalf berekend als vastlegging bij de vaars i.c. jongvee van 1 jaar en ouder.

Om het voerverbruik van melkkoeien te berekenen, wordt gebruik gemaakt van een voerbalans. Daarbij wordt uitgegaan van vaste kengetallen voor het voerverbruik van rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien), schapen, geiten, paarden en pony’s (zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019). Na verdeling van het benodigde krachtvoer en ruwvoer over rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien) en over schapen, geiten, paarden en pony’s wordt de rest van het beschikbare voer (circa 70 procent) aan melk- en kalfkoeien toebedeeld. In de voederbehoefte die bij melk- en kalfkoeien dan nog resteert, wordt voorzien door vers gras. Het verbruik van vers gras door melkkoeien wordt dus berekend als restpost waarin alle onzekerheden in de aannames terechtkomen. Het percentage melkkoeien dat weidegang krijgt neemt de laatste jaren toe, maar het aantal uren weidegang per etmaal daalt. Hierdoor neemt het gemiddeld aantal uren weidegang per melkkoe jaarlijks af. Door deze trend is het verbruik van vers gras door melkkoeien inmiddels een kleine voercomponent. Doordat het verbruik van vers gras relatief gering is en een restpost in de voerbalans, kan het verbruik van jaar op jaar forse schommelingen vertonen (zie ook Van Bruggen, 2018). Omdat het verbruik in omvang beperkt is, is de invloed daarvan op het eindresultaat gering. De excretie van melkkoeien is weergegeven in Tabel 3.3.2.

3.3.2 Mineralenexcretie van melk- en kalfkoeien (kg/dier/jaar)
NederlandNederlandNoord- en West NederlandNoord- en West NederlandZuid- en Oost NederlandZuid- en Oost Nederland
202420252024202520242025
VEM-behoefte (in kVEM)720073507090726572857415
Weidegrasopname (droge stof)7806519661038641358
Graskuil- en hooi-opname (droge stof)285929863262328125582763
Snijmaïskuilopname (droge stof)1541161479781120972221
Vochtrijk krachtvoeropname (droge stof)324318324318324318
Droog krachtvoeropname236924642430251123232429
Vastlegging melkkoe343434343434
Vastlegging kalf323132313231
Vastlegging melk911593688889919892849497
Stikstofopname (N)193,9195,9197,4201,5191,4191,7
Fosforopname (P)27,627,928,428,727,027,3
Kaliumopname (K)157,0152,8169,7166,5147,4142,5
Stikstofvastlegging (N)52,854,651,553,653,755,3
Fosforvastlegging (P)9,79,99,59,79,910,0
Kaliumvastlegging (K)14,715,114,414,815,015,3
Stikstofexcretie (N)141,2141,3145,8147,9137,7136,4
Fosfaatexcretie (P2O5)1)41,041,143,443,439,339,4
Kali-excretie (K2O)2)171,4165,9187,1182,7159,7153,2
1) De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.
2) De omrekenfactor voor K in K2O is 1,205.

Excretie in stal en weide

Om gasvormige stikstofverliezen uit opgeslagen mest en weidemest van melkkoeien te kunnen berekenen moet de excretie in de stal en in de wei afzonderlijk worden bepaald. Hiertoe worden voor de stal- en voor de weideperiode afzonderlijk excretiefactoren vastgesteld. In de weideperiode van melkkoeien zal een deel van de excretie in de stal plaatsvinden, afhankelijk van de toegepaste vorm van beweiding. De informatie over toegepaste beweiding is afkomstig uit de Landbouwtelling waarin jaarlijks wordt gevraagd naar de periode dat de melkkoeien een bepaalde vorm van beweiding hebben gekregen. De volgende beweidingssystemen worden hierbij onderscheiden: dag en nacht weiden, alleen overdag weiden en permanent opstallen. Bij dag en nacht weiden en bij overdag weiden wordt gevraagd naar het aantal uur weiden per etmaal. Er wordt van uitgegaan dat de hoeveelheid mest die in de stal terechtkomt evenredig is met het aantal uren per etmaal dat de dieren op stal staan.

