Onderweg in Nederland (ODiN) 2024 - Plausibiliteitsrapportage

Plausibiliteitsrapportage

Over deze publicatie

Het onderzoek Onderweg in Nederland (ODiN) verschaft adequate informatie over de dagelijkse mobiliteit van de Nederlandse bevolking beschreven naar plaats van herkomst, bestemming, tijdstip waarop het vervoer plaatsvindt, gebruikte vervoermiddelen en de reismotieven voor de verplaatsingen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De plausibiliteitsrapportage bevat de resultaten over het onderzoeksjaar 2024 en deze worden vergeleken met de resultaten van voorgaande ODiN-jaren.

Methodebreuk
Bij het analyseren van de resultaten van het onderzoek Onderweg in Nederland 2024 (ODiN) is een methodebreuk geconstateerd. Dit betekent dat de uitkomsten van 2024 niet zomaar vergelijkbaar zijn met de resultaten van eerdere jaren. Meer informatie hierover is te vinden in deze plausibiliteitsrapportage en in de speciale bijsluiter bij het bestand van ODiN 2024.

Correctie ODiN 2024

Eind maart 2026 zijn, na doorvoering van een methodebreukcorrectie in het ODiN-bestand, gecorrigeerde resultaten van ODiN 2024 gepubliceerd. De resultaten van het gecorrigeerde ODiN 2024 staan beschreven in: Onderweg in Nederland (ODiN) 2024 - Correctie - Plausibiliteitsrapportage | CBS.

Methodebreuk

Bij het analyseren van de gegevens van het onderzoek Onderweg in Nederland 2024 (ODiN) is een methodebreuk geconstateerd. In 2024 heeft het onderzoek een aantal wijzigingen ondergaan die waarschijnlijk een onverwacht effect hebben gehad op de ODiN-cijfers van 2024. Opvallende verschuivingen in de resultaten van ODiN 2024 ten opzichte van het voorgaande onderzoeksjaar zijn:

  • Daling van de verkeersdeelname met 3%.
  • Daling van het aantal reguliere verplaatsingen per persoon per dag met 9%.
  • Daling van de totale vervoersprestatie met 2%.
  • Afname van het aantal verplaatsingen over een korte afstand.

Op grond van onder andere bovenstaande resultaten acht het CBS ODiN 2024 niet plausibel voor de vergelijking met voorgaande onderzoeksjaren van het ODiN. In ODiN 2023 heeft de waarneming wel op dezelfde manier als in alle voorafgaande jaren plaatsgevonden. De verschillen van ODiN 2024 vergeleken met voorgaande jaren geven aan dat mogelijk een deel van het totale mobiliteitsgedrag van de Nederlandse bevolking dat met ODiN wordt verzameld, ontbreekt in 2024.

Elk jaar zijn er kleine wijzigingen van het onderzoek, die altijd worden toegelicht in de plausibiliteitsrapportage en onderzoeksbeschrijving van ODiN. Vooraf wordt stilgestaan bij de mogelijke gevolgen van wijzigingen op de resultaten en wordt zo nodig een onderzoek uitgevoerd om daarover duidelijkheid te krijgen. Deze werkwijze heeft bij eerdere jaren van ODiN geen methodebreuk aan het licht gebracht.  Onderzoek van de veranderingen die in ODiN 2024 zijn doorgevoerd geeft als meest waarschijnlijke verklaring dat een wijziging in de aanschrijfbrief aan respondenten de methodebreuk heeft veroorzaakt. Met het inkorten van de brief zijn er ook enkele voorbeelden weggelaten. Hierdoor hebben respondenten in vergelijking met voorgaande jaren mogelijk een ander beeld gekregen van wat hun wordt gevraagd aan verplaatsingen in te vullen. Daarmee zijn in ODiN 2024 deels andere resultaten verzameld dan in ODiN 2023. Er is vastgesteld dat het onderzoek verder correct is uitgevoerd, maar door de wijziging van de aanschrijfbrief zijn er andere resultaten verzameld dan in 2023. Geconstateerd is dat er onder andere minder korte verplaatsingen zijn verzameld dan in 2023 en ook meer mensen hebben opgegeven dat zij die dag geen verplaatsing hebben gemaakt.

Deze resultaten, in combinatie met de gewijzigde uitleg in de aanschrijfbrief zijn een indicatie voor het beeld dat uit ODiN 2024 komt dat (een deel van) de respondenten voor ogen had dat ‘korte verplaatsingen’ niet opgegeven hoefden te worden, of dat die niet belangrijk genoeg waren om te noteren tijdens het invullen van de enquête. De resultaten van ODiN 2024 zijn verder op dezelfde manier gaafgemaakt en berekend, net als in voorgaande jaren. Op zichzelf staand is ODiN 2024 een bruikbaar bestand maar de resultaten kunnen door de methodebreuk niet goed worden vergeleken met voorafgaande jaren.

Tijdens het analyseren van de eerste resultaten op basis van ODiN 2024 in april en mei 2025 is de methodebreuk ontdekt. Op dat moment was ODiN 2025 al in het veld en daarin is dezelfde aanschrijfbrief gebruikt als in ODiN 2024. Dat betekent dat ook in ODiN 2025 dezelfde methodebreuk ten opzichte van 2023 en voorgaande jaren verwacht kan worden als in ODiN 2024. Het CBS zal in overleg met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat als opdrachtgever van het ODiN verder onderzoek doen naar de methodebreuk en mogelijkheden om de aanschrijfbrief te verbeteren voor latere onderzoeksjaren van het ODiN, op zijn vroegst vanaf ODiN 2026.

In deze plausibiliteitsanalyse over ODiN 2024 zal verder worden ingegaan op bevindingen die we hebben gedaan en die mogelijk het resultaat zijn van de methodebreuk. Ook worden de resultaten van ODiN 2024 besproken. Het vervolg van deze plausibiliteitsrapportage heeft verder dezelfde opzet als de reguliere rapporten van voorgaande jaren.

1. Inleiding

Het onderzoek Onderweg in Nederland (ODiN) is het nationale mobiliteitsonderzoek onder inwoners van Nederland. Verplaatsingsonderzoek kent in Nederland een lange geschiedenis. Van 1978 tot en met 2003 is er het Onderzoek Verplaatsingsgedrag (OVG) dat werd uitgevoerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In de periode 2004 tot en met 2009 werd het onderzoek in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd door het bureau SocialData onder de naam Mobiliteitsonderzoek Nederland (MON). Van 2010 tot en met 2017 voerde het CBS het Onderzoek Verplaatsingen in Nederland (OViN) uit. Sinds 1 januari 2018 is het verplaatsingsonderzoek sterk gewijzigd en wordt het uitgevoerd onder de naam Onderweg in Nederland (ODiN).

In dit rapport worden de resultaten van ODiN 2024 gepresenteerd en vergeleken met die van het onderzoeksjaar 2023 van ODiN. De resultaten zijn niet enkel gebaseerd op de responsen van het landelijke onderzoek, maar ook op die van meerwerkonderzoeken. Al deze responsen worden namelijk geïntegreerd in één bestand en ook gezamenlijk gewogen. De significante verschillen in de uitkomsten tussen de opeenvolgende jaren zijn in de tabellen aangegeven. De mutaties van 2024 ten opzichte van 2023 worden getoetst op basis van statistische marges. Een globale beschrijving van de uitvoering van het onderzoek is vastgelegd in de Onderzoeksbeschrijving van ODiN 2024.

De belangrijkste verschillen in de onderzoeksmethode tussen ODiN 2023 en ODiN 2024 staan in onderstaande paragraaf. In paragraaf 1.2 wordt ingegaan op de betekenis van de gebruikte indicatoren. De verdere indeling van deze rapportage volgt in paragraaf 1.3.

1.1 Verschillen tussen ODiN 2023 en ODiN 2024 – mogelijke methodebreuk

In 2024 heeft het onderzoek een aantal wijzigingen ondergaan die de vergelijkbaarheid met het vorige jaar kunnen beïnvloeden.

De wijzigingen in het onderzoeksproces van ODiN 2024 met een mogelijke impact op de resultaten worden hieronder vermeld. Er zijn echter meer wijzigingen geweest in het onderzoeksproces. Een volledig overzicht van de verschillen en meer detailinformatie is te vinden in de Onderzoeksbeschrijving van ODiN 2024.

Wijziging meerwerk

Voor het meerwerk Noordvleugel is in 2024 voor alle stadsdelen van de gemeente Amsterdam een responswens gehanteerd van 250 respondenten. Vorig jaar was die wens alleen voor het stadsdeel Zuidoost en voor het stadsgebied Weesp van toepassing.

Wijzigingen herkomst

In het voorgaande onderzoeksjaar is een nieuwe herkomstindeling doorgevoerd in de verwerking, de weging en het databestand. Het is een driedeling naar herkomstland: Nederland, Europa (excl. Nederland) en Buiten Europa. In ODiN 2024 is deze indeling ook doorgevoerd in de steekproeftrekking en de respondentbenadering.

Wijzigingen brieven

Met ingang van ODiN 2024 zijn de aanschrijfbrief en rappelbrieven van ODiN enigszins verkort met als doel dat deze beter gelezen en begrepen worden (zie bijlage C). Zoals in de inleidende paragraaf wordt toegelicht heeft deze aanpassing waarschijnlijk tot gevolg gehad dat een methodebreuk met voorgaande ODiN jaren is opgetreden.

Folder-experiment

In 2024 is tot en met weekportie 18 van het veldwerk een experiment uitgevoerd waarbij de effecten van het wel of niet meesturen van een folder op het responspercentage zijn onderzocht voor de drie verschillende groepen van Herkomstland (Nederland; Europa (excl. NL); Buiten-Europa). De resultaten van het experiment hebben geleid tot het besluit om met ingang van ODiN 2025 geen folder meer mee te sturen.

Wijzigingen incentive

Tot en met ODiN 2023 kon de respondent kiezen uit een set VVV-cadeaukaarten of een iPad als kansincentive. Gedurende de looptijd van het folder-experiment bestond de incentive enkel uit verloting van de VVV-cadeaukaarten (er was dus geen keuzemogelijkheid). Met ingang van weekportie 19 heeft de respondent voor de kansincentive de keuze uit een set VVV-cadeaukaarten of een smartwatch.

1.2 Indicatoren in deze plausibiliteitsrapportage

In de tabellen worden evenals in voorgaande jaren de waarden van verschillende indicatoren per jaar weergegeven. In deze rapportage betreft het de ODiN-jaren 2019 tot en met 20241). Daarbij dient opgemerkt te worden dat in 2020 en 2021 en in het begin van 2022 afwisselend diverse mobiliteits-beïnvloedende maatregelen van toepassing waren in verband met covid-19.

Het onderzoek wordt uitgevoerd onder personen van 6 jaar of ouder in particuliere huishoudens in Nederland. Dat wil zeggen dat personen in instellingen, inrichtingen en tehuizen niet tot de doelpopulatie behoren. Alle in deze rapportage opgenomen indicatoren hebben dus betrekking op deze afbakening van de doelpopulatie en daarbij wordt gerekend met de populatie per 1 juli van het betreffende onderzoeksjaar.

Veel van de indicatoren zijn gebaseerd op reguliere verplaatsingen. Daarbij gaat het om:

  • Dagelijkse mobiliteit van de Nederlandse bevolking van 6 jaar of ouder exclusief personen in instellingen, inrichtingen en tehuizen
  • op Nederlands grondgebied
  • inclusief vakantieverplaatsingen
  • exclusief serieverplaatsingen
  • exclusief beroepsmatige verplaatsingen met een zwaar vrachtvoertuig
  • exclusief ritten met een vliegtuig.

Serieverplaatsingen bestaan uit twee of meer opeenvolgende verplaatsingen met een werkgerelateerd doel (werken, zakelijk of beroepsmatig). Een serieverplaatsing wordt vrijwel altijd vooraf gegaan door 1 afzonderlijk uitgevraagde werkgerelateerde verplaatsing2). Dit betekent dat wanneer er bij een respondent sprake is van een serieverplaatsing, deze respondent minimaal 3 werklocaties achter elkaar bezocht heeft. Wanneer er slechts 2 opeenvolgende werkgerelateerde verplaatsingen hebben plaatsgevonden, dan zijn beide verplaatsingen wel afzonderlijk uitgevraagd. Deze afzonderlijk uitgevraagde werkgerelateerde verplaatsingen worden in ODiN beschouwd als reguliere verplaatsingen. Ook bij de resultaten van serieverplaatsingen worden de afgelegde kilometers met een vliegtuig en met een zwaar vrachtvoertuig niet meegeteld.

De voornaamste indicator in deze rapportage is de totale vervoersprestatie (reizigerskilometers) van Nederlanders van 6 jaar of ouder in Nederland per jaar per vervoerwijze. Deze bestaat uit de totale afgelegde afstand van reguliere verplaatsingen en de serieverplaatsingen. De totale vervoersprestatie wordt uitgesplitst naar type vervoerwijze. In de analyse wordt bepaald of de reizigerskilometers naar vervoerwijze significant zijn gewijzigd ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit geldt ook voor de overige indicatoren in deze rapportage.

De plausibiliteitsrapportage richt zich voor de overige tabellen vooral op het belangrijkste bestandsdeel van de totale vervoersprestatie: de reguliere verplaatsingen waarin dus alleen werkgerelateerde verplaatsingen zijn opgenomen zolang er maximaal drie adressen achtereenvolgens zijn bezocht. Deze omvatten circa 96 procent van het totale aantal reizigerskilometers van personen van 6 jaar of ouder. Het totaal aantal reguliere reizigerskilometers is de gemiddelde afstand per verplaatsing maal het gemiddelde aantal reguliere verplaatsingen per persoon per dag maal het aantal personen van 6 jaar of ouder maal het aantal dagen in het jaar. De gemiddelde afstand per verplaatsing en het gemiddelde aantal reguliere verplaatsingen per persoon van 6 jaar of ouder per dag zijn dus de bepalende variabelen uit ODiN voor het totale aantal reizigerskilometers. De totale reizigerskilometers, de reguliere reizigerskilometers, het gemiddeld aantal reguliere verplaatsingen per persoon per dag en de gemiddelde afstand per verplaatsing worden in de rapportage afzonderlijk gepresenteerd. Zij worden uitgesplitst naar vervoerwijze en/of verplaatsingsmotief.

De verkeersdeelname en de deelname aan het openbaar vervoer zijn eveneens belangrijke indicatoren. Zij worden uitgesplitst naar de persoonskenmerken geslacht en maatschappelijke participatie. Een persoon neemt aan het verkeer deel als deze minimaal één reguliere verplaatsing per dag of minimaal één serieverplaatsing per dag maakt in Nederland. Ook personen die enkel vakantieverplaatsingen in het binnenland hebben gemaakt, tellen dus mee bij het bepalen van de verkeersdeelnemers. Niet mee tellen personen met uitsluitend (beroepsmatig) wegvervoer met een zwaar vrachtvoertuig en uiteraard tellen niet mee personen met enkel verplaatsingen geheel in het buitenland. Deze laatsten worden meegeteld bij de ‘thuisblijvers’.

Betrouwbaarheid en significantie

In deze rapportage worden enkel cijfers gepresenteerd die statistisch betrouwbaar geacht worden. Mocht dat niet het geval zijn, dan wordt geen waarde gepresenteerd, maar in plaats daarvan een punt. Daarbij hanteren we de vuistregel dat de waarde betrouwbaar wordt geacht indien het aantal unieke respondenten dat bijdraagt aan de schatting minimaal 50 is en de relatieve marge niet groter is dan 50%. De significantie van jaar-op-jaar-verschillen is bepaald met behulp van betrouwbaarheidsintervallen waarvan met 95% zekerheid verwacht wordt dat de werkelijke waarde er binnen ligt. In de tabellen worden significante verschillen ten opzichte van het voorgaande jaar met een asterisk weergegeven.

1.3 Indeling van de rapportage

De opbouw van het rapport is als volgt. In hoofdstuk 2 wordt de ongewogen responsinformatie in ODiN 2024 vergeleken met die van voorgaande jaren. Daarna komen in hoofdstukken 3, 4 en 5 de resultaten over de totale reizigerskilometers, het aantal reguliere verplaatsingen en de afstand per verplaatsing aan bod. In hoofdstuk 6 wordt de verkeersdeelname gepresenteerd. In hoofdstuk 7 worden externe bronnen aangehaald en hoofdstuk 8 ten slotte bevat extra analyses, de samenvatting en de conclusie. In bijlage A staan nogmaals de schattingen van 2024 uit de tabellen in de hoofdstukken 3 tot en met 6 vermeld, maar dan samen met de marges.

1)De cijfers van 2019 en 2020 zijn afkomstig uit ‘Onderweg in Nederland (ODiN) 2018-2020, eindrapportage heropleveringen’ met herziene cijfers van ODiN 2018, 2019 en 2020 zoals begin 2022 gepubliceerd.
2)Serieverplaatsingen verminderen de responslast van respondenten die voor de uitoefening van hun werk/beroep veelvuldig adressen (meer dan 3 werklocaties) achter elkaar bezoeken (zoals bijvoorbeeld bij pakketbezorgers en pizzakoeriers). Door een andere wijze van uitvraag van serieverplaatsingen is het niet mogelijk om dezelfde uitsplitsingen te maken als bij reguliere verplaatsingen.

