SRG-I Cohortonderzoek personen met loonkostensubsidie
Over deze publicatie
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wil graag inzicht in de ontwikkeling van het aantal loonkostensubsidies en de situatie van personen met een loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet (LKSP) of forfaitaire loonkostensubsidie (LKSF) qua uitkerings- en werksituatie over de tijd. In dit onderzoek worden personen gevolgd die 2022 of 2023 een startende, lopende of beëindigde loonkostensubsidie hebben. Er is gekeken naar veranderingen in type loonkostensubsidie, loonwaarde, uitkeringspositie en baankenmerken (soort contract, uurloon en gemiddeld gewerkte uren). Voor beide jaren is een profiel van de gebruikers van loonskostensubsidie gemaakt op basis van achtergrondkenmerken (geslacht, leeftijd, hoogst behaalde opleiding en herkomst).
Samenvatting en conclusie
Centraal in dit onderzoek staan twee cohorten. Het eerste cohort is een groep personen die een gestarte, beëindigde of lopende LKSP of LKSF heeft in 2022. Voor het andere cohort geldt hetzelfde, maar is het cohortjaar 2023. Voor cohort 2022 is gekeken naar de situatie in de twaalf maanden voor en 24 maanden na een peilmoment (startdatum, einddatum of 30 september). In elke maand wordt een uitsplitsing gemaakt naar het ontvangen van LKSP of LKSF, loonwaarde, uitkeringssituatie, en indien de persoon werkend is, het soort contract, aantal gewerkte uren en het uurloon. Voor cohort 2023 is gekeken naar dezelfde kenmerken in de twaalf maanden voor en na het peilmoment. Voor beide cohorten is een profiel gemaakt op basis van achtergrondkenmerken (geslacht, leeftijd, hoogst behaalde opleiding en herkomst).
Achtergrondkenmerken van personen met LKS(P/F)
Personen die het gehele jaar LKSP ontvangen, zijn gemiddeld genomen ouder dan personen die starten of stoppen met LKS(P/F). Meer dan de helft van de personen die starten of stoppen met LKS(P/F) zijn namelijk jonger dan 27 jaar. Iets meer dan de helft van de personen met LKS(P/F) heeft geen startkwalificatie. Vooral mannen met LKS(P/F) hebben minder vaak een startkwalificatie dan vrouwen met LKS(P/F). Van de personen die LKS(P/F) ontvangen is 50 procent of meer geboren in Nederland, net als hun ouders. Vooral onder personen jonger dan 27 jaar, en met name onder de mannen, is het aandeel met een Nederlandse herkomst hoog. In 2023 lijkt de groep die gebruik maakt van LKS(P/F), en met name groep die start met LKSP, iets diverser te worden.
Lopende LKSP, cohort 2022 en 2023
Het merendeel van de personen met lopende LKSP is en blijft werkzaam in loondienst zonder bijstand. Wel zijn in 2023 personen vaker werkend met bijstand dan in 2022. Het aandeel werkzame personen met een contract voor onbepaalde tijd stijgt, vooral onder personen met hbo- of wo masterdiploma. Ook stijgt het aantal contracturen dat mensen werkzaam zijn. Mannen hebben vaker een contract voor meer uren dan vrouwen. Verder stijgt het uurloon, wat vermoedelijk samenhangt met inflatie en wijzigingen in het minimumloon per 1 januari 2024. De loonwaarde blijft over het algemeen vrij stabiel over tijd. De loonwaarde verschilt tussen leeftijdsgroepen, waarbij jongeren onder de 27 jaar vaker banen hebben met lage loonwaardes en personen van 27 tot 35 jaar vaker banen hebben met hoge loonwaardes.
Beëindigde LKSP, cohort 2022
Na beëindiging van de LKSP verschuiven personen vooral van werkend zonder bijstand naar niet werkend zonder bijstand. Er vindt na de beëindiging van de LKSP een daling plaats van contracten voor bepaalde en onbepaalde tijd, en een stijging van personen zonder contract. Na beëindiging van de LKSP hebben jongere leeftijdscategorieën vaker een contract voor bepaalde tijd dan oudere leeftijdscategorieën.
Gestarte LKSP, cohort 2022 en 2023
In 2023 stromen relatief meer werkzame personen zonder LKS(P/F) in een LKSP dan in 2022. Na de start van LKSP werkt ruim twee derde van de personen. Over tijd neemt het aantal werkenden af en onder vrouwen is deze afname iets sterker dan onder mannen.
