Tijdlijn Internationale handel
Over deze publicatie
Dit artikel geeft een overzicht van de internationale handel vanaf 1917 aan de hand van verschillende economische statistieken. Acht hoofdstukken beschrijven de belangrijkste historische en meer recente ontwikkelingen in internationale handel en globalisering.
Inleiding
Als kleine, open economie staat Nederland steevast hoog op internationale ranglijsten zoals die van grootste exporterende landen of meeste buitenlandse investeringen. Ons land is van oudsher sterk internationaal georiënteerd en de economie drijft voor een belangrijk deel op handel met, en investeringen in het buitenland. Dit is historisch gegroeid; al in de middeleeuwen waren er Nederlandse steden aangesloten bij het Duitse Hanzeverbond. Met de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC) groeide Nederland uit tot een wereldmacht op zee en in de internationale goederenhandel. Dit ging gepaard met koloniale onderdrukking en slavernij.
Mede door deze internationale handel groeide de Nederlandse economie uit tot een van de meest welvarende ter wereld. Met een strategische ligging aan de Noordzee en uitstekende infrastructuur is Nederland een belangrijk logistiek knooppunt, met mainports als de haven van Rotterdam – grootste haven van Europa – en Schiphol als belangrijke hubs.
De economische groei van Nederland wordt voor een aanzienlijk deel gerealiseerd door de export. Recent ontwikkelde CBS-cijfers laten zien dat ongeveer een derde van het Nederlandse bbp tot stand komt dankzij de export van goederen en diensten. Dit betekent tevens dat Nederland sterk afhankelijk is van internationale handel en mondiale ontwikkelingen. Een crisis of schok in de wereldeconomie – denk aan de coronacrisis of de financiële crisis van 2009 – wordt door Nederland relatief snel en sterk gevoeld. Een internationale opleving ook.
Dit artikel geeft een overzicht van de internationale handel vanaf 1917 aan de hand van verschillende economische statistieken. Acht hoofdstukken beschrijven de belangrijkste historische en meer recente ontwikkelingen in internationale handel en globalisering.
Daarnaast bevatten sommige hoofdstukken extra kaders over hoe de statistieken vroeger werden gemaakt.
Verschillende bronnen
Het CBS heeft twee verschillende sets met cijfers over de internationale handel: de statistiek Internationale handel (de ‘bronstatistiek’) en de nationale rekeningen. De bronstatistiek heeft meer detail: hieruit blijkt bijvoorbeeld in wat voor soort producten is gehandeld en met welke landen. Wat de bronstatistieken niet geven zijn volumemutaties: dit zijn ontwikkelingen waarvoor gecorrigeerd is voor prijsveranderingen. De nationale rekeningen geven deze wel. Het meeste materiaal dat vertoond wordt in deze publicatie is afkomstig van de bronstatistieken. Daar waar volumemutaties worden vertoond zijn de cijfers afkomstig uit de nationale rekeningen. Deze cijfers zijn afkomstig van verschillende reeksen, waartussen trendbreuken bestaan, dit betekent dat ze gemaakt zijn op basis van verschillende definities. In praktijk betekent dit dat volumemutaties die over jaren vóór 1995 worden vertoond niet gemaakt zijn volgens de momenteel geldende definities. Het CBS gaat ervan uit dat deze desondanks een betrouwbaar beeld geven van de handel in voorbije periodes. Tot slot bestaat tussen de cijfers van de bronstatistieken en de nationale rekeningen vanaf 1995 een definitieverschil: de nationale rekeningen hanteren vanaf dat verslagjaar het zogenaamde eigendomscriterium bij goederen: wil er sprake zijn van internationale handel, dan moet een goed in handen zijn gekomen van een ingezetene van een ander land, bijvoorbeeld een bedrijf. Bij de bronstatistiek, en ook bij de eerdere cijfers van de nationale rekeningen, moet het goed zelf een grens zijn overgegaan.
1. Handelsbeperkingen en bloei
Aan het begin van de twintigste eeuw was Nederland een belangrijke handelsnatie met een sterke focus op scheepvaart en internationale goederenhandel. De Nederlandse handelsvloot was een van de grootste ter wereld, en Nederlandse koloniën zoals Nederlands-Indië (het huidige Indonesië) en Suriname speelden nog een belangrijke rol in de Nederlandse handelsactiviteiten. De Eerste Wereldoorlog tussen 1914 en 1918 had weliswaar een sterk verstorend effect op de internationale handel, maar Nederland bleef neutraal en kon een deel van zijn handelsactiviteiten handhaven.
Nederland handelde toentertijd voornamelijk in agrarische producten, zoals zuivelproducten, granen en bloembollen (CBS, 2018). De handel vond veelal plaats met Europese landen zoals Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en België en ook met de VS waren er nauwe handelsbetrekkingen. Ook de goedereninvoer uit de voormalig Nederlandse kolonie Nederlands-Indië (nu Indonesië) behoorde tot de grensoverschrijdende goederenhandel van Nederland, waarbij veelal grondstoffen zoals olie, rubber, koffie, thee en specerijen werden ingevoerd.

In de onderstaande figuur is de omvang van zowel de goederenimport als de -export ten opzichte van de omvang van de economie weergegeven voor de periode 1917 tot en met 1929. Het is duidelijk te zien dat de Nederlandse handel in de laatste oorlogsjaren 1917 en 1918 erg belemmerd werd door bijvoorbeeld blokkades en sabotage op zee tussen Duitsland en het Verenigd Koninkrijk (CBS, 2018).
| Jaar | Invoerwaarde (% van het bbp) | Uitvoerwaarde (% van het bbp) |
|---|---|---|
| 1917 | 26 | 22 |
| 1918 | 15 | 9 |
| 1919 | 59 | 30 |
| 1920 | 53 | 27 |
| 1921 | 39 | 24 |
| 1922 | 37 | 22 |
| 1923 | 38 | 25 |
| 1924 | 42 | 30 |
| 1925 | 43 | 32 |
| 1926 | 42 | 30 |
| 1927 | 42 | 31 |
| 1928 | 43 | 32 |
| 1929 | 43 | 31 |
Economische groei in de jaren 1920
Na de Eerste Wereldoorlog begon Nederland te herstellen van de economische schade. De handel bloeide weer op, vooral met andere Europese landen, de VS, en de toenmalige koloniën Nederlands-Indië en Suriname. In de periode 1922 tot en met 1929 groeiden de economie en de internationale handel sterk (CBS, 2018).
| Jaar | Bbp (% volumeverandering) | Invoer (% volumeverandering) | Uitvoer (% volumeverandering) |
|---|---|---|---|
| 1922 | 6,5 | 10,1 | 13,8 |
| 1923 | 2,2 | -1,6 | 5,9 |
| 1924 | 7 | 9,9 | 14,5 |
| 1925 | 3,2 | 3,9 | 5,3 |
| 1926 | 6,7 | 6,3 | 5,1 |
| 1927 | 4,6 | 4,8 | 8,9 |
| 1928 | 4,2 | 4,3 | 3,5 |
| 1929 | 1,8 | 4,9 | 0,4 |
| 1)De cijfers over de internationale handel in deze grafiek zijn gemaakt volgens het eigendomscriterium. | |||
Voedingsmiddelen grootste exportproduct
Naast agrarische producten begon Nederland in de jaren twintig ook meer industriële goederen te verhandelen, zoals staal, textiel en chemische producten. In 1930 bestond ruim 40 procent van de Nederlandse goederenexport uit – deels eerder ingevoerde - voedingsmiddelen, dranken en tabak. Aan de importkant zijn industriële producten in deze periode de belangrijkste goederengroep. Rotterdam ontpopte zich tot een belangrijke havenstad, waarbij Nederlandse scheepvaartbedrijven nog steeds een leidende rol speelden in de wereldhandel.