2. Ongewogen responsinformatie

In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de ongewogen responsinformatie van ODiN 2024. Dit onderzoeksjaar van ODiN omvat niet alleen het landelijk onderzoek met een responseis van 45.000 respondenten, maar ook de responsen van de drie meerwerkopdrachten die zijn uitgevoerd:

  • Het meerwerk Noordvleugel in opdracht van de Vervoerregio Amsterdam dat wordt uitgevoerd in de provincies Noord-Holland en Flevoland. De responsvraag voor het deelgebied van de metropoolregio Amsterdam plus de gemeenten Zeewolde en Dronten en exclusief de gemeente Amsterdam is 2.000 meerwerkresponsen. Voor de deelregio Noord-Holland Noord gaat het om 700 respondenten (uit de landelijke en de meerwerksteekproef) voor elk van de drie deelregio’s van Noord-Holland Noord en voor Urk en Noordoostpolder was het gezamenlijke totaal ook 700 respondenten. Tenslotte gaat het binnen de gemeente Amsterdam voor ieder stadsdeel om 250 responsen.
  • Het meerwerk MRDH in en in opdracht van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag waarvan de steekproef is gericht op het behalen van in totaal 5.529 responsen uit de landelijke en de meerwerksteekproef. Daarbij wordt beoogd voor elk deelgebied van het meerwerkgebied 700 responsen te behalen.
  • Het meerwerk Utrecht in opdracht van de Provincie Utrecht en de Gemeente Utrecht dat wordt uitgevoerd in alle gemeenten van de provincie kent een totale responsvraag van 3.924 personen uit de landelijke en de meerwerksteekproef. Daarvan zijn er 1.092 bedoeld voor de gemeente Utrecht en 2.832 voor de overige gemeenten in de provincie. Voor elk deelgebied van dit meerwerk geldt een afzonderlijke responsvraag van tussen de circa 250 en 550 personen.

2.1 Responsaantallen

Het databestand van ODiN 2024 bevat 69.185 respondenten. In tabel 2.1.1 is te zien hoe deze verdeeld zijn over de landelijke steekproef en de meerwerksteekproeven en is de vergelijking met de responsaantallen van alle voorgaande ODiN-jaren te zien. Het meerwerk in de stadsregio Parkstad Limburg is alleen bij ODiN 2020 uitgevoerd.

2.1.1 Responsaantallen in opgeleverde bestanden naar steekproef per jaar
ODiN 2018ODiN 2019ODiN 2020ODiN 2021ODiN 2022ODiN 2023ODiN 2024
Totaal57 26053 38062 94067 08361 95364 45969 185
Landelijke steekproef54 58945 32049 08752 10947 70749 21153 441
Steekproef Noordvleugel2 6712 1662 3073 0383 4673 8954 020
Steekproef MRDH-5 8946 3717 0066 1686 4986 740
Steekproef SPL--797----
Steekproef Utrecht--4 3784 9304 6114 8554 984

2.2 Aandeel correcties

De belangrijkste correctie die met het oog op de plausibiliteit wordt uitgevoerd op het ODiN-bestand is de correctie op basis van geconstateerde extreme snelheden. Om te hoge en te lage ritsnelheden (rekening houdend met de ritvervoerwijze) te corrigeren zijn regels opgesteld die de gerespondeerde ritafstand en/of ritreisduur aanpassen. In ODiN 2024 gebeurde dit bij 5,4 procent van alle reguliere ritten. In 2,7 procent van de ritten ging het om correcties vanwege een te hoge snelheid en eenzelfde percentage betrof correcties vanwege een te lage ritsnelheid. Zie tabel 2.2.1 voor de percentages gecorrigeerde ritten van 2019 tot en met 2024.

2.2.1 Percentage gecorrigeerde ritten in opgeleverde bestanden per jaar
ODiN 2019ODiN 2020ODiN 2021ODiN 2022ODiN 2023ODiN 2024
Totaal5,86,05,85,75,35,4
Correctie van een te hoge snelheid2,82,92,72,72,52,7
Correctie van een te lage snelheid3,03,13,12,92,82,7

2.3 Uitval niet-bruikbare responsen

De responsen die uit het veldwerk komen worden getoetst op bruikbaarheid. Dit gebeurt op verschillende momenten in het verwerkingsproces. Responsen worden verwijderd bij het ontbreken van essentiële informatie en bij inconsistenties van gegevens die niet op een aannemelijke wijze gecorrigeerd kunnen worden. Ook gevallen waarbij de respondent duidelijk niet serieus heeft ingevuld of waarbij de respondent de vragen overduidelijk foutief geïnterpreteerd heeft, worden - indien gesignaleerd - verwijderd. In tabel 2.3.1 wordt het aantal responsen en de uitval gepresenteerd voor ODiN 2019 tot en met 2024. Uit die tabel volgt dat voor ODiN 2024 69.647 responsen uit het veldwerk opgehaald werden. De uitval in het verwerkingsproces bedroeg 462 responsen. In het databestand zijn daarmee uiteindelijk 69.185 respondenten aanwezig.

2.3.1 Aantal responsen en uitval in verwerkingsproces per jaar
ODiN 2019ODiN 2020ODiN 2021ODiN 2022ODiN 2023ODiN 2024
Responsen uit veldwerk53 84963 51067 41262 36864 90869 647
Uitval 469 570 329 415 449 462
Responsen in het databestand53 38062 94067 083 61 95364 45969 185

3. Reizigerskilometers

In dit hoofdstuk worden reizigerskilometers per jaar gepresenteerd van inwoners van 6 jaar of ouder in particuliere huishoudens in Nederland. De totale vervoersprestatie betreft alle reizigerskilometers van inwoners van Nederland in Nederland inclusief binnenlandse vakanties en serieverplaatsingen maar exclusief (beroepsmatig) wegvervoer met vrachtwagens.

Bij het vergelijken van de cijfers in dit hoofdstuk dient rekening te worden gehouden met het feit dat het aantal kilometers per jaar afhankelijk is van het aantal dagen van het jaar (schrikkeljaren), maar dat dit bijvoorbeeld ook afhankelijk kan zijn van het aantal doordeweekse dagen, weekenddagen en werkdagen in een jaar (zie bijlage B voor een overzicht met de verschillen per jaar).

3.1 Totale vervoersprestatie

De vervoersprestatie in tabel 3.1.1 is uitgesplitst naar vervoerwijze. Zoals gebruikelijk voor de reizigerskilometers zijn de afstanden gebaseerd op de ritinformatiez3).

3.1.1 Totale vervoersprestatie van personen van 6 jaar of ouder in miljarden reizigerskilometers naar ritvervoerwijze per jaar
201920202021202220232024verschil 2024 t.o.v. 2023 (%)
Totaal218,8152,0*168,4*186,9*199,3*196,2-2
Personenauto als bestuurder108,579,4*85,6*92,9*99,6*98,8-1
Personenauto als passagier39,025,8*30,2*32,7*36,5*34,8-5
Trein24,19,6*10,215,8*20,0*19,9-1
Bus/tram/metro6,52,9*3,5*5,0*5,15,6*+10
Fiets17,8*15,5*16,1*18,4*17,8*17,1*-4
Lopen5,26,6*8,2*7,2*6,9*5,8*-16
Overig17,912,1*14,7*15,013,414,3+7

De mobiliteit in de jaren 2020 tot begin 2022 werd getekend door de covid-19 pandemie en de maatregelen die de regering nam om de gevolgen voor de bevolking en de gezondheidszorg zo gunstig mogelijk te laten verlopen. Dit waren uitzonderlijke jaren. Veel van die maatregelen in die periode hadden hun weerslag op het verplaatsingsgedrag van de Nederlandse bevolking. 2023 was het eerste jaar sinds 2020 waarin in het geheel geen mobiliteitsbeperkende coronamaatregelen meer golden.

Totale vervoersprestatie

In 2024 bedraagt de totale vervoersprestatie in ODiN 196,2 miljard reizigerskilometers zoals weergegeven in tabel 3.1.1. Dit is ongeveer evenveel als in 2023. Voor de drie vervoerwijzen met de hoogste vervoersprestatie personenautobestuurder en -passagier en de trein is het resultaat uit ODiN dat deze vervoersprestatie in 2024 ongeveer gelijk aan die van 2023. De vervoersprestatie voor de modaliteiten bus, tram en metro gezamenlijk is 10 procent hoger in 2024 en daarmee significant hoger dan in 2023. De totale vervoersprestatie met de fiets en lopen is daarentegen significant lager dan in 2023 (afname met respectievelijk 4 procent en 16 procent).

Autobestuurders en autopassagiers

Het aantal reizigerskilometers afgelegd door autobestuurders van een personenauto in 2024 is in vergelijking met 2023 niet significant gewijzigd. In 2024 is de totale vervoersprestatie van de personenauto 98,8 miljard kilometer. Het aantal reizigerskilometers voor passagiers in een personenauto is in 2024 eveneens niet significant gewijzigd ten opzichte van 2023.

Voor het controleren van de plausibiliteit van het aantal personenautobestuurderskilometers door inwoners van Nederland op Nederlands grondgebied uit ODiN 2024 is een vergelijking gemaakt met de voorlopige verkeersprestatiecijfers van het CBS gebaseerd op de kilometerregistraties van de Dienst Wegverkeer (RDW) (CBS, 2025c - tabel 1). De voorlopige cijfers over de verkeersprestaties van personenautokilometers op Nederlands grondgebied in 2024 zijn vergeleken met de voorlopige cijfers van 2023. Hieruit volgt dat het aantal voertuigkilometers van Nederlandse plus buitenlandse personenauto’s op Nederlands grondgebied in 2024 ten opzichte van 2023 is toegenomen met 1,5 procent tot 108,8 miljard kilometer. De waarden van deze (voorlopige) verkeersprestatiecijfers wijken af van de waarden berekend met ODiN. In ODiN worden alleen autobestuurderskilometers gemeten binnen Nederland van inwoners van Nederland. Uit de vergelijking van beide onderzoeken blijkt dat de tendens niet overeenkomt. In ODiN is sprake van een niet significante wijziging van de personenauto(bestuurders)kilometers van 2024 vergeleken met 2023 en uit de voorlopige cijfers over de verkeersprestatiecijfers van het CBS, blijkt een toename (zie ook paragraaf 7.3).

Een andere bron die een indicatie kan geven over de plausibiliteit van de ODiN-gegevens is de Rapportage Rijkswegennet (Rijkswaterstaat, 2025). Daarin wordt gemeld dat het aantal afgelegde voertuigkilometers op het hoofdwegennet met 2,7 procent toe nam in 2024 tot 71,3 miljard voertuigkilometers. Hoewel op het rijkswegennet niet alleen personenauto’s rijden (en ook niet alleen Nederlandse), zijn personenauto’s in aantal verreweg het grootst. Om die reden is een voorzichtige vergelijking met deze gegevens toch zinvol. In elk geval komt de tendens: toename verkeersprestatie op het rijkswegennet van 2023 naar 2024, niet overeen met de tendens uit de ODiN-cijfers. Volgens ODiN 2024 wijzigt het totaal aantal kilometers als bestuurder van de personenauto, niet significant.

De verkeersindex van het ‘personenverkeer’, gepubliceerd door het CBS (CBS, z.d.) op basis van een selectie door NDW van 200 meetpunten met verkeerslusgegevens op rijkswegen is ook een bron die aangehaald kan worden. Middels een berekend globaal indexcijfer voor heel 2024 blijkt dat in 2024 ten opzichte van 2023 de verkeersintensiteit van het ‘personenverkeer’ op werkdagen met 1,6 procent is toegenomen en op weekenddagen met 0,9 procent. Een voorzichtige conclusie is dat de tendens van deze cijfers voor wat betreft de ontwikkeling van 2024 ten opzichte van 2023, evenals de andere aangehaalde externe bronnen, een lichte stijging aangeeft waarbij de ODiN gegevens een, zij het niet significante, lichte afname weergeven (zie ook paragraaf 7.6.1).

In het Landelijk Reizigersonderzoek 2024 (Nederlanders van 18 jaar of ouder, met focus op woon-werk verkeer) wordt het volgende gerapporteerd: ”Ten opzichte van 2023 is het aantal autokilometers voor woon-werk 2024 licht gestegen, met één procent. Per saldo is het aantal gereisde kilometers met het openbaar vervoer ruim vier procent afgenomen. De totaal afgelegde fietsafstand voor woon-werk is met twee procent gedaald. In voorgaande jaren zagen we dezelfde patronen, maar dan een stuk sterker. Dit wijst op stabilisatie van het reisgedrag na de COVID-19 pandemie, maar de situatie van 2019 is nog niet terug”. Uit een tabel van het rapport volgt dat de afgelegde woon-werkafstand door automobilisten met 2,1 procent is afgenomen (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2025). Het gaat hier slechts om een deel van de kilometers die zijn afgelegd door automobilisten. Daarnaast is niet duidelijk of de gevonden bescheiden toename van 1 procent van het aantal afgelegde kilometers door autobestuurders van 2023 naar 2024 voor woon-werkverkeer in het Landelijk Reizigersonderzoek significant is. Dat is niet uit het rapport af te leiden.

Trein

Volgens de resultaten uit ODiN 2024 is het aantal treinreizigerskilometers in 2024 niet significant gewijzigd ten opzichte van 2023. Uit ODiN blijkt dat de totale vervoersprestatie met de trein in 2024 uitkomt op 19,9 miljard reizigerskilometers. De grootste treinreizigersvervoerder, de Nederlandse Spoorwegen (NS, 2025), rapporteert in het jaarverslag over 2024 dat de reizigerskilometers over 2024 16.133 miljoen bedragen. Dat is 4,2 procent meer dan in 2023 (15.488 miljoen). Volgens de NS was er dus een toename van het aantal reizigerskilometers in 2024 maar uit de ODiN-resultaten volgt dat het aantal treinreizigerskilometers ten opzichte van 2023 niet significant verschilt. De trend uit ODiN komt dus niet overeen met die van de NS.

In het Landelijk Reizigersonderzoek 2024 wordt een toename van het aantal forenzen met het openbaar vervoer (trein, bus of tram, metro) van 1 procent gerapporteerd. Onbekend is of dit verschil significant is. De onderzoekers rapporteren dat het aantal gemaakte (woon-werk) ritten met het openbaar vervoer afnam met 3,0 procent, evenals de gemiddelde woon-werkafstand met het OV met 1,2 procent en het totaal aantal OV-kilometers per jaar met -4,2 procent. De totaal afgelegde afstand voor woon-werk in het OV is in vergelijking met 2023, afgenomen met 1 procent (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2025). Het betreft hier enkel een deel van de gemeten afgelegde kilometers voor een specifiek doel, namelijk woon-werk. Uit de tendens in het Landelijk Reizigersonderzoek dat het aantal woon-werk reizigerskilometers met het OV (waarvan de trein het grootste aandeel heeft) van 2023 naar 2024 is afgenomen, kan voor wat betreft de totale vervoersprestatie met de trein uit ODiN geen duidelijke conclusie worden getrokken. Daarnaast zijn bij deze cijfers geen betrouwbaarheidsmarges gemeld en is het onduidelijk of de gevonden resultaten uit het Landelijk Reizigersonderzoek significant afwijken van die van een jaar eerder.

Bus, tram en metro

Uit de ODiN-cijfers blijkt dat het aantal reizigerskilometers met bus, tram en metro van 5,6 miljard kilometer in 2024 met een toename van 10 procent significant is gewijzigd ten opzichte van 2023. Mogelijk heeft de invoering van maatregelen die verschillende gemeenten4) in Nederland in 2024 hebben genomen om inwoners met een laag inkomen gratis of tegen een sterk gereduceerd tarief gebruik te laten maken van het openbaar vervoer (DOVA, 2024), bijgedragen aan deze toename.

Uit gegevens van de RET blijkt dat het aantal reizigerskilometers met de metro is toegenomen met 4 procent en de tram met 7 procent en dat het aantal reizigerskilometers met de bus licht gedaald is (-1 procent). Het GVB rapporteert een stijging van het aantal reizigerskilometers met de metro van 2 procent, het aantal reizigerskilometers met de tram bleef gelijk en met de bus nam af met 3 procent.

Door het CROW zijn voorlopige cijfers voor de Staat van het OV 2024 ter beschikking gesteld. Daaruit volgt voor elk van de vervoerwijzen bus, tram en metro een stijging van het aantal reizigerskilometers in 2024 ten opzichte van 2023 op basis van de in- en uitcheckgegevens.

Om na te gaan of de resultaten voor bus, tram en metro van ODiN 2024 afzonderlijk ook significant gewijzigd zijn en mogelijk niet beïnvloed zijn door de methodebreuk is er een extra analyse gedaan, waarbij de resultaten uitgesplitst zijn per vervoerwijze. Hieruit komt naar voren dat er in ODiN 2024 voor elk van deze vervoerwijzen apart geen significante ontwikkeling is gevonden. Dat het verschil voor het totaal van bus tram en metro wel significant is wordt verklaard door het grotere aantal waarnemingen voor deze vervoerwijzen gezamenlijk.

Het is niet uit te sluiten dat de groep bus, tram en metro is geraakt door de methodebreuk. Desondanks laat deze groep een significante toename van het aantal reizigerskilometers zien. We concluderen daarom dat de vervoersprestatie voor de groep bus, tram en metro daadwerkelijk significant is toegenomen ten opzichte van ODiN 2023.

Fiets

Het totale aantal reizigerskilometers op de fiets zoals gemeten in ODiN nam van 2023 naar 2024 significant af met 0,7 miljard (-4 procent). Uit het Landelijk Reizigersonderzoek blijkt dat van 2023 naar 2024 voor woon-werkverkeer bijna 2 procent minder kilometers zijn gefietst (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2025). Hoewel het woon-werkverkeer maar een deel van alle fietskilometers betreft, is het niet duidelijk of de in het Landelijk Reizigersonderzoek voor woon-werk geconstateerde lichte daling in fietskilometers een significante daling betreffen. Daarom is het niet mogelijk aan te geven of de cijfers uit het Landelijk reizigersonderzoek (gedeeltelijk) in lijn zijn met de in ODiN gevonden daling van het totaal aantal fietskilometers in 2024.

