Auteur(s): Clara van Lynden, Arthur Denneman, Monique Gosseling

Dierlijke mest en mineralen 2025

Over deze publicatie

Methodebeschrijving en resultaten van de productie van dierlijke mest in de landbouw in 2025.

Samenvatting

De stikstofexcretie in dierlijke mest is gedaald van 448,9 miljoen kg in 2024 tot 438,7 miljoen kg in 2025. Dit is 0,3 procent onder het productieplafond voor 2025 van 440 miljoen kilogram. De fosfaatexcretie in dierlijke mest is gedaald van 146,7 miljoen kilogram in 2024 tot 141,1 miljoen kilogram in 2025, 4,4 procent boven het productieplafond van 135 miljoen kilogram.

Stikstofexcretie van de veestapel
 Rundvee (miljoen kg stikstof)Varkens (miljoen kg stikstof)Pluimvee (miljoen kg stikstof)Overig vee (miljoen kg stikstof)
1990451,8149,764,924,7
2000339,2120,662,626,6
2010298,5105,564,521,2
2020320,191,854,722,8
2024298,480,148,721,8
2025292,376,848,221,4

Fosfaatexcretie van de veestapel
 Rundvee (miljoen kg fosfaat)Varkens (miljoen kg fosfaat)Pluimvee (miljoen kg fosfaat)Overig vee (miljoen kg fosfaat)
1990120,869336,2
2000102,148,232,18,5
201096,245,529,18,1
202082,736,724,17,3
202486,132,320,87,6
20258430207,2

Rundvee

De stikstofexcretie in de melkveehouderij daalde van 265,2 miljoen kilogram in 2024 tot 260,5 miljoen kilogram in 2025 (1,8 procent), door een afname van de melkveestapel. Door een lager fosforgehalte van het ruwvoer daalde de fosfaatexcretie van melkvee van 76,7 miljoen kilogram in 2024 tot 75 miljoen kilogram in 2025 (2,2 procent). De melkproductie per koe nam toe met 2,8 procent tot 9368 kilogram op jaarbasis.

De stikstofexcretie van vleesrundvee daalde van 33,2 miljoen kilogram in 2024 tot 31,8 miljoen kilogram in 2025 (4,2 procent). De fosfaatexcretie van vleesrundvee daalde van 9,5 miljoen kilogram in 2024 tot 9 miljoen kilogram in 2025 (5,3 procent). Zowel het aantal runderen in de melkveehouderij als het aantal runderen voor de vleesproductie is in de loop van 2025 gedaald. Hierdoor zijn de aantallen op de peildatum van de landbouwtelling, 1 april, niet representatief voor de gemiddelde aantallen in het jaar. Om die reden is een correctie toegepast op het aantal runderen waarbij gebruik is gemaakt van de aantallen op enkele peildata in het I&R-register rundvee.

Varkens

De stikstofexcretie van de varkenssector daalde van 80,1 miljoen kilogram in 2024 tot 76,8 miljoen kilogram in 2025 (4,1 procent). De fosfaatexcretie daalde van 32,3 miljoen kilogram tot 30 miljoen kilogram (7,1 procent). De excretie van stikstof en fosfaat per vleesvarken en zeug nam iets toe door een hoger voerverbruik en hoger stikstofgehalte van het voer. In de loop van 2025 zijn de aantallen varkens afgenomen als gevolg van deelname aan de LBV/LBV+.

Omdat de definitieve excretiecijfers voortaan later in het jaar uitkomen is de voorlopige landbouwtelling van 2026 al beschikbaar. Op basis van de aantallen in de definitieve landbouwtelling 2025 en de voorlopige landbouwtelling 2026 is een correctie uitgevoerd om de gemiddelde aantallen in 2025 beter te benaderen. Het aantal vleesvarkens daalde met 410 duizend stuks (8,8 procent). Het aantal zeugen daalde met 75 duizend stuks (10,2 procent).

Pluimvee

In de pluimveesector daalde de stikstofexcretie van 48,7 miljoen kilogram in 2024 tot 48,2 miljoen kilogram in 2025 (1 procent). De fosfaatexcretie daalde van 20,8 miljoen kilogram tot 20 miljoen kilogram (3,8 procent).

Omdat de definitieve excretiecijfers voortaan later in het jaar uitkomen is de voorlopige landbouwtelling van 2026 al beschikbaar. Op basis van de aantallen in de definitieve landbouwtelling 2025 en de voorlopige landbouwtelling 2026 is een correctie uitgevoerd om de gemiddelde aantallen in 2025 beter te benaderen. Het aantal vleeskuikens steeg met 0,8 procent in 2025 in vergelijking met 2024. Het aantal leghennen daalde ten opzichte van 2024 met 1,5 procent.

Overig vee

Het overige vee bestaat uit schapen, geiten, paarden, pony’s en konijnen. De stikstofexcretie van deze groep daalde van 21,8 miljoen kilogram in 2024 tot 21,4 miljoen kilogram in 2025 (1,8 procent). De fosfaatexcretie daalde van 7,6 miljoen kilogram tot 7,2 miljoen kilogram (5,3 procent). De excretie van overig vee draagt voor ongeveer 5 procent bij aan de totale excretie.

Vanaf het begin van de jaren negentig stelt de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM) jaarlijks standaardfactoren vast per diercategorie voor de excretie van stikstof, fosfaat en kali en voor de hoeveelheid drijfmest en vaste mest. De totale excretie van stikstof en fosfaat en de productie van drijfmest en vaste mest berekent het CBS door de standaardfactoren per diercategorie te vermenigvuldigen met het aantal dieren in de Landbouwtelling, zonder bijtellingen voor leegstand van stallen op de peildatum.

Dit rapport geeft een kort overzicht van de rekenmethodiek, de uitgangspunten en de resultaten voor 2025 en enkele voorgaande jaren.

1. Inleiding

Het CBS berekent jaarlijks de mestproductie en de excretie van stikstof en fosfaat van de Nederlandse veestapel. De mestproductie en mineralenexcretie worden berekend door excretiefactoren in kilogram per dier en per jaar te vermenigvuldigen met het aantal dieren in de Landbouwtelling, zonder bijtellingen voor leegstand van stallen op de peildatum.

De excretiefactoren worden jaarlijks vastgesteld door de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM). De resultaten worden gebruikt voor evaluatie van het Nederlandse mestbeleid en door de Emissieregistratie (ER). In de Emissieregistratie werkt een groot aantal organisaties samen met als doel het jaarlijks vaststellen van de emissies naar lucht, water en bodem. De excretie van stikstof en fosfaat in dierlijke mest en de gevoerde rantsoenen zijn hiervoor belangrijke gegevens. Een teveel aan stikstof en fosfaat kan tot ongewenste effecten leiden zoals eutrofiëring van het oppervlaktewater, vermesting van natuurgebieden en verzuring van de bodem via emissies van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx). Daarnaast vervluchtigt een deel van de uitgescheiden stikstof in de vorm van het broeikasgas lachgas (N2O). Ten slotte is de samenstelling van de gevoerde rantsoenen van belang voor berekeningen van de methaanemissie (CH4) uit geproduceerde mest en door pens- en darmfermentatie.

De WUM valt sinds 2021 onder de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM). Het doel van de WUM is om jaarlijks excretiefactoren vast te stellen per diercategorie volgens een vaste rekenmethodiek. De excretiefactoren worden door het CBS gebruikt in de berekening van de landelijke mineralenexcretie en mestproductie. De WUM is samengesteld uit medewerkers van Wageningen Livestock Research, Wageningen Social & Economic Research en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Leeswijzer

  • Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de rekenmethodiek op hoofdlijnen.
  • In Hoofdstuk 3 zijn de rekenmethodiek en de uitgangspunten weergegeven voor de berekening van de excretie en de mestproductie van graasdieren.
  • Hoofdstuk 4 beschrijft de rekenmethodiek en de uitgangspunten voor de berekening van de excretie en de mestproductie van staldieren.
  • Hoofdstuk 5 geeft een beschrijving van de Landbouwtelling als basis van het aantal bedrijven, de diercategorieën waarvoor de mestproductie wordt berekend en het aantal dieren per categorie.
  • Hoofdstuk 6 toont de belangrijkste resultaten per diergroep en gaat kort in op de gasvormige verliezen die optreden tijdens mestopslag. Ten slotte zijn enkele resultaten van de stikstof- en fosfaatproductie weergegeven naar regio en bedrijfstype.

2. Rekenmethodiek op hoofdlijnen

De hoeveelheden stikstof, fosfaat en kali die jaarlijks met dierlijke mest worden geproduceerd, worden sinds het begin van de jaren negentig volgens een vaste rekenmethodiek bepaald. De jaarlijkse actualisatie van de cijfers vindt plaats in een samenwerkingsverband met diverse kennisinstituten.

2.1 Mineralenbalans per dier

De excretiefactoren voor de traditionele meststoffen in dierlijke mest (stikstof, fosfaat en kali) worden jaarlijks berekend op basis van een balans per dier:
excretie = opname met voer - vastlegging in dierlijke producten. Een uitgebreide beschrijving van de rekenmethodiek is te lezen in Bijlage 2

De basis voor de berekening van de excretiefactoren wordt gevormd door technische kengetallen. Dit zijn gegevens over het voerverbruik (krachtvoer en ruwvoer) en de dierlijke productie (melk, eieren, de groei van de dieren en het aantal geboren dieren). Daarnaast zijn gegevens nodig over de gehalten aan stikstof, fosfor en kalium van het voer en van dierlijke producten. Een aantal kengetallen wordt niet jaarlijks maar periodiek geactualiseerd omdat jaarlijkse informatie niet beschikbaar is. Een overzicht van deze kengetallen en de actualisatie daarvan voor 2025 is weergegeven in Bijlage 1.

Periodiek worden in het kader van het mestbeleid wetenschappelijk onderbouwde adviezen opgesteld over de forfaitaire stikstof- en fosfaatexcretie per diercategorie. Veehouders kunnen gebruik maken van deze excretieforfaits bij het bepalen van de mestproductie van hun vee. De Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM) maakt gebruik van alle relevante informatie die in deze studies wordt verzameld.

De jaarlijks te actualiseren kengetallen worden ontleend aan statistieken en technische administraties van het betreffende jaar, zoals het Bedrijveninformatienet (BIN; Wageningen Social & Economic Research), statistieken over graslandgebruik (CBS), melkaanvoer en zuivelproductie en Landbouwtellingen (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en CBS), kengetallen van de varkenshouderij (Wageningen Livestock Research; Agrovision) en de afzet van vochtrijke voeders (Circular Feed association; CFa).

Naast technische kengetallen wordt ook gebruik gemaakt van gegevens over de samenstelling van voedermiddelen en van dierlijke producten. Voor de samenstelling van geleverd mengvoer en mengvoergrondstoffen wordt gebruikgemaakt van het jaarlijkse overzicht van voerleveringen aan veehouderijen (RVO). De samenstelling van ruwvoer is gebaseerd op gegevens van Eurofins Agro en de samenstelling van vochtrijke voeders op gegevens van de CFa. De vastlegging van mineralen in dierlijke producten is afhankelijk van het productieniveau van melk en vlees en van de mineralengehalten van die producten. De uitgangspunten voor eerdere jaren zijn beschreven in Van Bruggen en Gosseling (2019; 2020), Van Bruggen (2021; 2022; 2023) en Van Bruggen en Van der Most (2024).

2.2 Gasvormige stikstofverliezen

Tijdens de opslag van mest verandert de samenstelling onder invloed van processen zoals afbraak van organische stof, vervluchtiging van ammoniak en vervluchtiging van overige stikstofverbindingen door denitrificatie (lachgas N2O, stikstofoxide NO en moleculaire stikstof N2). De hoeveelheid stikstof in de mest op het moment van uitrijden of toepassen, ook wel aangeduid met de term stikstofproductie, is dus gelijk aan de excretie verminderd met gasvormige verliezen die optreden in de stal en tijdens mestopslag onder en buiten de stal. Bij de gasvormige verliezen wordt ook de stikstof gerekend die wordt afgevoerd via het spuiwater van luchtwassers. Fosfaat en kali vervluchtigen niet zodat er geen verschil is tussen excretie en de hoeveelheid in de mest op het moment van uitrijden of toepassen.

Het vaststellen van de gasvormige stikstofverliezen is geen onderdeel van de werkzaamheden van de WUM maar van de taakgroep Landbouwemissies van de Emissieregistratie. De taakgroep Landbouwemissies maakt daarbij gebruik van de nationale rekenmethodiek voor de berekening van emissies naar lucht vanuit de landbouw (NEMA). In het voorliggende rapport past het CBS de uitkomsten van het NEMA-model toe bij de vergelijking van de berekende hoeveelheid stikstof en fosfaat in dierlijke mest met de plaatsingsruimte voor dierlijke mest.

2.3 Mestproductiefactoren

Mestproductiefactoren geven de mestproductie per dier en per jaar. De mestproductie per dier is gedefinieerd als de hoeveelheid mest (in kilogram) die na enkele maanden bewaring aanwezig is in de stalopslag, inclusief voerresten, schoonmaakwater en vermorst drinkwater, maar exclusief het gebruik van strooisel als stro, zaagsel en houtkrullen. Voor weidend vee komt daar nog de hoeveelheid mest bij die deze dieren produceren wanneer ze in de wei lopen. Alle weidemest wordt gerekend als dunne mest. De mestproductiefactoren voor rundvee zijn afgestemd op de resultaten van het Bedrijfsbegrotingsprogramma Rundveehouderij (BBPR) van Wageningen UR Livestock Research (zie ook Van Bruggen, 2011; Van Bruggen en Gosseling, 2019). De mestproductiefactoren van staldieren zijn in 2024 herzien (zie paragraaf 3.4).