| Jaar | Voeding en dranken en tabak (%) | Grondstoffen, oliën en vetten (%) | Minerale brandstoffen (%) | Chemische producten (%) | Fabricaten (%) | Machines (%) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Uitvoer | 1920 | 41,2 | 18,3 | 1,3 | 5,8 | 28,4 | 4,9 |
| Uitvoer | 1925 | 49,3 | 15,0 | 3,9 | 5,6 | 21,4 | 4,8 |
| Uitvoer | 1930 | 40,2 | 14,9 | 6,4 | 5,2 | 23,0 | 10,5 |
| Invoer | 1920 | 19,2 | 22,8 | 10,0 | 4,7 | 34,7 | 8,5 |
| Invoer | 1925 | 29,2 | 25,1 | 7,0 | 4,8 | 28,0 | 5,9 |
| Invoer | 1930 | 21,4 | 22,7 | 8,1 | 4,9 | 32,8 | 10,2 |
2. 1932 - Depressie, opleving en oorlog
Het sterke economische herstel na de Eerste Wereldoorlog werd abrupt onderbroken door de beurskrach op Wall Street in 1929. Deze leidde wereldwijd tot een zware economische depressie, met sterk afgenomen koopkracht en recordwerkloosheid. Dit is ook duidelijk te zien in de figuur: vanaf het begin jaren dertig daalde het volume van de handel en de totale economie sterk. De export kende de grootste volumedaling in 1932, namelijk 17 procent ten opzichte van een jaar eerder. Het importvolume lag 14 procent lager dan een jaar eerder. Protectionistische maatregelen die veel landen zoals de VS namen, versterkten de malaise.
| Jaar | Bbp (% volumeverandering) | Invoer (% volumeverandering) | Uitvoer (% volumeverandering) |
|---|---|---|---|
| 1929 | 1,8 | 4,9 | 0,4 |
| 1930 | -1,3 | -4,8 | -8,0 |
| 1931 | -3,6 | -4,9 | -7,8 |
| 1932 | -1,1 | -13,9 | -16,6 |
| 1933 | 0,4 | 5,5 | -3,6 |
| 1934 | -1,0 | -4,1 | 5,2 |
| 1935 | 2,7 | -3,3 | 4,6 |
| 1936 | 5,5 | 2,0 | 3,4 |
| 1937 | 5,7 | 8,2 | 19,1 |
| 1938 | -3,0 | -0,9 | -5,1 |
| 1939 | 8,3 | 4,9 | -3,3 |
Ondanks de sterke fluctuaties in de handel veranderde er in deze periode relatief weinig in de verhoudingen tussen de continenten. Ongeveer twee derde van de Nederlandse import kwam uit Europa, gevolgd door bijna 20 procent uit Amerika. Van de export ging ongeveer driekwart naar Europa. Duitsland was destijds al een belangrijke handelspartner, zelfs nog belangrijker dan nu.
| Jaar | Invoerwaarde (% van het bbp) | Uitvoerwaarde (% van het bbp) |
|---|---|---|
| 1929 | 43 | 31 |
| 1930 | 39 | 28 |
| 1931 | 33 | 23 |
| 1932 | 25 | 16 |
| 1933 | 25 | 15 |
| 1934 | 22 | 15 |
| 1935 | 20 | 15 |
| 1936 | 22 | 16 |
| 1937 | 30 | 22 |
| 1938 | 27 | 20 |
| 1939 | 26 | 17 |
Beperkte internationale handel in bezettingstijd
De Tweede Wereldoorlog trok een zware wissel op de Nederlandse economie en samenleving. Veel bedrijven in Nederland werden gedwongen om hun activiteiten te staken of werden overgenomen door Duitse bedrijven. Ook de internationale handelsactiviteiten werden ernstig belemmerd door de bezetting, waardoor deze drastisch afnam. De Nederlandse economie werd ernstig verstoord en de handel met de koloniën werd vrijwel volledig stopgezet.
De handelsstatistieken over de oorlogsjaren zijn verre van compleet. Voor de jaren 1940-1945 ontbreken bbp-gegevens, en voor 1944 en 1945 zijn er ook geen handelsdata. Naar schatting 70 tot 80 procent van het grensoverschrijdende goederenverkeer vond plaats met de bezetter, dus van vrije goederenhandel was geen sprake. Ook België – tevens bezet door Duitsland – was een belangrijke handelspartner voor Nederland. De Duitse oorlogsindustrie vergde veel grondstoffen, materialen en arbeidskrachten, en Duitsland haalde of confisqueerde deze rechtstreeks uit bezet gebied.
| Jaar | Voeding en dranken en tabak (%) | Grondstoffen, oliën en vetten (%) | Minerale brandstoffen (%) | Chemische producten (%) | Fabricaten (%) | Machines (%) | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Uitvoer | 1939 | 33,0 | 14,0 | 6,3 | 7,0 | 26,7 | 12,9 |
| Uitvoer | 1940 | 43,7 | 16,3 | 5,4 | 5,8 | 19,3 | 9,5 |
| Uitvoer | 1941 | 40,3 | 11,1 | 5,6 | 2,8 | 28,8 | 11,5 |
| Uitvoer | 1942 | 24,6 | 14,6 | 3,6 | 5,0 | 36,4 | 15,7 |
| Uitvoer | 1943 | 25,4 | 15,5 | 3,4 | 5,2 | 39,2 | 11,3 |
| Invoer | 1939 | 16,0 | 22,3 | 7,6 | 6,2 | 35,6 | 12,3 |
| Invoer | 1940 | 17,0 | 17,7 | 6,9 | 6,3 | 40,3 | 11,9 |
| Invoer | 1941 | 5,9 | 13,9 | 5,3 | 10,1 | 48,5 | 16,0 |
| Invoer | 1942 | 7,3 | 16,0 | 6,8 | 13,2 | 42,0 | 14,2 |
| Invoer | 1943 | 9,9 | 17,8 | 7,9 | 14,1 | 38,7 | 12,0 |
3. 1945 - Van wederopbouw naar de gouden jaren
Na de oorlog waren grote delen van de Nederlandse infrastructuur zoals (spoor)bruggen en (spoor)wegen door het oorlogsgeweld vernietigd. Ook fabrieken, huizen en steden waren vernietigd of (zwaar) beschadigd. Met het Marshallplan, officieel bekend als het European Recovery Program (ERP), bood Amerika hulp bij het herstellen van de verwoeste Europese economieën. Het plan bood financiële steun, voedsel, grondstoffen en technische assistentie, met als doel niet alleen West-Europa economisch weer op te bouwen maar ook de opkomst van communistische invloeden in het onstabiele Europa tegen te gaan. De steun die Nederland ontving was vooral gericht op het herstellen van de infrastructuur, de industrie en de landbouw. Ook de internationale handel begon weer op te bloeien, waarbij Nederlandse bedrijven hun positie als wereldwijde handelspartners herstelden.