Lopen

De vervoersprestatie van lopen uit ODiN is in 2024 significant afgenomen ten opzichte van 2023 en wel met 16 procent. Het aantal kilometers dat te voet is afgelegd, bedroeg in 2024 5,8 miljard reizigerskilometer. Deze forse daling in het aantal kilometers te voet, kan niet worden vergeleken met resultaten uit ander onderzoek omdat deze er niet zijn. Echter de grootte van de afname roept vraagtekens op en we gaan hier verder op in, in hoofdstuk 8.

Overige vervoerwijzen

Tot slot volgt de totale vervoersprestatie van ‘overige vervoerwijzen’. Uit de gegevens van 2024 blijkt dat het aantal reizigerskilometers met het totaal aan ‘overige vervoerwijzen’ waaronder bestelauto’s, brom-, snor- en motorfietsen, invalidevoertuigen, steps, skeelers en dergelijke niet significant is gewijzigd ten opzichte van 2023.

3.2 Reguliere reizigerskilometers

Tabel 3.2.1 bevat de totale reguliere reizigerskilometers in Nederland van inwoners in particuliere huishoudens in Nederland weergegeven naar verplaatsingsmotief.

3.2.1 Reguliere reizigerskilometers van personen van 6 jaar of ouder in miljarden kilometers naar motief per jaar
201920202021202220232024verschil 2024 t.o.v. 2023 (%)
Totaal210,9147,0*161,2*180,9*193,1*189,8-2
Van en naar het werk57,0*36,4*36,344,3*48,2*49,6+3
Zakelijk en beroepsmatig19,2*10,9*11,412,413,613,2-3
Diensten en verzorging4,33,6*4,4*4,34,54,2-7
Winkelen en boodschappen doen18,314,7*15,317,1*18,4*17,4*-6
Onderwijs of cursus volgen12,06,0*6,9*9,7*10,110,2+1
Visite en logeren34,2*24,0*27,6*30,1*31,331,30
Uitgaan, sport en hobby39,2*23,7*27,8*34,1*38,1*37,3-2
Toeren en wandelen9,512,2*14,9*12,3*11,1*10,0*-10
Ander motief17,215,4*16,6*16,717,816,6-7
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

Reguliere reizigerskilometers totaal

Uit de ODiN-gegevens van tabel 3.2.1 volgt dat het totaal aantal reguliere reizigerskilometers in 2024 niet significant verschilt met 2023. Het verschil tussen de totale vervoersprestatie (tabel 3.1.1) en het totaal aantal reguliere reizigerskilometers bedraagt in 2024 6,5 miljard kilometer (in 2023 was dat 6,1 miljard kilometer). Het verschil tussen beide gegevens is toe te schrijven aan de serieverplaatsingen die bij het berekenen van de totale vervoersprestatie wél worden meegenomen, maar niet bij de reguliere reizigerskilometers. Aanvullende analyse van de serieverplaatsingen leert dat het aantal reizigerskilometers gereden in bestelauto’s in 2024 niet significant is gewijzigd in vergelijking met 2023.

Reguliere reizigerskilometers naar motief

Gelet op de verdeling naar motief in tabel 3.2.1 blijkt dat voor de motieven ‘Winkelen en boodschappen doen’ en ‘Toeren en wandelen’ het aantal reguliere reizigerskilometers in ODiN 2024 significant lager is dan bij ODiN 2023. Opmerkelijk is dat de afname van het aantal reizigerskilometers voor deze twee motieven vrij fors is; ‘Winkelen en boodschappen doen’ -6 procent en ‘Toeren en wandelen’ -10 procent. Uit CBS-cijfers blijkt dat ondernemers in de detailhandel over het hele jaar een omzetstijging van 2,1 procent boekten. Het verkoopvolume was 1,4 procent groter dan in 2023 (2025b). Verkoopvolume en omzetstijging zijn weliswaar niet een-op-een te vergelijken met het aantal reizigerskilometers voor winkelen en boodschappen doen maar deze resultaten bieden geen ondersteuning voor het feit dat in ODiN 2024 het aantal reizigerskilometers voor dit doel met 6 procent is afgenomen.

Dat het aantal reguliere reizigerskilometers voor ‘Toeren en wandelen’ met 10 procent is afgenomen lijkt niet plausibel. Helaas zijn er geen cijfers uit andere bronnen bekend om deze resultaten mee te staven. Voor alle andere motieven geldt dat het aantal reguliere reizigerskilometers in ODiN 2024 niet significant verschilt van ODiN 2023.

Van en naar het werk

Voor het aantal reguliere reizigerskilometers met het motief ‘Van en naar het werk’ is geen significant verschil geconstateerd in ODiN 2024 vergeleken met 2023. Omdat dit een belangrijk motief is wordt dit feit toch nader onder de loep genomen.

Omdat de in ODiN 2024 waargenomen toename van 3% voor de kilometers woon-werk geen significant verschil geeft met ODiN 2023 kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de vervoersprestatie woon-werk ook daadwerkelijk is gestegen. Uit het Landelijk Reizigersonderzoek (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2025) blijkt dat het ‘aantal forenzen’ met de auto, het OV en op de fiets respectievelijk is toegenomen met 4 procent, 1 procent en 3 procent. Het aantal ritten per persoon is daarentegen afgenomen met -1 procent (auto), -4 procent (OV) en -2 procent (fiets). De totaal afgelegde afstand met de auto is toegenomen met 1 procent, en met het OV en de fiets afgenomen met respectievelijk 4 procent en 2 procent (statistische marges op deze cijfers zijn in het rapport niet gepubliceerd). Aangezien bij de uitkomsten van het Landelijk Reizigersonderzoek niet benoemd wordt of de verschillen significant zijn, kan niet eenduidig worden vastgesteld of er sprake is van het gelijk blijven, toe- of afnemen van reizigerskilometers van 2023 vergeleken met 2024.

Nagegaan is of de werkzame beroepsbevolking is toegenomen van 2023 naar 2024. Uit CBS cijfers op StatLine blijkt dat de werkzame beroepsbevolking is toegenomen met 61 duizend personen tot 9.798 duizend (CBS, 2025a). Dit is een toename van 0,6 procent. Vergeleken met voorafgaande jaren is dit een relatief bescheiden toename. Omdat het bij de werkzame beroepsbevolking alleen gaat om werkzaamheden ongeacht de arbeidsduur, is het moeilijk te duiden wat deze bescheiden toename van de werkzame beroepsbevolking zou kunnen betekenen voor het aantal woon-werkreizen. Bekeken is ook of het aantal uren thuiswerken is gewijzigd. Uit dezelfde StatLinetabel blijkt dat het aantal thuiswerkuren in 2024 in vergelijking met 2023 is afgenomen met 0,2 procentpunt en dat het percentage van de werkzame beroepsbevolking dat thuis werkt eveneens is afgenomen met 0,5 procentpunt van 19,8 procent in 2023 tot 19,3 in 2024. Bij deze cijfers zijn geen betrouwbaarheidsmarges berekend. Mogelijk wijzen de bescheiden toename van de werkende beroepsbevolking en de bescheiden afname van het thuiswerken in de richting van een (bescheiden) toename van het aantal verplaatsingen ‘Van en naar het werk ’, maar of dit zo is en of die toename significant is, is op basis van deze cijfers uit de Enquête Beroepsbevolking (EBB) niet te zeggen.

Over de plausibiliteit van de ODiN-uitkomst dat er tussen 2024 en 2023 geen significant verschil is in reizigerskilometers voor het motief ‘Van en naar het werk’, is op basis van de nu beschikbare bronnen geen duidelijkheid te geven. Eventuele andere gegevens om dit te toetsen zijn (nog) niet beschikbaar.

3.3 Ontwikkelingen naar maand

Ten behoeve van de plausibiliteitsrapportage van dit jaar is onderstaande extra analyse naar maand gemaakt voor resultaten gepresenteerd over de vervoersprestatie in paragraaf 3.1 en over de reguliere reizigerskilometers ‘Van en naar het werk’ in paragraaf 3.2. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de verschillen per maand niet getoetst zijn. Van alle verschillen is dus niet duidelijk of die verschillen significant zijn, ook niet als ze in de tekst benoemd worden. Daarmee verschilt de betekenis van deze maandcijfers dus met die van de jaarcijfers in deze rapportage.

Totale vervoersprestatie naar maand

In grafiek 3.3.1 is de totale vervoersprestatie van 2023 en 2024 per maand in beeld gebracht. De totale vervoersprestatie (zie ook tabel 3.1.1) is de som van het aantal reguliere reizigerskilometers en de kilometers van serieverplaatsingen.

3.3.1 Totale vervoersprestatie van personen van 6 jaar of ouder in miljarden reizigerskilometers naar maand per jaar
maand2023 (mld km)2024 (mld km)
januari14,914,4
februari14,414,1
maart16,216,5
april15,716,6
mei17,916,6
juni16,515,6
juli16,816,0
augustus16,316,0
september17,116,3
oktober17,116,8
november15,815,8
december14,615,3

Uitgaande van de tijdlijnen van 2024 en 2023 is te zien dat in 2024 het grootste verschil in de totale vervoersprestatie met 2023 in de maanden april (6 procent hoger) en mei (7 procent lager) plaatsvindt. Ook in de maanden juni en juli en ook in september lijkt de totale vervoersprestatie iets meer te verschillen (5 procent lager) dan in dezelfde maanden in 2023. Een directe verklaring hiervoor is niet te geven.

De totale vervoersprestatie lijkt in 2024 in alle maanden behalve maart en april en ook in december lager te liggen dan in 2023. Of de geconstateerde verschillen tussen de maanden in 2024 en 2023 significant zijn, is niet getoetst. In de grafiek is te zien dat de totale vervoersprestatie in 2024 negen van 12 maanden lager is dan in 2023. Dat lijkt vrij structureel. Dat er maanden zijn waarin de verkeersprestaties in 2024, hoger zijn dan in 2023, heeft mogelijk te maken met normale fluctuaties zoals bijvoorbeeld meer of minder werkdagen in een maand en of schoolvakanties die net op een ander moment vallen. Er zijn geen onderzoeken bekend waarmee getoetst kan worden of het een plausibel resultaat is dat volgens ODiN voor de meeste maanden de vervoersprestatie in 2024 lager is dan in 2023.

Reguliere reizigerskilometers ‘Van en naar het werk’ naar maand

Het totaal aantal reguliere reizigerskilometers is de totale vervoersprestatie minus de kilometers afgelegd tijdens serieverplaatsingen. In de eerder gepresenteerde tabel 3.2.1 is het aantal reguliere reizigerskilometers uitgesplitst naar motief. Voor het motief ‘Van en naar het werk’ zijn de verschillen per maand in 2023 en 2024 in kaart gebracht (grafiek 3.3.2). Of deze verschillen significant zijn, is niet berekend.

3.3.2 Reguliere reizigerskilometers ‘Van en naar het werk’ van personen van 6 jaar of ouder in miljarden kilometers naar maand per jaar
maand2023 (mld km)2024 (mld km)
januari3,84,2
februari3,64,4
maart4,34,7
april3,74,5
mei4,63,9
juni4,23,9
juli3,74,3
augustus3,33,3
september4,24,0
oktober4,24,5
november4,74,1
december3,73,8

De grootste verschillen in het aantal reguliere reizigerskilometers ‘Van en naar het werk’ tussen 2024 en 2023 vinden plaats in de maanden februari, april en juli. In de maanden februari en april 2024 is het aantal afgelegde kilometers ‘Van en naar het werk’ respectievelijk 22 en 21 procent hoger dan in 2023. In mei en november 2024 is het aantal reizigerskilometers voor dit doel respectievelijk 15 procent en 13 procent lager dan in het jaar ervoor. Wat de reden voor deze verschillen is, is niet nader onderzocht. In de maanden augustus, september en december is er nog amper verschil in het aantal kilometers ‘Van en naar het werk’ tussen beiden jaren. In hoeverre de genoemde verschillen significant zijn, is niet getoetst. In totaal verschilt het aantal afgelegde reguliere reizigerskilometers voor het motief ‘Van en naar het werk’ in 2024 niet significant van 2023.

3)Dit is de meest zuivere bepaling. Verplaatsingen kunnen met meerdere vervoerwijzen worden gemaakt, bijvoorbeeld fiets-trein-bus-lopen. In dat geval wordt bij de hier gehanteerde afleiding de afgelegde afstand per rit van al de vier gebruikte vervoerwijzen binnen de hele verplaatsing ook toegekend aan elk van de vier gebruikte vervoerwijzen. ODiN kent daarnaast voor die gevallen een hoofdvervoerwijze toe voor de gehele verplaatsing op basis van de langst afgelegde afstand binnen de verplaatsing. Deze hoofdvervoerwijze speelt echter geen rol bij de toekenning van de hier gepresenteerde afstanden.
4)Een overzicht van enkele gemeenten en provincies die goedkoper reizen voor inwoners mogelijk hebben gemaakt of gaan maken met bus, tram en of metro. Gemeenten bepalen zelf wie in aanmerking komt en tot hoe lang de regeling loopt: Gemeente Nissewaard, Gemeente Terneuzen, Gemeente Hulst, Gemeente Arnhem, Gemeente Krimpenerwaard, Gemeente Krimpen aan den IJssel, Provincie Limburg en Provincie Zuid-Holland.

4. Gemiddeld aantal verplaatsingen per persoon per dag

De totale reizigerskilometers zijn te ontleden in aantallen verplaatsingen en de verplaatsingsafstanden. Dit hoofdstuk richt zich op het gemiddeld aantal verplaatsingen per persoon per dag naar vervoerwijze en naar motief. Vanzelfsprekend is deze indicator gebaseerd op verplaatsingsinformatie, terwijl de tabellen in hoofdstuk 3 gebaseerd zijn op ritinformatie. Voor betere leesbaarheid zijn in alle tabellen van dit hoofdstuk de cijfers weergegeven per 1.000 personen van 6 jaar of ouder.

In tabel 4.1 wordt het gemiddeld aantal verplaatsingen in Nederland naar hoofdvervoerwijze van inwoners in particuliere huishoudens in Nederland vermeld5). Het betreft reguliere verplaatsingen.

4.1 Gemiddeld aantal reguliere verplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag naar hoofdvervoerwijze per jaar
201920202021202220232024verschil 2024 t.o.v. 2023 (%)
Totaal2 710*2 352*2 506*2 696*2 7182 486*-9
Personenauto als bestuurder948805*823868*912*854*-6
Personenauto als passagier312240*257*278*300*278*-7
Trein8233*3552*66*660
Bus/tram/metro72*35*3755*5862*+8
Fiets757*626*636751*729*689*-6
Lopen426*523*614*585*557*450*-19
Overig11290*104*10795*88*-8
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

Uit tabel 4.1 blijkt dat het totaal aantal verplaatsingen per 1.000 personen van 6 jaar of ouder per dag in het ODiN-onderzoek van 2024 significant is afgenomen met 9 procent ten opzichte van 2023. Een daling van 9 procent is onverwacht veel. Er zijn ook geen signalen uit de samenleving die een dergelijke daling doen vermoeden. Het in ODiN 2024 geconstateerde totaal aantal verplaatsingen per 1.000 personen van 6 jaar of ouder per dag (2.486), is vergelijkbaar met 2021 (2.506), een jaar waarin nog coronamaatregelen golden. Deze ontwikkeling van het aantal verplaatsingen per persoon per dag ten opzichte van de resultaten van 2023 in ODiN wordt daarom niet plausibel geacht.

Alle modaliteiten: verplaatsingen

Met uitzondering van de trein en de combinatie bus, tram, en metro, geldt voor iedere andere modaliteit (personenauto als bestuurder, personenauto als passagier, fiets, lopen of overig) dat het aantal verplaatsingen per 1.000 inwoners van 6 jaar of ouder in ODiN 2024 significant lager ligt dan in 2023. Het gemiddeld aantal reguliere verplaatsingen voor de combinatie bus, tram en metro is in 2024 significant hoger dan in 2023. Het aantal verplaatsingen met de trein verschilt niet significant ten opzichte van 2023.

Personenautobestuurders: verplaatsingen

Het aantal verplaatsingen met de personenauto als bestuurder per 1.000 inwoners van 6 jaar of ouder is in 2024 significant afgenomen met 6 procent in vergelijking met ODiN 2023. Ook deze afname lijkt niet plausibel. Een indicatie hiervoor is het berekend globaal indexcijfer voor heel 2024 (zie ook hoofdstuk 3.1) waaruit blijkt dat in 2024 vergeleken met een jaar eerder de verkeersintensiteit van het ‘personenverkeer’ op werkdagen met 1,6 procent is toegenomen en op weekenddagen met 0,9 procent.

Personenautopassagiers: verplaatsingen

Evenals het aantal verplaatsingen als bestuurder van een personenauto is bij de passagiers ook het aantal verplaatsingen afgenomen in 2024 ten opzichte van 2023, en wel met 7 procent. Het aantal verplaatsingen als passagier van een personenauto, was na de daling in de coronajaren weer aan het toenemen richting het niveau van 2019. De nu waargenomen daling in ODiN 2024 is niet te verklaren, en daarmee niet plausibel.

Trein: verplaatsingen

Het gemiddeld aantal verplaatsingen per 1.000 inwoners van 6 jaar of ouder met de trein is in ODiN 2024 gelijk aan dat van 2023 (niet significant gewijzigd). Vergelijken we dit resultaat uit ODiN met de cijfers uit het NS jaarverslag over 2024, dan rapporteerde de NS dat het aantal gemaakte treinreizen per werkdag 1,089 miljoen bedraagt. In hun jaarverslag van 2023 werden 1,085 miljoen treinreizen gemeld. Dit is een toename van 0,4 procent.