3. Rekenmethodiek graasdieren

Door een lager stikstofgehalte in het voer van jongvee daalde de stikstofexcretie van rundvee in 2025 vergeleken met 2024. De fosfaatexcretie van rundvee daalde in 2025 door een lager fosforgehalte van het gevoerde ruwvoer.

3.1 Ruwvoer en krachtvoer

Runderen, schapen, geiten, paarden en pony’s krijgen in hoofdzaak ruwvoer aangevuld met krachtvoer. Het ruwvoer wordt in Nederland geteeld en bestaat voornamelijk uit graskuil, hooi, snijmaïskuil en weidegras. Het krachtvoer omvat mengvoeders, enkelvoudige krachtvoergrondstoffen, melk(poeder) en vochtrijk krachtvoer. Bij schapen, geiten, paarden en pony’s wordt krachtvoer verstrekt in de vorm van mengvoer. Bij rundvee wordt het krachtvoer voor circa 90 procent verstrekt als mengvoer en voor de rest als enkelvoudige krachtvoergrondstoffen en vochtrijk krachtvoer. Vochtrijk krachtvoer bestaat vooral uit bijproducten van de levensmiddelenindustrie met een lager drogestofgehalte dan het mengvoer.

Het voerverbruik van graasdieren is gebaseerd op de voederbehoefte van het dier en de landelijke beschikbaarheid aan voedermiddelen. Bij het voerverbruik wordt rekening gehouden met 2 procent voerverliezen voor droge en vochtrijke krachtvoeders en 5 procent voor geconserveerd ruwvoer. De voerverliezen worden bij het voerverbruik opgeteld waarbij wordt aangenomen dat de voerverliezen in de mest terechtkomen (zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019).

Omdat er in de melkveehouderij grote verschillen bestaan tussen de rantsoenen op zandgronden en in veen- en kleigebieden maakt de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM) voor de berekening van de excretiefactoren van melk- en kalfkoeien en het bijbehorende jongvee onderscheid in twee regio's: Zuid-Oost Nederland en Noord-West Nederland. In regio Noord-West is het aandeel snijmaïs in het rantsoen relatief klein en in Zuid-Oost relatief groot. Regio Noord-West bestaat uit de provincies Groningen, Friesland, Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland en de regio Zuid-Oost bestaat uit de provincies Drenthe, Overijssel, Flevoland, Gelderland, Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Figuur 3.1.1 laat het verschil zien in de rantsoensamenstelling van melk- en kalfkoeien tussen de beide regio’s.

3.1.1 Rantsoensamenstelling van melkkoeien in Noord-West en Zuid-Oost Nederland in 2025
 Graskuil en hooi (% van drogestofopname)Snijmais (% van drogestofopname)Vers gras (% van drogestofopname)Droog krachtvoer (% van drogestofopname)Vochtrijk krachtvoer (% van drogestofopname)
Noord-West431114294
Zuid-Oost36295274

Ruwvoer

De totale beschikbaarheid en het verbruik van graskuil en hooi is gebaseerd op de resultaten van het CBS-onderzoek naar graslandgebruik. Het verbruik van snijmaïs wordt berekend op basis van de opbrengst per hectare in het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Economic Research en het areaal snijmaïs in de Landbouwtelling, verminderd met 4 procent conserveringsverlies (Schröder et al., 2018). Voor de berekening van het snijmaïsverbruik zijn gegevens over voorraadmutaties in het BIN niet tijdig beschikbaar. Daarom is het verbruik gebaseerd op de gemiddelde opbrengst per hectare over de afgelopen vier jaar vermenigvuldigd met het areaal van het jaar voorafgaand aan het verslagjaar. Op deze manier worden sterke, niet realistische, schommelingen in het verbruik vermeden die in de praktijk worden opgevangen door voorraadvorming en -onttrekking.

Het verbruik van weidegras wordt berekend uit de resterende voederbehoefte van graasdieren na vervoedering van alle andere verbruikte voeders. De weidegrasproductie wordt dus berekend als restpost waarin alle onnauwkeurigheden samenkomen. In de loop der jaren is het totale aandeel van geconserveerde ruwvoeders zoals graskuil en snijmaïskuil en van krachtvoer steeds verder toegenomen waardoor weidegras inmiddels een kleine voercomponent is. Hierdoor hebben kleine veranderingen in het verbruik van geconserveerd ruwvoer en krachtvoer al een sterk effect op de opname van weidegras. Omdat de versgrasopname in omvang beperkt is, is de invloed daarvan op het eindresultaat gering.

Hoewel er jaarlijks behoorlijke fluctuaties optreden in de productie van weidegras en geconserveerd gras, neemt de productie van weidegras per hectare sinds 1990 af ten gunste van geconserveerd gras (Figuur 3.1.2). Enkele oorzaken zijn een toename van de periode waarin de koeien op stal staan en mede daardoor een steeds groter verbruik van geconserveerd ruwvoer (snijmaïs, graskuil en hooi) in de weideperiode.

3.1.2 Graslandproductie netto
 Graskuil (miljoen kg droge stof)Hooi (miljoen kg droge stof)Weidegras (miljoen kg droge stof)
199043364455430
200042533003906
201051391832929
202055371982618
202464242512080
202559182471812


Figuur 3.1.3 laat zien dat de opbrengst van snijmaïs per hectare sinds het begin van de jaren negentig is toegenomen van krap 12 ton droge stof per hectare tot 16 à 17 ton per hectare.

3.1.3 Snijmaïsoogst per hectare
 Snijmaisoogst per hectare (kilogram droge stof per hectare)
199011709
200013833
201015595
202016772
202415452
202516531


De samenstelling van ruwvoer is gebaseerd op gegevens van Eurofins Agro. Dit bedrijf bepaalt van een groot aantal monsters van kuilvoer en vers gras de voederwaarde en de mineralengehalten. Variaties in mineralengehalten tussen verschillende jaren worden veroorzaakt door weers- en groeiomstandigheden (temperatuur en vocht) en verschillen in bemesting. Voor hooi worden vaste voederwaarden aangehouden omdat het aandeel in het rantsoen zeer gering is.
In Tabel 3.1.4 is de hoeveelheid van het verbruikte voer weergegeven en in Tabel 3.1.5 de samenstelling. Voor geconserveerd voer wordt er normaliter van uitgegaan dat tot en met de weideperiode voer wordt verstrekt dat in het voorgaande jaar is geoogst. In de stalperiode van circa half oktober tot en met 31 december wordt dan gerekend met de samenstelling van het voer dat in dat jaar is geoogst.

In studies naar de forfaitaire stikstofexcretie is de ruwvoersamenstelling gedifferentieerd naar gangbaar en extensief graslandbeheer (Tamminga et al., 2000; 2004; 2009; Heeres-Van der Tol, 2002). De samenstelling van extensief beheerd grasland is toegepast in de excretieberekeningen van zoog-, mest- en weidekoeien, jongvee ouder dan 1 jaar en schapen. Vanaf 2015 is de samenstelling van graskuil bestemd voor schapen gebaseerd op de samenstelling van kuilmonsters die zijn geselecteerd op de maaidatum die geldt voor natuurgrasland (na 15 juni) en celwandgehalte (zie ook Van Bruggen, 2016).

3.1.4 Verbruik van graasdiervoeders1) in 2025 (mln kg)
CategorieVerbruik
Graskuil voor rundvee, schapen en geiten (droge stof)6092
Grashooi voor rundvee, schapen en geiten (droge stof)194
Graskuil voor paarden en pony's (droge stof)87
Grashooi voor paarden en pony's (droge stof)71
Graszaadstro voor paarden en pony's (droge stof)11
Snijmaïskuil voor rundvee, schapen en geiten (droge stof)3033
Weidegras voor rundvee en schapen (droge stof)1721
Weidegras voor paarden en pony's (droge stof)91
Melkveekrachtvoer3972
Volle melk voor opfok jongvee98
Krachtvoer voor rosévleeskalveren en vleesstieren390
Startmelk voor rosévleeskalveren en vleesstieren 12
Kunstmelk voor witvleeskalveren274
Melkvervangmix voor witvleeskalveren364
Vochtrijk krachtvoer voor rundvee (droge stof)582
Krachtvoer voor schapen20
Kunstmelk voor geitenbokjes3
Krachtvoer voor geiten308
Krachtvoer voor paarden en pony's37
1) Inclusief voeders voor vleeskalveren.

3.1.5a Samenstelling van graasdiervoeders in 2025
CategorieVerbruikFosfor (P)Kalium (K)VEM1)
g/kg droge stofg/kg droge stofg/kg droge stofaantal/kg
Graskuil oogst 202425,43,729,4897
Graskuil oogst 202527,73,730,2916
Grashooi21,12,734,1790
Graskuil en hooi in de stalperiode26,23,629,9902
Graskuil en hooi in de weideperiode25,33,729,5894
Graskuil en hooi extensief grasland in de stalperiode2)23,43,529,4857
Graskuil en hooi extensief grasland voor schapen2)16,82,819,9704
Graskuil voor paarden en pony's20,53,325,2
Grashooi voor paarden en pony's14,12,518,5
Graszaadstro voor paarden en pony's9,81,718,3
Snijmaïskuil oogst 202410,21,99,01003
Snijmaïskuil oogst 202510,91,79,1998
Snijmaïskuil in de stalperiode10,51,89,01001
Snijmaïskuil in de weideperiode10,21,99,01003
Weidegras van regulier beheerd grasland voor rundvee32,04,029,9961
Weidegras extensief grasland3) voor rundvee en schapen25,63,629,9905
Weidegras voor paarden en pony's29,13,929,0
Vochtrijk krachtvoer totaal24,43,48,41000
Vochtrijk krachtvoer voor melkvee25,03,38,4
Vochtrijk krachtvoer voor vleesvee21,63,88,4
1) Voederwaarde uitgedrukt in Voedereenheden Melk (VEM).
2) Mest-, weide- en zoogkoeien en schapen krijgen graskuil en hooi van laag bemest grasland.
3) Jongvee ouder dan 1 jaar, mest-, weide- en zoogkoeien en schapen krijgen weidegras van laag bemest grasland.

3.1.5b Samenstelling van graasdiervoeders in 2025
CategorieStikstof (N)Fosfor (P)Kalium (K)VEM1)
g/kgg/kgg/kgaantal/kg
Krachtvoer jongvee - regio Noord-West2)26,74,611,1967
Krachtvoer jongvee - regio Zuid-Oost2)22,73,711,1959
Krachtvoer melkkoeien - regio Noord-West2)26,64,011,1967
Krachtvoer melkkoeien - regio Zuid-Oost2)32,04,411,1959
Startmelk voor rosévleeskalveren en vleesstieren 33,05,920,4
Opfokvoer voor rosévleeskalveren32,55,513,7
Groei- en afmestvoer voor rosévleeskalveren25,24,612,2
Opfokvoer voor vleesstieren39,15,313,7
Groei- en afmestvoer voor vleesstieren23,74,012,2
Kunstmelk voor witvleeskalveren27,05,915,6
Melkvervangmix witvleeskalveren24,13,04,0
Krachtvoer voor schapen24,74,011,7
Kunstmelk voor geitenbokjes34,07,016,0
Krachtvoer voor geiten26,54,59,0
Krachtvoer voor paarden en pony's3)22,35,511,7
1) Voederwaarde uitgedrukt in Voedereenheden Melk (VEM).
2) Inclusief aanvullende voeders en enkelvoudig vervoederde krachtvoedergrondstoffen.
3) Gewogen gemiddelde samenstelling van diverse typen krachtvoeders.


Krachtvoer

Onder krachtvoer vallen mengvoer, enkelvoudig vervoederde krachtvoergrondstoffen, vochtrijk krachtvoer en kunstmelk(poeder). De samenstelling van krachtvoer is afgeleid van de opgaves van voerleveranciers (voerjaaroverzicht; VJO) aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en van mengvoerleveranciers aan Nevedi.

Voerleveranciers zijn verplicht om leveringen van mengvoer en enkelvoudig voer voor rundvee te rapporteren aan RVO. In de leveringen van mengvoer wordt aangegeven voor welke diergroep het voer bestemd is. In de overzichten van mengvoerleveringen (VJO) komen soms ook leveringen voor van ruwvoer en vochtrijk krachtvoer. Om gedeeltelijke dubbeltellingen met gegevens uit andere bronnen te vermijden, wordt hiervoor gecorrigeerd. Voor de afzet van vochtrijk krachtvoer en de verdeling over rundvee en varkens wordt geen gebruik gemaakt van het VJO. Deze gegevens worden jaarlijks beschikbaar gesteld door de Circular Feed association (CFa).
Bij de berekening van excretiefactoren voor de stal- en weideperiode in de regio’s Noord-West en Zuid-Oost Nederland werd tot en met 2022 voor melkvee onderscheid gemaakt in eiwitarm en eiwitrijk krachtvoer (Van Bruggen; 2023). Sinds 2023 wordt dit onderscheid niet meer gemaakt.

Het verbruik en de samenstelling van melkveemengvoer is gebaseerd op de afzet volgens Nevedi. Dit cijfer is verdeeld naar regio op basis van de voerleveringen in het VJO. Het verbruik en de samenstelling van enkelvoudig droog voer voor melkvee is gebaseerd op het VJO. Vervolgens is het totale verbruik van droge krachtvoeders verdeeld over melkkoeien en jongvee. Het verbruik door jongvee is berekend door kengetallen over het verbruik te vermenigvuldigen met het aantal dieren in de Landbouwtelling. De samenstelling van het krachtvoer voor jongvee is afgeleid van voerleveringen (VJO) aan jongvee-opfokbedrijven. Samen geeft dit een totaalverbruik van voer, N en P door jongvee per regio. Het verbruik door melkkoeien is berekend uit het verschil tussen de totale hoeveelheid droog krachtvoer en het verbruik door jongvee.