In 1946 was het aandeel van de import al bijna op het niveau van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Nederland had na de oorlog een handelstekort, omdat de export door de zwaar gehavende industrie in eerste instantie logischerwijze achterbleef. In 1947 bedroeg het handelstekort zelfs 18 procent van het bbp. Aan het begin van de jaren vijftig groeide de export veel harder dan de import, waardoor het handelstekort fors daalde naar iets minder dan 2 procent van het bbp in 1952. Nederland richtte zich op het herstellen van zijn handelsbetrekkingen met Europese landen en de Verenigde Staten, wat tevens een van de afspraken van het Marshallplan was.
| Jaar | Invoer (% van het bbp) | Uitvoer (% van het bbp) |
|---|---|---|
| 1946 | 25,7 | 12,8 |
| 1947 | 36,8 | 22,6 |
| 1948 | 39,9 | 29,0 |
| 1949 | 37,9 | 33,9 |
| 1950 | 49,1 | 41,7 |
| 1951 | 51,1 | 48,6 |
| 1952 | 44,7 | 50,9 |
| 1953 | 44,9 | 48,8 |
| 1954 | 48,4 | 47,7 |
| 1955 | 47,5 | 48,3 |
| 1956 | 51,4 | 48,2 |
| 1957 | 51,2 | 48,8 |
| 1958 | 45,8 | 48,7 |
| 1959 | 46,8 | 49,9 |
| 1960 | 48,6 | 50,5 |
| 1961 | 48,1 | 48,2 |
| 1962 | 47,1 | 47,5 |
| 1963 | 48,3 | 47,6 |
| 1964 | 48,3 | 46,1 |
| 1965 | 46,1 | 45,4 |
| 1966 | 45,7 | 44,2 |
| 1967 | 43,9 | 42,9 |
| 1968 | 43,5 | 43,4 |
| 1969 | 42,3 | 42,6 |
| 1970 | 45,9 | 44,8 |
| 1971 | 44,5 | 45,0 |
| 1972 | 41,7 | 45,0 |
| 1973 | 43,8 | 47,1 |
| Jaar | Bbp (% volumeverandering) | Invoer (% volumeverandering) | Uitvoer (% volumeverandering) |
|---|---|---|---|
| 1949 | 7,2 | 7,8 | 32,6 |
| 1950 | 4,2 | 32,1 | 40 |
| 1951 | 2,4 | -5,3 | 10,6 |
| 1952 | 1,7 | -7,8 | 10,2 |
| 1953 | 8,4 | 19,1 | 13,1 |
| 1954 | 6,9 | 23,7 | 11,3 |
| 1955 | 7,1 | 8 | 9,4 |
| 1956 | 4,5 | 13,6 | 4,2 |
| 1957 | 3 | 3,3 | 7,3 |
| 1958 | -1 | -4,5 | 6,1 |
| 1959 | 4,7 | 12,6 | 10 |
| 1960 | 9 | 16,6 | 14 |
| 1961 | 2,9 | 6,3 | 2,1 |
| 1962 | 4,3 | 6,7 | 6,5 |
| 1963 | 3,3 | 9,5 | 5,6 |
| 1964 | 8,6 | 14,8 | 11,2 |
| 1965 | 5,3 | 6,1 | 7,6 |
| 1966 | 2,8 | 7 | 5,3 |
| 1967 | 5,3 | 6,3 | 6,7 |
| 1968 | 6,7 | 12,9 | 12,9 |
| 1969 | 6,8 | 14 | 15 |
| 1970 | 6,1 | 13,1 | 11,6 |
| 1971 | 4,3 | 3,7 | 9,4 |
| 1972 | 3,5 | 2,6 | 9 |
| 1973 | 5,4 | 10 | 10,8 |
| 1)De cijfers over de internationale handel in deze grafiek zijn gemaakt volgens het eigendomscriterium. | |||
Veel grondstoffenimport voor wederopbouw
Vanaf de jaren 50 tot aan het begin van de jaren zeventig is de economische groei in geïndustrialiseerde, Westerse landen - zoals Nederland - hoog geweest. De Nederlandse economie groeide in deze periode – de ‘Gouden Jaren’ (Van Bergen 2014) – met ongeveer 5 procent per jaar en de werkloosheid was zeer laag. Nederland profiteerde van de opkomst van nieuwe technologieën en een toenemende vraag naar industriële producten en machines vanuit Europa en de rest van de wereld. Tegelijkertijd bleven de prijzen van geïmporteerde grondstoffen relatief stabiel. De Nederlandse industrie bloeide, dankzij met name de chemische industrie, de scheepsbouw en de elektronica. Deze sectoren kenden een hoge vraag vanuit het buitenland, wat bijdroeg aan de verbetering van de ruilvoet. Daarnaast zorgde de ontdekking van grote aardgasvelden in Groningen in 1959 voor een significante bron van exportinkomsten, wat ook bijdroeg aan de verbetering van de ruilvoet.
Nederland importeerde in deze wederopbouwperiode vooral grondstoffen, industriële producten en fabricaten, zoals textiel, ijzer(ertsen), papier, machines en metaal. Een belangrijke groeicategorie betreft de minerale brandstoffen zoals steenkool. Het aandeel daarvan nam toe van 8 procent naar ruim 14 procent tussen 1946 en 1955. Bij de export waren voeding, dranken en tabak wederom de belangrijkste goederengroep, met een aandeel van 31 tot 39 procent gedurende de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog. Voeding blijft ook in de decennia daarna een belangrijke exportcategorie voor Nederland, al neemt het relatieve belang dan af. In de jaren vijftig ontwikkelde de handel in chemische en elektrotechnische producten zich sterk, alsook die in machines en metaal.