Bus, tram en metro: verplaatsingen

De enige toename van het aantal verplaatsingen naar hoofdvervoerwijze in 2024 ten opzichte van 2023 is bij de verplaatsingen die met de bus, tram of metro gemaakt zijn. Het gemiddeld aantal verplaatsingen per 1.000 inwoners van 6 jaar of ouder is in 2024 significant hoger dan in 2023 (8 procent).

Uit jaarcijfers die bepaald zijn met open data (aantal instappers per uur) van Translink (CBS, z.d.a) blijkt dat er in 2024 in vergelijking met 2023 een toename is van 12 procent aan inchecktransacties bij trein, bus, tram en metro gezamenlijk. Hoewel dit niet helemaal vergelijkbaar is, want inchecktransacties en verplaatsingen zijn niet hetzelfde, geeft deze toename van inchecktransacties wel een indicatie.

Fiets: verplaatsingen

Het aantal verplaatsingen op de fiets per 1.000 inwoners is in 2024 significant afgenomen met 6 procent ten opzichte van 2023. Uit het Landelijk Reizigersonderzoek 2024 (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2025) blijkt dat het gemiddeld aantal woon-werkritten per week op de fiets in 2024 vergeleken met 2023 is afgenomen met 2 procent. De gevonden gegevens uit het Landelijk Reizigersonderzoek zeggen alleen iets over een deel van de fietsverplaatsingen (alleen woon-werk). Of deze bescheiden afname significant is, is niet bekend. Daarom kan op basis van dit resultaat uit het Landelijk Reizigersonderzoek, niet worden aangegeven of het steun biedt of niet, aan de resultaten uit het ODiN met betrekking tot fietsverplaatsingen.

Lopen en overig: verplaatsingen

De verhoudingsgewijze grootste afname in 2024 ten opzichte van 2023 deed zich voor bij het aantal verplaatsingen te voet per 1.000 inwoners van 6 jaar of ouder. Het aantal loopverplaatsingen was in 2024 bijna een vijfde lager (-19 procent) dan in 2023. Een verlaging van deze omvang is opmerkelijk en het is niet aannemelijk dat dit plausibel is.

Ook het aantal verplaatsingen met een overige vervoerwijze vertoont in ODiN 2024 een afname ten opzichte van 2023 (-8 procent).

Tabel 4.2 toont wederom het aantal dagelijkse verplaatsingen in Nederland per 1.000 inwoners van 6 jaar of ouder in particuliere huishoudens in Nederland, maar ditmaal naar reismotief.

4.2 Gemiddeld aantal reguliere verplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag naar motief per jaar
201920202021202220232024verschil 2024 t.o.v. 2023 (%)
Totaal2 710*2 352*2 506*2 696*2 7182 486*-9
Van en naar het werk505*370*371420*435*439+1
Zakelijk en beroepsmatig107*72*76828577*-10
Diensten en verzorging8672*88*918779*-9
Winkelen en boodschappen doen544*552563580*584519*-11
Onderwijs of cursus volgen222138*144183*184187+2
Visite en logeren273*238*259*263268245*-9
Uitgaan, sport en hobby511357*374*481*500*476*-5
Toeren en wandelen171269*319*281*258*194*-25
Ander motief291*285312*317317272*-14
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

Totaal motieven: verplaatsingen

Het totaal aantal reguliere verplaatsingen per 1.000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag in 2024 is significant afgenomen met 9 procent ten opzichte van 2023. Voor de meeste motieven is het aantal verplaatsingen in 2024 significant lager dan in 2023. Alleen voor de motieven ‘Van en naar het werk’ en ‘Onderwijs of cursus volgen’ bleef het aantal verplaatsingen in 2024 hetzelfde als in 2023.

De naar verhouding grootste afname van het aantal reguliere verplaatsingen in 2024 in vergelijking met 2023 vond plaats voor het motief ‘Toeren en wandelen’ (-25 procent). Het aantal verplaatsingen met het motief ‘Winkelen en boodschappen doen’ was in 2024 11 procent lager dan in 2023, voor het motief ‘Zakelijk en beroepsmatig’ was er in 2024 een afname van 10 procent ten opzichte van 2023. Bij de motieven ’Diensten en verzorging’ en ‘Visite en logeren’ was het aantal verplaatsingen in 2024 voor elk van beide motieven met 9 procent afgenomen ten opzichte van 2023. Het aantal verplaatsingen met ‘Ander motief’ is in 2024 14 procent lager dan in 2023.

Voor het motief ‘Van en naar het werk’ is het gemiddeld aantal verplaatsingen per persoon per dag in 2024 op hetzelfde niveau als een jaar eerder. De onderzoekers van het Landelijk Reizigersonderzoek, vonden echter een afname van het gemiddeld aantal ‘ritten per week’ in het woon-werkverkeer (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2025). Zo nam het aantal ritten van automobilisten af met 1 procent, met het OV af met 4 procent en daalde het aantal woon-werkritten met de fiets met 2 procent. Aangezien de ODiN-verplaatsingen ‘Van en naar het werk’ in deze rapportage alleen het totaal betreft van deze verplaatsingen met alle onderscheiden modaliteiten, en ook niet bekend is of deze resultaten uit het Landelijk Reizigersonderzoek significant zijn, is niet te duiden of de gerapporteerde daling uit dit Reizigersonderzoek hiermee in tegenspraak is.

Uit de ODiN cijfers blijkt dat het aantal verplaatsingen voor ‘Winkelen en boodschappen doen’ in 2024 in vergelijking met 2023 met 11 procent is afgenomen. Uit CBS-gegevens over de omzet van de detailhandel volgt dat in het vierde kwartaal van 2024 bijna 2 procent meer is omgezet om dan in dezelfde periode een jaar eerder (CBS, 2025b). Het verkoopvolume was 0,4 procent groter. In het vierde kwartaal daalde de omzet van winkels in voeding en genotmiddelen met 2,7 procent vergeleken met een jaar eerder. Onder winkels in non-food nam de omzet met 4,4 procent toe vergeleken met het vierde kwartaal van 2023. De online omzet van detailhandelaren nam in het vierde kwartaal van 2024 toe met 6,5 procent vergeleken met dezelfde periode een jaar eerder (CBS, 2025b). De cijfers en ontwikkeling van ODiN 2024 en de omzetontwikkeling van het CBS laten weliswaar een tegengesteld beeld zien, maar zijn niet één-op-één te vergelijken.

5)De hoofdvervoerwijze betreft de vervoerwijze waarmee binnen de verplaatsing de langste afstand is afgelegd.

5. Gemiddelde afgelegde afstand per verplaatsing

De totale reizigerskilometers zijn te ontleden in aantallen verplaatsingen en verplaatsingsafstanden. Dit hoofdstuk richt zich op de gemiddelde afgelegde afstand per verplaatsing naar vervoerwijze en naar motief. Evenals bij het gemiddeld aantal verplaatsingen per persoon per dag in het voorgaande hoofdstuk, wordt bij de afgelegde afstand per verplaatsing alleen gerekend met reguliere verplaatsingen. Voor deze indicator wordt vooral informatie op verplaatsingsniveau gebruikt. Echter, bij de indeling naar vervoerwijze wordt voor alle reguliere verplaatsingen gekeken naar de som van de ritafstanden per ritvervoerwijze (bijvoorbeeld de fiets) en deze wordt vervolgens gedeeld door het totaal aantal verplaatsingen waarvan (in dit geval) de fiets de hoofdvervoerwijze is.

In tabel 5.1 wordt de gemiddelde afstand per verplaatsing in Nederland van inwoners in particuliere huishoudens in Nederland weergegeven naar vervoerwijze.

5.1 Gemiddelde afstand per reguliere verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder in kilometers naar ritvervoerwijze per jaar
201920202021202220232024verschil 2024 t.o.v. 2023 (%)
Totaal13,2910,58*10,87*11,20*11,76*12,52*+6
Personenauto als bestuurder19,0016,33*17,08*17,4417,6718,51*+5
Personenauto als passagier21,3018,21*19,83*19,6120,1220,52+2
Trein49,8448,5147,9450,7349,3249,350
Bus/tram/metro14,6413,6214,3714,2514,2914,220
Fiets3,974,16*4,224,04*4,004,04+1
Lopen2,072,15*2,25*2,07*2,052,10*+3
Overig20,6117,33*17,4418,3617,5320,01*+14
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

Uit tabel 5.1 volgt dat de gemiddelde afstand per verplaatsing voor het totaal van alle vervoerwijzen in ODiN 2024 12,5 kilometer is. Dat is significant langer (6 procent) dan in 2023.

De gemiddelde afstand per verplaatsing voor zowel personenautobestuurders (5 procent) en lopen (3 procent) was in 2024 significant langer dan in 2023. De categorie ‘overige vervoerwijzen’ laat de grootste stijging zien ten opzichte van 2023 (14 procent). De gemiddelde verplaatsingsafstand van een verplaatsing met de trein, bus/tram/metro, met de fiets of als passagier personenauto verschilde in 2024 niet significant met de verplaatsingsafstand in 2023.

In tabel 5.2 is de gemiddelde afstand per verplaatsing naar reismotief in Nederland van inwoners in particuliere huishoudens in Nederland weergegeven.

5.2 Gemiddelde afstand per reguliere verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder in kilometers naar motief per jaar
201920202021202220232024verschil 2024 t.o.v. 2023 (%)
Totaal13,2910,58*10,87*11,20*11,76*12,52*+6
Van en naar het werk19,2616,66*16,5417,61*18,33*18,56+1
Zakelijk en beroepsmatig30,5625,76*25,2625,4326,4428,19+7
Diensten en verzorging8,51*8,558,447,928,598,76+2
Winkelen en boodschappen doen5,754,49*4,594,92*5,23*5,49+5
Onderwijs of cursus volgen9,257,44*8,13*8,86*9,038,92-1
Visite en logeren21,4117,10*18,0219,08*19,3420,98*+8
Uitgaan, sport en hobby13,09*11,23*12,55*11,84*12,63*12,87+2
Toeren en wandelen9,527,69*7,887,32*7,128,43*+19
Ander motief10,079,13*9,008,789,2910,03*+8
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

Uit tabel 5.2 blijkt dat de gemiddelde afgelegde afstand per reguliere verplaatsing voor de motieven ‘Visite en logeren’, ’Toeren en wandelen’ en ‘Ander motief’ significant verschilt met ODiN 2023.

Voor het motief ‘Toeren en wandelen’ is de gemiddelde verplaatsingsafstand van 2023 op 2024 significant toegenomen met 19 procent (1,3 kilometer langer dan in 2023). Uit de resultaten in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 blijkt dat de totale vervoersprestatie voor lopen significant is afgenomen en ook het aantal loopverplaatsingen was significant minder in 2024 ten opzichte van 2023. Nader onderzocht is welke loopverplaatsingen er minder zijn opgegeven dan vorig jaar. Uit een extra analyse van het aantal verplaatsingen naar afstandsklasse volgt dat het aantal verplaatsingen te voet tot 7,5 km in 2024 bijna een vijfde lager is dan in 2023. Ook het aantal opgegeven loopverplaatsingen van 7,5 tot 15 km is in 2024 minder, namelijk bijna 13 procent lager dan in 2023. Ook is nagegaan wat het verschil is in verplaatsingen naar motief en afstandsklasse is in 2024 in vergelijking met 2023. In die analyse is vooral te zien dat de korte verplaatsingen afgenomen zijn. Het aantal verplaatsingen met het motief ‘Toeren/wandelen’ tot 1 km is nog maar ongeveer 53 procent van vorig jaar. Het aantal verplaatsingen voor dit motief tot 5 km is 30 procent lager dan vorig jaar. Het zijn vooral de hele korte verplaatsingen voor dit motief die zijn afgenomen. De afname van het aantal korte verplaatsingen is gerelateerd aan de gemiddelde verplaatsingsafstand voor ‘Toeren en wandelen’. Deze wordt daardoor langer.

De gemiddeld afgelegde afstand voor het motief ‘Visite en logeren’ nam met 8 procent toe (1,7 kilometer). ‘Ander motief’ nam eveneens met 8 procent toe (0,7 kilometer).

6. Deelname aan het verkeer

Andere belangrijke indicatoren zijn de verkeersdeelname in het algemeen en de deelname aan het openbaar vervoer. De eerste indicator wordt berekend op basis van verplaatsingsinformatie en voor de tweede wordt ritinformatie gebruikt.

6.1 Verkeersdeelname

Volgens de gehanteerde definitie bij ODiN neemt een persoon die in Nederland op een dag één of meer reguliere verplaatsingen of één of meer serieverplaatsingen maakt, deel aan het verkeer. Ook personen die enkel vakantieverplaatsingen hebben gemaakt, tellen dus mee bij het bepalen van de verkeersdeelnemers. Uitzondering daarop vormen personen met uitsluitend (beroepsmatig) wegvervoer met een zwaar vrachtvoertuig. Zij tellen niet mee voor de bepaling van verkeersdeelname. Ook personen die enkel verplaatsingen geheel in het buitenland maken tellen niet mee voor de verkeersdeelname op Nederlands grondgebied. Bij nul verplaatsingen neemt een persoon niet deel aan het verkeer.

6.1.1 Verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar geslacht per jaar1)
201920202021202220232024verschil 2024 t.o.v. 2023 (%)
Totaal81,9*73,8*78,1*79,7*80,4*78,0*-3
Mannen82,674,4*77,9*79,8*80,577,8*-3
Vrouwen81,3*73,2*78,4*79,7*80,378,2*-3
1)Verkeersdeelname behelst minimaal één reguliere verplaatsing of serieverplaatsing per dag.
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

Uit tabel 6.1.1 blijkt dat op een gemiddelde dag in 2024 78,0 procent van de Nederlandse bevolking van 6 jaar of ouder minstens eenmaal deelneemt aan het verkeer. Dat is significant lager (3 procent) dan in ODiN 2023. Deze afname lijkt niet plausibel, aangezien de gegevens uit eerdere mobiliteitsonderzoeken (OVG, MON, OViN, ODiN) doorgaans een vrij constante verkeersdeelname over de jaren heen laten zien (CBS, 2025d, CBS 2025e en CBS 2025f). Zowel bij vrouwen als mannen is er in 2024 een significante afname in verkeersdeelname ten opzichte van 2023, een daling van 3 procent bij beide groepen. Uit extra analyse blijkt dat er in 2024 net als in 2022 en 2023 geen significant verschil in verkeersdeelname is tussen mannen en vrouwen onderling.

Tabel 6.1.2 geeft de percentages weer van de inwoners in particuliere huishoudens in Nederland die per dag deelnemen aan het verkeer in Nederland, onderverdeeld naar maatschappelijke participatie.

6.1.2 Verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar maatschappelijke participatie per jaar 1)
201920202021202220232024verschil 2024 t.o.v. 2023 (%)
Totaal81,9*73,8*78,1*79,7*80,4*78,0*-3
Werkzaam 12-30 uur per week87,8*82,7*86,4*86,887,084,4*-3
Werkzaam ≥ 30 uur per week88,780,5*82,8*83,684,8*83,0*-2
Scholier/student86,474,9*80,0*82,5*83,682,2*-2
Werkloos71,266,1*66,466,366,966,70
Arbeidsongeschikt67,858,3*67,1*70,370,265,5*-7
Gepensioneerd/VUT69,062,7*69,6*71,6*70,966,9*-6
Overig71,0*62,1*67,8*70,1*70,567,2*-5
1)Deelname aan het openbaar vervoer behelst minimaal één reguliere verplaatsing of serieverplaatsing per dag met trein, bus, tram of metro.
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

De verkeersdeelname naar maatschappelijke participatie, weergegeven in tabel 6.1.2, toont aan dat in 2024 de verkeersdeelname voor alle onderscheiden groepen, met uitzondering van de groep ‘Werkloos’, significant lager is dan in 2023.

6.2 Deelname aan het openbaar vervoer

In tabel 6.2.1 is het aandeel dat gebruik maakt van het openbaar vervoer in Nederland van inwoners in particuliere huishoudens in Nederland weergegeven. De deelname aan het openbaar vervoer houdt in dat er door een persoon minstens één reguliere rit of minimaal één serieverplaatsing is gemaakt met het openbaar vervoer op de dag waarover gerapporteerd wordt in het onderzoek ODiN.

6.2.1 Deelname aan het openbaar vervoer van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar geslacht per jaar 1)
201920202021202220232024verschil 2024 t.o.v. 2023 (%)
Totaal8,63,9*4,2*6,1*7,0*7,2+4
Mannen7,93,6*3,85,6*6,6*6,5+0
Vrouwen9,24,2*4,7*6,5*7,4*7,9*+8
1) Deelname aan het openbaar vervoer behelst minimaal één reguliere verplaatsing of serieverplaatsing per dag met trein, bus, tram of metro.
* Cijfer wijkt significant af van het cijfer van het voorgaande jaar.

In 2024 maakte 7,2 procent van de inwoners van 6 jaar of ouder gemiddeld op een dag gebruik van trein, bus, tram of metro. De deelname van vrouwen aan het openbaar vervoer was in 2024 7,9 procent, wat 8 procent hoger is dan in 2023. De deelname van mannen aan het openbaar vervoer in 2024 was 6,5 procent, wat gelijk is aan het niveau in 2023. Net als in de vijf voorgaande jaren blijkt uit aanvullende analyse dat de deelname van vrouwen aan het openbaar vervoer in 2024 significant hoger was dan die van mannen.