In tabel 3.1.6. is het resultaat weergegeven.

3.1.6 Samenstelling van krachtvoer voor melkkoeien en jongvee per regio in 2025 (g/kg)
CategorieRegioStikstof (N)Fosfor (P)
MelkkoeienRegio Noord-West26,64,0
MelkkoeienRegio Zuid-Oost32,04,4
MelkkoeienGemiddeld29,34,2
JongveeRegio Noord-West26,74,6
JongveeRegio Zuid-Oost22,73,7
JongveeGemiddeld24,74,2


Voor de verschillende categorieën vleesvee wordt gewerkt met vaste hoeveelheden opfok- en afmestvoer in het rantsoen. Deze gegevens zijn voor de berekeningen van 2025 waar mogelijk geactualiseerd, zie Bijlage 1.

De samenstelling van opfok- en afmestvoer voor rosévleeskalveren en vleesstieren is gebaseerd op gegevens van RVO. De gemiddelde samenstelling van het aan witvleeskalveren verstrekte voer is gebaseerd op informatie van de kalversector. Het kaliumgehalte van het mengvoer wordt incidenteel bijgesteld.

Voor vrouwelijk jongvee in de vleesveehouderij zijn de excretiefactoren gelijk verondersteld aan de excretiefactoren van jongvee in de melkveehouderij.

3.2 Dierlijke productie

De vastlegging van mineralen in dierlijke producten is afhankelijk van het productieniveau van melk en vlees en van de mineralengehalten van die producten. De mineralengehalten van dierlijke producten worden jaarlijks afgestemd op de forfaitaire waarden in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet of op de nieuwste wetenschappelijk onderbouwde inzichten. Nieuwe gegevens over het levend gewicht van graasdieren en de gehalten aan stikstof, fosfor en kalium komen incidenteel beschikbaar. De samenstelling van dierlijke producten is weergegeven in tabel 3.2.1.

3.2.1 Gewicht en samenstelling van graasdieren en van dierlijke producten in 2025
CategorieGewicht (Gew) (kg)Stikstof (N) (g/kg)Fosfor (P) (g/kg)Kalium (K) (g/kg)Bron [Gew] [N] [P] [K]
Kalf, geboortegewicht 4429,48,002,05[1] [2] [2] [3]
Vleeskalf, blank, begingewicht4729,48,002,05[5] [2] [2] [3]
Vleeskalf, rosé, begingewicht5029,48,002,05[5] [2] [2] [3]
Vleeskalf, blank 27127,37,201,67[5] [6] [7] [6]
Vleeskalf, jong rosé31726,46,851,69[5] [6] [9] [6]
Vleeskalf, oud rosé38026,46,851,69[5] [6] [9] [6]
Vleesstier, begingewicht 5029,48,002,05[5] [2] [2] [3]
Vleesstier op 12 maanden-zuiver vleesras 57128,57,501,91[4] [10] [10] [3]
Vleesstier, eindgewicht-zuiver vleesras 82527,07,401,91[5] [10] [12] [3]
Jongvee, 1 jaar 32024,17,402,00[13] [13 [12] [3]
Jongvee, 2 jaar en ouder 54023,17,402,00[14] [13] [12] [3]
Melkkoe 67522,57,402,00[14] [13] [12] [3]
Zoog-, mest- en weidekoe75022,57,402,00[20] [13] [12] [3]
Fokstier van 1 jaar40025,67,402,00[12] [2] [12] [3]
Fokstier van 3,5 jaar 110025,37,402,00[12] [2] [12] [3]
Volwassen schaap 7525,07,801,70[22] [15] [11] [15]
Schaap - geboortegewicht4,7526,95,201,70[11] [11] [11] [15]
Schaap - vleeslam4226,25,201,70[1] [16] [16] [15]
Geiten - geboortegewicht3,2527,46,301,70[23] [11] [11] [15]
Geiten - melkgeit 7524,07,901,70[21] [13] [11] [15]
Geiten - bok9524,07,901,70[21] [13] [11] [15]
Geiten - vleeslam9,024,06,301,70[5] [13] [16] [15]
Paard54029,97,502,00[17] [17] [17] [3]
Pony28529,97,502,00[17] [17] [17] [3]
Melkproductie per melkkoe per jaar1)93705,71,011,60[18] [18] [19] [15]
Melkproductie per melkgeit per jaar11505,01,122,00[8] [11] [11] [15]
Wolproductie per schaap per jaar 3,0122,00,111,45[11] [15] [15] [15]

1) Wordt jaarlijks geactualiseerd.

N.B. Het gewicht van dieren is het levend gewicht.

[1] Tamminga et al. (2004).
[2] Jongbloed et al. (1985).
[3] Jongbloed et al. (1984).
[4] Opgave vleesveesector (2022); Rekengroep Excretiecijfers Vleesvee (sectordeskundigen), bewerkt.
[5] KWIN-V 2025-2026.
[6] Heeres - van der Tol en Gerrits (1999).
[7] Kemme et al. (2004).
[8] Bedrijveninformatienet (BIN 2020-2022) van wageningen Economic Research.
[9] Kemme et al. (2003).
[10] Heeres - van der Tol (2001).
[11] Kemme et al. (2005a).
[12] Van der Hoek (1987).
[13] Tamminga et al. (2000).
[14] Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie melkvee, 2022.
[15] IKC (1993).
[16] Jongbloed en Kemme (2002b).
[17] Kemme et al. (2005b).
[18] Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
[19] Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO).
[20] Opgave vleesveesector (2022); Rekengroep Excretiecijfers Vleesvee (sectordeskundigen).
[21] Persoonlijke mededeling Van Roekel (5 februari 2024).
[22] Handboek Schapenhouderij (2002), Praktijkonderzoek Veehouderij https://edepot.wur.nl/29959 aangevuld met J. Verkaik (persoonlijke mededelingen nov ’23 en 2 febr ’24 via I. Vermeij - Wageningen Livestock Research).
[23] Handboek Geitenhouderij (2000). Praktijkonderzoek Rundvee, Schapen en Paarden, themaboek 44.

3.3 Mineralenexcretie

De excretiefactoren voor graasdieren zijn weergegeven in Tabel 3.3.1.

3.3.1 Excretiefactoren van graasdieren in 2025 (kg/dier/jaar)
CategorieGehele jaarGehele jaarGehele jaarStalperiodeStalperiodeStalperiodeWeideperiodeWeideperiodeWeideperiode
Stikstof (N)Fosfaat (P2O5)Kali (K2O)Stikstof (N)Fosfaat (P2O5)Kali (K2O)Stikstof (N)Fosfaat (P2O5)Kali (K2O)
Nederland - rundvee voor de melkveehouderij
Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar30,87,841,727,37,037,33,50,84,4
Mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar29,87,141,3
Vrouwelijk jongvee, 1-2 jaar66,218,796,551,914,774,914,34,021,6
Mannelijk jongvee, 1-2 jaar77,923,5107,1
Vrouwelijk jongvee, 2 jaar en ouder66,318,896,651,914,774,914,44,121,7
Melk- en kalfkoeien totaal1)141,341,1165,979,823,393,861,517,872,1
Melk- en kalfkoeien - excretie in de stal126,536,8148,579,823,393,846,713,554,7
Melk- en kalfkoeien - excretie in de wei14,84,317,4 14,84,317,4
Stieren voor de fokkerij, 2 jaar en ouder77,823,5107,1
Nederland - rundvee voor de vleesproductie
Witvleeskalveren18,44,513,0
Rosévleeskalveren26,98,923,7
Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar29,87,540,426,66,836,43,20,74,0
Mannelijk jongvee (incl. ossen) jonger dan 1 jaar24,14,222,7
Vrouwelijk jongvee, 1-2 jaar65,618,695,651,914,774,913,73,920,7
Mannelijk jongvee (incl. ossen), 1-2 jaar55,716,238,7
Vrouwelijk jongvee, 2 jaar en ouder65,618,695,651,914,774,913,73,920,7
Mannelijk jongvee (incl. ossen), 2 jaar en ouder55,716,238,7
Zoog-, mest- en weidekoeien, 2 jaar en ouder76,824,1120,428,79,446,648,114,773,8
Noord- en West-Nederland (graskuilrantsoen)
Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar34,38,846,829,87,841,24,51,05,6
Vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder68,719,5100,252,114,875,116,64,725,1
Melk- en kalfkoeien totaal1)147,943,4182,780,724,0100,667,219,482,1
Melk- en kalfkoeien - excretie in de stal129,638,1160,480,724,0100,648,914,159,8
Melk- en kalfkoeien - excretie in de wei18,35,322,3 18,35,322,3
Zuid- en Oost-Nederland (snijmaïsrantsoen)
Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar28,37,038,225,56,434,72,80,63,5
Vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder64,518,394,051,814,774,812,73,619,2
Melk- en kalfkoeien totaal1)136,439,4153,279,222,888,757,216,664,5
Melk- en kalfkoeien - excretie in de stal124,235,9139,579,222,888,745,013,150,8
Melk- en kalfkoeien - excretie in de wei12,23,513,7 12,23,513,7
Nederland - overige graasdieren
Schapen (ooien)2)13,94,321,61,20,41,612,73,920,0
Geiten (melkgeiten)2)19,56,314,1
Paarden76,528,798,940,815,653,135,713,145,8
Pony's35,613,047,116,16,121,719,56,925,4
1) In de weideperiode van melkkoeien (mei-oktober) kan sprake zijn van opstallen of beweiden.
2) Excretie per moederdier, inclusief de excretie van lammeren, mannelijke dieren en opfokdieren.

Melk- en kalfkoeien

De voederbehoefte, de samenstelling van het voerrantsoen en de vastlegging van stikstof en fosfor worden jaarlijks geactualiseerd. Met ingang van 2017 wordt ook het fosforgehalte van de geproduceerde melk jaarlijks aangepast (Van Bruggen, 2018; Koning en Šebek, 2019). Voor de andere categorieën runderen, schapen en geiten worden alleen de voederwaarden en de mineralengehalten van het voer jaarlijks aangepast.

De totale melkproductie is de som van de melkleveringen aan fabrieken en de melk die achterblijft op de boerderij voor bijvoorbeeld de productie van boerderijzuivel en de opfok van kalveren. Voor de melk die achtergehouden wordt op de boerderij wordt gebruikgemaakt van het BIN.

De melkproductie per koe wordt normaliter berekend door de totale melkproductie te delen door het aantal melkkoeien in de Landbouwtelling. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het aantal melkkoeien in de Landbouwtelling representatief is voor het gemiddeld aantal melkkoeien in het jaar. In jaren met een sterke toe- of afname van het aantal melkkoeien in de loop van het jaar wordt bij de berekening van de melkproductie per koe het gemiddeld aantal dieren gecorrigeerd (Van Bruggen en Gosseling, 2019).
De uitgangspunten voor de berekening van de voederbehoefte van melkkoeien en jongvee en voor de vastlegging van mineralen in dierlijke producten zijn afgestemd met de Handreiking Bedrijfsspecifieke Excretie (BEX). Van het aantal kalveren dat gedurende het leven van de koe wordt geboren, wordt het eerste kalf berekend als vastlegging bij de vaars i.c. jongvee van 1 jaar en ouder.

Om het voerverbruik van melkkoeien te berekenen, wordt gebruik gemaakt van een voerbalans. Daarbij wordt uitgegaan van vaste kengetallen voor het voerverbruik van rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien), schapen, geiten, paarden en pony’s (zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019). Na verdeling van het benodigde krachtvoer en ruwvoer over rundvee (exclusief melk- en kalfkoeien) en over schapen, geiten, paarden en pony’s wordt de rest van het beschikbare voer (circa 70 procent) aan melk- en kalfkoeien toebedeeld. In de voederbehoefte die bij melk- en kalfkoeien dan nog resteert, wordt voorzien door vers gras. Het verbruik van vers gras door melkkoeien wordt dus berekend als restpost waarin alle onzekerheden in de aannames terechtkomen. Het percentage melkkoeien dat weidegang krijgt neemt de laatste jaren toe, maar het aantal uren weidegang per etmaal daalt. Hierdoor neemt het gemiddeld aantal uren weidegang per melkkoe jaarlijks af. Door deze trend is het verbruik van vers gras door melkkoeien inmiddels een kleine voercomponent. Doordat het verbruik van vers gras relatief gering is en een restpost in de voerbalans, kan het verbruik van jaar op jaar forse schommelingen vertonen (zie ook Van Bruggen, 2018). Omdat het verbruik in omvang beperkt is, is de invloed daarvan op het eindresultaat gering. De excretie van melkkoeien is weergegeven in Tabel 3.3.2.

3.3.2 Mineralenexcretie van melk- en kalfkoeien (kg/dier/jaar)
NederlandNederlandNoord- en West NederlandNoord- en West NederlandZuid- en Oost NederlandZuid- en Oost Nederland
202420252024202520242025
VEM-behoefte (in kVEM)720073507090726572857415
Weidegrasopname (droge stof)7806519661038641358
Graskuil- en hooi-opname (droge stof)285929863262328125582763
Snijmaïskuilopname (droge stof)1541161479781120972221
Vochtrijk krachtvoeropname (droge stof)324318324318324318
Droog krachtvoeropname236924642430251123232429
Vastlegging melkkoe343434343434
Vastlegging kalf323132313231
Vastlegging melk911593688889919892849497
Stikstofopname (N)193,9195,9197,4201,5191,4191,7
Fosforopname (P)27,627,928,428,727,027,3
Kaliumopname (K)157,0152,8169,7166,5147,4142,5
Stikstofvastlegging (N)52,854,651,553,653,755,3
Fosforvastlegging (P)9,79,99,59,79,910,0
Kaliumvastlegging (K)14,715,114,414,815,015,3
Stikstofexcretie (N)141,2141,3145,8147,9137,7136,4
Fosfaatexcretie (P2O5)1)41,041,143,443,439,339,4
Kali-excretie (K2O)2)171,4165,9187,1182,7159,7153,2
1) De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.
2) De omrekenfactor voor K in K2O is 1,205.