Het merendeel van de personen is werkzaam in loondienst zonder bijstand bij de start van hun LKSP. Vooral jongeren maken minder gebruik van bijstand voorafgaand aan LKSP. Onder personen tussen de 35 en 55 jaar is het gebruik van bijstand voorafgaand en na de start van hun LKSP juist relatief hoog.
Voorafgaand aan de start van de LKSP heeft een belangrijk deel een LKSF. Bij de jongere leeftijdsgroepen is dit vaker het geval dan bij de oudere leeftijdsgroepen.
1. Inleiding
1.1 Achtergrond
Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wil graag inzicht in de ontwikkeling van het aantal personen met een loonkostensubsidie en de werk- en uitkeringssituatie van deze personen. In de Participatiewet is de mogelijkheid opgenomen om werkgevers een loonkostensubsidie te verstrekken voor personen met een arbeidsbeperking: de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet (LKSP). Werkgevers worden zo gestimuleerd werknemers in dienst te nemen met een arbeidsbeperking. De werkgever ontvangt loonkostensubsidie voor het verschil tussen de loonwaarde en het wettelijk minimumloon. De forfaitaire loonkostensubsidie (LKSF) is een tijdelijke subsidie en bedraagt 50 procent van het wettelijk minimumloon voor de eerste zes maanden van een dienstverband. Dit is een overbruggingsperiode waarin de werkelijke loonwaarde wordt vastgesteld.
Door de koppeling van de Statistiek Re-integratie door Gemeenten (SRG) met de Bijstandsuitkeringenstatistiek (BUS) en de polisadministratie, waarin informatie over inkomstenverhoudingen van werkgevers en andere inhoudingsplichtigen staat, kan de situatie van personen met een loonkostensubsidie gemonitord worden.
1.2 Onderzoeksvragen
Vragen die SZW graag beantwoord zou willen zien, betreffen de achtergrondkenmerken van de personen met een loonkostensubsidie. In dit onderzoek wordt gekeken naar geslacht, leeftijd, hoogst behaalde opleiding en herkomst van personen in de twee cohorten.
Daarnaast is SZW geïnteresseerd in de lopende LKSP. Wat is het verloop van de loonkostensubsidies over de tijd? Hoe ontwikkelt de loonwaarde, het aantal contracturen, het contracttype, de arbeidssituatie van personen met een lopende LKSP? De focus ligt op cohort 2022, maar waar nodig wordt ook cohort 2023 betrokken.
Aanvullend zijn voor cohort 2022 enkele analyses verricht naar de beëindigde en gestarte LKSP en beëindigde LKSF.
1.3 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de methode beschreven. Hoofdstuk 3 geeft achtergrondkenmerken van de personen met een lopende, gestarte en beëindigde LKSP/LKSF in 2022. Waar relevant wordt cohort 2022 vergeleken met cohort 2023. Hoofdstuk 4 beschrijft resultaten over lopende LKSP voor cohorten 2022 en 2023. In hoofdstuk 5 ligt de focus op beëindigde LKSP van cohort 2022. Hoofdstuk 6 gaat in op beëindigde LKSF en gestarte LKSP.
2. Onderzoeksmethode
2.1 Inleiding
In dit onderzoek worden twee cohorten gevolgd, die aangeduid worden als cohort 2022 en cohort 2023. Voor beide cohorten loopt het cohortjaar van 1 januari tot en met 31 december van het desbetreffende jaar, dus respectievelijk 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 en 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023. In het onderzoek worden alle personen meegenomen die in het cohortjaar een gestarte, lopende of beëindigde LKSP of beëindigde LKSF hadden. De analyses in dit rapport zijn op persoonsniveau1). Daarmee wordt bedoeld dat gekeken wordt of een persoon in het cohortjaar een LKSP startte, een LKS(P/F) beëindigde of dat de LKSP-voorziening gedurende het gehele cohortjaar liep.