7. Externe bronnen

In dit hoofdstuk worden diverse externe bronnen gepresenteerd die als achtergrondinformatie kunnen dienen voor het interpreteren van de resultaten van het ODiN 2024.

7.1 Het weer

Het weer kan een factor zijn die de mobiliteit en dus ook de keuze voor het gebruik van een vervoerwijze in positieve of negatieve zin kan beïnvloeden. Voor het verschil in weer tussen 2023 en 2024 is op hoofdlijnen gekeken naar wat het KNMI hierover bericht. Daaruit volgen de cijfers in tabel 7.1.1 met het weer in de Bilt voor de jaren 2019 tot en met 2024 (KNMI, 2025).

7.1.1 Indicatoren van het weer per jaar
201920202021202220232024
IJsdagen (max. temp. lager dan 0,0 °C) 2 0 7 2 0 0
Vorstdagen (min. temp. lager dan 0,0 °C) 40 31 50 30 41 23
Warme dagen (max. temp. 20,0 °C of hoger) 99 110 97 112 117 102
Zomerse dagen (max. temp. 25,0 °C of hoger) 26 32 20 35 38 28
Tropische dagen (max. temp. 30,0 °C of hoger) 11 12 1 9 5 4
Zonuren1 9642 0261 8002 2331 9131 748
Neerslag (in mm) 783 785 806 7291 060 986
Bron: KNMI

Volgens het KNMI was 2024 extreem warm en zeer nat. De gemiddelde temperatuur was net zo hoog als in 2023 en gemiddeld viel er landelijk 986 millimeter regen.

Het KNMI schrijft dat 2024 gekenmerkt werd door een natte maand januari (82 mm) en een recordzachte maand februari (8,2 °C tegen 3,9 °C normaal). De lente was ook recordwarm (11,8 °C tegen 9,9 °C normaal). Tegelijkertijd was het met 256 millimeter ook een van de natste lentes sinds 1906. In de zomer week de gemiddelde temperatuur niet veel af van normaal en ook de hoeveelheid neerslag was gemiddeld. Het was wel een zonnige zomer met 701 uur zon tegen 641 uur normaal. De herfst was zacht en vrij nat. December was zeer zacht en somber: slechts 29 uur zonneschijn, ongeveer de helft van normaal.

De gemiddelde temperatuur in 2024 evenaarde het record van 2023: 11,8 °C tegen 10,5 °C normaal. Het aantal zonuren is normaal 1.774, maar in 2024 kwam het totaal uit op 1.748 uur. Januari, augustus en september waren zonnige maanden. Februari en december waren zeer somber.

Met 986 mm was 2024 weer flink natter dan normaal (795 mm). Op een selectie van 13 neerslagstations (P13 genoemd) viel 1.143 millimeter. In 2024 was er geen sprake van droogte en sneeuw was een zeldzaamheid.

Over de relatie tussen weer en mobiliteit schrijft de SWOV: ”Het weer beïnvloedt de hoeveelheid en de soort mobiliteit: bij mooi weer zullen er bijvoorbeeld meer fietsers en voetgangers op pad zijn dan bij slecht weer” (SWOV, 2023). Volgens de SWOV kan bijvoorbeeld de raadpleging van de lokale weersverwachting op de korte termijn via de telefoon de blootstelling aan slecht weer beïnvloeden door de verplaatsing uit te stellen: ‘we kunnen beter over een kwartier gaan, er komt een bui aan…’. Daarbij wordt de kanttekening gemaakt dat het effect van de apps niet voor alle verkeersdeelnemers even groot zal zijn. Vermoedelijk is voor fietsers en voetgangers de dreiging van een bui meer reden thuis te blijven of later te vertrekken, dan voor automobilisten.

Het KiM concludeerde na resultaten van 20 studies naast elkaar te hebben gelegd dat het niet mee valt om de mate waarin mensen bij slecht weer overstappen op een andere vervoerwijze te kwantificeren. Een deel van de studies beperkte zich tot de invloed van de temperatuur op reisgedrag, andere studies bekeken daarnaast ook regen en wind. Volgens het KiM
is bijna iedereen het er over eens dat zowel regen als wind de kans dat iemand de fiets kiest verkleint. Dit geldt volgens de onderzoekers voor zowel de variatie op de korte termijn (van dag tot dag) als die op de lange termijn (over de seizoenen). Hoeveel de kans dat iemand de fiets kiest wordt verkleind is niet bekend. Uit één van die studies is wel bekend dat er ongeveer 30 procent verschil is in aantal fietsverplaatsingen tussen dagen met zomerse temperaturen en dagen waarop het vriest. ’s Winters is het aantal fietsverplaatsingen per persoon per dag gemiddeld 15 procent lager dan in de lente. Reizigers van 65 jaar of ouder reageren sterker op slecht weer en omgekeerd op warm weer dan reizigers die jonger zijn. 24°C is de optimale dagtemperatuur voor een fietser. Als de temperatuur hoger of lager is dan 24°C neemt zowel de kans dat voor de fiets wordt gekozen als het aantal fietsverplaatsingen af (KiM, 2020).

Algemene resultaten dat er bijvoorbeeld ’s winters minder fietsverplaatsingen plaatsvinden dan in de lente, kunnen ook met het ODiN worden getoetst. In hoeverre de diverse weerselementen zoals, zon, wind, regen, sneeuw, motregen, temperatuur, en de interactie tussen deze elementen de beslissing om een reis uit te stellen, of van vervoerwijze te veranderen op een minder algemeen niveau is op basis van het huidige ODiN nauwelijks vast te stellen. Daarvoor ontbreekt essentiële informatie zoals bijvoorbeeld de kennis over de keuze van een voertuig in diverse weersomstandigheden maar ook of de respondent wel de mogelijkheid heeft om een andere vervoerwijze te kiezen. Daarnaast ontbreekt de informatie over hoe het weer was op de tijd en de plaats waar de respondent (voornemens was) zich verplaatst op dat moment.

7.2 Voertuigkilometers rijkswegennet

7.2.1 Voertuigkilometers op het rijkswegennet in 2024

In de Rapportage Rijkswegennet (Rijkswaterstaat, 2025) wordt gemeld dat het aantal afgelegde voertuigkilometers op het rijkswegennet gemeten met detectielussen is toegenomen met 2,7 procent tot 71,3 miljard voertuigkilometers in 2024. Rijkswaterstaat meldt dat de toename in afgelegde kilometers zich over heel de dag manifesteert, maar met name in de zeer vroege ochtendspits tussen 05:30 en 07:15 en in het dal tussen 11:00 en 15:30 op werkdagen. Over het hele jaar 2024 bezien vindt de groei van het aantal kilometers op het rijkswegennet voornamelijk in de wintermaanden plaats.

7.2.2 Relatie voertuigkilometers rijkswegennet met autobestuurderskilometers ODiN

Een toe- of afname van het aantal voertuigkilometers op het rijkswegennet kan een indicatie zijn voor een toe- of afname van het aantal reizigerskilometers met de auto als bestuurder in Nederland gemeten met ODiN, maar dat hoeft niet zo te zijn. De verkeersintensiteit op het rijkswegennet wordt gemeten met detectielussen. Met al het verkeer wordt hier bedoeld: al het gemotoriseerde verkeer (zoals ook vrachtwagens, trekkers voor opleggers, autobussen, speciale voertuigen, bestelauto’s en motorfietsen) dat van het rijkswegennet gebruik mag maken en dit betreft zowel Nederlands als buitenlands wegverkeer. In ODiN wordt het verkeer gemeten door enkel inwoners van Nederland (op Nederlands grondgebied) op zowel Rijkswegen als andere wegen in Nederland. Kilometers gemaakt ten behoeve van goederenvervoer met voertuigen zoals vrachtwagens en trekkers voor opleggers, behoren niet tot de scope van ODiN en worden in ODiN dus niet (of nauwelijks) gemeten. Op grond van meetlusdata op het rijkswegennet kan (waar lussen liggen die dit mogelijk maken) onderscheid worden gemaakt tussen bijvoorbeeld vrachtverkeer en personenverkeer op basis van voertuiglengte klassen. In het ODiN-onderzoek wordt geen onderscheid gemaakt naar wegtype. Daarom is het niet mogelijk om alleen op basis van ODiN eenduidig aan te geven hoeveel reizigerskilometers worden afgelegd door inwoners van Nederland op het rijkswegennet. Daarnaast is het op dit moment niet mogelijk om aan te geven hoeveel kilometers er worden gereden door mensen uit het buitenland op het rijkswegennet.

Een toe- of afname van het verkeer op het rijkswegennet kan meerdere oorzaken hebben zoals: een toe- of afname van het aantal kilometers gereden door buitenlandse voertuigen, een toe- of afname van het aantal kilometers gereden door binnenlandse voertuigen, of door beiden. Daarnaast kan uitbreiding van het aantal rijstroken, of uitbreiding van het aantal kilometers rijkswegennet zorgen voor meer op Rijkswegen afgelegde autokilometers. Ook maatregelen zoals onderhoud, het weren van verkeer uit binnensteden, het instellen van milieuzones, omleidingsroutes gesuggereerd door route-navigatieapparatuur of navigatie-apps en dergelijke, kunnen leiden tot een verschuiving van het verkeer op niet-Rijkswegen naar Rijkswegen en vice versa. Daarnaast zijn er economische, demografische en andere factoren die van invloed zijn op de volumes van het wegverkeer.

Dit alles maakt het moeilijk om een toe- of afname van de autobestuurderskilometers uit ODiN één op één te vertalen naar een toe- of afname van kilometers afgelegd op het rijkswegennet en omgekeerd. Wel kan op basis van deze bronnen worden afgeleid of de patronen eenzelfde richting op wijzen of niet.

7.3 Voorlopige verkeersprestaties 2024

Op 11 april 2025 heeft het CBS de voorlopige verkeersprestaties van 2024 bekend gemaakt. Deze zijn berekend op grond van tellerstanden van motorvoertuigen uit de OKR kilometerregistraties en Erkenning Keuringsinstanties (EKI) van de RDW. Aan deze gegevens zijn door het CBS de voorlopige verkeersprestaties van buitenlandse voertuigen op Nederlands grondgebied toegevoegd. Voor het controleren van de plausibiliteit van het aantal personenautobestuurderskilometers door inwoners van Nederland op Nederlands grondgebied uit ODiN 2024, is een vergelijking gemaakt met de voorlopige verkeersprestatiecijfers van Nederlandse plus buitenlandse personenauto’s van het CBS. Op basis van deze voorlopige verkeersprestaties is de verkeersprestatie in 2024 in vergelijking met 2023 (voorlopige cijfers) toegenomen met 1,5 procent tot 108,8 miljard. In tegenstelling tot de ODiN-gegevens over kilometers van personenautobestuurders zijn in de verkeersprestatiecijfers ook de kilometers van buitenlandse voertuigen op Nederlands grondgebied meegenomen (CBS, 2025c – tabel 1). Ook als de ODiN cijfers worden vergeleken met de verkeersprestaties van de Nederlandse personenauto’s (alle kilometers op Nederlands plus buitenlands grondgebied) blijkt er sprake te zijn van een toename (CBS, 2025c – tabel 2).

De verkeersprestaties over 2024 worden in het najaar van 2025 definitief berekend. De huidige cijfers over 2024 zijn berekend op basis van tellerstanden die zijn geregistreerd tot 1 maart 2025 in plaats van 1 juli 2025. Deze laatste datum is de datum tot waarmee de definitieve cijfers worden berekend. Voor de verdeling van de verkeersprestaties over binnen- en buitenland in 2024 zijn dezelfde aandelen aangehouden als in 2023. Als in het laatste kwartaal van 2024 deze cijfers worden herzien op basis van tellerstanden tot 1 juli 2025, worden ook de aandelen binnen- en buitenland opnieuw bepaald voor 2024. Dan is het ook mogelijk om de definitieve verkeersprestaties van Nederlandse voertuigen op Nederlands grondgebied (dus zonder kilometers van buitenlandse personenauto’s in Nederland) van 2024 te vergelijken met de autobestuurderskilometers uit ODiN 2024. Opgemerkt dient te worden dat er al jaren een niveauverschil is tussen de gegevens uit het ODiN (steekproefonderzoek) en de verkeersprestatiegegevens (registratie van kilometertellerstanden).

7.4 Reizigerskilometers met de trein

Op het gebied van het personenvervoer op het spoor is de NS de grootste spoorvervoeraanbieder, maar er zijn meer aanbieders, zoals Arriva, Breng, Thalys Nederland en Keolis Nederland. Ook buitenlandse vervoerders zijn actief in Nederland. Voorbeelden daarvan zijn VIAS, DB Regio NRW, Keolis, NMBS en EuroBahn.

De NS rapporteert in hun jaarverslag dat er in 2024 16,1 miljard treinreizigerskilometers werden afgelegd en merkt daarover in het jaarverslag het volgende op: “Het aantal reizigerskilometers is in 2024 met 4,3% gestegen ten opzichte van vorig jaar. Het niveau is, met name door het ingeburgerde thuiswerken, echter nog steeds onder het niveau van 2019, het laatste jaar vóór corona. Het aantal reizigerskilometers in 2024 ten opzichte van 2019 was 92%” (NS, 2025).

Over de reizigersaantallen vermeldt de NS het volgende in hun jaarverslag: “De ongekende daling van reizigersaantallen tijdens de coronacrisis werkt nog steeds door: reispatronen zijn sinds de pandemie structureel anders. Op maandag, woensdag en vrijdag verwelkomen we bijvoorbeeld minder reizigers dan voorheen, terwijl de spits op dinsdag en donderdag relatief veel drukker is” (NS, 2025).

De NS vermeldt in hun jaarverslag over 2024 dat het aantal gemaakte treinreizen per werkdag 1,089 miljoen bedraagt, in hun jaarverslag van 2023 was dit 1,085 miljoen. Ten opzichte van 2023 rijden er in 2024 wekelijks meer treinen (NS, 2025).

Omdat de NS niet het totale spoorvervoer vertegenwoordigt en van de andere vervoerders nog geen informatie beschikbaar is bij het schrijven van dit rapport, is er geen compleet beeld te geven van het totale personenvervoer op het spoor in Nederland op grond van externe bronnen. Om die reden en ook wegens verschillen in de meetmethode laat een vergelijking van NS-gegevens met ODiN-gegevens ruimte voor interpretatie.

7.5 Woon-werkreizen uit het Landelijk Reizigersonderzoek 2024

De online enquête van het Landelijk Reizigersonderzoek richt zich met name op woon-werk verkeer en is in 2024 uitgevoerd door Goudappel – I&O Research onder leden van het onderzoekspanel van I&O Research. De werving van respondenten is vanaf 2023 onder een andere groep inwoners van Nederland uitgevoerd dan in voorgaande jaren. De weging en de ophoging zijn hetzelfde gebleven als in voorgaande jaren. In het rapport wordt vermeld dat het reisgedrag woon-werk stabiliseert na de COVID-19 pandemie, maar de situatie van 2019 is nog niet helemaal terug. Er wordt ook vermeld dat de uitkomsten van het onderzoek in het algemeen goed verklaarbaar zijn.

De representatieve steekproef is getrokken uit ongeveer 40.000 leden van 16 jaar of ouder van het I&O-Research panel. Tekorten op bepaalde achtergrondkenmerken zijn ingevuld door gebruik te maken van partner PanelInzicht. Op deze wijze is voldoende respons opgehaald om verdichting en verdieping te realiseren. De personen van het I&O Research Panel hebben toestemming gegeven om uitnodigingen te ontvangen voor onderzoek. De dataverzameling is op 16 oktober 2024 gestart en afgesloten op 13 november 2024. Na opschoning resteerden er 12.080 respondenten die de vragenlijst volledig en betrouwbaar hebben ingevuld. Dit zijn ongeveer 3.000 respondenten minder dan voorgaand jaar. In 2024 hebben de metingen van het LRO in oktober plaatsgevonden. In 2023 was de meetperiode iets verschoven en was er langer doorgemeten in november en december. De onderzoekers gaven aan dat het reisgedrag in november kon verschillen van oktober. Als reden werd genoemd: andere weersomstandigheden in november (en december) 2023 (kouder, minder zonuren, meer wind, maar wel minder regen) en dat de daglengte 1 uur en 49 minuten korter was.

De woon-werkafstand is bepaald op basis van de opgegeven viercijferige postcodes van de woon- en werklocatie. Voor reizen met een enkele vervoerwijze is dit het aantal kilometers. Voor reizen waarvoor meerdere vervoermiddelen zijn gebruikt, is de volledige ‘deur-tot-deur’-afstand meegenomen voor het hoofdvervoermiddel (dit is het vervoermiddel waarmee de grootste afstand binnen de reis wordt afgelegd). Afstanden zijn bepaald via een Google Maps API op basis van de afstand behorende bij de kortste reistijd tijdens de ochtendspits op een dinsdag in november, vertrektijd 8.00 uur. Voor respondenten die wonen en werken binnen hetzelfde poscode-4 gebied is de woon-werkafstand op 0 km gezet.

Hieronder staan enkele resultaten uit het Landelijk Reizigersonderzoek 2024 in vergelijking met 2023. Bij deze resultaten is niet gerapporteerd of de gevonden verschillen significant zijn:

  • Het aantal woon-werk autoritten is in 2024 toegenomen met ruim 3 procent.
  • De woonwerk-afstand onder automobilisten is met ruim 2 procent gedaald, ook het gemiddelde aantal kilometers per week is met 3 procent afgenomen.
  • Het aantal OV-reizigers is toegenomen met 1 procent, echter het totaal aantal ritten is met 3 procent afgenomen.
  • Het totaal aantal kilometers per jaar met het OV is afgenomen met 4,2 procent in 2024.
  • Het aantal woon-werkritten op de fiets is toegenomen met 0,4 procent.
  • Ten opzichte van 2023 is de gemiddelde ritafstand per fiets voor woon-werk afgenomen met ruim 2 procent en ook de totale afstand per fiets voor woon-werkverkeer nam in 2024 af met 2 procent.