Excretie in stal en weide

Om gasvormige stikstofverliezen uit opgeslagen mest en weidemest van melkkoeien te kunnen berekenen moet de excretie in de stal en in de wei afzonderlijk worden bepaald. Hiertoe worden voor de stal- en voor de weideperiode afzonderlijk excretiefactoren vastgesteld. In de weideperiode van melkkoeien zal een deel van de excretie in de stal plaatsvinden, afhankelijk van de toegepaste vorm van beweiding. De informatie over toegepaste beweiding is afkomstig uit de Landbouwtelling waarin jaarlijks wordt gevraagd naar de periode dat de melkkoeien een bepaalde vorm van beweiding hebben gekregen. De volgende beweidingssystemen worden hierbij onderscheiden: dag en nacht weiden, alleen overdag weiden en permanent opstallen. Bij dag en nacht weiden en bij overdag weiden wordt gevraagd naar het aantal uur weiden per etmaal. Er wordt van uitgegaan dat de hoeveelheid mest die in de stal terechtkomt evenredig is met het aantal uren per etmaal dat de dieren op stal staan.

3.3.3 Weidegang van melkkoeien en jongvee in 2025
CategorieEenheidNederland gemiddeldNoord en West NederlandZuid en Oost Nederland
Dag en nacht weiden van melkkoeien% van het aantal melkkoeien10147
Beperkt weiden van melkkoeien% van het aantal melkkoeien575956
Permanent opstallen van melkkoeien% van het aantal melkkoeien332737
Dag en nacht weiden van melkkoeienuren per etmaal16
Beperkt weiden van melkkoeienuren per etmaal7
Mest in opslag bij dag en nacht weiden% van de geproduceerde mest32
Mest in opslag bij beperkt weiden% van de geproduceerde mest70
Melkkoeienaantal dagen geweid155165150
Bedrijven met weiden van jongvee jonger dan 1 jaar% van het aantal bedrijven384732
Bedrijven met weiden van jongvee van 1 jaar of ouder% van het aantal bedrijven616856
Jongvee jonger dan 1 jaar1)aantal dagen geweid304025
Jongvee 1 jaar of ouder1)aantal dagen geweid708565
1) Het aandeel van jongvee op bedrijven zonder beweiding is in de cijfers verrekend.


De uitgangspunten voor overig rundvee, schapen, geiten, paarden en pony’s zijn beschreven in Van Bruggen en Gosseling (2019).

3.4. Mestproductiehoeveelheid

De hoeveelheid mest per dier is gedefinieerd als de hoeveelheid mest in kilogram die na enkele maanden bewaring aanwezig is in de stalopslag, inclusief voerresten, schoonmaakwater en vermorst drinkwater, maar exclusief het gebruik van strooisel als stro, zaagsel en houtkrullen. Voor weidend vee komt daar nog de hoeveelheid mest bij die deze dieren produceren wanneer ze in de wei lopen. Alle weidemest wordt gerekend als dunne mest. De mestproductiefactoren voor rundvee zijn afgestemd op de resultaten van het BedrijfsBegrotingsProgramma Rundveehouderij (BBPR) van Wageningen UR Livestock Research (Van Bruggen, 2011, zie ook Van Bruggen en Gosseling, 2019). De factoren voor de mestproductie per dier zijn weergegeven in Tabel 3.4.1.

3.4.1 Mestproductiefactoren van graasdieren in 2025 (kg/dier/jaar)
CategorieTotaalStalperiodeWeideperiode1)
Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar50004800200
Mannelijk jongvee jonger dan 1 jaar50005000
Vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder13000105002500
Melk- en kalfkoeien regio ZuidOost320002000012000
Melk- en kalfkoeien regio ZuidOost - in de stal300002000010000
Melk- en kalfkoeien regio ZuidOost - in de wei20002000
Melk- en kalfkoeien regio NoordWest310001800013000
Melk- en kalfkoeien regio NoordWest - in de stal280001800010000
Melk- en kalfkoeien regio NoordWest - in de wei30003000
Stieren voor de fokkerij, 2 jaar en ouder1250012500
Witvleeskalveren28002800
Rosévleeskalveren41004100
Vrouwelijk jongvee jonger dan 1 jaar50004800200
Mannelijk jongvee (incl. ossen) jonger dan 1 jaar45004500
Vrouwelijk jongvee, 1 jaar en ouder13000105002500
Mannelijk jongvee (incl. ossen), 1 jaar en ouder1000010000
Zoog-, mest- en weidekoeien, 2 jaar en ouder1500070008000
Schapen (ooien)2)25401402400
Geiten (melkgeiten)2)12201220
Paarden850052003300
Pony's420021002100
1) In de weideperiode van melkkoeien (mei-oktober) kan sprake zijn van opstallen of weiden.
2) Excretie per moederdier, inclusief de excretie van lammeren, mannelijke dieren en opfokdieren.
N.B. De mest van rundvee is berekend als dunne mest uitgezonderd de stalmest van zoog-, mest- en weidekoeien. Stalmest van schapen, geiten, paarden en pony's is vaste mest, weidemest is berekend als dunne mest.
 

4. Rekenmethodiek staldieren

De stikstof- en fosfaatexcretie van varkens en pluimvee is in 2025 gedaald ten opzichte van 2024. Dit komt vooral door een afname van het aantal dieren.

4.1 Krachtvoer

Het voer voor staldieren kan bestaan uit mengvoer, enkelvoudige krachtvoergrondstoffen en, voor sommige diercategorieën, vochtrijk krachtvoer. In de toegepaste kengetallen van het voerverbruik van staldieren wordt het verbruik uitgedrukt als droog voer met een drogestofgehalte van 87 procent.

Voor de bepaling van het krachtvoerverbruik en de voersamenstelling bij varkens is uitgegaan van de geregistreerde voerleveringen (VJO) bij RVO en de opgave van mengvoerbedrijven bij Nevedi.

In het VJO van RVO zijn ook leveringen van vochtrijk voer opgenomen. Het drogestofgehalte van deze voeders kan niet uit de voerleveringen worden afgeleid, maar ligt voor de meest verbruikte soorten tussen 10 en 30 procent. Door het ontbreken van informatie over het drogestofgehalte is het niet mogelijk om de samenstelling van leveringen van vochtrijk voer om te rekenen naar de samenstelling van droog voer zoals die in kengetallen over het voerverbruik worden toegepast. Leveringen van vochtrijk voer zijn daarom uit de RVO-bestanden verwijderd om de gemiddelde stikstof- en fosforgehalten van droog voer te kunnen berekenen. Het stikstofgehalte van het geleverde voer is hierbij gebruikt als indicatie van de levering van vochtrijk voer. Het verbruik en de samenstelling van vochtrijk voer bestemd voor varkens is afkomstig van de Circular Feed association (CFa).

Varkens

De stikstof- en fosforgehalten van het mengvoer voor gespeende biggen en vleesvarkens zijn overgenomen van Nevedi. De Nevedi-cijfers van zeugenvoer omvatten ook het voer voor opfokzeugen en beren. De aandelen van opfokzeugen en beren in de afzet van zeugenvoer zijn hieruit afgeleid door de voerleveringen (VJO) te koppelen aan de Landbouwtelling en het stikstof- en fosforgehalte van het voer voor deze diercategorieën gelijk te stellen aan die van voerleveringen aan bedrijven met uitsluitend opfokzeugen of beren. Daarbij is aangenomen dat de voersamenstelling op gemengde bedrijven vergelijkbaar is met die op gespecialiseerde bedrijven. Door het verbruik van opfokzeugen en beren te vermenigvuldigen met het aantal dieren, is het totale verbruik voor deze groepen geschat. Het resterende deel van het mengvoer in het Nevedi-overzicht is toegerekend aan zeugen.

Het verbruik van enkelvoudig droog voer is afgeleid uit het VJO, waarbij bedrijven zijn gekoppeld aan de Landbouwtelling. Voor elke diercategorie is de samenstelling gebaseerd op de voerleveringen aan bedrijven die uitsluitend die categorie houden. Voor zeugen is dit berekend als het verschil tussen het totale verbruik van enkelvoudig voer en de som van het verbruik door de overige diercategorieën. Alle verbruiken zijn vervolgens omgerekend naar het aantal dieren in de Landbouwtelling. Ten slotte is per diercategorie de gemiddelde samenstelling van het totaal aan droge krachtvoeders berekend.

Pluimvee

Bij pluimvee spelen vochtrijke voeders geen rol. Hierdoor is het mogelijk een gemiddelde samenstelling van het verstrekte voer te berekenen op basis van mengvoer en enkelvoudig voer. Voor het mengvoer zijn de afzetcijfers van Nevedi leidend. Deze cijfers geven echter alleen totalen voor leg- en vleespluimvee, zonder uitsplitsing naar diercategorie. De voersamenstelling per categorie is daarom afgeleid door de voerleveringen (VJO) te koppelen aan bedrijven in de Landbouwtelling, waarna kalibratie plaatsvindt met de samenstelling van leg- en vleespluimveevoer volgens Nevedi. De samenstelling van enkelvoudig voer voor pluimvee is, net als bij varkens, afgeleid van het VJO. Een uitzondering hierop vormen de vleeskuikens, vanwege het aandeel enkelvoudige tarwe in het rantsoen. Dit aandeel is, gezien de samenstelling van het mengvoer, grotendeels inbegrepen in het afzetcijfer van Nevedi.

Van het kaliumgehalte van het mengvoer is geen jaarlijkse informatie beschikbaar. De samenstelling van het voer voor staldieren is weergegeven in Tabel 4.1.1.

4.1.1 Samenstelling van staldiervoeders (g/kg)
Stikstof (N)Stikstof (N)Fosfor (P)Fosfor (P)Kalium (K)Kalium (K)
202420252024202520242025
Varkensvoer voor:
Opfokzeugen en -beren1)23,322,14,55,59,19,1
Zeugen, inclusief biggen tot spenen1)21,522,55,04,99,39,1
Gespeende biggen1)26,427,04,74,88,98,9
Beren1)22,022,35,25,28,98,9
Vleesvarkens1)23,824,34,34,39,39,1
Pluimveevoer
Vleeskuikenvoer2)29,030,24,24,27,37,3
Opfokvoer voor vleeskuikenouderdieren23,423,65,14,87,07,0
Foktoomvoer voor vleeskuikenouderdieren21,221,54,13,96,76,7
Opfokvoer voor legrassen25,726,05,05,07,37,3
Legvoer25,025,04,54,57,07,0
Eendenvoer23,725,14,64,98,18,1
Kalkoenenvoer29,627,94,84,47,47,4
Voer voor:
Konijnen24,925,05,05,015,015,0
1) Inclusief vochtrijk krachtvoer en enkelvoudig vervoederde grondstoffen.
2) Inclusief enkelvoudig vervoederde tarwe.

4.2 Dierlijke productie


De vastlegging van mineralen in dierlijke producten is afhankelijk van het productieniveau van vlees en eieren en van de mineralengehalten van die producten. De mineralengehalten van dierlijke producten worden jaarlijks afgestemd op de forfaitaire waarden in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet of op de nieuwste wetenschappelijk onderbouwde inzichten. Nieuwe gegevens over het levend gewicht van staldieren en de gehalten aan stikstof en fosfor van het levend gewicht komen incidenteel beschikbaar. De samenstelling van dierlijke producten is weergegeven in tabel 4.2.1.