Het is mogelijk dat een persoon meerdere voorzieningen LKSP start in het cohortjaar. In dat geval wordt de eerst gestarte voorziening gevolgd. Als een persoon meerdere voorzieningen LKSP beëindigde in het cohortjaar, dan wordt de laatst beëindigde voorziening gevolgd. Een persoon die zowel een LKSP startte en beëindigde gedurende het cohortjaar telt mee bij zowel de gestarte als de beëindigde LKSP. Een persoon die een LKSP startte of beëindigde naast een LKSP die het gehele cohortjaar liep, telt mee bij de lopende LKSP, maar niet bij de gestarte of beëindigde LKSP. Indien een persoon een beëindigde LKSF heeft naast een lopende, gestarte of beëindigde LKSP, dan telt de persoon mee bij de beëindigde LKSF en bij de lopende, gestarte of beëindigde LKSP.
2.2 Verslagperiode
In het rapport wordt gesproken over peilmomenten. Peilmoment 0 is de startdatum voor startende voorziening, de einddatum voor beëindigde voorzieningen en 30 september voor lopende voorzieningen. Bij de gestarte en beëindigde LKS(P/F) verschilt de precieze datum die als peilmoment 0 wordt gekozen dus tussen personen; maar de datum ligt wel altijd tussen 1 januari en 31 december van het cohortjaar. Voor de lopende LKSP ligt de peildatum 0 vast op 30 september. Cohort 2022 wordt gevolgd tot en met 24 maanden na peilmoment 0 en cohort 2023 tot en met twaalf maanden na het peilmoment 0. Daarnaast worden allebei de cohorten gevolgd tot en met twaalf maanden vóór peilmoment 0.
Voor de personen in cohort 2022 wordt voor de twaalf maanden vóór en 24 maanden ná peilmoment 0 gekeken welke kenmerken van toepassing zijn. Het gaat daarbij om de volgende kenmerken: wel/geen LKSP en/of LKSF, uitkeringssituatie (kruising van wel/geen baan in loondienst en wel/geen bijstand2)), contractsoort, het aantal contracturen, uurloon en loonwaarde. Het aantal contracturen zijn het aantal verloonde uren volgens de inkomstenverhouding uit de polisadministratie minus overwerkuren in de maand waarin het peilmoment valt. Deze uren zijn omgerekend naar uren op weekbasis en onderverdeeld in duurklassen. Voor de personen in cohort 2023 wordt voor de twaalf maanden vóór en twaalf maanden ná het peilmoment gekeken welke kenmerken van toepassing zijn.
Alle informatie die vertraagd is aangeleverd in de verslagperiode, is meegenomen. Gemeenten kunnen informatie over voorzieningen later aanleveren dan de maand waarover de voorziening gaat. Als een voorziening bijvoorbeeld in oktober voor het eerst wordt aangeleverd, maar met een startdatum in februari, dan wordt deze voorziening in dit onderzoek opgenomen in het bestand als gestarte voorziening per februari. Alle vertraagde informatie over verslagjaren 2022 en 2023 aangeleverd tot en met december 2024 is verwerkt. Dit betekent dat er voor januari 2022 bijna drie jaar aan nagekomen informatie is meegenomen. Voor voorzieningen die in januari 2023 zijn gestart wordt een jaar minder nagekomen informatie verwerkt.
2.3 Sequentieanalyse
Voor dit onderzoek naar personen met een LKS(P/F) wordt onder andere gebruik gemaakt van sequentieanalyses. Bij een sequentieanalyse kunnen alle gebeurtenissen gedurende de geobserveerde periode op persoonsniveau meegenomen worden. In het huidige onderzoek betreft dit ontwikkelingspatronen in het hebben van een voorziening, het hebben van bijstand, arbeidskenmerken (soort contract, contracturen, uurloon) en de loonwaarde. Dit is een voordeel ten opzichte van het maken van tabellen, waarin enkel geaggregeerde aantallen op een bepaald tijdsmoment zichtbaar zijn en niet duidelijk is hoe individuele patronen verlopen. In dit onderzoek worden wel ook tabellen gemaakt. Deze worden apart gepubliceerd.