| Jaar | Voeding en dranken en tabak (%) | Grondstoffen, oliën en vetten (%) | Minerale brandstoffen (%) | Chemische producten (%) | Fabricaten (%) | Machines (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1946 | 17,3 | 17,5 | 8,1 | 6,7 | 36,8 | 13,6 |
| 1947 | 16,2 | 22,2 | 7,6 | 5,8 | 30,6 | 17,6 |
| 1948 | 19,1 | 23,0 | 7,5 | 5,2 | 30,7 | 14,4 |
| 1949 | 16,0 | 23,8 | 8,7 | 5,0 | 31,0 | 15,6 |
| 1950 | 17,4 | 23,7 | 9,9 | 4,4 | 31,5 | 13,1 |
| 1951 | 16,7 | 25,0 | 11,5 | 4,6 | 30,8 | 11,4 |
| 1952 | 16,5 | 21,8 | 15,5 | 3,9 | 28,6 | 13,6 |
| 1953 | 16,5 | 21,7 | 12,7 | 4,5 | 29,7 | 14,9 |
| 1954 | 16,8 | 21,0 | 13,3 | 4,8 | 28,5 | 15,6 |
| 1955 | 15,1 | 18,9 | 14,2 | 4,8 | 30,0 | 17,0 |
| 1956 | 14,7 | 17,3 | 15,0 | 4,6 | 30,0 | 18,4 |
| 1957 | 14,1 | 16,5 | 16,9 | 4,9 | 29,1 | 18,6 |
| 1958 | 15,4 | 15,1 | 17,0 | 5,5 | 28,0 | 18,9 |
| 1959 | 15,5 | 15,6 | 13,6 | 6,2 | 30,1 | 19,0 |
| 1960 | 13,9 | 15,0 | 13,1 | 6,6 | 30,1 | 21,3 |
| 1961 | 13,1 | 13,1 | 12,9 | 6,0 | 30,5 | 24,5 |
| 1962 | 13,3 | 11,8 | 12,9 | 6,0 | 29,7 | 26,3 |
| 1963 | 13,8 | 11,5 | 12,2 | 6,1 | 30,7 | 25,7 |
| 1964 | 13,5 | 12,7 | 11,0 | 6,3 | 32,3 | 24,2 |
| 1965 | 12,5 | 12,4 | 10,2 | 6,8 | 33,1 | 25,0 |
| 1966 | 12,8 | 11,7 | 9,6 | 7,4 | 34,4 | 24,2 |
| 1967 | 13,7 | 11,1 | 10,4 | 7,9 | 33,4 | 23,6 |
| 1968 | 13,4 | 10,8 | 10,1 | 8,1 | 33,8 | 23,7 |
| 1969 | 13,5 | 10,3 | 9,7 | 8,3 | 36,0 | 22,3 |
| 1970 | 12,6 | 9,6 | 10,9 | 7,8 | 35,4 | 23,8 |
| 1971 | 12,2 | 8,9 | 13,0 | 7,6 | 34,4 | 23,9 |
| 1972 | 13,0 | 8,8 | 13,3 | 7,9 | 34,9 | 22,1 |
| 1973 | 14,1 | 9,1 | 13,2 | 8,1 | 33,7 | 21,8 |
Eerste stappen naar Europese integratie
Met het einde van de Tweede Wereldoorlog kwam er ook een einde aan de sterk protectionistische en nationalistische maatregelen in het westen. De oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) in 1951 en later de Europese Economische Gemeenschap (EEG) in 1957, waren initiatieven bedoeld om tot meer samenwerking en integratie tussen Europese landen te komen. Dit bevorderde de internationale handel tussen Nederland en andere lidstaten, vooral West-Duitsland, Frankrijk en België. In 1958 werden daarnaast ook de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie opgericht. In 1967 werden deze drie organisaties met het Verdrag van Brussel en het Fusieverdrag samengevoegd tot de Europese Gemeenschap (EG).
Nederland exporteerde veel naar Duitsland, Frankrijk en België, voornamelijk machines, chemische producten, voedingsmiddelen en bloemen. Ook de handel met de voormalige koloniën bleef belangrijk, met name olie uit Indonesië. De Nederlandse ruilvoet verbeterde gedurende deze jaren dankzij de groeiende industriële productie en export. De ruilvoet is een economische maatstaf die de verhouding weergeeft tussen de prijs van geëxporteerde goederen en de prijs van geïmporteerde goederen van een land. Een verbetering van de ruilvoet betekent dat een land meer goederen kan importeren voor dezelfde hoeveelheid geëxporteerde goederen, terwijl een verslechtering betekent dat een land minder kan importeren voor dezelfde hoeveelheid export.
| Jaar | Voeding en dranken en tabak (%) | Grondstoffen, oliën en vetten (%) | Minerale brandstoffen (%) | Chemische producten (%) | Fabricaten (%) | Machines (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1946 | 33,2 | 18,6 | 3,2 | 6,5 | 26,8 | 11,6 |
| 1947 | 32,8 | 12,6 | 2,3 | 8,4 | 26,3 | 17,5 |
| 1948 | 35,4 | 10,5 | 3,7 | 9,2 | 29,7 | 11,5 |
| 1949 | 39,3 | 9,8 | 4,3 | 7,7 | 26,8 | 12,1 |
| 1950 | 38,2 | 9,8 | 6,9 | 7,6 | 25,9 | 11,5 |
| 1951 | 33,6 | 10,2 | 7,8 | 8,2 | 28,6 | 11,6 |
| 1952 | 34,0 | 8,6 | 9,7 | 7,5 | 28,9 | 11,4 |
| 1953 | 33,2 | 8,5 | 8,8 | 7,0 | 28,5 | 14,0 |
| 1954 | 32,0 | 8,4 | 10,7 | 7,1 | 27,0 | 14,7 |
| 1955 | 31,2 | 8,3 | 11,3 | 7,2 | 27,5 | 14,5 |
| 1956 | 30,2 | 9,1 | 12,2 | 7,6 | 26,8 | 14,1 |
| 1957 | 28,1 | 8,4 | 14,3 | 8,5 | 26,2 | 14,6 |
| 1958 | 27,8 | 7,6 | 13,1 | 8,5 | 26,6 | 16,4 |
| 1959 | 28,4 | 7,8 | 10,7 | 8,8 | 26,8 | 17,5 |
| 1960 | 26,7 | 8,2 | 11,7 | 8,4 | 26,5 | 18,5 |
| 1961 | 25,2 | 8,6 | 11,9 | 8,8 | 26,0 | 19,5 |
| 1962 | 25,4 | 8,5 | 11,8 | 8,9 | 25,0 | 20,4 |
| 1963 | 25,5 | 8,6 | 10,2 | 9,0 | 25,9 | 20,7 |
| 1964 | 23,9 | 8,8 | 9,1 | 9,2 | 26,3 | 22,8 |
| 1965 | 24,5 | 8,7 | 8,7 | 10,2 | 27,0 | 20,9 |
| 1966 | 23,3 | 9,1 | 7,3 | 11,3 | 27,7 | 21,4 |
| 1967 | 23,7 | 8,9 | 7,9 | 12,2 | 27,2 | 20,1 |
| 1968 | 24,0 | 8,5 | 8,0 | 13,3 | 26,5 | 19,7 |
| 1969 | 23,1 | 8,2 | 8,3 | 13,0 | 28,5 | 19,1 |
| 1970 | 23,3 | 7,7 | 10,7 | 12,9 | 27,2 | 18,3 |
| 1971 | 21,9 | 6,9 | 11,9 | 12,7 | 28,3 | 18,3 |
| 1972 | 21,5 | 7,0 | 12,4 | 13,4 | 27,2 | 18,5 |
| 1973 | 21,9 | 7,1 | 13,0 | 14,3 | 26,2 | 17,5 |
4. 1973 Oliecrises en stagflatie
De jaren zeventig werden gekenmerkt door de oliecrises van 1973 en 1979, die leidden tot sterke stijgingen in de prijzen van geïmporteerde olie en energie. Nederland was sterk afhankelijk van olie-importen, en de stijgende olieprijzen leidden tot hogere productiekosten voor Nederlandse bedrijven. Tel daarbij op dat de gasprijs gekoppeld was aan de olieprijs en daarmee de gasopbrengsten fors meestegen. Door de plotselinge, hoge inkomsten uit aardgasexporten steeg de waarde van de Nederlandse gulden, wat leidde tot een algehele verminderde concurrentiepositie van andere exportsectoren. Deze gebeurtenis werd later de “Hollandse ziekte” genoemd; het appreciëren van een munteenheid door de ontdekking van grondstoffen, hetgeen uiteindelijk negatief uitpakt voor een land
Nederland kende in de jaren zeventig, net als veel andere Westerse landen, een aanzienlijke achteruitgang van zijn traditionele industrieën zoals de scheepsbouw, de textiel en de zware industrie. Mede door de opkomende concurrentie van Japan en een aantal lagelonenlanden, en een structurele verzwakking van de internationale concurrentiepositie, verloren veel Nederlandse bedrijven wereldwijd marktaandeel. De overheid probeerde dit proces te verzachten met subsidies en steunpakketten, maar kon de neergang niet voorkomen.