4.2.1 Gewicht en samenstelling van staldieren en van dierlijke producten in 2025
Gewicht (Gew) (kg)Stikstof (N) (g/kg)Fosfor (P) (g/kg)Kalium (K) (g/kg)Bron [Gew] [N] [P] [K]
Varkens
Doodgeboren big 1,318,76,151,81[1] [2] [2] [2]
Uitval biggen2,823,15,362,64[2] [2] [2] [2]
Big op speenleeftijd7,524,05,172,64[11] [20] [20] [2]
Big bij afleveren25,925,35,252,42[3] [20] [20] [2]
Vleesvarken12525,05,252,28[3] [2] [20] [2]
Opfokzeug 14024,95,782,25[4] [2] [5] [2]
Fokzeug 23025,05,352,08[6] [7] [7] [2]
Fokbeer - begingewicht15024,95,782,25[4] [2] [5] [2]
Fokbeer - eindgewicht30025,05,352,04[4] [7] [7] [2]
Kippen
Eendagskuiken - legsector0,04225,82,532,00[8] [9] [9] [10]
Eendagskuiken - vleessector0,04225,82,532,40[8] [9] [9] [10]
Witte leghen - ca. 18 weken1,20035,75,501,91[8] [19] [7] [10]
Witte leghen - eindgewicht 1,60030,76,001,85[6] [19] [19] [10]
Middelzware leghen - ca. 18 weken1,40035,75,501,65[8] [19] [7] [10]
Middelzware leghen - eindgewicht1,70031,66,001,85[6] [19] [19] [10]
Moederdier van reguliere vleesrassen - ca. 20 weken2,37033,44,932,50[16] [12] [12] [12]
Moederdier van trager groeiende vleesrassen - ca. 20 weken1,60033,44,932,50[16] [12] [12] [12]
Moederdier van reguliere vleesrassen - eindgewicht3,90028,45,412,20[6] [12] [12] [12]
Moederdier van trager groeiende vleesrassen - eindgewicht2,20028,45,412,20[6] [12] [12] [12]
Vaderdier van vleesrassen - ca. 20 weken3,00034,55,462,50[16] [12] [12] [12]
Vaderdier van vleesrassen - eindgewicht5,00035,45,682,50[6] [12] [12] [12]
Vleeskuiken - regulier2,50028,34,432,40[6] [15] [14] [12]
Vleeskuiken - trager groeiend2,60028,34,432,40[6] [15] [14] [12]
Eenden en kalkoenen
Eend - begingewicht0,04728,02,971,83[16] [15] [15] [16]
Vleeseend3,20029,55,072,49[6] [15] [15] [16]
Kalkoen - begingewicht0,05330,03,402,04[7] [8] [7] [7]
Vleeskalkoen, hen1033,05,002,04[6] [7] [7] [7]
Vleeskalkoen, haan2033,05,202,04[6] [7] [7] [7]
Konijnen
Eindgewicht voedster1)4,530,25,202,00[18][17][17][17]
Eindgewicht ram1)730,25,202,00[18][17][17][17]
Uitvalgewicht vóór spenen1)0,227,15,402,00[18][17][17][17]
Uitvalgewicht na spenen1)1,6528,24,902,00[18][17][17][17]
Eieren
Legsector2)18,51,701,20[nvt] [7][7][7]
Vleessector0,06219,31,901,20[8] [12][12][12]
1) Gemiddelde samenstelling van de dierlijke productie.
2) In de berekening van de vastlegging wordt gerekend met de totale omvang van de eierproductie in kg.
N.B. Het gewicht van dieren is het levend gewicht.
[1] Coppoolse et al. (1990).
[2] Jongbloed en Kemme (2002a).
[3] Agrovision kengetallen vleesvarkens en zeugen (jaarlijks).
[4] Handboek Varkenshouderij (2018). Wageningen Livestock Research, ISBN 978-94-6257-533-2 (1e druk 2015).
[5] Jongbloed (2010).
[6] KWIN-V 2025-2026.
[7] Jongbloed en Kemme (2002b).
[8] Jongbloed en Kemme (2005).
[9] Ipema en Jongbloed (2011).
[10] WPSA (1985).
[11] Uniformeringsafspraken Varkenshouderij (2022). Wageningen Livestock Research.
[12] Versteegh en Jongbloed (2000a).
[13] Bedrijveninformatienet (BIN). Wageningen Economic Research.
[14] Versteegh en Jongbloed (2000b).
[15] Tabellen mestbeleid.
[16] Managementgidsen (Lohmann, Ross, Hubbard), Managementgids V20220510.
[17] Interne notitie Wageningen Livestock Research, 2012.
[18] Opgave deskundigen konijnensector (konijnenhouder, voerleverancier en KI) (2023).
[19] Van Eck et al. (2024).
[20] Royer en Bikker (2025).

4.3 Mineralenexcretie


De excretiefactoren voor staldieren staan in Tabel 4.3.1. Voor vleesvarkens, zeugen, leghennen en vleeskuikens is de berekening van de excretiefactoren in deze paragraaf opgenomen. Alle excretiefactoren gelden per geteld dier. Omdat de definitieve excretiecijfers voortaan later in het jaar uitkomen is de voorlopige landbouwtelling van 2026 al beschikbaar. Op basis van de aantallen in de definitieve landbouwtelling 2025 en de voorlopige landbouwtelling 2026 is een correctie uitgevoerd om de gemiddelde aantallen in 2025 beter te benaderen.

4.3.1 Excretiefactoren van staldieren in 2025 (kg/dier/jaar)
Stikstof (N)Fosfaat (P2O5)Kali (K2O)
Vleesvarkens12,34,48,5
Opfokzeugen en -beren13,57,78,9
Zeugen, inclusief biggen tot spenen23,411,714,0
Gespeende biggen2,40,771,9
Opfokberen, 50 kg en meer13,57,78,9
Dekrijpe beren21,111,611,1
Vleeskuikens0,460,120,24
Ouderdieren van vleesrassen-opfok, jonger dan ca. 20 weken0,310,170,16
Ouderdieren van vleesrassen-leg, ca. 20 weken en ouder0,890,410,43
Leghennen-opfok, jonger dan ca. 18 weken0,320,150,15
Leghennen-leg, ca. 18 weken en ouder0,780,390,36
Vleeseenden0,610,320,46
Vleeskalkoenen1,530,550,83
Konijnen (voedsters)1)8,54,19,1
1) Inclusief excretie van vleeskonijnen, mannelijke dieren en opfokdieren.
N.B. De factoren gelden per bij de landbouwtelling geteld dier.

Varkens

De technische kengetallen van vleesvarkens en zeugen worden jaarlijks geactualiseerd op basis van cijfers van Agrovision. De kengetallen van de overige categorieën varkens zijn geactualiseerd op basis van het Handboek Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN 2025-2026) en overige bronnen, zie Bijlage 1.

De bij RVO geregistreerde leveringen van mengvoer en enkelvoudig voer en de opgave van mengvoerleveranciers bij Nevedi in kilogrammen voer, stikstof en fosfor zijn gebruikt bij de bepaling van de mineralengehalten van droge voeders voor de onderscheiden categorieën varkens zoals beschreven in paragraaf 4.1.

Hoewel het aantal dieren is afgenomen, werd er per zeug en per vleesvarken wel meer voer verbruikt. Bij vleesvarkens is ook de productieronde korter met een hogere groei per dag. De biggenproductie van zeugen is toegenomen met als gevolg een hogere voerbehoefte. De uitgangspunten en de excretieberekening voor vleesvarkens zijn weergegeven in Tabel 4.3.2, voor zeugen met biggen tot spenen in Tabel 4.3.3 en voor gespeende biggen in Tabel 4.3.4.

4.3.2 Mineralenexcretie van vleesvarkens
CategorieEenheid20242025
Verbruik startvoerkg/dier/jaar166173
Verbruik vleesvarkensvoerkg/dier/jaar678685
Vastlegging in vleeskg/dier/jaar337343
Eindgewicht vleesvarkenkg125125
Stikstofgehalte vleesg N/kg24,924,9
Fosforgehalte vleesg P/kg5,35,3
Kaliumgehalte vleesg K/kg2,22,2
Stikstofopnamekg N/dier/jaar20,020,8
Fosforopnamekg P/dier/jaar3,73,7
Kaliumopnamekg K/dier/jaar7,87,8
Stikstofvastleggingkg N/dier/jaar8,48,5
Fosforvastleggingkg P/dier/jaar1,81,8
Kaliumvastleggingkg K/dier/jaar0,80,8
Stikstofexcretiekg N/dier/jaar11,612,3
Fosfaatexcretie1)kg P2O5/dier/jaar4,34,4
Kali-excretie2)kg K2O/dier/jaar8,58,5
1) De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.
2) De omrekenfactor voor K in K2O is 1,205.


4.3.3 Mineralenexcretie van zeugen met biggen tot spenen
CategorieEenheid20242025
Verbruik biggenvoerkg/big0,80,8
Verbruik biggenvoerkg/zeug/jaar2424
Verbruik zeugenvoerkg/zeug/jaar13141328
Vastlegging zeugkg/dier/jaar3434
Gespeende biggenaantal/zeug/jaar31,532,0
Gespeende biggenkg/zeug/jaar236240
Uitval biggenkg/zeug/jaar12,113,2
Doodgeboren biggenkg/zeug/jaar3,63,6
Gewicht big op speenleeftijdkg7,57,5
Stikstofgehalte vastlegging zeugg N/kg25,225,2
Fosforgehalte vastlegging zeugg P/kg4,74,7
Kaliumgehalte vastlegging zeugg K/kg1,81,8
Stikstofgehalte vastlegging gespeende biggeng N/kg24,024,0
Fosforgehalte vastlegging gespeende biggeng P/kg5,25,2
Kaliumgehalte vastlegging gespeende biggeng K/kg2,62,6
Stikstofgehalte vastlegging uitgevallen biggeng N/kg23,123,1
Fosforgehalte vastlegging uitgevallen biggeng P/kg5,45,4
Kaliumgehalte vastlegging uitgevallen biggeng K/kg2,62,6
Stikstofgehalte vastlegging doodgeboren biggeng N/kg18,718,7
Fosforgehalte vastlegging doodgeboren biggeng P/kg6,26,2
Kaliumgehalte vastlegging doodgeboren biggeng K/kg1,81,8
Stikstofopnamekg N/dier/jaar28,730,4
Fosforopnamekg P/dier/jaar6,76,6
Kaliumopnamekg K/dier/jaar12,512,3
Stikstofvastleggingkg N/dier/jaar6,97,0
Fosforvastleggingkg P/dier/jaar1,51,5
Kaliumvastleggingkg K/dier/jaar0,70,7
Stikstofexcretiekg N/dier/jaar21,823,4
Fosfaatexcretie1)kg P2O5/dier/jaar12,011,7
Kali-excretie2)kg K2O/dier/jaar14,214,0
1) De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.
2) De omrekenfactor voor K in K2O is 1,205.


4.3.4 Mineralenexcretie van gespeende biggen
CategorieEenheid20242025
Verbruik biggenvoerkg/big29,230,1
Speenleeftijddagen28,326,3
Gewicht gespeende bigkg7,57,5
Leeftijd grootgebrachte bigdagen76,077,0
Gewicht grootgebrachte bigkg25,525,9
Stikstofgehalte vastlegging bigg N/kg25,825,8
Fosforgehalte vastlegging bigg P/kg5,35,3
Kaliumgehalte vastlegging bigg K/kg2,32,3
Stikstofopnamekg N/dier/jaar5,95,9
Fosforopnamekg P/dier/jaar1,11,0
Kaliumopnamekg K/dier/jaar2,01,9
Stikstofvastleggingkg N/dier/jaar3,53,4
Fosforvastleggingkg P/dier/jaar0,70,7
Kaliumvastleggingkg K/dier/jaar0,30,3
Stikstofexcretiekg N/dier/jaar2,42,4
Fosfaatexcretie1) kg P2O5/dier/jaar0,750,77
Kali-excretie2) kg K2O/dier/jaar2,01,9
1) De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.
2) De omrekenfactor voor K in K2O is 1,205.

Pluimvee en konijnen

De technische kengetallen voor leghennen ouder dan circa 18 weken worden jaarlijks deels geactualiseerd op basis van informatie in het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Economic Research. De overige kengetallen van leghennen en de kengetallen van de overige categorieën pluimvee zijn geactualiseerd op basis van het Handboek Kwantitatieve Informatie Veehouderij (KWIN 2025-2026) en overige bronnen, zie Bijlage 1. In de excretieberekening van vleeskuikens in 2025 is onderscheid gemaakt tussen kengetallen voor reguliere en voor trager groeiende dieren. De mineralengehalten van het kippenvoer zijn afgeleid van de bij RVO geregistreerde leveringen van mengvoer en enkelvoudig voer en de opgave van mengvoerleveranciers bij Nevedi in kilogrammen voer, stikstof en fosfor zoals beschreven in paragraaf 4.1.

De uitgangspunten en de excretieberekening voor vleeskuikens zijn weergegeven in Tabel 4.3.5 en voor leghennen in Tabel 4.3.6.

4.3.5 Mineralenexcretie van vleeskuikens
CategorieEenheid20242025
Verbruik vleeskuikenvoer (regulier)kg/dier/jaar33,633,6
Verbruik vleeskuikenvoer (trager groeiend)kg/dier/jaar33,633,6
Groei vleeskuiken (regulier)g/dier/dag58,558,5
Groei vleeskuiken (trager groeiend)g/dier/dag45,745,7
Vastlegging vleeskuiken (regulier)kg/dier/jaar19,221,4
Vastlegging vleeskuiken (trager groeiend)kg/dier/jaar16,716,7
Aandeel reguliere vleeskuikens%53,060,0
Aandeel trager groeiende vleeskuikens%47,040,0
Stikstofgehalte vastlegging dierg N/kg28,328,3
Fosforgehalte vastlegging dierg P/kg4,54,5
Kaliumgehalte vastlegging dierg K/kg2,42,4
Stikstofopnamekg N/dier/jaar0,9741,013
Fosforopnamekg P/dier/jaar0,1400,140
Kaliumopnamekg K/dier/jaar0,2460,246
Stikstofvastleggingkg N/dier/jaar0,5430,552
Fosforvastleggingkg P/dier/jaar0,0850,087
Kaliumvastleggingkg K/dier/jaar0,0460,047
Stikstofexcretiekg N/dier/jaar0,430,46
Fosfaatexcretie1)kg P2O5/dier/jaar0,120,12
Kali-excretie2)kg K2O/dier/jaar0,240,24
1) De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.
2) De omrekenfactor voor K in K2O is 1,205.
N.B. De opname, vastlegging en excretie zijn berekend per gemiddeld aanwezig vleeskuiken.

4.3.6 Mineralenexcretie van leghennen
categorieEenheid20242025
Verbruik legvoerkg/dier/jaar46,545,2
Groei leghengram/dier/dag0,70,7
Vastlegging leghenkg/dier/jaar0,30,3
Eiproductie vanaf 20 wekenkg/dier/jaar20,619,5
Eiproductie vanaf 18 wekenkg/dier/jaar19,818,7
Stikstofgehalte vastlegging dierg N/kg31,031,0
Fosforgehalte vastlegging dierg P/kg7,77,7
Kaliumgehalte vastlegging dierg K/kg1,91,9
Stikstofgehalte vastlegging eiereng N/kg18,518,5
Fosforgehalte vastlegging eiereng P/kg1,71,7
Kaliumgehalte vastlegging eiereng K/kg1,21,2
Stikstofopnamekg N/dier/jaar1,1621,132
Fosforopnamekg P/dier/jaar0,2070,203
Kaliumopnamekg K/dier/jaar0,3270,318
Stikstofvastlegging dierkg N/dier/jaar0,0080,008
Fosforvastlegging dierkg P/dier/jaar0,0020,002
Kaliumvastlegging dierkg K/dier/jaar0,0000,000
Stikstofvastlegging eierenkg N/dier/jaar0,3660,347
Fosforvastlegging eierenkg P/dier/jaar0,0340,032
Kaliumvastlegging eierenkg K/dier/jaar0,0240,022
Stikstofexcretiekg N/dier/jaar0,790,78
Fosfaatexcretie1)kg P2O5/dier/jaar0,390,39
Kali-excretie2)kg K2O/dier/jaar0,360,36
1) De omrekenfactor voor P in P2O5 is 2,29.
2) De omrekenfactor voor K in K2O is 1,205.