Uit de sequentieanalyses volgen per situatie figuren met daarin de feitelijke patronen van elk kenmerk voor elk persoon met een loonkostensubsidie. In de figuren stelt elke lijn een persoon voor. Het figuur geeft direct een overzicht van de verscheidenheid aan verschillende patronen die er binnen de hele populatie voorkomen en welke patronen vaker voorkomen dan andere. In het figuur wordt de situatie van de persoon maandelijks, per relatief peilmoment, vastgesteld. Deze relatieve peilmomenten zijn afgebeeld op de horizontale as. In het rapport zijn alle sequentieplots gesorteerd van relatief peilmoment 0 tot en met relatief peilmoment 12 of 24, behalve de plots die ook relatief peilmoment -1 en -2 hebben. In dat geval is er eerst gesorteerd op relatief peilmoment -1, daarna op -2, daarna op 0 tot en met 24. De sortering maakt uit voor hoe de figuren er uitzien. Een goede sortering maakt interpretatie van het figuur makkelijker en hangt af van waar de focus bij het bekijken van het figuur op ligt. Bij de startende LKSP is dat op de maanden voor de start, bij de andere figuren voornamelijk op de maanden na het peilmoment.
Bij de interpretatie van de sequentieplots over lopende LKSP is het belangrijk te beseffen dat op peilmoment 1 tot en met 3 de LKSP altijd lopend is, omdat de persoon anders niet tot de situatie ‘Lopende LKSP’ behoort. Dit betekent dat voor iedereen in cohort 2022 peilmoment 4 gelijk is aan januari 2023 en voor cohort 2023 aan januari 2024. Vanaf peilmoment 4 is de voorziening voor elke persoon met een lopende voorziening minstens een heel jaar lopend geweest. Bovendien is het vanaf dat moment mogelijk om de LKSP te beëindigen.
2) De volgende voorzieningen worden gerekend onder bijstand in dit onderzoek: algemene bijstandsuitkeringen aan thuiswonende personen en uitkeringen in het kader van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) of Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (BBZ).
3. Achtergrondkenmerken van personen met een loonkostensubsidie
3.1 Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van personen met loonkostensubsidie op de achtergrondkenmerken geslacht, leeftijd, hoogst behaalde opleiding en herkomst. De focus ligt daarbij op cohort 2022.
Het cohort 2022 bestaat uit 38 930 unieke personen die ergens in het jaar 2022 LKS(P/F) ontvingen, zie tabel 3.1.1. Van deze personen is 31 procent vrouw. Het overgrote deel van de personen is jonger dan 27 jaar (46 procent). Het aandeel personen tussen de 27 en 35 jaar, de 35 en 45 jaar, de 45 en 55 jaar, en 55 jaar tot de AOW-leeftijd ligt rond de 13 tot 14 procent voor elk van deze leeftijdsgroepen. Personen boven de AOW-leeftijd komen bijna niet voor (0,2 procent), en worden in de rest van dit hoofdstuk buiten beschouwing gelaten. Ruim de helft van cohort 2022 heeft geen startkwalificatie (afgeronde havo, vwo, mbo 2 of hoger). Zo heeft 29 procent een mbo 1, vmbo, of onderbouw havo/vwo afgerond en 26 procent heeft alleen het basisonderwijs afgerond. Ongeveer 39 procent heeft wel een startkwalificatie. Zo heeft 34 procent havo, vwo, mbo 2 of hoger afgerond en 5 procent heeft een hbo- of wo opleiding afgerond. Voor iets meer dan 5 procent van de personen is het hoogst behaalde opleidingsniveau onbekend. Het grootste deel van de personen is zelf, net als diens ouders, in Nederland geboren (66 procent).
Het cohort 2023 bestaat uit 43 080 personen die ergens in het jaar 2023 LKS(P/F) ontvingen, zie tabel 3.1.1. Dat is een stijging van 11 procent ten opzichte van cohort 2022. Naast deze stijging is er een kleine verschuiving zichtbaar in de leeftijd en herkomst van de personen in cohort 2023 ten opzichte van cohort 2022. Paragraaf 3.5 gaat in op deze verschillen. Omdat de verschillen verder klein zijn, wordt in de eerstvolgende paragrafen alleen cohort 2022 uitgelicht.