| Jaar | OPEC-prijzen 1) (dollar per vat) | WTI-prijzen 2) (dollar per vat) |
|---|---|---|
| 1972 | 2,29 | 3,39 |
| 1973 | 3,05 | 3,89 |
| 1974 | 10,73 | 6,87 |
| 1975 | 10,73 | 7,67 |
| 1976 | 11,51 | 8,19 |
| 1977 | 12,39 | 8,57 |
| 1978 | 12,70 | 9 |
| 1979 | 17,25 | 12,64 |
| 1980 | 28,64 | 21,59 |
| 1981 | 32,51 | 31,77 |
| 1982 | 32,38 | 28,52 |
| 1983 | 29,04 | 26,19 |
| 1984 | 28,20 | 25,88 |
| 1985 | 27,01 | 24,09 |
| 1986 | 13,53 | 12,51 |
| 1987 | 17,73 | 15,4 |
| 1988 | 14,24 | 12,58 |
| 1989 | 17,31 | 15,86 |
| 1990 | 22,26 | 20,03 |
| 1991 | 18,62 | 16,54 |
| 1) OPEC staat voor Organization of the Petroleum Exporting Countries 2) WTI staat voor West Texas Intermediate | ||
Onrust laat olieprijzen stijgen
Ruwe aardolie behoort – net als aardgas – tot de productgroep minerale brandstoffen en smeermiddelen. In 1973, vlak voordat het OPEC-embargo ingesteld werd, bedroeg de invoerwaarde van deze goederen 4 miljard euro. Een jaar later was dat 7,2 miljard euro; een stijging van 44 procent. De tweede oliecrisis, aangevoerd door de onrust in met name het huidige Iran, zorgde echter voor een grotere impact voor de Nederlandse markt. Zo werd er in 1981 voor 19,6 miljard euro aan de eerdergenoemde goederen geïmporteerd. Dat was 139 procent meer dan in 1979, toen de invoerwaarde 12,3 miljard euro bedroeg. De waarde van minerale brandstoffen liep op tot meer dan een kwart van het totale invoerpakket in 1981. Eind jaren tachtig daalde dit aandeel weer tot ongeveer 10 procent.
| Jaar | Voeding en dranken en tabak (%) | Grondstoffen, oliën en vetten (%) | Minerale brandstoffen (%) | Chemische producten (%) | Fabricaten (%) | Machines (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1973 | 14,1 | 9,1 | 13,2 | 8,1 | 33,7 | 21,8 |
| 1974 | 12,4 | 9,2 | 18,0 | 9,1 | 32,2 | 19,0 |
| 1975 | 13,8 | 7,7 | 17,6 | 7,8 | 31,5 | 21,5 |
| 1976 | 13,4 | 7,7 | 19,4 | 8,4 | 31,4 | 19,7 |
| 1977 | 13,7 | 7,9 | 18,4 | 8,0 | 30,9 | 21,2 |
| 1978 | 13,6 | 7,4 | 15,8 | 7,9 | 32,0 | 23,4 |
| 1979 | 12,8 | 7,4 | 20,2 | 8,6 | 29,2 | 21,9 |
| 1980 | 12,6 | 7,1 | 23,8 | 8,3 | 28,7 | 19,4 |
| 1981 | 12,9 | 7,1 | 26,3 | 8,7 | 26,6 | 18,4 |
| 1982 | 13,2 | 6,8 | 25,8 | 8,7 | 26,2 | 19,2 |
| 1983 | 12,9 | 6,8 | 25,4 | 8,9 | 25,1 | 20,8 |
| 1984 | 12,4 | 7,7 | 23,7 | 9,4 | 25,3 | 21,4 |
| 1985 | 12,2 | 7,0 | 22,2 | 10,0 | 25,7 | 22,9 |
| 1986 | 13,0 | 6,1 | 11,8 | 10,5 | 30,6 | 28,0 |
| 1987 | 13,0 | 5,9 | 11,3 | 10,6 | 30,5 | 28,7 |
| 1988 | 13,4 | 6,4 | 9,4 | 10,9 | 31,4 | 28,6 |
| 1989 | 11,5 | 6,4 | 10,3 | 11,1 | 30,5 | 30,2 |
Lage economische groei en loonmatiging
In de jaren zeventig en begin jaren tachtig bevond Nederland zich na een lange periode van hoogconjunctuur in een mindere economische situatie; de economische groei liep sterk terug, de werkloosheid liep op, evenals het overheidstekort en de overheidsuitgaven. Om deze situatie tegen te gaan, ging Nederland een beleid van loonmatiging voeren. Dit kreeg in 1982 vorm met het Akkoord van Wassenaar, tussen sociale partners. De loonmatiging heeft een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de exportgroei van Nederland. Door de lonen te matigen versterkte de Nederlandse concurrentiepositie op de internationale markt en nam de ruimte voor bedrijfsinvesteringen toe. Ook de flexibilisering en andere hervormingen op de arbeidsmarkt bevorderden ondernemerschap.
| Bbp (% volumeverandering) | Invoer goederen (% volumeverandering) | Uitvoer goederen (% volumeverandering) | |
|---|---|---|---|
| 1973 | 5,4 | 10,7 | 12,4 |
| 1974 | 3,4 | -1,5 | 3,2 |
| 1975 | 0,0 | -4,3 | -5,3 |
| 1976 | 4,5 | 9,3 | 9,8 |
| 1977 | 2,5 | 2,1 | -1,0 |
| 1978 | 2,7 | 2,7 | 2,0 |
| 1979 | 2,0 | 6,5 | 10,3 |
| 1980 | 1,3 | 1,9 | 1,1 |
| 1981 | -0,8 | -2,5 | 2,3 |
| 1982 | -1,2 | -0,9 | -0,6 |
| 1983 | 2,1 | 4,2 | 3,2 |
| 1984 | 3,1 | 5,2 | 7,8 |
| 1985 | 2,6 | 5,3 | 4,9 |
| 1986 | 2,8 | 4,4 | 2,7 |
| 1987 | 1,9 | 4,0 | 3,6 |
| 1988 | 3,4 | 6,5 | 9,1 |
| 1989 | 4,4 | 8,4 | 7,6 |
| 1) De cijfers over de internationale handel in deze grafiek zijn gemaakt volgens het eigendomscriterium. | |||
Ruilvoet verbetert medio jaren ‘80
In de jaren tachtig verbeterde de ruilvoet weer langzaam, mede dankzij de economische hervormingen en een herstel van de wereldeconomie. De Nederlandse economie werd steeds meer open en exportgericht, met sterke sectoren zoals de chemie, de elektronica en de landbouw. De dalende olieprijzen aan het einde van de jaren tachtig droegen bij aan een gunstigere ruilvoet. De economische hervormingen in deze periode, waaronder deregulering en liberalisering van markten, verhoogden de efficiëntie en productiviteit van de Nederlandse economie. Dit leidde tot lagere kosten en hogere kwaliteit van exportproducten, wat de internationale vraag en de ruilvoet ten goede kwam.