7.6 Andere bronnen

Er is ook nog naar andere bronnen gekeken om verschillen in de resultaten tussen ODiN 2024 en ODiN 2023 op plausibiliteit te kunnen beoordelen. Daarbij was dan vaak de conclusie dat de onderzoeksmethode te veel verschilde van ODiN om een goede vergelijking tussen de cijfers te kunnen maken.

7.6.1 Actuele verkeersgegevens NDW over 'personenverkeer'

Op de website van het CBS is onder het Dashboard verkeer en vervoer (CBS, z.d.) onder andere een grafische weergave gepubliceerd van het verloop van het 'personenverkeer' in 2020 tot heden op basis van verkeersindexcijfers van het Nationaal Dataportal Wegverkeer (NDW). In de grafiek wordt afzonderlijk het verloop van het 'personenverkeer' getoond op werkdagen en op weekenddagen in 2020 tot heden (2019=100, elke week in 2019 is op 100 gesteld). De meetpunten zijn geselecteerd door de NDW op basis van voertuiglengtecategorieën afhankelijk van het type lus. Tot het personenverkeer worden gerekend de voertuigen met voertuiglengte groter dan 1,85 meter en kleiner of gelijk aan 5,60 meter. Binnen deze voertuiglengte kunnen ook voertuigen vallen die niet tot de personenauto's behoren zoals een deel van de bestelauto’s of motorfietsen die een ander mobiliteitspatroon hebben. Tot slot zijn de verkeersgegevens gebaseerd op een 200-tal meetlocaties op het rijkswegennet. Uitgangspunt van de selectie van meetpunten was het goed meten van de intensiteit van het goederenvervoer.

Als op basis van deze indexcijfers globaal een indexcijfer voor heel 2024 op werkdagen wordt berekend (som weekindexen gedeeld door het aantal weken) blijkt hieruit dat in 2024 ten opzichte van 2023 dat de verkeersintensiteit van het ‘personenverkeer’ op zowel werkdagen (1,6 procent) als weekenddagen (0,9 procent) is toegenomen. Er is geen rekening gehouden met de verschillen in verkeersprestaties van week tot week. Op basis van deze ongewogen gemiddelden is af te leiden dat de verkeersintensiteit in 2024 toegenomen is ten opzichte van 2023. Of dit zo is, of dat de toename misschien groter of kleiner is, kan alleen worden berekend wanneer in plaats van indexcijfers de onderliggende cijfers (microdata verkeersprestaties) kunnen worden gebruikt voor de berekening. Niet bekend is in hoeverre de gegevens van deze ‘steekproef’ van 200 meetpunten op het rijkswegennet daardoor afwijken van de werkelijke situatie.

Een aantal factoren maakt het moeilijk om een toe- of afname van de personenautobestuurderskilometers uit ODiN één op één te vertalen naar een toe- of afname van kilometers afgelegd op het rijkswegennet door 'personenverkeer' op basis van het NDW en omgekeerd. Voor de verkeersgegevens zijn voertuiglengtes gebruikt voor de bepaling van het ‘personenverkeer’. Daaronder vallen niet alleen personenauto’s maar mogelijk ook motoren en een deel van de bestelauto’s. Daarnaast wordt naast het verkeer van Nederlandse voertuigen ook verkeer van buitenlandse voertuigen gemeten.

7.6.2      OV-Klantenbarometer 2024

Voor het onderzoek OV-klantenbarometer is het Nederlandse openbaar vervoer ingedeeld in onderzoeksgebieden. Deze onderzoeksgebieden zijn concessiegebieden uitgesplitst naar modaliteit behalve bij het hoofdrailnet. In 2024 bestond de OV-Klantenbarometer uit 64 onderzoeksgebieden: 48 in het regionale openbaar vervoer (bus, tram, metro, regionale trein en ov over water), 12 voor het hoofdrailnet (HRN) en 4 voor de Friese Waddenveren. Per onderzoeksgebied zijn aselect 8.204 ritten en vaarten getrokken (inclusief de Friese Waddenveren). De ritten en vaarten uit de steekproef werden bezocht door enquêteurs die reizigers vroegen een vragenlijst in te vullen. Zij werden gevraagd rapportcijfers te geven aan verschillende aspecten van hun rit of vaart. Dit leverde 108.122 ingevulde vragenlijsten op. Dertig procent van de mensen die een vragenlijst aangeboden kreeg, vulde deze in. Het onderzoek is in opdracht van CROW uitgevoerd door Ipsos I&O. Het onderzoek is voor de drieëntwintigste keer gehouden namelijk elk jaar tussen 2001 en 2024, met uitzondering van coronajaar 2020 (CROW, 2025).

Het gemiddelde aantal getelde reizigers tijdens het veldwerk per voertuig naar modaliteit laat in de OV-Klantenbarometer van 2024 een toename zien bij de metro en bij de regionale trein, in vergelijking met de cijfers uit de OV-Klantenbarometer van 2023. In de OV-klantenbarometer wordt gerapporteerd dat in de metro (tijdens het veldwerk) in 2023 154 reizigers per rit werden geteld. In 2024 was dit aantal 275 (afgeronde cijfers). De regionale trein ging van 73 reizigers per rit in 2023 naar 80 reizigers per rit in 2024. Bij de bus is het aantal reizigers per rit in 2023 gelijk aan dat van 2024. Het aantal instappers per rit bij de tram is in 2024 afgenomen ten opzichte van 2023, van 97 reizigers per rit in 2023 naar 84 reizigers per rit in 2024. De tellingen in treinen van het hoofdrailnet van 2023 kunnen niet vergeleken worden met 2024. In 2023 werd het aantal reizigers geteld per rit in één voertuig, in 2024 wordt het aantal reizigers per rit geteld in de intercity, sprinter en in de intercity direct en IC Brussel afzonderlijk.

Kanttekening bij deze methode: door uitgevallen ritten (waar niet is geteld) zal het drukker zijn geweest in de ritten daarna (waar mogelijk wel is geteld). Ook in ingekorte treinen is het vanzelfsprekend drukker per rijtuig. CROW heeft op basis van de telcijfers van het veldwerk en het gemeten aantal ritten ook de verhouding van instappers naar modaliteit bepaald. Bus en trein-hoofdrailnet blijken dan verreweg de grootste modaliteiten te zijn. Beide zijn goed voor ongeveer een derde van het totale openbaar vervoer. De tram heeft in 2024 een aandeel van 14 procent in het totaal van de OV-modaliteiten en de metro een aandeel van 14,4 procent.

7.6.3 Informatie overige vervoersaanbieders

RET

In 2024 steeg het totaal aantal reizigerskilometers bij de RET naar 898 miljoen. Dat is 4 procent meer dan in 2023, toen het totaal op 863 miljoen lag. Voor de metro steeg het aantal reizigerskilometers van 666 miljoen naar 695 miljoen (4 procent). Ook de reizigerskilometers met de tram lieten een toename zien, van 101 miljoen naar 108 miljoen (7 procent). Alleen bij de bus was een lichte daling te zien. Het aantal reizigerskilometers nam af van 96 miljoen naar 95 miljoen (-1 procent) (RET, 2025).

GVB

In 2024 maakten reizigers gemiddeld 4,9 miljoen ritten per week met bus, tram, metro en veer. Dat is een stijging van 3 procent ten opzichte van 2023. Het totaal aantal ritten kwam uit op 283,5 miljoen, tegen 272,6 miljoen een jaar eerder (4 procent). Het aantal ritten met de metro nam toe van 108,7 miljoen naar 116,4 miljoen (7 procent). Met de tram nam het aantal ritten toe van 94,6 miljoen naar 95,5 miljoen (1 procent). Het aantal ritten met de bus daarentegen daalde van 44,4 miljoen naar 43,7 miljoen (-2 procent).

Het totaal aantal reizigerskilometers bij het GVB steeg van 928,0 miljoen naar 934,3 miljoen (1 procent). De reizigerskilometers met de metro namen toe van 494,7 miljoen naar 505,2 miljoen (2 procent). Met de tram bleef vrijwel gelijk, van 279,0 miljoen kilometer naar 279,1 miljoen kilometer. Het aantal reizigerskilometers met de bus nam af van 154,3 miljoen naar 150,0 miljoen kilometer (-3 procent) (GVB Holding NV, 2024).

7.6.4 Aantal check-ins in het openbaar vervoer

Het CBS publiceert gegevens over het aantal keren dat is ingecheckt in het openbaar vervoer. Deze gegevens zijn afkomstig van Translink (CBS, z.d.a). Het aantal keren dat er wordt ingestapt in het openbaar vervoer is bepaald aan de hand van het aantal check-ins met de ov-chipkaart. Eén persoon kan per reis meerdere keren inchecken; bijvoorbeeld eerst in de bus, dan in de trein, en daarna overstappen op een trein van een andere vervoerder. Omdat één reiziger per dag meerdere malen kan inchecken, is het aantal check-ins hoger dan het aantal reizigers. Gegevens over losse kaartverkoop en dergelijke zijn hierin niet opgenomen.

Volgens het CBS waren er in 2024 ruim 12 procent meer check-ins in het openbaar vervoer dan in 2023 (CBS, 2025). Er werd in 2024 1,2 miljard keer ingecheckt in het openbaar vervoer.

7.6.5      Staat van het OV

CROW-KpVV ontwikkelt, verspreidt en borgt collectieve kennis voor de decentrale overheden op het gebied van mobiliteit. Het gaat om kennis die ondersteunt bij de beleidsontwikkeling en -uitvoering. Sinds 2024 is het dashboard Staat van het OV van het CROW online beschikbaar, waarmee informatie over het openbaar vervoer in Nederland wordt gepresenteerd. Het dashboard is opgebouwd uit data die door vervoerders en overheden wordt aangeleverd en geeft inzicht in diverse prestatie-indicatoren, zoals reizigerskilometers, zitplaatskilometers, punctualiteit en klantwaardering. Het onderzoek achter het dashboard verschilt op enkele belangrijke punten van het ODiN-onderzoek. Waar ODiN het verplaatsingsgedrag van de Nederlandse bevolking van 6 jaar en ouder meet en daarmee uitspraken doet over het totale mobiliteitsgedrag, richt het dashboard zich met name op operationele data van vervoerders en op het OV-gebruik zelf.

In het dashboard zelf zijn verschillende indicatoren te vinden, zoals het aantal zitplaatskilometers (de capaciteit van het OV), reizigerskilometers (het totaal aantal afgelegde kilometers door reizigers), dienstregelinguren, punctualiteit, klantwaardering en sociale veiligheid. Op dit moment zijn de meest recente cijfers die in het dashboard beschikbaar zijn afkomstig uit 2023. Omdat de Staat van het OV van 2024 bij het schrijven van dit rapport nog niet gepubliceerd was, is het enkel mogelijk geweest een vergelijking te maken tussen de jaren 2023 en 2024 op basis van voorlopige cijfers die door CROW beschikbaar gesteld zijn.

8. Extra analyses, samenvatting en conclusie

In dit rapport zijn de resultaten van het verplaatsingsonderzoek Onderweg in Nederland (ODiN) 2024 gepresenteerd en die van de voorgaande vijf onderzoeksjaren. In de hoofdstukken 3 tot en met 6 zijn de verschillen tussen de resultaten van ODiN 2024 met ODiN 2023 onderzocht en beschreven. Op basis van onderzoek naar de verschillen tussen 2023 en 2024 is geconstateerd dat er waarschijnlijk sprake is van een methodebreuk. De resultaten van ODiN 2024 worden daarom niet plausibel geacht wanneer deze worden gerelateerd aan de resultaten van ODiN 2023. 

Het lijkt erop dat door één of meerdere van de wijzigingen in het veldwerk van het onderzoek in 2024 een methodebreuk is ontstaan. Op een aantal kernvariabelen zoals weergegeven in de tabellen van dit rapport, zijn opvallende, niet-plausibele ontwikkelingen te zien. Hoewel het op basis van de momenteel beschikbare informatie niet te bewijzen valt, is de verkorte brief die met ingang van ODiN 2024 is ingevoerd, waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak voor de verschillen, en de mogelijke methodebreuk. Wijzigingen in de aanschrijfbrief lijken op logische wijze samen te hangen met de waargenomen verschillen. Voor andere aanpassingen in het onderzoeksdesign die zijn onderzocht, is geen relatie met de waargenomen verschillen tussen 2023 en 2024 gevonden. Hoewel het vermoeden voor een methodebreuk ingegeven wordt door het grote aantal, in sommige gevallen forse, significante verschillen tussen 2023 en 2024 moeten we veronderstellen dat de methodebreuk ook doorwerkt in resultaten waarbij de verschillen van ODiN 2024 met 2023 minder opvallend of niet-significant zijn. Aanvullend onderzoek naar de methodebreuk zal nog worden uitgevoerd, maar kan hierover kan pas later worden gerapporteerd.

8.1 Extra analyses

Vanwege de opmerkelijke resultaten van ODiN 2024 zijn verschillende extra analyses uitgevoerd om de plausibiliteit van die resultaten te controleren. In eerste instantie is gekeken naar mogelijke verstoringen in het verwerkingsproces. Hierin werden geen bijzonderheden gezien. Ook de weging is correct verlopen en er zijn ook geen weegvariabelen waarvan de bijdrage aan de weging aanmerkelijk verschilde met voorgaande jaren. 

De opmerkelijke verschillen in de resultaten zijn al aanwezig op een zeer basaal niveau, namelijk in het gegeven of men wel of niet is weggeweest (de verkeersdeelname) en hoe vaak men is weggeweest (het aantal verplaatsingen). Dit is waarneembaar in zowel de gewogen resultaten als in de ongewogen resultaten. Daarbij is ook gekeken naar de verschillen tussen de gewogen en ongewogen resultaten uit voorgaande ODiN-jaren om op die manier nog eventuele bijzonderheden te signaleren. Omdat de verschillen al zichtbaar zijn op een basaal niveau, kon ook worden gekeken naar de ruwe responsdata. Dit zijn de data die het verwerkingsproces ingaan. Deze data laten hetzelfde beeld zien als de ongewogen en gewogen data, namelijk een afname van de verkeersdeelname. 

Al met al is op basis van de uitgevoerde analyses de conclusie dat de breuk al aanwezig is in de responsdata. De andere resultaten in 2024 kunnen het gevolg zijn van een wijziging in de daadwerkelijke mobiliteit of een wijziging in het veldwerk van het onderzoek. Aangezien andere onderzoeken en databronnen geen indicatie geven van (sterke) wijzigingen in de mobiliteit, blijft een wijziging in het veldwerk als meest waarschijnlijke oorzaak over. 

Na de analyse van de ruwe responsdata van 2024 is ook de reeds beschikbare responsdata van ODiN 2025 bekeken. We zien hier dat de verkeersdeelname hetzelfde verschil laat zien vergeleken met 2023. Dit betekent dat de oorzaak van de opmerkelijke verschillen zich voortzet en niet specifiek alleen gerelateerd is aan het onderzoek in het jaar 2024.

In het onderzoek naar de oorzaak van de opmerkelijke verschillen zijn de resultaten uitgesplitst naar verschillende kenmerken zoals die in de weging en in het bestand aanwezig zijn. Daarbij zijn zowel in de tijd (zoals maand en dag van de week) als naar regio (zoals meerwerkgebied en provincie) geen opvallende verschillen te zien die mogelijk duiden op een longitudinaal of regionaal effect. Ook een relatie met de postbezorging is uitgesloten. De responsmomenten en de tijd tussen responderen en de datum waarover men rapporteert vertonen geen grote verschillen met voorgaande jaren. Ook voor de diverse persoonskenmerken zien we de opmerkelijke verschillen in de resultaten in 2024 ongeveer over de hele linie terug. Bij een aantal kenmerken zijn er wel verschillen die onderling opvallen. Dat is het geval bij de kenmerken afstandsklasse, motief en vervoerwijze. 
 
Zoals aangegeven is de meest waarschijnlijke oorzaak van de methodebreuk gelegen in een wijziging van de onderzoeksmethode. In paragraaf 1.1 zijn de belangrijkste wijzigingen in ODiN 2024 ten opzichte van ODiN 2023 benoemd: 

  • Meerwerk: responswens voor ieder stadsdeel van Amsterdam.
  • Herkomst: gebruik van herkomstland in steekproeftrekking en respondentbenadering.
  • Brieven: verkorte brieven.
  • Folder-experiment: testen effect folder op responspercentage.
  • Incentive: verandering van de kansincentive.

Voor al deze wijzigingen is specifiek nagegaan en geanalyseerd of de opmerkelijke resultaten van ODiN 2024 daarvan het gevolg kunnen zijn. Daarbij konden de bescheiden wijziging in het meerwerk en de introductie van herkomstland in de steekproeftrekking en de respondentbenadering al snel als mogelijke oorzaken uitgesloten worden. Dit laatste klinkt weliswaar als een flinke wijziging, maar eerder onderzoek naar de mogelijke effecten van de vervanging van herkomst (migratie-achtergrond) naar herkomstland (geboorteland) in 2022 had al uitgewezen dat de effecten hiervan verwaarloosbaar klein zijn. Doordat die wijziging ook nog eens in twee stappen is uitgevoerd (verwerking, weging en databestand in ODiN 2023 en steekproeftrekking en respondentbenadering in ODiN 2024), zal enig effect hiervan ten opzichte van het voorgaande onderzoeksjaar niet op te merken zijn. De mogelijke impact van de overige drie wijzigingen wordt hieronder toegelicht.