Tabel 3.1.1 geeft een samenvatting van de aantallen personen per cohort naar situatie (gestarte, beëindigde, lopende LKSP en beëindigde LKSF). Bij het interpreteren van de cijfers in onderstaande paragrafen is het is belangrijk te bedenken dat personen die tot de groep startende LKSP gerekend worden, ook tot de groep beëindigde LKSP kunnen behoren. Daarentegen kunnen personen die tot de groep lopende LKSP behoren, niet ook tot de startende en/of beëindigde LKSP van dat cohort behoren.
| Cohort 2022 | Cohort 2023 | |
|---|---|---|
| Gestarte LKSP | 10 980 | 11 710 |
| Beëindigde LKSP | 7 610 | 8 050 |
| Lopende LKSP | 21 200 | 24 330 |
| Beëindigde LKSF | 6 160 | 6 480 |
| Unieke personen met LKS | 38 930 | 43 080 |
3.2 Geslacht en leeftijd cohort 2022
De situatie lopende LKSP is veruit het grootst en telt ook het grootste aantal mannen: 14 840 van de 21 200 personen is man. Dat komt overeen met 70 procent. Hoewel de andere situaties (beëindigde LKSP, startende LKSP, beëindigde LKSF) kleiner zijn qua aantallen personen, is het aandeel mannen vergelijkbaar (67 tot 69 procent).
Van de personen die tot cohort 2022 behoren, is bijna de helft jonger dan 27 jaar. Het aandeel jongeren is het hoogst onder beëindigde LKSF (55 procent, 3 420 van de 6 160 personen), gevolgd door 51 procent onder startende LKSP (5 550 van de 10 980 personen), 50 procent onder beëindigde LKSP (3 770 van de 7 610 personen) en 43 procent onder lopende LKSP (9 220 van de 21 200 personen). De leeftijdsverdeling van de mannen is goed vergelijkbaar met die van de vrouwen voor alle situaties, zij het dat onder mannen het aandeel jonger dan 27 jaar enkele procentpunten3) groter is dan onder de vrouwen (zie figuur 3.2.1).
Bij lopende LKSP is het aandeel personen tussen 35 jaar en de AOW-leeftijd bijna gelijk (44 procent) is aan het aandeel jonger dan 27 jaar (43 procent). Bij de andere situaties is de groep personen jonger dan 27 jaar relatief groter. Als de groep vanaf 35 jaar nader wordt bekeken, valt op dat van de personen met lopende LKSP 16 procent tussen de 55 jaar en AOW-leeftijd is. In de andere situaties zijn de personen tussen de 55 jaar en AOW-leeftijd juist de kleinste groep: 8 procent van de personen met beëindigde LKSF, en 10 procent van de personen met beëindigde LKSP en gestarte LKSP.
| Situatie | Geslacht | Leeftijd | Aandeel van de deelpopulatie |
|---|---|---|---|
| Startende LKSP | Man | Jonger dan 27 jaar | 52 |
| Startende LKSP | Man | 27 tot 35 jaar | 13 |
| Startende LKSP | Man | 35 tot AOW-leeftijd | 35 |
| Startende LKSP | Man | AOW-leeftijd en ouder | 0 |
| Startende LKSP | Vrouw | Jonger dan 27 jaar | 46 |
| Startende LKSP | Vrouw | 27 tot 35 jaar | 13 |
| Startende LKSP | Vrouw | 35 tot AOW-leeftijd | 41 |
| Beëindigde LKSP | Man | Jonger dan 27 jaar | 51 |
| Beëindigde LKSP | Man | 27 tot 35 jaar | 14 |
| Beëindigde LKSP | Man | 35 tot AOW-leeftijd | 34 |
| Beëindigde LKSP | Man | AOW-leeftijd en ouder | 1 |
| Beëindigde LKSP | Vrouw | Jonger dan 27 jaar | 46 |
| Beëindigde LKSP | Vrouw | 27 tot 35 jaar | 15 |
| Beëindigde LKSP | Vrouw | 35 tot AOW-leeftijd | 38 |
| Beëindigde LKSP | Vrouw | AOW-leeftijd en ouder | 1 |
| Beëindigde LKSF | Man | Jonger dan 27 jaar | 58 |
| Beëindigde LKSF | Man | 27 tot 35 jaar | 13 |
| Beëindigde LKSF | Man | 35 tot AOW-leeftijd | 29 |
| Beëindigde LKSF | Vrouw | Jonger dan 27 jaar | 51 |
| Beëindigde LKSF | Vrouw | 27 tot 35 jaar | 14 |
| Beëindigde LKSF | Vrouw | 35 tot AOW-leeftijd | 35 |
| Lopende LKSP | Man | Jonger dan 27 jaar | 45 |
| Lopende LKSP | Man | 27 tot 35 jaar | 12 |
| Lopende LKSP | Man | 35 tot AOW-leeftijd | 43 |
| Lopende LKSP | Man | AOW-leeftijd en ouder | 0 |
| Lopende LKSP | Vrouw | Jonger dan 27 jaar | 39 |
| Lopende LKSP | Vrouw | 27 tot 35 jaar | 13 |
| Lopende LKSP | Vrouw | 35 tot AOW-leeftijd | 48 |
3.3 Opleiding cohort 2022
Zoals vermeld in paragraaf 3.1, heeft ongeveer 39 procent van alle personen die ergens in 2022 LKS(P/F) ontvingen een startkwalificatie (een diploma voor havo, vwo, mbo 2 of hoger, hbo of wo). Onder de vrouwen is dit aandeel personen enkele procentpunten hoger dan onder de mannen. Vooral vrouwen bij wie LKS(P/F) eindigt, hebben vaker een startkwalificatie dan mannen bij wie LKS(P/F) eindigt (46 procent versus 39 procent), zie figuur 3.3.1.