| Jaar | Ruilvoet (1990=100) |
|---|---|
| 1973 | 104 |
| 1974 | 99 |
| 1975 | 99 |
| 1976 | 99 |
| 1977 | 99 |
| 1978 | 100 |
| 1979 | 97 |
| 1980 | 96 |
| 1981 | 96 |
| 1982 | 99 |
| 1983 | 97 |
| 1984 | 99 |
| 1985 | 100 |
| 1986 | 102 |
| 1987 | 99 |
| 1988 | 100 |
| 1989 | 99 |
| Jaar | Voeding en dranken en tabak (%) | Grondstoffen, oliën en vetten (%) | Minerale brandstoffen (%) | Chemische producten (%) | Fabricaten (%) | Machines (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1973 | 21,9 | 7,1 | 13,0 | 14,3 | 26,2 | 17,5 |
| 1974 | 18,5 | 7,2 | 15,9 | 17,4 | 25,3 | 15,6 |
| 1975 | 21,2 | 6,0 | 17,6 | 14,5 | 23,3 | 17,4 |
| 1976 | 20,0 | 5,8 | 17,7 | 14,9 | 23,3 | 18,3 |
| 1977 | 20,6 | 6,2 | 18,2 | 14,5 | 23,2 | 17,4 |
| 1978 | 21,1 | 6,4 | 16,2 | 14,8 | 23,1 | 18,5 |
| 1979 | 19,5 | 6,5 | 19,0 | 16,3 | 21,5 | 17,3 |
| 1980 | 18,7 | 6,1 | 22,2 | 15,3 | 20,9 | 16,8 |
| 1981 | 19,9 | 5,6 | 24,0 | 15,2 | 19,5 | 15,8 |
| 1982 | 20,0 | 5,5 | 23,9 | 15,0 | 19,4 | 16,1 |
| 1983 | 19,2 | 5,8 | 23,9 | 16,1 | 18,8 | 16,2 |
| 1984 | 18,7 | 6,5 | 23,0 | 16,7 | 18,9 | 16,3 |
| 1985 | 18,0 | 6,3 | 23,1 | 16,6 | 19,4 | 16,7 |
| 1986 | 19,7 | 6,2 | 15,2 | 17,1 | 22,0 | 19,8 |
| 1987 | 20,5 | 6,5 | 11,1 | 18,0 | 22,9 | 21,0 |
| 1988 | 20,0 | 6,9 | 8,5 | 18,9 | 23,8 | 21,9 |
| 1989 | 19,7 | 6,8 | 9,0 | 18,0 | 23,8 | 22,6 |
5. 1989 Globalisering en Europese integratie na de val van de Muur
Op geopolitiek vlak vonden eind jaren tachtig en begin jaren negentig grote veranderingen plaats. De belangrijkste was de val van de Berlijnse Muur in 1989 en de ontwikkelingen in het verlengde hiervan. Oost- en West-Europa waren hierna weer verbonden, wat uiteraard ook grote consequenties had voor de handel. Ook werd de interne Europese markt steeds verder ontwikkeld. Eerdere ontwikkelingen in de internationale transportsector faciliteerden een de groei van de wereldhandel.
In 1966 werd in de Rotterdamse haven de eerste container gelost (Port of Rotterdam). Ontwikkeling van het containervervoer, vergaande liberalisering van handels- en kapitaalstromen en relatief goedkope brandstof maakten het veel lucratiever om over grote afstanden te handelen. De Rotterdamse haven zat midden in deze ontwikkeling en groeide uit tot een van de grootste ter wereld, waardoor Nederland een belangrijk internationaal logistiek knooppunt werd.
Door de ICT-revolutie begin jaren negentig werd het tevens mogelijk – gecoördineerd – specifieke onderdelen van productieprocessen of complexe taken af te splitsen en naar andere werelddelen te verplaatsen (outsourcing/offshoring). Nederland profiteerde in de tweede helft van de jaren negentig sterk van de toenemende globalisering. Nederland breidde zijn handelsbetrekkingen uit naar nieuwe opkomende markten in Azië, zoals China en India. De Nederlandse handel omvatte een breed scala aan goederen, waaronder elektronica, chemische producten, landbouwproducten en diensten zoals financiën en verzekeringen.
| Jaar | Voeding en dranken en tabak (%) | Grondstoffen, oliën en vetten (%) | Minerale brandstoffen (%) | Chemische producten (%) | Fabricaten (%) | Machines (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1989 | 19,7 | 6,8 | 9,0 | 18,0 | 23,8 | 22,6 |
| 1990 | 19,4 | 6,3 | 9,7 | 17,0 | 24,0 | 23,6 |
| 1991 | 19,6 | 6,4 | 9,9 | 16,1 | 24,3 | 23,6 |
| 1992 | 20,5 | 6,5 | 8,6 | 15,8 | 24,7 | 24,0 |
| 1993 | 20,7 | 6,4 | 8,9 | 15,9 | 23,3 | 24,9 |
| 1994 | 19,8 | 6,8 | 7,5 | 17,5 | 23,2 | 25,3 |
| 1995 | 18,7 | 6,2 | 7,0 | 18,2 | 22,9 | 26,9 |
| 1996 | 18,1 | 6,3 | 7,5 | 16,5 | 23,0 | 28,7 |
| 1997 | 16,7 | 6,2 | 7,2 | 16,3 | 23,3 | 30,3 |
| 1998 | 16,2 | 6,2 | 5,6 | 15,7 | 23,3 | 33,0 |
| 1999 | 15,9 | 6,1 | 5,9 | 15,3 | 22,9 | 33,9 |
| 2000 | 14,3 | 5,7 | 8,6 | 15,6 | 21,6 | 34,3 |
| 2001 | 14,4 | 5,4 | 9,2 | 15,3 | 21,2 | 34,5 |
| 2002 | 15,3 | 5,9 | 8,2 | 16,5 | 21,5 | 32,7 |
| 2003 | 15,1 | 6,0 | 8,3 | 16,6 | 21,3 | 32,8 |
| 2004 | 14,3 | 6,2 | 8,7 | 17,0 | 20,8 | 32,9 |
| 2005 | 13,5 | 6,1 | 11,0 | 16,9 | 20,2 | 32,3 |
| 2006 | 12,7 | 6,2 | 13,0 | 16,6 | 20,7 | 30,7 |
| 2007 | 12,8 | 6,1 | 12,1 | 17,1 | 19,2 | 32,6 |
| 2008 | 13,0 | 6,0 | 15,3 | 17,8 | 18,9 | 29,0 |
Europese Unie, Economische en Monetaire Unie en de euro
De val van de Muur vormde ook een impuls voor de verdere integratie van Europa. In 1992 werd het Verdrag van Maastricht ondertekend, waardoor de eerdere Europese Gemeenschappen uitgroeiden tot de huidige Europese Unie. De douane-unie werd omgezet in een interne markt en vanaf 1999 een muntunie. Naast een verdieping heeft er ook verbreding plaatsgevonden. De Europese Gemeenschap werd in verschillende stappen uitgebreid met meerdere landen. Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Ierland werden in 1973 lid. In de tachtiger jaren werd de EG uitgebreid met Griekenland (1981), Portugal en Spanje (1986). Vervolgens werden Finland, Oostenrijk en Zweden in 1995 toegevoegd. De grootste uitbreiding kwam echter in 2004 toen tien landen in één keer lid werden. Veel van deze landen hoorden voorheen bij het communistische blok.

De Economische en Monetaire Unie (EMU) kwam tot stand door het Verdrag van Maastricht uit 1992 en werd in 1999 functioneel. Deze monetaire unie bestond toen uit elf EU-landen (zie infographic). In 2001 voegde Griekenland zich als twaalfde land bij de EMU en sindsdien traden nog acht landen toe. Sinds 2023 omvat de eurozone twintig landen, waarvan Kroatië op 1 januari 2023 als laatste toetrad.