Incentive en folder-experiment

Tot en met ODiN 2023 kon de respondent kiezen uit een set VVV-cadeaukaarten of een iPad als kansincentive. Voor de weekporties 1 tot en met 18 van ODiN 2024, gedurende de looptijd van het folder-experiment, bestond de incentive enkel uit verloting van de VVV-cadeaukaarten (er was dus geen keuzemogelijkheid). Met ingang van weekportie 19 heeft de respondent voor wat betreft de kansincentive de keuze uit een set VVV-cadeaukaarten of een smartwatch. Na deze laatste wijziging is het responspercentage van ODiN toegenomen met ruim 1 procentpunt. De wijziging heeft wat dat betreft een gunstig effect gehad. Er is dus een grotere of extra groep respondenten bereikt. Het is mogelijk dat hierdoor een selectiefout ontstaat. 
Uit onderzoek naar de samenstelling van de respondenten naar leeftijdsklasse over heel 2024 volgt dat in alle onderscheiden leeftijdsklassen de ongewogen respons is toegenomen, behalve bij respondenten van 75 jaar of ouder. In deze groep is de respons licht afgenomen. Door het weegproces wordt voor dit verschil gecorrigeerd. Echter als een groep bijvoorbeeld op een andere wijze de vragenlijst invult, deze anders interpreteert of misschien specifiek ander reisgedrag vertoont of op andere gedragskenmerken verschilt waarvoor in de weging geen weegfactor is (of kan worden) opgenomen, kan er ten dele een selectiefout blijven bestaan. Analyses van de resultaten naar periode laten zien dat de methodebreuk voor alle periodes van 2024 in dezelfde mate bestaat (dus met ingang van begin januari 2024). Uit de analyse van de vervoersprestatie naar maand volgde bijvoorbeeld het algemene beeld dat in 9 van de 12 maanden de vervoersprestatie in 2024 lager was dan in 2023 (zie paragraaf 3.3). Dat maakt het onwaarschijnlijk dat de wijzigingen in de incentives en het folder-experiment bepalend zijn voor de methodebreuk. 

Brieven

Een tweede wijziging betreft een wijziging in de brieven per 1 januari 2024. De teksten in de brieven zijn namelijk ingekort om de leesbaarheid te vergroten en om de brief uitnodigender te maken om te lezen. Een aantal resultaten uit ODiN 2024 die hierna volgen, wijzen in de richting van een meetfout die mogelijk het gevolg is van het weglaten van een aantal voorbeelden van verplaatsingen uit de aanschrijfbrief (zie bijlage C). Hoewel het beeld is dat de brieven slecht worden gelezen, zijn deze voorbeelden mogelijk toch essentieel om respondenten te laten beseffen dat deze verplaatsingen, die mogelijk in hun ogen minder ’belangrijk’ leken, ook belangrijk zijn om te rapporteren. Mogelijk zijn hierdoor dat soort verplaatsingen in mindere mate gerapporteerd. Welke resultaten wijzen hierop?

  • De verkeersdeelname is significant afgenomen met 3 procent. De afgelopen jaren was er altijd wel enige fluctuatie in de verkeersdeelname (de corona-periode daargelaten), maar deze was redelijk stabiel. De in ODiN 2024 waargenomen daling is relatief uitzonderlijk en sluit niet aan bij andere bronnen en de beleefde ontwikkeling. 
  • De toename van de gemiddelde afstand per verplaatsing. Uit een extra analyse van het aantal verplaatsingen naar vervoerwijze en naar afstandsklasse en motief naar afstandsklasse, volgt dat met name het aantal korte verplaatsingen is afgenomen. Mogelijk zijn verplaatsingen, zoals een kort boodschapje, even iets ophalen bij de apotheek, een korte wandeling en dergelijke minder vaak gerapporteerd. Ondersteuning hiervoor blijkt ook uit de resultaten uit hoofdstuk 5 over de gemiddelde afstand per verplaatsing naar motief. Vooral de gemiddelde verplaatsingsafstand van ‘niet-verplichte’ motieven zoals ‘Visite en logeren’, ‘Toeren en wandelen’ en ‘Ander motief’ is langer geworden, omdat er minder verplaatsingen met korte afstanden zijn gerapporteerd. Naar vervoerwijze is in hoofdstuk 5 gerapporteerd dat de gemiddelde afstand per verplaatsing ofwel significant langer is geworden, zoals bij lopen en overige vervoerwijzen, of anders ongewijzigd is gebleven. Uit de extra analyse blijkt bijvoorbeeld dat het aantal verplaatsingen met het motief ‘Toeren/wandelen’ voor de afstanden van 0,1 tot 1 km nog maar ongeveer 53 procent bedraagt van vorig jaar. Het aantal verplaatsingen voor dit motief voor de afstanden van 0,1 tot 5 km is 30 procent lager dan vorig jaar.
  • Het aantal reguliere reizigerskilometers voor ‘Winkelen en boodschappen doen’ (-6 procent) en voor ‘Toeren en wandelen’ (-10 procent) is significant afgenomen.
  • Het gemiddeld aantal verplaatsingen voor lopen en fietsen is significant gedaald. Lopen bijna met een vijfde. Bij de motieven is het aantal verplaatsingen voor met name ‘Toeren en wandelen’ en voor ‘Winkelen en boodschappen doen’ significant afgenomen met respectievelijk 25 procent en 10 procent. Daarentegen zijn wellicht door de respondent belangrijker geachte verplaatsingen, zoals voor de motieven ‘Van en naar het werk’ en ‘Onderwijs of cursus volgen’ in aantal niet significant gewijzigd ten opzichte van 2023. Dat wil overigens niet zeggen dat de schattingen van deze resultaten niet ook beïnvloed kunnen zijn door de mogelijke meetfout. 

8.2 Samenvatting

In ODiN 2024 is de totale vervoersprestatie ten opzichte van ODiN 2023 niet significant gewijzigd en bedraagt 196,2 miljard reizigerskilometers. 

8.2.1 Totale vervoersprestatie

Voor de combinatie bus, tram en metro is de vervoersprestatie significant toegenomen en voor de modaliteiten fiets en lopen is de vervoersprestatie significant afgenomen. De vervoersprestaties van personenautobestuurder, personenautopassagier en trein zijn stabiel gebleven. 

  • De vervoersprestatie met ‘bus, tram en metro’ bedraagt in 2024 5,6 miljard reizigerskilometers en is ten opzichte van 2023 toegenomen met 10 procent.
  • De vervoersprestatie met de fiets (17,1 miljard kilometers) is in ODiN 2024 significant afgenomen met 4 procent ten opzichte van 2023.
  • De vervoersprestatie te voet nam af met 1,1 miljard kilometer (-16 procent) tot 5,8 miljard in 2024. 

Ten behoeve van deze plausibiliteitsrapportage is een extra analyse gemaakt van de tabel met de totale vervoersprestatie van 2023 en 2024 naar maand. Deze analyse is opgenomen in hoofdstuk 3. 

8.2.2 Reguliere reizigerskilometers 

Het aantal reguliere reizigerskilometers gemeten in ODiN 2024 is 189,8 miljard. Dit is geen significante wijziging, vergeleken met 2023. De reguliere reizigerskilometers van twee van de negen motieven zijn in die periode significant gewijzigd. 

Resultaten van de verdeling van motieven in de reguliere reizigerskilometers:

Voor twee van de negen motieven zijn de reguliere reizigerskilometers significant afgenomen. Voor de motieven ‘Winkelen en boodschappen doen’ en ‘Toeren en wandelen’ is sprake van een significante afname. Voor de motieven ‘Van en naar het werk’, ‘Zakelijk en beroepsmatig’, ‘Diensten en verzorging’ , ’Onderwijs of cursus volgen’, ‘Visite en logeren’, ‘Uitgaan, sport en hobby’ en ‘Ander motief’ zijn de resultaten stabiel gebleven.

  • Voor het motief ‘Winkelen en boodschappen doen’ zijn de reguliere reizigerskilometers ten opzichte van 2023 significant afgenomen met 6 procent tot 17,4 miljard in 2024.
  • ‘Toeren en wandelen’ nam significant af in 2024. Het aantal kilometers voor dit motief nam af met 10 procent van 11,1 miljard naar 10,0 miljard.

Ten behoeve van deze plausibiliteitsrapportage is ook een extra analyse gemaakt van de tabel met de reguliere reizigerskilometers voor het motief ‘Van en naar het werk’ van 2023 en 2024 naar maand. Deze analyse is opgenomen hoofdstuk 3.

8.2.3 Gemiddeld aantal verplaatsingen per 1.000 inwoners per dag

Het aantal verplaatsingen (gemiddeld per 1.000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag) is significant gedaald met 9 procent in ODiN 2024 vergeleken met ODiN 2023. Bij zes van de zeven vervoerwijzen is er sprake van een significante wijziging.

Resultaten van de verdeling naar vervoerwijze:

Voor vijf van de zeven vervoerwijzen is er een significante afname en voor een combinatie van vervoerwijzen een significante toename in het aantal verplaatsingen per 1.000 personen van 6 jaar of ouder per dag in 2024. De vervoerwijze ‘Trein’ is stabiel gebleven.

  • De gemiddelde aantallen verplaatsingen als personenautobestuurder en als -passagier zijn in 2024 afgenomen met respectievelijk 6 en 7 procent.
  • Met de fiets is het aantal verplaatsingen van 2023 naar 2024 significant afgenomen met 6 procent.
  • Het gemiddeld aantal verplaatsingen per 1.000 personen van 6 jaar of ouder per dag is voor lopen in 2024 met 19 procent afgenomen ten opzichte van 2023.
  • De verplaatsingen met ‘Overige vervoerwijzen’ zijn afgenomen met 8 procent in 2024 vergeleken met 2023.
  • De verplaatsingen met ‘Bus, tram en metro’ zijn in 2024 toegenomen met 8 procent, vergeleken met een jaar eerder.
Resultaten van de verdeling naar motief: 

Voor zeven van de negen motieven geldt dat deze significant zijn afgenomen. Het gemiddeld aantal verplaatsingen voor ‘Van en naar het werk’ en ‘Onderwijs of cursus volgen’ is stabiel gebleven ten opzichte van 2023.

  • Het aantal verplaatsingen voor het motief ‘Zakelijk en beroepsmatig' nam in 2024 af met 10 procent in vergelijking met een jaar eerder.
  • Voor het motief ‘Diensten en verzorging’ werden in 2024 9 procent minder verplaatsingen gemaakt dan in 2023.
  • Er zijn in 2024 11 procent minder verplaatsingen gemaakt met als motief ‘Winkelen en boodschappen doen’
  • Bij ‘Visite en logeren’ was het aantal verplaatsingen 9 procent lager dan in 2023
  • Ook het aantal verplaatsingen met als motief 'Uitgaan, sport en hobby' nam in ODiN 2024 significant af en wel met 5 procent ten opzichte van ODiN 2023. 
  • Het aantal verplaatsingen voor 'Toeren en wandelen' is met een kwart afgenomen in ODiN 2024.
  • Verplaatsingen gemaakt voor ‘Andere motieven’ dan hier genoemd namen af met 14 procent in 2024 vergeleken met een jaar eerder. 

8.2.4 Gemiddelde afgelegde afstand per verplaatsing 

De gemiddelde verplaatsingsafstand voor het totaal is in ODiN 2024 6 procent langer (significant) dan in ODiN 2023 en bedraagt 12,5 kilometer.

Resultaten van de verdeling naar vervoerwijze:
  • De gemiddelde afstand per verplaatsing voor zowel personenautobestuurders (5 procent) en lopen (2 procent) was in 2024 significant langer dan in 2023. De categorie ‘overige vervoerwijzen’ laat de grootste toename zien ten opzichte van 2023 namelijk 14 procent. De gemiddelde verplaatsingsafstand van een verplaatsing met de trein, bus/tram/metro, met de fiets of als passagier personenauto verschilde in 2024 niet significant met de verplaatsingsafstand in 2023.
Resultaten van de verdeling naar motief: 
  • Voor het motief ‘Toeren en wandelen’ is de gemiddelde verplaatsingsafstand van 2023 op 2024 significant toegenomen met 19 procent (1,3 kilometer langer dan in 2023). Het motief ‘Visite en logeren’ nam met 8 procent toe (1,7 kilometer). ‘Ander motief’ nam eveneens met 8 procent toe (0,7 kilometer).

8.2.5 Verkeersdeelname en deelname openbaar vervoer

De deelname aan het verkeer in ODiN 2024 is 78,0 procent. In ODiN 2023 was dit significant hoger en bedroeg de verkeersdeelname 80,4 procent. Deze significante afname lijkt niet plausibel, aangezien de gegevens uit eerdere mobiliteitsonderzoeken doorgaans een vrij constante verkeersdeelname over de jaren heen laten zien. Andere constateringen zijn:

  • Zowel bij mannen als bij vrouwen is de afname in verkeersdeelname in 2024 ten opzichte van 2023 significant. In 2024 is er geen significant verschil tussen de verkeersdeelname van mannen en vrouwen.
  • Uit de verdeling van verkeersdeelname naar maatschappelijke participatie blijkt dat er tussen ODiN 2024 en ODiN 2023 voor alle onderscheiden groepen, met uitzondering van de groep 'Werkloos', een significante daling is ten opzichte van 2023.

De deelname aan het openbaar vervoer is in 2024 ten opzichte van 2023 niet significant toegenomen.

  • De deelname van vrouwen aan het openbaar vervoer is in 2024 in vergelijking met 2023 significant toegenomen met 8 procent.
    In 2024 en de vijf jaren daarvoor blijkt de deelname aan het openbaar vervoer van vrouwen significant hoger dan van mannen.

8.3 ODiN in vergelijking met andere onderzoeken

Voor een aantal gevonden resultaten van de ontwikkelingen in de mobiliteit die volgt uit een vergelijking tussen ODiN 2024 en ODiN 2023 is geen ondersteuning gevonden op basis van cijfers uit andere onderzoeken. Bij de interpretatie daarvan is het belangrijk in het achterhoofd te houden dat de onderzoeken onder andere verschillend zijn van opzet, populatie, indeling, meetmethode en de reden waarom ze zijn gedaan, de achterliggende vraag. Daarom is bij het vergelijken van de resultaten met name gelet op de tendens van de met elkaar vergeleken onderzoeken en niet de ‘exacte’ overeenkomst van de statistische schattingen.

Personenauto als bestuurder

Uit ODiN 2024 blijkt dat de vervoersprestatie van de personenauto als bestuurder in 2024 niet significant is gewijzigd ten opzichte van 2023. 

  • Uit de (voorlopige) verkeersprestatiecijfers van personenauto’s (CBS, 2025c) gebaseerd op de kilometerstanden komt naar voren dat de verkeersprestatie (significant) is toegenomen met 1,5 procent. De tendens dat het aantal reizigerskilometers met de auto als bestuurder van 2023 naar 2024 niet significant is gewijzigd, wordt daardoor niet bevestigd. 
  • In de Rapportage Rijkswegennet 2024 (Rijkswaterstaat, 2025) gebaseerd op inductielussen wordt gerapporteerd dat het aantal afgelegde kilometers op het hoofdwegennet met 2,7 procent is toegenomen in 2024. Ook door dit gegeven wordt de tendens uit ODiN dat de reizigerskilometers met de auto als bestuurder van 2023 naar 2024 niet significant zijn gewijzigd, niet bevestigd. 
  • Uit de verkeersindex van het personenverkeer (CBS, z.d.) blijkt dat de ontwikkelingen van de kilometers gebaseerd op 200 locaties met meetlusgegevens op een selectie van rijkswegenwegen, eveneens geen overeenkomsten vertonen met ODiN. Volgens de resultaten uit de verkeersindex van het ‘personenverkeer’ volgt namelijk dat de verkeersintensiteit op werkdagen met 1,6 procent is toegenomen en op weekenddagen met 0,9 procent.
  • Op grond van de resultaten van het Landelijk Reizigersonderzoek 2024 kunnen geen conclusies getrokken worden. Van de genoemde toename van 1 procent van het aantal autokilometers met doel woon-werk is namelijk niet duidelijk of deze significant is. 

De ontwikkeling van de vervoersprestatie van de personenauto als bestuurder uit de genoemde onderzoeken ondersteunen de resultaten uit ODiN 2024 niet.

Trein

De vervoersprestatie met de trein is volgens de meting in ODiN 2024 niet significant gewijzigd, vergeleken met 2023. Dit geldt ook voor het aantal verplaatsingen en de verplaatsingsafstand. Ook deze schattingen zijn niet significant gewijzigd in 2024 vergeleken met 2023.

  • Uit de in het jaarverslag over 2024 (NS, 2025) gerapporteerde cijfers komt naar voren dat het aantal treinreizigerskilometers van 2024 vergeleken met 2023, is toegenomen met 4,2 procent. Deze trend komt niet overeen met de resultaten uit ODiN. 
  • Uit CBS-jaarcijfers die bepaald zijn met gegevens van Translink (CBS, z.d.a) blijkt dat in 2024 een toename is van 12 procent aan inchecktransacties bij trein, bus, tram en metro gezamenlijk. Hoewel dit geven niet helemaal vergelijkbaar is, want inchecktransacties en verplaatsingen zijn niet hetzelfde, geeft deze toename van inchecktransacties wel een indicatie. De toename van het aantal inchecktransacties geeft geen ondersteuning voor het ODiN-resultaat dat de vervoersprestatie met de trein stabiel is gebleven. In ODiN is de vervoersprestatie van de combinatie bus, tram en metro weliswaar significant toegenomen, maar in ODiN 2024 vormt de verkeersprestaties van dit drietal nog geen derde van de verkeersprestatie van de trein. 
Bus, tram en metro

De vervoersprestatie met bus, tram en metro is volgens de meting in ODiN 2024 significant toegenomen, vergeleken met 2023. Daarom is een extra analyse gedaan voor bus, tram en metro afzonderlijk.