Het aandeel personen dat alleen het basisonderwijs heeft afgerond is het hoogst onder de personen met lopende LKSP (28 procent; 5 850 van de 21 200 personen). In de andere situaties is dit aandeel vergelijkbaar, zij het iets lager: 25 procent onder startende LKSP (2 760 van de 10 980 personen), 24 procent onder beëindigde LKSF (1 450 van de 6 160 personen); 23 procent onder beëindigde LKSP (1 760 van de 7 610 personen).
Bij de kruising tussen leeftijd, opleidingsniveau en geslacht valt op dat voor jongeren de grootste groep basisonderwijs als hoogst behaalde opleiding heeft (37 procent onder mannen; 34 procent onder vrouwen). Dit aandeel was het laagst onder de leeftijdsgroep 27 tot 35 jaar (10 procent onder mannen; 7 procent onder vrouwen), zie figuur 3.3.2. Het aandeel personen met havo/vwo/mbo2 (minimale startkwalificatie) is het grootst bij de groep van 27 jaar tot 35 jaar (59 procent onder mannen en vrouwen).
| Situatie | Geslacht | Opleidingsniveau | Aandeel van de deelpopulatie |
|---|---|---|---|
| Startende LKSP | Man | Basisonderwijs | 28 |
| Startende LKSP | Man | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 33 |
| Startende LKSP | Man | Havo, vwo, mbo | 34 |
| Startende LKSP | Man | Hbo-, wo-bachelor | 4 |
| Startende LKSP | Man | Hbo-, wo-master, doctor | 1 |
| Startende LKSP | Vrouw | Basisonderwijs | 25 |
| Startende LKSP | Vrouw | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 31 |
| Startende LKSP | Vrouw | Havo, vwo, mbo | 38 |
| Startende LKSP | Vrouw | Hbo-, wo-bachelor | 5 |
| Startende LKSP | Vrouw | Hbo-, wo-master, doctor | 2 |
| Beëindigde LKSP | Man | Basisonderwijs | 26 |
| Beëindigde LKSP | Man | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 33 |
| Beëindigde LKSP | Man | Havo, vwo, mbo | 36 |
| Beëindigde LKSP | Man | Hbo-, wo-bachelor | 4 |
| Beëindigde LKSP | Man | Hbo-, wo-master, doctor | 1 |
| Beëindigde LKSP | Vrouw | Basisonderwijs | 22 |
| Beëindigde LKSP | Vrouw | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 31 |
| Beëindigde LKSP | Vrouw | Havo, vwo, mbo | 41 |
| Beëindigde LKSP | Vrouw | Hbo-, wo-bachelor | 5 |
| Beëindigde LKSP | Vrouw | Hbo-, wo-master, doctor | 2 |
| Beëindigde LKSF | Man | Basisonderwijs | 26 |
| Beëindigde LKSF | Man | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 33 |
| Beëindigde LKSF | Man | Havo, vwo, mbo | 34 |
| Beëindigde LKSF | Man | Hbo-, wo-bachelor | 5 |
| Beëindigde LKSF | Man | Hbo-, wo-master, doctor | 1 |
| Beëindigde LKSF | Vrouw | Basisonderwijs | 21 |
| Beëindigde LKSF | Vrouw | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 31 |
| Beëindigde LKSF | Vrouw | Havo, vwo, mbo | 40 |
| Beëindigde LKSF | Vrouw | Hbo-, wo-bachelor | 6 |
| Beëindigde LKSF | Vrouw | Hbo-, wo-master, doctor | 2 |
| Lopende LKSP | Man | Basisonderwijs | 29 |