3.3.3 Weidegang van melkkoeien en jongvee in 2025
CategorieEenheidNederland gemiddeldNoord en West NederlandZuid en Oost Nederland
Dag en nacht weiden van melkkoeien% van het aantal melkkoeien10147
Beperkt weiden van melkkoeien% van het aantal melkkoeien575956
Permanent opstallen van melkkoeien% van het aantal melkkoeien332737
Dag en nacht weiden van melkkoeienuren per etmaal16
Beperkt weiden van melkkoeienuren per etmaal7
Mest in opslag bij dag en nacht weiden% van de geproduceerde mest32
Mest in opslag bij beperkt weiden% van de geproduceerde mest70
Melkkoeienaantal dagen geweid155165150
Bedrijven met weiden van jongvee jonger dan 1 jaar% van het aantal bedrijven384732
Bedrijven met weiden van jongvee van 1 jaar of ouder% van het aantal bedrijven616856
Jongvee jonger dan 1 jaar1)aantal dagen geweid304025
Jongvee 1 jaar of ouder1)aantal dagen geweid708565
1) Het aandeel van jongvee op bedrijven zonder beweiding is in de cijfers verrekend.


De uitgangspunten voor overig rundvee, schapen, geiten, paarden en pony’s zijn beschreven in Van Bruggen en Gosseling (2019).

3.4. Mestproductiehoeveelheid

De hoeveelheid mest per dier is gedefinieerd als de hoeveelheid mest in kilogram die na enkele maanden bewaring aanwezig is in de stalopslag, inclusief voerresten, schoonmaakwater en vermorst drinkwater, maar exclusief het gebruik van strooisel als stro, zaagsel en houtkrullen. Voor weidend vee komt daar nog de hoeveelheid mest bij die deze dieren produceren wanneer ze in de wei lopen. Alle weidemest wordt gerekend als dunne mest. De mestproductiefactoren voor rundvee zijn afgestemd op de resultaten van het BedrijfsBegrotingsProgramma Rundveehouderij (BBPR) van Wageningen UR Livestock Research (Van Bruggen, 2011, zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019). De factoren voor de mestproductie per dier zijn weergegeven in Tabel 3.4.1.

3.4.1 Mestproductiefactoren van graasdieren in 2025 (kg/dier/jaar)
CategorieTotaalStalperiodeWeideperiode1)
Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar50004800200
Mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar50005000
Vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder13000105002500
Melk- en kalfkoeien regio ZuidOost320002000012000
Melk- en kalfkoeien regio ZuidOost - in de stal300002000010000
Melk- en kalfkoeien regio ZuidOost - in de wei20002000
Melk- en kalfkoeien regio NoordWest310001800013000
Melk- en kalfkoeien regio NoordWest - in de stal280001800010000
Melk- en kalfkoeien regio NoordWest - in de wei30003000
Stieren voor de fokkerij, 2 jaar en ouder1250012500
Witvleeskalveren28002800
Rosévleeskalveren41004100
Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar50004800200
Mannelijk jongvee (incl. ossen) jonger dan 1 jaar45004500
Vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder13000105002500
Mannelijk jongvee (incl. ossen), 1 jaar en ouder1000010000
Zoog-, mest- en weidekoeien, 2 jaar en ouder1500070008000
Schapen (ooien)2)25401402400
Geiten (melkgeiten)2)12201220
Paarden850052003300
Pony's420021002100
1) In de weideperiode van melkkoeien (mei-oktober) kan sprake zijn van opstallen of weiden.
2) Excretie per moederdier, inclusief de excretie van lammeren, mannelijke dieren en opfokdieren.
N.B. De mest van rundvee is berekend als dunne mest uitgezonderd de stalmest van zoog-, mest- en weidekoeien. Stalmest van schapen, geiten, paarden en pony's is vaste mest, weidemest is berekend als dunne mest.