  • Uit de extra analyse van ODiN 2024 blijkt het aantal reizigerskilometers met de bus niet significant gewijzigd is ten opzichte van ODiN 2023. Cijfers van de RET en het GVB laten een afname zien van respectievelijk 1 en 3 procent. 
  • Het aantal reizigerskilometers met de tram is volgens ODiN 2024 ten opzichte van ODiN 2023 niet gewijzigd. De RET rapporteert een toename van het aantal tramreizigerskilometers met 7 procent, het aantal reizigerskilometers dat het GVB rapporteerde bleef nagenoeg gelijk. 
  • Reizigerskilometers met de metro zijn volgens ODiN 2024 niet significant gewijzigd ten opzichte van een jaar eerder. De RET het GVB melden beide een toename van het aantal reizigerskilometers met respectievelijk 4 en 2 procent. 
  • Door het CROW zijn voorlopige cijfers voor de Staat van het OV 2024 ter beschikking gesteld. Daaruit volgt voor elk van de vervoerwijzen bus, tram en metro een stijging van het aantal reizigerskilometers in 2024 ten opzichte van 2023 op basis van de in- en uitcheckgegevens. 

Het is niet uit te sluiten dat de groep bus, tram en metro is geraakt door de methodebreuk. Desondanks laat deze groep een significante toename van het aantal reizigerskilometers zien. We concluderen daarom dat de vervoersprestatie voor de groep bus, tram en metro daadwerkelijk significant is toegenomen ten opzichte van ODiN 2023. 

Fiets

Uit ODiN volgt dat het totale aantal reizigerskilometers op de fiets van 2023 naar 2024 significant afnam met 0,7 miljard (-4 procent). 

  • In het Landelijk Reizigersonderzoek, 2024 (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2025). Is gerapporteerd dat de totale afstand per fiets voor woon-werkverkeer in 2024 afnam met 2 procent. Echter woon-werkverkeer is maar een deel van de redenen waarvoor fietskilometers worden afgelegd, en dit cijfer zou dan een gedeeltelijke bevestiging van dit ODiN-cijfer voor de fiets kunnen zijn. Maar het is niet duidelijk of het gevonden resultaat uit het Landelijk Reizigersonderzoek significant verschilt met een jaar eerder. Daarom is deze bron niet geschikt om op dit punt de plausibiliteit van ODiN 2024 te toetsen. De afname van de fietskilometers kunnen dus niet gestaafd worden door een gebrek aan vergelijkingsmateriaal.
Van en naar het werk

Uit ODiN volgt dat voor het motief ‘Van en naar het werk’, het aantal reguliere reizigerskilometers, het gemiddeld aantal verplaatsingen per 1.000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag in 2024 niet significant is gewijzigd ten opzichte van een jaar eerder.

  • Op grond van het Landelijk Reizigersonderzoek, waarin de focus ligt op woon-werkverkeer, wordt geen duidelijk beeld gegeven van het reisgedrag woon-werkverkeer. Er worden cijfers gegeven voor 3 modaliteiten afzonderlijk (zie hoofdstuk 7.5 ). Daarnaast zijn bij de schattingen geen significanties gemeld of zijn er geen uitspraken gedaan daarover. Daarmee is het niet mogelijk om de ODiN resultaten aangaande ‘Van en naar het werk’ te toetsen op plausibiliteit.
Winkelen en boodschappen doen

Uit de ODiN cijfers blijkt dat zowel het aantal reguliere reizigerskilometers als het aantal verplaatsingen voor ‘Winkelen en boodschappen doen’ in 2024 significant is afgenomen met respectievelijk 6 en 11 procent in vergelijking met 2023. 

  • Uit CBS-cijfers over het hele jaar blijkt dat ondernemers in de detailhandel een omzetstijging van 2,1 procent boekten. Het verkoopvolume was 1,4 procent groter dan in 2023 (2025b). Verkoopvolume en omzetstijging zijn weliswaar niet één-op-één te vergelijken met het aantal reizigerskilometers voor winkelen en boodschappen doen, maar deze resultaten bieden geen ondersteuning voor het feit dat in ODiN 2024 het aantal reizigerskilometers voor dit doel met 6 procent is afgenomen. 

8.4 Eindconclusie

Een aantal resultaten van ODiN 2024 over de ontwikkeling van de mobiliteit tussen 2023 en 2024 worden niet plausibel geacht. Een methodebreuk, mogelijk als gevolg van een wijziging in de aanschrijfbrieven, lijkt daarvoor de meest waarschijnlijke verklaring. In deze plausibiliteitsrapportage zijn desondanks de resultaten van de ontwikkelingen in de mobiliteit van de Nederlandse bevolking die volgen uit een vergelijking tussen ODiN 2023 en 2024 geconfronteerd met resultaten uit andere onderzoeken. Uit een deel van de geïnventariseerde onderzoeken blijkt geen directe ondersteuning voor de ontwikkeling in de mobiliteit die volgt uit resultaten van ODiN 2024 in relatie tot ODiN 2023. Daarnaast kan een deel van de ODiN-resultaten niet gestaafd worden door andere onderzoeken en databronnen en zijn bij andere resultaten de verschillen soms niet goed te duiden. Al met al luidt de conclusie dat er vraagtekens kunnen worden gezet bij de plausibiliteit van de resultaten van ODiN 2024 in relatie tot de uitkomsten van ODiN 2023. Een ontwikkeling die wel plausibel kan worden verondersteld is die van de vervoersprestatie voor de groep bus, tram en metro. Het is niet uit te sluiten dat deze groep is geraakt door de methodebreuk, maar desondanks laat deze groep een significante toename van de vervoersprestatie zien. We concluderen daarom dat het totaal aantal reizigerskilometers voor de groep bus, tram en metro in ODiN 2024 daadwerkelijk significant is toegenomen ten opzichte van ODiN 2023.

Referenties

CBS (z.d.) geraadpleegd op 29 april 2025: Hoe druk is het op de Nederlandse rijkswegen? | CBS

CBS (z.d.a): OV-monitor geraadpleegd op 29 april 2025: Hoeveel instappers zijn er wekelijks in het openbaar vervoer? OV-Monitor

CBS (2025a): StatLine - Werkzame beroepsbevolking, thuiswerkuren

CBS (2025b): Detailhandel zet bijna 2 procent meer om in vierde kwartaal | CBS

CBS (2025c): Voorlopige cijfers verkeersprestaties, 2023-2024 | CBS

CBS (2025d): StatLine - Aandeel verkeersdeelnemers naar geslacht en achtergrondkenmerken; 2000-2007

CBS (2025e): StatLine - Aandeel van verkeersdeelnemers, persoonstype; 2010-2014

CBS (2025f): StatLine - Personenmobiliteit; aandeel verkeersdeelnemers, persoonskenmerken 2010-2017

CROW (2025): CROW | OV-Klantenbarometer 2024

DOVA (2024): Gratis OV voor minima in Groningen en Drenthe | DOVA

GVB Holding NV (2024): Jaarverslag 2024

KiM (2020): De invloed van het weer op de personenmobiliteit

KNMI (2025): KNMI - 2024: opnieuw een extreem warm en zeer nat jaar

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (2025): Landelijk Reizigersonderzoek 2024 | Rapport | Rijksoverheid.nl

NS (2025): https://www.nsjaarverslag.nl/

RET (2025): Jaarverslag 2024

Rijkswaterstaat (2025): Rapportage Rijkswegennet 2024: 1 januari – 31 december | Rapport | Rijksoverheid.nl

SWOV (2023) geraadpleegd op 28 mei 2024: De invloed van het weer

Bijlage A. Marges

In deze bijlage staan de schattingen (waarden) van resultaten van ODiN 2024 uit de hoofdstukken 3 tot en met 6 vermeld samen met de onder- en bovengrens van het betrouwbaarheidsinterval en de relatieve marge in procenten. De onder- en bovengrens begrenzen het interval waarvan met 95% zekerheid verwacht wordt dat de werkelijke waarde er binnen ligt.

Methodebreuk

Bij het analyseren van de resultaten van het onderzoek Onderweg in Nederland 2024 (ODiN) is een methodebreuk geconstateerd. Dit betekent dat de uitkomsten van 2024 niet zomaar vergelijkbaar zijn met de resultaten van eerdere jaren. Meer informatie hierover is te vinden in deze plausibiliteitsrapportage en in de speciale bijsluiter bij het bestand van ODiN 2024.

A.3.1 Marges totale vervoersprestatie van personen van 6 jaar of ouder in miljarden reizigerskilometers naar ritvervoerwijze, 2024
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal196,2193,2199,21,5
Personenauto als bestuurder98,896,6101,02,2
Personenauto als passagier34,833,436,24,1
Trein19,918,820,95,2
Bus/tram/metro5,65,35,95,4
Fiets17,116,817,52,0
Lopen5,85,75,92,0
Overig14,313,215,47,8

A.3.2 Marges reguliere reizigerskilometers van personen van 6 jaar of ouder in miljarden kilometers naar motief, 2024
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal189,8187,0192,61,5
Van en naar het werk49,648,351,02,7
Zakelijk en beroepsmatig13,212,114,28,1
Diensten en verzorging4,23,94,57,7
Winkelen en boodschappen doen17,416,718,13,9
Onderwijs of cursus volgen10,29,610,85,6
Visite en logeren31,330,032,64,2
Uitgaan, sport en hobby37,335,938,73,8
Toeren en wandelen10,09,510,44,4
Ander motief16,615,817,55,1

A.4.1 Marges aantal reguliere verplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag naar hoofdvervoerwijze, 2024
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal2 4862 4692 5040,7
Personenauto als bestuurder 854 841 8661,5
Personenauto als passagier 278 271 2852,4
Trein 66 63 684,1
Bus/tram/metro 62 59 654,5
Fiets 689 678 6991,5
Lopen 450 442 4581,8
Overig 88 83 925,1

A.4.2 Marges aantal reguliere verplaatsingen per 1 000 inwoners van 6 jaar of ouder per dag naar motief, 2024
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal2 4862 4692 5040,7
Van en naar het werk 439 431 4461,6
Zakelijk en beroepsmatig 77 73 804,7
Diensten en verzorging 79 75 824,1
Winkelen en boodschappen doen 519 511 5271,6
Onderwijs of cursus volgen 187 182 1922,7
Visite en logeren 245 239 2502,3
Uitgaan, sport en hobby 476 468 4831,6
Toeren en wandelen 194 190 1982,2
Ander motief 272 265 2792,6

A.5.1 Marges gemiddelde afstand per reguliere verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder in kilometers naar ritvervoerwijze, 2024
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal12,5212,3412,701,4
Personenauto als bestuurder18,5118,1518,861,9
Personenauto als passagier20,5219,8021,253,5
Trein49,3547,6851,023,4
Bus/tram/metro14,2213,6714,783,9
Fiets4,043,974,111,7
Lopen2,102,072,141,7
Overig20,0118,6721,356,7

A.5.2 Marges gemiddelde afstand per reguliere verplaatsing van personen van 6 jaar of ouder in kilometers naar motief, 2024
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal12,5212,3412,701,4
Van en naar het werk18,5618,1518,982,2
Zakelijk en beroepsmatig28,1926,3130,086,7
Diensten en verzorging8,768,189,346,6
Winkelen en boodschappen doen5,495,295,683,6
Onderwijs of cursus volgen8,928,469,385,1
Visite en logeren20,9820,2021,753,7
Uitgaan, sport en hobby12,8712,4213,313,5
Toeren en wandelen8,438,098,774,0
Ander motief10,039,5710,494,6

A.6.1.1 Marges verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar geslacht, 2024
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal78,077,678,40,5
Mannen77,877,378,30,7
Vrouwen78,277,678,70,7

A.6.1.2 Marges verkeersdeelname van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar maatschappelijke participatie, 2024
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal78,077,678,40,5
Werkzaam 12-30 uur per week84,483,485,31,2
Werkzaam ≥ 30 uur per week83,082,483,60,7
Scholier/student82,281,483,01,0
Werkloos66,763,469,95,0
Arbeidsongeschikt65,563,067,93,8
Gepensioneerd/VUT66,966,067,81,3
Overig67,265,768,72,2

A.6.2.1 Marges deelname aan het openbaar vervoer van personen van 6 jaar of ouder in procenten naar geslacht, 2024
WaardeOndergrens 95%-intervalBovengrens 95%-intervalRelatieve marge (%)
Totaal7,27,07,52,9
Mannen6,56,36,84,5
Vrouwen7,97,68,33,9

Bijlage B. Aantal typen dagen per jaar

Het aantal reizigerskilometers per jaar zoals gepresenteerd in hoofdstuk 3 is onder andere ook afhankelijk van het aantal dagen van het jaar en bijvoorbeeld het aantal werkdagen in een jaar. Onderstaand overzicht geeft daarin enig inzicht.

B.1 Aantal typen dagen per jaar
201920202021202220232024
Alle dagen365366365365365366
Doordeweekse dagen261262261260260262
Weekenddagen104104104105105104
Weekenddagen plus feestdagen1)111113112112113112
Werkdagen2)254253253253252254
1)Feestdagen: nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, beide paasdagen, Koningsdag, Bevrijdingsdag, Hemelvaartsdag, beide pinksterdagen, beide kerstdagen en oudjaarsdag.
2)Werkdagen: doordeweekse dagen exclusief feestdagen

Bijlage C. Gewijzigde brieven

Voor ODiN 2024 is de aanschrijfbrief van ODiN enigszins ingekort om de leesbaarheid te vergroten en om de brief uitnodigender te maken om te lezen. De wijzigingen die er waarschijnlijk toe doen zijn te vinden in de inleidende alinea en in het deel waarin de respondent wordt uitgelegd hoe deze kan deelnemen aan het onderzoek. In deze bijlage zijn de gegeven voorbeelden overigens afkomstig uit de aanschrijfbrief voor de leeftijdscategorie 26 jaar of ouder. De wijzigingen in de aanschrijfbrieven voor de overige leeftijdsgroepen (6 t/m 11, 12 t/m 15 en 16 t/m 25) zijn hiermee in lijn.

Bij het vergelijken van de inleidende alinea van de aanschrijfbrief is te zien is dat de wat meer concrete voorbeelden van verkeersdeelname zijn vervangen door een algemenere schets daarvan:

Inleiding aanschrijfbrief ODiN 2023

We nemen allemaal deel aan het verkeer. Boodschappen doen met de fiets, wandelen met de hond, met de trein erop uit of met de auto naar het werk. Auto’s, fietsen en voetgangers delen de beschikbare ruimte. Wat betekent dit voor ons? Kunnen we onze kinderen nog veilig naar school brengen op de fiets? Hebben we meer asfalt nodig? Of juist niet? Om dit soort vragen te beantwoorden voeren het CBS en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat het onderzoek ‘Onderweg in Nederland’ uit.

Inleiding aanschrijfbrief ODiN 2024

Elke dag zijn veel mensen onderweg met de auto, de fiets, het openbaar vervoer en te voet. Hoe houden we steden en dorpen bereikbaar? En hoe houden we het verkeer veilig? Om deze vragen te beantwoorden, voeren het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat het onderzoek ‘Onderweg in Nederland’ uit.

In het deel van de brief waarin verzocht wordt om deel te nemen en waarin wordt aangegeven hoe men dat kan doen wordt een mogelijk belangrijke zin niet meer vermeld: “Misschien gaat u ’s avonds nog een rondje wandelen met de hond, of nog ergens op bezoek”. Iets anders dat opvalt is dat de (niet) te gebruiken devices met ingang van ODiN 2024 vet vermeld worden. Dit is gedaan om het aantal personen dat ondanks de waarschuwing toch probeert in te loggen te beperken. 

Deelnameverzoek aanschrijfbrief ODiN 2023

Hoe doet u mee?

1. Wij vragen u om van één dag in te vullen waar u bent geweest. Voor u is dat een <invuldag>. Vul de vragenlijst pas in als de <invuldag> helemaal is afgelopen. Misschien gaat u ’s avonds nog een rondje wandelen met de hond, of nog ergens op bezoek. Maar wacht niet te lang met invullen! Het zou fijn zijn als u de vragen over <invuldag> op <invuldag+1> zou kunnen invullen. Wat ging u die <invuldag>  doen en hoe kwam u daar? Bent u niet weggeweest op die <invuldag>? Ook dan hebben wij belangrijke vragen voor u.

2. Invullen kan op internet, met een pc of tablet (niet op een smartphone):

Website: <website>
Gebruikersnaam: <gebruikersnaam>
Wachtwoord: <wachtwoord>

Deelnameverzoek aanschrijfbrief ODiN 2024

Hoe doet u mee?

Wij vragen u om een vragenlijst in te vullen over één dag. Voor u is dat een <invuldag>. We willen graag weten of u weg ging op die dag. En welke vervoermiddelen gebruikte u? Ook als u thuis bleef, hebben we belangrijke vragen voor u.

Vul de vragenlijst liefst in op de <invuldag+1> direct erna. Of aan het eind van de <invuldag> als u zeker weet dat u niet meer naar buiten gaat.

U kunt de vragenlijst invullen via internet op een pc of tablet, niet op een smartphone. U vindt de vragenlijst op het volgende internetadres:

Website: <website>
Gebruikersnaam: <gebruikersnaam>
Wachtwoord: <wachtwoord>