Met de invoering van de euro in 2002 werd de Nederlandse handel met de andere negentien EU-landen die deel uitmaken van de eurozone nog minder gecompliceerd, doordat de deelnemende landen gebruikmaken van dezelfde munteenheid (Creemers en Draper, 2022). In 1999 zaten de munten van de deelnemende landen al aan elkaar vast. In 2023 bedroeg de totale Nederlandse import 606,3 miljard euro. Dat is drie keer meer dan in 2002. Alhoewel de import van de eurolanden werd vergemakkelijkt, komt 60 procent van de goederenimport uit niet-eurozonelanden. Dat aandeel neemt bovendien toe. In 2002 lag het op 53 procent. Dat het stijgt komt vooral door de groeiende import vanuit Europese landen buiten de eurozone én Oost-Aziatische handelspartners zoals China, Japan, Taiwan en Zuid-Korea.
| Jaar | Invoer uit eurozone (mld euro) | Invoer uit niet-eurozone (mld euro) | Uitvoer naar eurozone (mld euro) | Uitvoer naar niet-eurozone (mld euro) |
|---|---|---|---|---|
| 2002 | 94,2 | 106,3 | 142,7 | 90,0 |
| 2003 | 95,9 | 106,6 | 144,3 | 89,9 |
| 2004 | 102,8 | 121,2 | 155,1 | 100,8 |
| 2005 | 108,9 | 141,0 | 168,1 | 113,4 |
| 2006 | 120,0 | 165,4 | 187,7 | 131,5 |
| 2007 | 131,0 | 176,3 | 200,5 | 147,2 |
| 2008 | 142,0 | 193,9 | 218,4 | 152,4 |
| 2009 | 116,1 | 158,1 | 181,7 | 128,0 |
| 2010 | 132,8 | 199,2 | 216,5 | 155,4 |
| 2011 | 143,9 | 221,1 | 238,0 | 171,8 |
| 2012 | 146,9 | 242,8 | 244,1 | 186,0 |
| 2013 | 148,8 | 237,7 | 245,7 | 187,7 |
| 2014 | 147,8 | 234,7 | 244,0 | 189,5 |
| 2015 | 153,3 | 218,9 | 229,5 | 189,5 |
| 2016 | 153,1 | 215,9 | 229,5 | 193,9 |
| 2017 | 169,9 | 239,0 | 252,5 | 215,1 |
| 2018 | 180,0 | 261,3 | 267,2 | 230,8 |
| 2019 | 186,4 | 273,6 | 273,3 | 242,1 |
| 2020 | 176,0 | 247,9 | 256,1 | 226,7 |
| 2021 | 216,3 | 310,9 | 327,2 | 262,1 |
| 2022 | 252,9 | 415,8 | 426,5 | 296,7 |
| 2023* | 241,5 | 364,9 | 390,2 | 289,7 |
In 2023 exporteerden Nederlandse bedrijven voor 680 miljard euro aan goederen. Dat is bijna 3 keer meer dan vóór de introductie van de euro. In 2002 had nog 61 procent van de goederenexport een land binnen het eurogebied als bestemming. In 2023 was dat 57 procent van de Nederlandse goederenexport naar deze groep landen. Voor de export is de eurozone dus wel het belangrijkste afzetgebied, al is het relatieve belang licht afgenomen. Dat komt vooral door toegenomen export naar Oost-Azië.
De belangrijkste handelspartners binnen de eurozone in 2023 waren Duitsland, België en Frankrijk. In deze volgorde zijn zij het belangrijkst voor onze goederenimport en -export. Vanuit de eurozone importeert Nederland vooral industrieproducten zoals ijzer en staal en kleding, maar ook chemische producten, waaronder medicinale en farmaceutische producten. Fabricaten, chemische producten, voedingsmiddelen en machines en apparaten zijn de belangrijkste goederen die Nederland exporteert naar andere landen in de eurozone.
6. 2001 - De opmars van China
China is tegenwoordig een van de belangrijkste handelspartners van Nederland. Terwijl het aandeel van de importwaarde uit China in de jaren tachtig nog minder dan 0,5 procent van de totale Nederlandse invoer vormde, stond China in 2021 op de tweede plek met 10,2 procent. Alleen uit Duitsland worden nog meer producten geïmporteerd. Van onze uitvoerwaarde ging daarentegen maar 2,4 procent richting China. Dit neemt niet weg dat de Nederlandse exportwaarde naar China 12 keer zo hoog is als in 1980.
| Periode | China (%) | Duitsland (%) | Verenigd Koninkrijk (%) | Verenigde Staten (%) | België (%) |
|---|---|---|---|---|---|
| 1980 | 0,3 | 22,3 | 8,2 | 8,8 | 11,6 |
| 1981 | 0,4 | 21,5 | 8,5 | 9,5 | 11,4 |
| 1982 | 0,3 | 22,1 | 9,4 | 9,2 | 11,1 |
| 1983 | 0,3 | 22,3 | 8,8 | 8,9 | 11 |
| 1984 | 0,3 | 22 | 8,7 | 8,9 | 11,2 |
| 1985 | 0,3 | 22,4 | 10 | 8,3 | 12,3 |
| 1986 | 0,4 | 26,4 | 8,2 | 7,9 | 14,2 |
| 1987 | 0,4 | 26,6 | 7,7 | 7,2 | 14,4 |
| 1988 | 0,5 | 26,4 | 7,7 | 7,7 | 14,7 |
| 1989 | 0,5 | 25,7 | 7,9 | 8,5 | 14,1 |
| 1990 | 0,6 | 25,6 | 8,2 | 7,9 | 14 |
| 1991 | 0,8 | 25,5 | 8,7 | 8,1 | 14,1 |
| 1992 | 0,7 | 25,2 | 8,6 | 7,8 | 14,2 |
| 1993 | 1,1 | 23,6 | 9,3 | 8,1 | 11,8 |
| 1994 | 1,3 | 23,3 | 9,6 | 7,8 | 12 |
| 1995 | 1,3 | 23,3 | 10,1 | 8 | 11,8 |