| Lopende LKSP | Man | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 30 |
| Lopende LKSP | Man | Havo, vwo, mbo | 35 |
| Lopende LKSP | Man | Hbo-, wo-bachelor | 4 |
| Lopende LKSP | Man | Hbo-, wo-master, doctor | 1 |
| Lopende LKSP | Vrouw | Basisonderwijs | 27 |
| Lopende LKSP | Vrouw | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 30 |
| Lopende LKSP | Vrouw | Havo, vwo, mbo | 36 |
| Lopende LKSP | Vrouw | Hbo-, wo-bachelor | 4 |
| Lopende LKSP | Vrouw | Hbo-, wo-master, doctor | 2 |
| Leeftijd | Geslacht | Opleidingsniveau | Aandeel van de deelpopulatie |
|---|---|---|---|
| Jonger dan 27 jaar | Man | Basisonderwijs | 37 |
| Jonger dan 27 jaar | Man | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 35 |
| Jonger dan 27 jaar | Man | Havo, vwo, mbo | 26 |
| Jonger dan 27 jaar | Man | Hbo-, wo-bachelor | 2 |
| Jonger dan 27 jaar | Man | Hbo-, wo-master, doctor | 0 |
| Jonger dan 27 jaar | Vrouw | Basisonderwijs | 34 |
| Jonger dan 27 jaar | Vrouw | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 35 |
| Jonger dan 27 jaar | Vrouw | Havo, vwo, mbo | 29 |
| Jonger dan 27 jaar | Vrouw | Hbo-, wo-bachelor | 2 |
| Jonger dan 27 jaar | Vrouw | Hbo-, wo-master, doctor | 0 |
| 27 tot 35 jaar | Man | Basisonderwijs | 10 |
| 27 tot 35 jaar | Man | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 23 |
| 27 tot 35 jaar | Man | Havo, vwo, mbo | 59 |
| 27 tot 35 jaar | Man | Hbo-, wo-bachelor | 6 |
| 27 tot 35 jaar | Man | Hbo-, wo-master, doctor | 2 |
| 27 tot 35 jaar | Vrouw | Basisonderwijs | 7 |
| 27 tot 35 jaar | Vrouw | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 24 |
| 27 tot 35 jaar | Vrouw | Havo, vwo, mbo | 59 |
| 27 tot 35 jaar | Vrouw | Hbo-, wo-bachelor | 7 |
| 27 tot 35 jaar | Vrouw | Hbo-, wo-master, doctor | 3 |
| 35 tot AOW-leeftijd | Man | Basisonderwijs | 26 |
| 35 tot AOW-leeftijd | Man | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 27 |
| 35 tot AOW-leeftijd | Man | Havo, vwo, mbo | 39 |
| 35 tot AOW-leeftijd | Man | Hbo-, wo-bachelor | 6 |
| 35 tot AOW-leeftijd | Man | Hbo-, wo-master, doctor | 2 |
| 35 tot AOW-leeftijd | Vrouw | Basisonderwijs | 27 |
| 35 tot AOW-leeftijd | Vrouw | Vmbo, havo-, vwo-onderbouw, mbo 1 | 28 |
| 35 tot AOW-leeftijd | Vrouw | Havo, vwo, mbo | 37 |
| 35 tot AOW-leeftijd | Vrouw | Hbo-, wo-bachelor | 6 |
| 35 tot AOW-leeftijd | Vrouw | Hbo-, wo-master, doctor | 2 |
3.4 Herkomst cohort 2022
Vooral onder jongeren zijn er relatief veel personen met Nederlandse herkomst. Onder jongeren met lopende LKSP heeft 80 procent een Nederlandse herkomst, zie figuur 3.4.1. Onder 27- tot 35-jarigen met lopende LKSP is dit 70 procent, en onder de oudere leeftijdsgroep(en) met lopende LKSP is dit zo’n 55 procent. Hoe ouder, hoe diverser de gebruikers van LKSP of LKSF zijn. De verdeling van herkomst is vergelijkbaar tussen mannen en vrouwen, zie figuur 3.4.2.