4.4. Mestproductiehoeveelheid

De hoeveelheid mest per dier is gedefinieerd als de hoeveelheid mest in kilogram die na enkele maanden bewaring aanwezig is in de stalopslag, inclusief voerresten, schoonmaakwater en vermorst drinkwater.

De mestproductie van staldieren is weergegeven in Tabel 4.4.1.

4.4.1 Mestproductiefactoren van staldieren in 2024 en 2025 (kg/dier/jaar)
Categorie20242025
Vleesvarkens10901090
Opfokzeugen en -beren12001200
Fokzeugen inclusief biggen tot spenen45004500
Gespeende biggen330330
Opfokberen, 50 kg en meer12001200
Dekrijpe beren32003200
Vleeskuikens9,79,7
Ouderdieren van vleesrassen-opfok, jonger dan ca. 20 weken 88,0
Ouderdieren van vleesrassen-leg, ca. 20 weken en ouder17,617,6
Leghennen-opfok, jonger dan ca. 18 weken77,0
Leghennen-leg, ca. 18 weken en ouder18,118,1
Vleeseenden4040
Vleeskalkoenen4242
Konijnen (voedsters)1)350350
1) Excretie per voedster inclusief excretie van mannelijke dieren, vleeskonijnen en opfokkonijnen.
N.B. Varkensmest is dunne mest, pluimveemest is vaste mest.

5. Landbouwtelling

De Landbouwtelling is een integrale telling van landbouwhuisdieren in Nederland. Het aantal runderen, schapen, geiten en kippen hoeven veehouders niet meer zelf jaarlijks in te vullen. Deze aantallen worden afgeleid uit registers.

5.1 Afbakening diercategorieën

Factoren voor de mestproductie en mineralenexcretie per dier worden berekend voor elke diercategorie in de Landbouwtelling, met uitzondering van diersoorten die in zeer kleine aantallen worden gehouden zoals ezels, waterbuffels, herten en ‘overig pluimvee’. Deze categorieën kunnen bestaan uit diverse subcategorieën of leeftijdsklassen waardoor het lastig is om technische kengetallen over voerverbruik en dierlijke productie op te stellen. Daarbij is de bijdrage van deze diersoorten aan de totale mestproductie te verwaarlozen.

Sommige diercategorieën in de Landbouwtelling worden bij de berekening van de mest- en mineralenexcretie samengevoegd tot één categorie om zo beter aan te sluiten bij de beschikbare kengetallen over voerverbruik en dierlijke productie. Zo zijn bij rundvee de leeftijdsklassen van één tot twee jaar en van twee jaar en ouder samengevoegd tot één categorie dieren met een leeftijd van één jaar en ouder. Ook de gewichtsklassen van vleesvarkens en de eventuele verdeling in mannelijke en vrouwelijke dieren zijn samengevoegd tot één categorie vleesvarkens. De excretiefactoren bij schapen, geiten en konijnen zijn berekend per moederdier waarin het aandeel van de mannelijke dieren en de jonge dieren is verrekend.

5.2 Afbakening landbouwbedrijven

Met ingang van 2016 wordt voor de afbakening van de Landbouwtelling gebruik gemaakt van informatie uit het Handelsregister. Inschrijving in het Handelsregister met een agrarische SBI (Standaard BedrijfsIndeling) is leidend bij de bepaling of er sprake is van een landbouwbedrijf. Met deze afbakening wordt zo nauw mogelijk aangesloten bij de statistische verordeningen van Eurostat en de (Nederlandse) implementatie van het begrip 'actieve landbouwer' uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). De afbakening van de Landbouwtelling op basis van informatie uit het Handelsregister betekende een vermindering van het aantal landbouwbedrijven. De invloed op arealen (behalve bij niet-cultuurgrond en natuurlijk grasland) en de dieraantallen (behalve bij schapen en bij paarden en pony's) bleven beperkt. Dit heeft met name te maken met het soort bedrijven dat bij de afbakening wordt uitgesloten (zoals maneges, kinderboerderijen en natuurbeheersorganisaties). Door de afbakening op basis van informatie uit het Handelsregister valt een groter deel dan voorheen van de paarden, pony’s en schapen buiten de landbouw. Aangezien de mestproductie van deze categorieën alleen wordt berekend voor dieren op landbouwbedrijven wordt voor een deel van de populatie geen mestproductie berekend. Bij de berekening van ammoniakemissies en emissies van broeikasgassen wordt voor dit deel van de populatie de mestproductie wel berekend (Van der Zee et al., 2025).

5.3 Aantal dieren

Peildatum 1 april

Omdat de definitieve excretiecijfers voortaan later in het jaar uitkomen is de voorlopige landbouwtelling van 2026 al beschikbaar. Op basis van de aantallen in de definitieve landbouwtelling 2025 en de voorlopige landbouwtelling 2026 is een correctie uitgevoerd om de gemiddelde aantallen in 2025 beter te benaderen. Hierbij is gebruikt gemaakt van de landbouwtelling zonder bijschatting voor leegstand. Voor sommige diercategorieën zoals schapen en geiten is het aantal dieren op de teldatum niet representatief voor het gemiddelde aantal in het gehele jaar omdat er in het voorjaar en in de zomer meer dieren aanwezig zijn dan in de winterperiode. Bij de berekening van de excretiefactoren is hier rekening mee gehouden door het aantal geboren lammeren en het aantal opfokdieren te baseren op afzonderlijk vastgestelde getallen en niet op het aantal dieren in de Landbouwtelling.

Uit gegevens van het Identificatie en Registratiesysteem voor rundvee (I&R-rundvee) bleek dat in 2025 sprake was sprake van een geleidelijke daling van de rundveestapel. Het gemiddelde aantal dieren viel lager uit dan het aantal op de peildatum 1 april. Hierop is besloten om voor de berekening van de mestproductie het gemiddelde aantal runderen te corrigeren. Het aantal dieren in de berekening van de mestproductie is opgenomen in Tabel 5.3.1.

5.3.1 Aantal dieren in de berekening van de mineralenexcretie en mestproductie (x 1000)
20242025
Rundvee voor de melkveehouderij
Vrouwelijk jongvee tot 1 jaar 424405
Mannelijk jongvee tot 1 jaar4540
Vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder475453
Melkkoeien15391526
Fokstieren van 1 jaar en ouder1514
Rundvee voor de vleesproductie
Witvleeskalveren567549
Rosévleeskalveren327314
Vrouwelijk jongvee tot 1 jaar 4346
Vleesstieren tot 1 jaar4447
Vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder7071
Vleesstieren van 1 jaar en ouder4443
Weide- en zoogkoeien5249
Overige graasdieren
Schapen - ooien475447
Melkgeiten ouder dan 1 jaar451444
Paarden6565
Pony's3738
Varkens
Vleesvarkens46814271
Opfokvarkens188174
Zeugen735660
Gespeende biggen29012669
Dekberen45
Pluimvee
Vleeskuikens3510135396
Opfokouderdieren vleeskuikens26142378
Ouderdieren vleeskuikens42093535
Opfokleghennen incl. ouderdieren93179126
Leghennen incl. ouderdieren 3183631369
Vleeseenden378338
Vleeskalkoenen502261
Overige hokdieren
Konijnen-voedsters3232
N.B. Het aantal dieren is het aantal op de peildatum van de Landbouwtelling zonder bijtellingen voor leegstand op de peildatum.
Het aantal runderen in de landbouwtelling is gecorrigeerd op basis van tellingen op peildata in I&R-rund.
Het aantal varkens en pluimvee is gecorrigeerd op basis van de Landbouwtelling 2025 en 2026


Het aantal dieren in tabel 5.3.1 wijkt voor vleeskalveren, vleesvarkens, kippen en kalkoenen af van het aantal dieren in de tabellen van de Landbouwtelling op de CBS-website. In de tabellen van de Landbouwtelling vindt namelijk met ingang van 2018 een bijtelling plaats van het aantal dieren bij tijdelijke leegstand van stallen op de peildatum. De reden voor deze bijtelling is dat de Landbouwtelling een structuurtelling is waarvoor een juiste bepaling van bedrijfstype en economische omvang van bedrijven van belang is. Voor de berekening van de mestproductie is de gemiddelde bezetting 2025 bepaald a.d.h.v. de dieraantallen uit de Landbouwtellingen 2025 en 2026 zonder bijtellingen bij tijdelijke leegstand.

Bijzondere omstandigheden

In jaren met uitbraken van dierziekten of door andere oorzaken die leiden tot ingrepen in de veestapel zal het aantal dieren op de peildatum van de Landbouwtelling afwijken van het gemiddeld aantal aanwezige dieren. Bij de berekening van de stikstof- en fosfaatexcretie is hier zoveel mogelijk rekening mee gehouden. In 1997, 2001 en 2003 betrof het uitbraken van respectievelijk varkenspest, mond- en klauwzeer (MKZ) en vogelpest (Van Bruggen et al., 2010). In 2017 leidde de Fipronil-affaire tot ruimingen en leegstand van pluimveestallen. Daarnaast daalde de omvang van de rundveestapel in de loop van dat jaar door de Subsidieregeling bedrijfsbeëindiging melkveehouderij en de Ministeriële regeling fosfaatreductieplan 2017 (Van Bruggen, 2018). De invoering van fosfaatrechten per 1 januari 2018 leidde tot verdere krimp van de rundveestapel gedurende dat jaar. Daarom is ook voor 2018 een correctie toegepast op het aantal runderen in de Landbouwtelling (Van Bruggen en Gosseling, 2019). De coronapandemie leidde voor sommige diercategorieën ook tot een beperking van het aantal dieren in 2020 en 2021 (Van Bruggen, 2022).

I&R-registers

Met ingang van 2017 worden de dieraantallen in de Landbouwtelling in toenemende mate afgeleid uit I&R-registers (Identificatie en Registratie van dieren). De I&R-registers vallen onder verantwoordelijkheid van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) en hebben als doel om, mede met het oog op de volksgezondheid, bij dierziekten een snelle tracering van dieren mogelijk te maken. Sinds 2017 wordt de omvang van de rundveestapel afgeleid uit I&R-rund (Van Os, 2017), en vanaf 2018 worden ook de pluimvee-aantallen en de aantallen schapen en geiten afgeleid uit de betreffende I&R-registers (Van Os et al., 2019 en 2020). De registratie van rundvee, schapen en geiten vindt rechtstreeks bij RVO plaats. Pluimveegegevens worden ingewonnen via de aangewezen databank Koppel Informatiesysteem Pluimvee (KIP) van Avined. Avined is een brancheorganisatie voor de eier- en pluimveevleessector. Avined geeft de gegevens door aan de centrale database van RVO.

In het verleden is incidenteel nagegaan of de omvang van de veestapel niet werd onderschat of juist overschat Uit deze onderzoeken kwam geen eenduidig beeld naar voren (Van Bruggen et al., 2010). Wel gaven enkele onderzoeken aan dat bij diercategorieën met meerdere productierondes per jaar, waarbij de productierondes gevolgd worden door enkele dagen of weken leegstand van stallen, de Landbouwtelling het aantal dieren mogelijk overschat. Het is denkbaar dat bij leegstand van de hokken op de peildatum de stalcapaciteit wordt opgegeven of het aantal dieren dat bij aanvang van een productieronde aanwezig is. Leegstand tussen productierondes en uitval van dieren gedurende de productieronde komen dan onvoldoende in de cijfers tot uitdrukking waardoor het gemiddeld aantal aanwezige dieren wordt overschat. Dit vermoeden werd bevestigd door het fors lagere aantal vleeskuikens in de Landbouwtelling van 2018 gebaseerd op I&R-gegevens, ten opzichte van het door pluimveehouders opgegeven aantal vleeskuikens in de Landbouwtelling van 2017. Dit betekent dat naar alle waarschijnlijkheid het aantal dieren in het verleden is overschat van die diercategorieën met meerdere productierondes per jaar en met een periode van leegstand tussen de productierondes.

Sommige resultaten van de Landbouwtelling van 2000 tot heden zijn sinds de eerste publicatie op de CBS-website aangepast. Dit kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een bijstelling of een met terugwerkende kracht doorgevoerde wijziging van de afbakening van landbouwbedrijven, waarbij bedrijven die uitsluitend natuurterreinen beheren zijn uitgesloten. Het verschil in dieraantallen is zeer gering en de invloed op de uitkomsten is te verwaarlozen.

6. Resultaten

De excretie van stikstof lag in 2025 onder het mestproductieplafond dat door de Europese Commissie is vastgesteld voor 2025, de excretie van fosfaat erboven.

6.1 Stikstof- en fosfaatexcretie


De stikstofexcretie in dierlijke mest is gedaald van 448,9 miljoen kg in 2024 tot 438,7 miljoen kg in 2025. Dit is 0,3 procent onder het productieplafond voor 2025 van 440 miljoen kilogram. De fosfaatexcretie in dierlijke mest is gedaald van 146,7 miljoen kilogram in 2024 tot 141,1 miljoen kilogram in 2025, 4,4 procent boven het productieplafond van 2025 van 135 miljoen kilogram.