| 1996 | 1,4 | 22,7 | 9,5 | 8,1 | 11,4 |
| 1997 | 1,7 | 20,8 | 10,3 | 9,1 | 10,7 |
| 1998 | 2 | 19,7 | 9,7 | 9,3 | 10,5 |
| 1999 | 2,1 | 19,3 | 9,7 | 9,5 | 10 |
| 2000 | 3,2 | 17,8 | 9,6 | 10,2 | 9,3 |
| 2001 | 4,1 | 18,4 | 8,9 | 9,9 | 9,2 |
| 2002 | 4,3 | 19,4 | 8 | 8,9 | 11 |
| 2003 | 5,1 | 19,9 | 7,3 | 7,9 | 11,4 |
| 2004 | 6,4 | 19,7 | 6,4 | 8 | 10,9 |
| 2005 | 7,6 | 19 | 6,2 | 7,9 | 10,8 |
| 2006 | 8,1 | 18,3 | 6,5 | 8,3 | 10,5 |
| 2007 | 8,6 | 19 | 6,5 | 7,8 | 10,5 |
| 2008 | 7,4 | 19,2 | 6,3 | 8,1 | 10,1 |
| 2009 | 8 | 19,2 | 6,4 | 8,4 | 10 |
| 2010 | 9,3 | 17,7 | 6,7 | 7,5 | 9,6 |
| 2011 | 8,5 | 16,7 | 6,7 | 6,5 | 10 |
| 2012 | 8,2 | 15,9 | 7 | 6,8 | 9,7 |
| 2013 | 8,2 | 16,4 | 7,1 | 6,9 | 9,7 |
| 2014 | 9,3 | 16,4 | 6,6 | 7,1 | 9,7 |
| 2015 | 8,7 | 17,6 | 5,5 | 8,1 | 10,2 |
| 2016 | 8,8 | 18,1 | 5,7 | 8,2 | 10,1 |
| 2017 | 8,8 | 18,2 | 5,7 | 7,6 | 10,3 |
| 2018 | 8,9 | 17,6 | 6 | 7,7 | 10 |
| 2019 | 9,4 | 17,1 | 5,4 | 8,1 | 9,9 |
| 2020 | 10,6 | 17,7 | 4,7 | 8,1 | 9,8 |
| 2021 | 10,2 | 17,3 | 5 | 7,6 | 9,9 |
| 2021 | 10,2 | 17,3 | 5,0 | 7,6 | 9,9 |
| 2022 | 9,4 | 15,3 | 6,2 | 8,5 | 9,8 |
| 2023 | 8,3 | 16,9 | 5,1 | 10,6 | 9,7 |
| 1) België is pas vanaf 2000 apart gemeten van Luxemburg | |||||
| Periode | China (%) | Duitsland (%) | Verenigd Koninkrijk (%) | Verenigde Staten (%) | België (%) |
|---|---|---|---|---|---|
| 1980 | 0,2 | 29,9 | 7,9 | 2,5 | 15,0 |
| 1981 | 0,1 | 29,4 | 8,3 | 3,2 | 14,3 |
| 1982 | 0,1 | 29,5 | 9,3 | 3,2 | 14,2 |
| 1983 | 0,2 | 30,4 | 8,9 | 4,3 | 13,9 |
| 1984 | 0,3 | 29,7 | 9,4 | 5,0 | 14,0 |
| 1985 | 0,4 | 29,9 | 9,5 | 5,2 | 14,1 |
| 1986 | 0,3 | 28,2 | 10,2 | 4,7 | 14,2 |
| 1987 | 0,2 | 27,4 | 10,3 | 4,3 | 14,5 |
| 1988 | 0,3 | 26,1 | 10,8 | 4,3 | 14,7 |
| 1989 | 0,2 | 25,8 | 11,1 | 4,5 | 14,6 |
| 1990 | 0,1 | 27,6 | 10,2 | 4,0 | 14,6 |
| 1991 | 0,2 | 29,4 | 9,3 | 3,9 | 14,3 |
| 1992 | 0,3 | 28,8 | 9,2 | 4,1 | 14,3 |
| 1993 | 0,5 | 29,2 | 9,3 | 4,1 | 12,8 |
| 1994 | 0,4 | 28,8 | 10,0 | 3,9 | 13,2 |
| 1995 | 0,4 | 28,5 | 9,8 | 3,3 | 12,9 |
| 1996 | 0,4 | 28,5 | 9,4 | 3,4 | 13,8 |
| 1997 | 0,4 | 27,2 | 10,0 | 3,8 | 13,1 |
| 1998 | 0,4 | 26,4 | 10,2 | 3,9 | 12,5 |
| 1999 | 0,4 | 26,1 | 10,8 | 4,2 | 12,2 |
| 2000 | 0,5 | 25,7 | 10,8 | 4,7 | 11,8 |
| 2001 | 0,5 | 25,6 | 11,1 | 4,4 | 11,8 |
| 2002 | 0,7 | 24,3 | 11,0 | 4,9 | 11,8 |
| 2003 | 0,7 | 24,2 | 10,2 | 4,9 | 11,7 |
| 2004 | 0,9 | 23,8 | 10,1 | 4,7 | 11,5 |
| 2005 | 0,9 | 23,8 | 9,2 | 4,8 | 11,7 |
| 2006 | 1,0 | 23,9 | 9,4 | 5,1 | 11,6 |
| 2007 | 1,0 | 23,2 | 9,2 | 4,9 | 11,2 |
| 2008 | 1,0 | 24,5 | 9,1 | 4,4 | 11,6 |
| 2009 | 1,5 | 24,3 | 8,4 | 4,5 | 11,2 |
| 2010 | 1,5 | 24,3 | 8,0 | 4,5 | 11,1 |
| 2011 | 1,6 | 24,2 | 7,9 | 4,8 | 11,9 |
| 2012 | 1,8 | 24,7 | 8,1 | 4,7 | 11,3 |
| 2013 | 1,8 | 24,7 | 8,4 | 3,9 | 11,0 |
| 2014 | 1,8 | 24,1 | 8,5 | 4,4 | 11,0 |
| 2015 | 2,0 | 23,5 | 8,7 | 4,3 | 10,5 |
| 2016 | 2,3 | 22,9 | 9,2 | 4,2 | 10,3 |
| 2017 | 2,4 | 22,9 | 8,4 | 4,2 | 10,3 |
| 2018 | 2,4 | 22,7 | 8,1 | 4,6 | 10,2 |
| 2019 | 2,5 | 22,2 | 7,7 | 5,2 | 10,1 |
| 2020 | 2,9 | 22,1 | 7,2 | 5,0 | 10,2 |
| 2021 | 2,4 | 23,0 | 6,5 | 4,8 | 10,6 |
| 2022 | 2,0 | 24,6 | 6,0 | 4,6 | 12,1 |
| 2023 | 2,6 | 22,8 | 6,3 | 5,0 | 11,7 |
| 1) België is pas vanaf 2000 apart gemeten van Luxemburg | |||||
Met name in de jaren negentig groeide de Chinese economie snel. Aanvankelijk betrof dit vooral de interne markt. Na de toetreding van China tot de WTO in 2001 volgde de ontwikkeling van China tot mondiale exportreus. Ook de invoer door China groeide. De Chinese handelsbalans steeg van 17 miljard dollar tijdens de toetreding tot de WTO tot 271 miljard dollar (IMF, 2024) in 2023.
| Perioden | Invoerwaarde (mld euro) | Uitvoerwaarde (mld euro) |
|---|---|---|
| 1980 | 0,2 | 0,1 |
| 1981 | 0,3 | 0,1 |
| 1982 | 0,2 | 0,1 |
| 1983 | 0,2 | 0,2 |
| 1984 | 0,2 | 0,3 |
| 1985 | 0,3 | 0,4 |
| 1986 | 0,3 | 0,2 |
| 1987 | 0,3 | 0,2 |
| 1988 | 0,4 | 0,2 |
| 1989 | 0,5 | 0,2 |
| 1990 | 0,6 | 0,2 |
| 1991 | 0,9 | 0,3 |
| 1992 | 0,8 | 0,4 |
| 1993 | 1,2 | 0,6 |
| 1994 | 1,5 | 0,5 |
| 1995 | 1,6 | 0,6 |
| 1996 | 2,0 | 0,6 |
| 1997 | 2,7 | 0,7 |
| 1998 | 3,4 | 0,7 |
| 1999 | 3,7 | 0,8 |
| 2000 | 6,9 | 1,1 |
| 2001 |