In Tabel 6.1.1 is de excretie van stikstof en fosfaat naar diercategorie weergegeven.

6.1.1 Stikstof- en fosfaatexcretie in dierlijke mest (mln kg)
Stikstof (N)Stikstof (N)Fosfaat (P2O5)Fosfaat (P2O5)
2024202520242025
Rundvee voor de melkveehouderij265,2260,576,775,0
Rundvee voor de vleesproductie33,231,89,59,0
Varkens80,176,832,330,0
Pluimvee48,748,220,820,0
Overig vee1)21,821,47,67,2
Totaal448,9438,7146,7141,1
1) Schapen, geiten, paarden, pony's en konijnen.

Rundvee

De stikstofexcretie in de melkveehouderij daalde in 2025 ten opzichte van 2024 met 1,8 procent tot 260,5 miljoen kilogram, met name door een afname van de melkveestapel. Door een lager fosforgehalte van het ruwvoer daalde de fosfaatexcretie van melkvee van 76,7 miljoen kilogram in 2024 tot 75 miljoen kilogram in 2025 (2,2 procent). De melkproductie per koe nam toe met 2,8 procent tot 9368 kilogram op jaarbasis.

Voor de verantwoording van het Nederlandse mestbeleid aan de Europese Unie mag voor de melkveesector gerekend worden met gemiddelde stikstof- en fosforgehalten van gras en maïs van de laatste vijf jaar, waarbij de jaren met de hoogste en de laagste gehalten buiten beschouwing blijven. Met deze zogeheten ruwvoercorrectie komt de excretie van de melkveesector uit op 265,1 miljoen kilogram stikstof en 73,2 miljoen kilogram fosfaat.

De stikstofexcretie van vleesrundvee daalde van 33,2 miljoen kilogram in 2024 tot 31,8 miljoen kilogram in 2025 (4,2 procent). De fosfaatexcretie van vleesrundvee daalde van 9,5 miljoen kilogram in 2024 tot 9 miljoen kilogram in 2025 (5,3 procent).

Varkens

De stikstofexcretie van de varkenssector daalde van 80,1 miljoen kilogram in 2024 tot 76,8 miljoen kilogram in 2025 (4,1 procent). De fosfaatexcretie daalde van 32,3 miljoen kilogram tot 30 miljoen kilogram (7,1 procent).De dalingen zijn het gevolg van de afname van het aantal dieren. Het aantal vleesvarkens daalde met 410 duizend stuks (8,8 procent). Het aantal zeugen daalde met 75 duizend stuks (10,2 procent).

Pluimvee

In de pluimveesector daalde de stikstofexcretie van 48,7 miljoen kilogram in 2024 tot 48,2 miljoen kilogram in 2025 (1 procent). De fosfaatexcretie daalde van 20,8 miljoen kilogram tot 20 miljoen kilogram (3,8 procent). Het aantal vleeskuikens steeg met 0,8 procent in 2025 in vergelijking met 2024. Het aantal leghennen daalde ten opzichte van 2024 met 1,5 procent.

Overige vee

Het overige vee bestaat uit schapen, geiten, paarden, pony’s en konijnen. De stikstofexcretie van deze groep daalde van 21,8 miljoen kilogram in 2024 tot 21,4 miljoen kilogram in 2025 (1,8 procent). De fosfaatexcretie daalde van 7,6 miljoen kilogram tot 7,2 miljoen kilogram (5,3 procent). De excretie van overig vee draagt voor ongeveer 5 procent bij aan de totale excretie.

In de periode 1990-2025 daalde de stikstofexcretie met 37 procent en de fosfaatexcretie met 38 procent (Figuur 6.1.2). Door invoering van fosfaatgebruiksnormen, de mestboekhouding en mestproductierechten eind jaren tachtig, werd de daling van de fosfaatexcretie al ingezet vóór de invoering van het mineralenaangiftesysteem Minas in 1998. Bij stikstof werd de sterkste afname juist gerealiseerd na 1997. Tijdens de laatste jaren waarin Minas nog van kracht was, stagneerde de daling van de stikstof- en fosfaatexcretie.

Na de invoering van het stelsel van gebruiksnormen in 2006 zijn de mestproductie en de mineralenexcretie weer licht gestegen. In de aanloop naar de afschaffing van het melkquotum steeg de stikstof- en fosfaatexcretie door de groei van de melkveestapel en door hogere stikstofgehalten van het ruwvoer. Door maatregelen zoals het fosfaatreductieplan (2017) en de invoering van fosfaatrechten (2018) kromp de melkveestapel en daalde de stikstof- en fosfaatexcretie. In de meer recente jaren is het vooral de dalende omvang van de rundvee-, varkens- en pluimveestapel die bepalend is voor de trend in excretie met daarnaast de samenstelling van het melkveevoerrantsoen.

6.1.2 Stikstof- en Fosfaatexcretie van de veestapel
Index (1990=100)Stikstofexcretie (index (1990=100))Fosfaatexcretie (index (1990=100))
1990100100
1991104103
1992104102
1993103106
19949999
19959894
19969786
19979386
19988786
19998587
20007983
20017881
20027375
20036972
20046871
20056974
20066874
20076974
20087177
20097076
20107178
20116974
20126770
20136872
20147075
20157279
20167376
20177474
20187371
20197168
20207166
20216865
20226866
20236764
20246564
20256362

6.2 Gasvormige stikstofverliezen

Tijdens de opslag van mest verandert de samenstelling door afbraak van organische stof, vervluchtiging van ammoniak en vervluchtiging door denitrificatie van overige stikstofverbindingen (N2, N2O, NO). De stikstofexcretie verminderd met de stikstofverliezen in stal en opslag wordt ook wel aangeduid met stikstofproductie. In figuur 6.2.1 is de stikstofexcretie verdeeld in stikstofproductie, gasvormige verliezen die optreden tijdens opslag binnen en buiten de stal en de afvoer van stikstof via het spuiwater van luchtwassers. De afvoer van stikstof via het spuiwater van luchtwassers wordt tot de verliezen uit dierlijke mest gerekend omdat deze stikstof niet meer beschouwd wordt als dierlijke mest maar als een overige anorganische meststof.

Bij de toediening van dierlijke mest aan de bodem, inclusief de mest die dieren produceren als ze in de wei lopen, vervluchtigt opnieuw een deel van de aanwezige stikstof in de vorm van ammoniak. Deze toedieningsverliezen zijn niet in Figuur 6.2.1 weergegeven. De cijfers in de figuur zijn berekend met de op TAN-gebaseerde rekenmethodiek zoals beschreven in Van der Zee et al. (2025).

6.2.1 Stikstofexcretie en stikstofverliezen in stal en opslag
 Stikstof in de mest (miljoen kg)Ammoniak uit stal en opslag (uitgedrukt in N) (miljoen kg)Overige gasvormige verliezen (miljoen kg)Spuiwater van luchtwassers (miljoen kg)
1990598,780,811,60
2000476,163,59,50
2010420,957,492,5
2015428,952,49,27,1
2020421,848,99,29,5
2024388,942,88,48,7
2025380,241,98,38,4

6.3 Stikstof- en fosfaatexcretie naar regio

Er zijn grote regionale verschillen in de excretie van stikstof en fosfaat. Traditioneel is de stikstof- en fosfaatexcretie in Noord-Brabant het grootst, zowel in absolute hoeveelheid als per hectare cultuurgrond. In Zeeland is de mestproductie door de geringe veedichtheid het kleinst.
Figuur 6.3.1 toont de bijdrage van de verschillende diergroepen in de totale stikstofexcretie per provincie. In alle provincies met uitzondering van Limburg is het aandeel van rundvee in de stikstofexcretie het grootst. In Figuur 6.3.2 is de stikstofexcretie weergegeven per hectare cultuurgrond (exclusief glastuinbouw). Uit de figuur blijkt dat Noord-Brabant en Gelderland de provincies zijn met de hoogste excretie per hectare.

6.3.1 Stikstofexcretie in dierlijke mest naar provincie en diersoort in 2025
 Rundvee (miljoen kg stikstof)Varkens (miljoen kg stikstof)Pluimvee (miljoen kg stikstof)Schapen en geiten (miljoen kg stikstof)Paarden en pony's (miljoen kg stikstof)Konijnen (miljoen kg stikstof)
Noord-Brabant39,537,511,13,11,20,1
Gelderland47,212,19,931,10,1
Overijssel46,110,45,31,80,70,1
Fryslân53,20,92,71,30,70
Limburg8,7108,50,90,50
Drenthe18,51,53,70,80,30
Groningen18,91,32,20,70,30
Utrecht17,81,91,40,80,40
Zuid-Holland16,50,90,30,90,50
Noord-Holland15,80,10,51,10,40
Flevoland5,80,71,70,20,10
Zeeland4,40,510,30,20

6.3.2 Stikstofexcretie in dierlijke mest per hectare naar provincie en diersoort in 2025
 Rundvee (kg stikstof per ha)Varkens (kg stikstof per ha)Pluimvee (kg stikstof per ha)Schapen en geiten (kg stikstof per ha)Paarden en pony's (kg stikstof per ha)Konijnen (kg stikstof per ha)
Noord-Brabant170,6162,147,913,55,10,4
Gelderland213,354,544,613,44,90,3
Overijssel 235,95327,39,23,40,4
Limburg 92,2106,990,19,35,80,2
Utrecht 252,32720,511,15,30,4
Fryslân 236,74,212630
Drenthe 125,510,125,35,22,30
Zuid-Holland 148,27,82,58,24,30
Groningen 119,88,1144,51,60
Noord-Holland 127,31,13,98,53,50
Flevoland 667,519,42,31,10
Zeeland 37,13,98,62,91,40

6.4 Stikstof- en fosfaatproductie naar bedrijfstype

Landbouwbedrijven in Nederland mogen onder voorwaarden meer dierlijke mest gebruiken per hectare landbouwgrond dan de 170 kilogram stikstof die de Nitraatrichtlijn voorschrijft (derogatie). Eén van de voorwaarden is dat minimaal 80 procent van het bedrijfsareaal bestaat uit grasland. In dat geval mag op percelen met zand- of lössgrond in Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg in 2025 190 kilogram stikstof per hectare per jaar in de vorm van graasdierenmest gebruikt worden. Voor de overige provincies is de norm verruimd tot 200 kilogram stikstof per hectare.

Bij het berekenen van de plaatsingsruimte is uitgegaan van de hiervoor genoemde voorwaarden, ongeacht of bedrijven daadwerkelijk derogatie hebben aangevraagd. De hoeveelheid stikstof in dierlijke mest die beschikbaar is voor toediening aan de bodem (stikstofproductie) is berekend door de stikstofexcretie te verminderen met stikstofverliezen die optreden in stallen en mestopslagen, inclusief de afvoer van stikstof via het spuiwater van luchtwassers. De verliezen in stallen en mestopslagen zijn berekend volgens de nationale rekenmethodiek voor emissies uit dierlijke mest. De gasvormige stikstofverliezen van 2025 zijn nog voorlopige cijfers. In Figuur 6.4.1 is de stikstofproductie en de plaatsingsruimte voor stikstof uit dierlijke mest van enkele bedrijfstypen weergegeven. De indeling in bedrijfstypen is gebaseerd op het economisch zwaartepunt van de bedrijfsactiviteiten.

6.4.1 Stikstofproductie en plaatsingsruimte voor dierlijke mest
 Stikstofproductie - totaal (miljoen kg stikstof)Plaatsingsruimte stikstof - totaal (miljoen kg stikstof)Stikstofproductie - melkveebedrijven (miljoen kg stikstof)Plaatsingsruimte stikstof - melkveebedrijven (miljoen kg stikstof)Stikstofproductie - varkensbedrijven (miljoen kg stikstof)Plaatsingsruimte stikstof - varkensbedrijven (miljoen kg stikstof)Stikstofproductie - pluimveebedrijven (miljoen kg stikstof)Plaatsingsruimte stikstof - pluimveebedrijven (miljoen kg stikstof)
2010421,3400,3220,9200,370,810,147,53,7
2015429,8390,7240,9201,570,8847,83,5
2020423,4376,6244,3198,267,96,841,63
2024390,4337,7226,4165,558,85,537,22,6
2025381316,2223,314756,65,137,22,4


In figuur 6.4.2 is voor enkele jaren de fosfaatproductie en de plaatsingsruimte weergegeven per bedrijfstype.

De plaatsingsruimte voor fosfaat is het wettelijk toegestane gebruik van fosfaat in kilogram per hectare (gebruiksnorm) vermenigvuldigd met de oppervlakte van het areaal in hectare. Voor grasland en bouwland gelden verschillende gebruiksnormen die geleidelijk zijn aangescherpt. Met ingang van 2010 zijn de gebruiksnormen voor fosfaat gedifferentieerd naar de fosfaattoestand van de bodem. De gemeten fosfaattoestand is hierbij ingedeeld in een aantal klassen met een bijbehorende fosfaatgebruiksnorm. Met ingang van 2020 is de klasse-indeling: arm, laag, neutraal, ruim of hoog. Als er geen gegevens zijn over de fosfaattoestand is in overeenstemming met het mestbeleid uitgegaan van een hoge fosfaattoestand en geldt dus de laagste fosfaatgebruiksnorm. Globaal is van 35 procent van de cultuurgrond de fosfaattoestand niet bekend. Vooral van bouwland ontbreken gegevens.

6.4.2 Fosfaatproductie en plaatsingsruimte voor dierlijke mest
 Fosfaatproductie - totaal (miljoen kg fosfaat)Plaatsingsruimte fosfaat - totaal (miljoen kg fosfaat)Fosfaatproductie - melkveebedrijven (miljoen kg fosfaat)Plaatsingsruimte fosfaat - melkveebedrijven (miljoen kg fosfaat)Fosfaatproductie - varkensbedrijven (miljoen kg fosfaat)Plaatsingsruimte fosfaat - varkensbedrijven (miljoen kg fosfaat)Fosfaatproductie - pluimveebedrijven (miljoen kg fosfaat)Plaatsingsruimte fosfaat - pluimveebedrijven (miljoen kg fosfaat)
2010178,9158,878,57440,54,326,21,6
2015180,1135,187,67137,12,726,61,2
2020150,7137,97073,134,72,122,21,1
2024146,7132,672,868,730,11,819,20,9
2025141,6133,471,568,228,31,718,60,9

6.5 Mestproductievolume

De totale mestproductie nam in 2025 ten opzichte van 2024 af met 0,39 miljard kilogram tot 74 miljard kilogram. Deze afname is vooral het gevolg van een krimp in de veestapel. In Figuur 6.5.1 is de ontwikkeling weergegeven van de mestproductie per diersoort. Tabel 6.5.2 toont de mestproductie per diersoort uitgesplitst naar dunne en vaste mest.

6.5.1 Mestproductie naar diercategorie
 Rundvee - melkvee (miljard kg mest)Rundvee - vleesvee (miljard kg mest)Varkens (miljard kg mest)Pluimvee (miljard kg mest)Overig vee (miljard kg mest)
199057,88,416,42,52,4
200049,17,714,12,12,6
201049,46,611,81,52,9
202055,35,69,61,32,7
202455,85,59,61,12,5
202556,55,38,71,12,4

6.5.2 Mestproductie door de Nederlandse veestapel (mld kg)
Dunne mestVaste mestDunne mestVaste mest
2024202420252025
Rundvee, excl. vleeskalveren1)57,90,458,60,3
Vleeskalveren2,90,02,80,0
Varkens9,60,08,70,0
Pluimvee0,01,10,01,1
Schapen en geiten1)1,10,61,10,6
Paarden en pony's1)0,30,40,30,4
Konijnen0,00,00,00,0
Gehele veestapel71,92,571,62,5

Literatuur

Coppoolse, J., A.M. van Vuuren, J. Huisman, W.M.M.A. Janssen, A.W. Jongbloed, N.P.Lenis, P.C.M. Simons. (1990). De uitscheiding van stikstof, fosfor en kalium door landbouwhuisdieren, Nu en Morgen. Wageningen, Dienst Landbouwkundig Onderzoek.

Heeres-van der Tol, J.J., Gerrits W.J.J. (1999). N- en P-afvoer met blanke en rosé kalveren. Intern Rapport 370, Praktijkonderzoek Rundvee, Schapen en Paarden, Lelystad.

Heeres-van der Tol, J.J. (2001). Vaste kengetallen rundvee, schapen en geiten herzien. Intern rapport 455. In opdracht van de Werkgroep Berekening Mest- en Mineralencijfers (WUM). Praktijkonderzoek Veehouderij. Lelystad.

Heeres-van der Tol, J.J. (2002). Stikstof- en fosfaatuitscheiding rundvee. Praktijkrapport Rundvee nr. 10. Praktijkonderzoek Veehouderij. Lelystad.

IKC (1993). Kwantitatieve Informatie Veehouderij 1992–1993. Publicatie nr. 6–92. Informatie en Kenniscentrum veehouderij. Ede.

Ipema, B. & A.W. Jongbloed (2011). Forfaits vastlegging stikstof en fosfaat in eendagskuikens (kip en eend). Interne notitie t.b.v. update URM.

Jongbloed, A.W. (1984). The effect of animal husbandry on the environment. Paper presented on the 35th annual meeting of the EAAP, 6-9 August, The Hague.

Jongbloed, A.W., A. Steg, P.C.M. Simons, W.M.M.A. Janssen, N.P. Lenis, J.A.C. Meijs & K. Vreman (1985). Berekeningen over de mogelijke vermindering van de uitscheiding aan N, P, Cu, Zn en Cd via de voeding door landbouwhuisdieren in Nederland. Lelystad (IVVO). Mededelingen IVVO no. 3.

Jongbloed, A.W. & P.A. Kemme (2002a). De gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in varkens vanaf geboorte tot ca. 120 kg en van opfokzeugen. Rapport ID-Lelystad no. 2222.

Jongbloed, A. W. and P. A. Kemme (2002b). Oriëntatie omtrent de gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in landbouwhuisdieren. Rapport ID-Lelystad no. 2178.

Jongbloed, A.W. & P.A. Kemme, 2005. De uitscheiding van stikstof en fosfor door varkens, kippen, kalkoenen, pelsdieren, eenden, konijnen en parelhoenders in 2002 en 2006. Rapport 05/I01077. Wageningen UR Livestock Research, Lelystad.

Jongbloed, A.W. (2010). Gehalte en uitscheiding van fosfor en stikstof door opfokzeugen van ongeveer 130 kg. Rapport 364. Wageningen UR Livestock Research, Lelystad.

Kemme, P. A., R.A. Dekker en A. W. Jongbloed (2003). De gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in rosévleeskalveren. Rapport ASG02/0028498.

Kemme, P.A., J.Th.M. van Diepen, P.L. van der Togt & A.W. Jongbloed (2004). De gehalten aan stikstof, fosfor en kalium in blanke vleeskalveren. Rapport ID-Lelystad nr. 04/0005643. Animal Sciences Group - Nutrition and Food, Lelystad.

Kemme, P.A., J. Heeres-van der Tol, G. Smolders, H. Valk, J.D. van der Klis (2005a). Schatting van de uitscheiding van stikstof en fosfor door diverse categorieën graasdieren. Rapport no. 05/I00653. Animal Sciences Group – Nutrition and Food, Lelystad.

Kemme, P.A., G. Smolders & J.D. van der Klis (2005b). Schatting van de uitscheiding van stikstof en fosfor door paarden, pony’s en ezels. Rapport no. 05/I01614. Animal Sciences Group – Nutrition and Food, Lelystad.

Koning, L. & L.B. Šebek (2019). Jaarrond gemiddeld fosforgehalte in melk; Jaarrond monitoren van het P-gehalte in melk van de Nederlandse melkveestapel en de mogelijkheid het P-gehalte in melk te schatten uit andere melkbestanddelen. Wageningen Livestock Research, Rapport 1166.

KWIN 2025-2026 (2026). Kwantitatieve Informatie Veehouderij. Wageningen UR. Handboek 49.

Royer, E. en P. Bikker. (2025). Nitrogen and phosphorous content in the body of growing pigs in the Netherlands; Literature review and data analysis. Wageningen Livestock Research, Public Report 1554.

Schröder, J.J., L.B. Šebek, J. Oenema, J.G. Conijn & J. de Boer (2018). Rekenregels van de Kringloopwijzer 2017; Achtergronden van BEX, BEA, BEN, BEP en BEC: Actualisatie van de 2016-versie. Wageningen Livestock Research, Rapport WPR-790.

Tamminga, S., A.W. Jongbloed, M.M. van Eerdt, H.F.M. Aarts, F. Mandersloot, N.J.P. Hoogervorst & H. Westhoek (2000). De forfaitaire excretie van stikstof door landbouwhuisdieren. Rapport ID Lelystad 00-2040R.

Tamminga, S., F. Aarts, A. Bannink, O. Oenema & G.J. Monteny (2004). Actualisering van geschatte N en P excreties door rundvee. Reeks Milieu en Landelijk gebied 25. Wageningen.

Tamminga, S. A.W. Jongbloed, P. Bikker, L. Šebek, C. van Bruggen & O. Oenema (2009). Actualisatie excretiecijfers landbouwhuisdieren voor forfaits regeling Meststoffenwet. Werkdocument 156 Wageningen.

Bruggen, C. van, M.J.C. de Bode, A.G. Evers, K.W. van der Hoek, H.H. Luesink en M.W. van Schijndel (2010). Gestandaardiseerde berekeningsmethode voor dierlijke mest en mineralen. Standaardcijfers 1990-2008. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.

Van Bruggen, C. (2011). Dierlijke mest en mineralen 2009. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.

Van Bruggen, C. (2016). Dierlijke mest en mineralen 2015. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.

Van Bruggen, C. (2018). Dierlijke mest en mineralen 2017. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.

Van Bruggen, C. & M. Gosseling (2019). Dierlijke mest en mineralen 1990-2018. Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen.

Van Bruggen, C. & M. Gosseling (2020). Dierlijke mest en mineralen 2019. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.

Van Bruggen, C. (2021). Dierlijke mest en mineralen 2020. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.

Van Bruggen, C. (2022). Dierlijke mest en mineralen 2021. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.

Van Bruggen, C. (2023). Dierlijke mest en mineralen 2022. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.

Van Bruggen, C. & M. van der Most (2024). Dierlijke mest en mineralen 2023. Centraal Bureau voor de Statistiek. Den Haag/Heerlen.

Van Eck, L., Chen, H., Carvalhido, I., Enting, H., & Kwakkel, R. (2024). The influence of breed, dietary energy and lysine on laying persistency and body composition of laying hens. Poultry Science, 103(11), 104124.

Van der Hoek, K.W. (1987). Fosfaatproductienormen voor rundvee, varkens, kippen en kalkoenen. Consulentschap in Algemene Dienst voor Bodem, Water en Bemestingszaken in de Veehouderij.

Van der Zee, T., A. Bleeker, C. van Bruggen, W. Bussink, H.J.C. van Dooren, J.F.M. Huijsmans, H. Kros,
M. van der Most, K. Oltmer, M. Ros, L. Schulte-Uebbing, & G.L. Velthof (2025). Methodology for the calculation of emissions from agriculture. Calculations for methane, ammonia, nitrous oxide, nitrogen oxides, non-methane volatile organic compounds, fine particles and carbon dioxide emissions using the National Emission Model for Agriculture (NEMA). RIVM report 2025-0003. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven.

Van Os, J., M.G.T.M. Bartholomeus, L.J.J. Jeurissen & C.G. van Reenen (2017). Rekenregels rundvee voor de Landbouwtelling; Verantwoording van het gebruik van het Identificatie & Registratiesysteem. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-technical report 91.

Van Os, J., L.J.J. Jeurissen & H.H. Ellen (2019). Rekenregels pluimvee voor de Landbouwtelling; Verantwoording van het gebruik van het Identificatie & Registratiesysteem. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-technical report 154.

Van Os, J. (2020). Rekenregels schapen en geiten voor de Landbouwtelling; Verantwoording van het gebruik van het Identificatie & Registratiesysteem. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-technical report 185.

Versteegh, H.A.J., Jongbloed, A.W. (2000a). De hoeveelheid droge stof, as, stikstof, calcium, magnesium, fosfor, natrium, kalium, koper, zink en ijzer in eieren en in vleeskuikenouderdieren op twee leeftijden. Rapport ID-DLO no.99.059.

Versteegh, H.A.J., Jongbloed, A.W. (2000b). Het gehalte aan droge stof, as, stikstof, calcium, fosfor, kalium, koper, zink in vleeskuikens op drie leeftijden. Rapport ID-DLO no. 99.042.

WPSA (1985). Mineral requirements for poultry - Mineral requirements and recommendations for growing birds, Sub Committee on Mineral Requirement for Poultry of the working Group no. 2 - Nutrition - of the European Federation of Branches of the WPSA, WPSA Journal 41(3): 252-258.

Bijlage 1

Actualisatie kengetallen op basis van verschillende bronnen
Waarde 2024Waarde 2025Bron
Krachtvoer oud rosé (kg)679654[1]
Beginleeftijd (dagen)7063[2]
Eindleeftijd (dagen)253245[2]
Productieperiode wit-scharrel (dagen)518532[1]
Productieperiode bruin-scharrel (dagen)448476[1]
Aandeel kooihuisvesting/strooisel10,5/89,59,9/90,1[3]
Aandeel regulier/traaggroeiend (%)53/4760/40[3]
Productieperiode (dagen)4544[1]
Voerverbruik per afgeleverd dier (kg)6,986,72[1]
Aantal jongen per worp9,59,8[1]
Uitval na spenen (%)87[1]
Afgeleverd konijnenvlees (kg)144150[1]
Voerverbruik per kg afgeleverd konijn (kg)3,453,5[1]

Bronnen:

[1] KWIN 2025-2026.
[2] Persoonlijke communicatie WSER, mei 2026.
[3] Persoonlijke communicatie WLR, mei 2026.

Opmerking: Bijlage 1 beschrijft de uitgangspunten die dit jaar zijn geactualiseerd naar aanleiding van nieuwe informatie. Zoals beschreven in de publicatie Dierlijke Mest en Mineralen 2025, worden andere uitgangspunten ook nog standaard jaarlijks geactualiseerd met gegevens uit onder andere de opgave huisvesting in de Gecombineerde Opgave, het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Social & Economic Research, en Agrovision.

Bijlage 2

Download hier de rekenmethode: "A uniform calculation method for manure production and its nutrient content in the Netherlands"

Medewerkers

Auteurs

Clara van Lynden
Arthur Denneman
Monique Gosseling

Werkgroep Uniformering berekening Mest en mineralencijfers (WUM)

Paul Bikker1)
Martine Bruinenberg1)
Aart Evers1)
Jan van Harn1)
Harmen van Laar (voorzitter)1)
Katrin Oltmer2)
Sharon Jebbink1)
Robert Hoste2)
Lena Schulte-Uebbing (agendalid)4)
Gerard Velthof (agendalid)3)
Tim van der Zee (agendalid)5)


1) Wageningen Livestock Research
2) Wageningen Social & Economic Research
3) Wageningen Environmental Research
4) Planbureau voor de Leefomgeving
5) Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu