Regionale kerncijfers Nederland

Regionale kerncijfers Nederland

Perioden Regio's Bevolking Bevolkingssamenstelling op 1 januari Totale bevolking (aantal) Bevolking Particuliere huishoudens Particuliere huishoudens Totaal aantal particuliere huishoudens (aantal) Bevolking Particuliere huishoudens Gemiddelde huishoudensgrootte (personen per 1 huishouden) Bouwen en wonen Woningvoorraad Woningen naar eigendom Koopwoningen (%) Landbouw Graasdieren Rundvee (aantal)
2018 Nederland 17.181.084 7.857.914 2,15 56,7 3.919.204
2019 Nederland 17.282.163 7.924.691 2,15 57,4 3.810.248
2020 Nederland 17.407.585 7.997.800 2,14 57,2 3.838.018
2018 Zuid-Nederland (LD) 3.645.484 1.662.642 2,16 60,5 774.922
2019 Zuid-Nederland (LD) 3.660.943 1.676.018 2,15 61,1 736.124
2020 Zuid-Nederland (LD) 3.680.156 1.689.782 2,14 61,0 726.378
2018 Overijssel (PV) 1.151.501 499.031 2,27 60,5 623.403
2019 Overijssel (PV) 1.156.431 503.836 2,26 61,0 599.737
2020 Overijssel (PV) 1.162.406 508.409 2,25 60,9 612.899
2018 Noord-Friesland (CR) 318.919 146.689 2,14 59,4 185.720
2019 Noord-Friesland (CR) 319.277 147.622 2,13 60,2 180.123
2020 Noord-Friesland (CR) 320.647 149.202 2,11 59,6 187.922
2018 Arnhem 157.223 78.985 1,95 43,5 1.997
2019 Arnhem 159.265 80.150 1,94 43,8 1.929
2020 Arnhem 161.348 81.399 1,94 43,5 1.934
2018 Heerhugowaard 55.850 23.065 2,37 68,8 2.430
2019 Heerhugowaard 56.742 23.386 2,37 69,7 1.918
2020 Heerhugowaard 57.587 23.770 2,37 69,5 1.919
2018 Zwijndrecht 44.586 20.040 2,20 55,4 135
2019 Zwijndrecht 44.639 20.059 2,20 56,4 125
2020 Zwijndrecht 44.737 20.162 2,19 56,6 136
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


In deze tabel zijn voor een groot aantal onderwerpen de belangrijkste statistische gegevens weergegeven voor diverse regionale indelingen.

Gegevens beschikbaar vanaf: 1995.

Status van de cijfers:
De cijfers in deze tabel zijn definitief tenzij is aangegeven in de toelichting bij de perioden dat ze voorlopig of nader voorlopig zijn.


Wijzigingen per 18 december 2020:

Bevolkingsontwikkeling: immigratie en emigratie
De definitieve cijfers van 2019 zijn toegevoegd.

Bevolking: particuliere huishoudens
De definitieve cijfers van 2020 zijn toegevoegd.

Woningvoorraad: woningen naar eigendom
De definitieve cijfers van 2020 zijn toegevoegd.

Arbeid: banen van werknemers
De voorlopige cijfers van 2019 en de nader voorlopige cijfers van 2018 zijn toegevoegd. De nader voorlopige cijfers van 2017 zijn zonder wijziging definitief geworden.

Sociale zekerheid: uitkeringsontvangers
De voorlopige cijfers van 2013 tot en met 2019 zijn zonder wijziging definitief geworden.

Landbouw: dieren en cultuurgrond
De voorlopige cijfers van 2020 zijn toegevoegd.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Maart 2021.

Toelichting onderwerpen

Bevolking
De geregistreerde bevolking van Nederland.
Bevolkingssamenstelling op 1 januari
Totale bevolking
Bevolking op 1 januari. Betreft het geregistreerde aantal personen van Nederland.
Particuliere huishoudens
Particuliere huishoudens bestaan uit één of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf, dus niet-bedrijfsmatig, voorzien in de dagelijkse levensbehoeften.

Trendbreuk
Door de verbeterde waarneming van personen in institutionele huishoudens treedt vanaf 2014 een trendbreuk op in de ontwikkeling van het aantal eenpersoonshuishoudens/alleenstaanden. Circa 35 duizend personen die eerst voornamelijk als alleenstaanden getypeerd waren, verschuiven nu naar de institutionele huishoudens. Het aantal alleenstaanden steeg daardoor van 2013 op 2014 met maar duizend personen. Van 2012 op 2013 was die stijging nog 41 duizend personen. Ook de totale stijging van het aantal huishoudens liep als gevolg hiervan terug van 57 duizend van 2012 op 2013 naar 21 duizend van 2013 op 2014.
Vanaf 2011 is er voor de samenstelling van huishoudensgegevens gebruik gemaakt van een nieuwe productiemethode. In deze nieuwe methode worden voor het bepalen van de huishoudenssamenstelling naast de gegevens uit het gemeentelijke bevolkingsregister ook belastingdienstgegevens over samenwonende paren gebruikt. De uitkomsten op basis van de nieuwe methode sluiten goed aan op de voorgaande uitkomsten, maar er treden vanaf 2011 wel kleine verschuivingen op in het aantal huishoudens naar samenstelling.

Particuliere huishoudens
Totaal aantal particuliere huishoudens
Particuliere huishoudens bestaan uit één of meer personen die alleen of
samen in een woonruimte wonen en zelf in hun dagelijkse behoeften
voorzien.
Naast eenpersoonshuishoudens onderscheiden we meerpersoons-
huishoudens (niet-gehuwde paren met en zonder kinderen, echtparen met
en zonder kinderen, eenouderhuishoudens en overige huishoudens).
Gemiddelde huishoudensgrootte
Het aantal in particuliere huishoudens levende personen gedeeld door het aantal particuliere huishoudens.
Bouwen en wonen
Woningvoorraad
De gegevens zijn vanaf 2012 gebaseerd op de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG).
De woningvoorraadcijfers zijn van 1995 tot en met 2011 gebaseerd op de administratieve woningtelling met peildatum 1-1-1992 en de daarna door de gemeenten aan het CBS gemelde mutaties.

De verandering van de bron van de gegevens (BAG) vanaf 2012 betekent ook een aantal verschillen in definities en classificaties. De belangrijkste zijn:
- Tijdelijke bouwwerken (bouwwerken met een aangeduide instandhoudingtermijn in de verleende bouwvergunning) werden in de woningvoorraadregistratie niet als woonruimte aangemerkt. de BAG kent dit onderscheid niet. Tijdelijke bouwwerken c.q. objecten worden in het vervolg meegeteld in de voorraden.
- Wooneenheden (onzelfstandige woningen), zoals studentenflats, werden in de woningvoorraadregistratie aangemerkt als aparte categorie woonruimten. In de BAG worden ze alleen als woning gezien als ze een eigen adres hebben.
- Recreatiewoningen werden in de woningvoorraadregistratie waargenomen als aparte categorie woonruimten. De recreatiewoningen kunnen in de BAG aangemerkt worden als woning of als niet-woning met een logiesfunctie.
- De bewoningscapaciteit (aantal huisvestingsplaatsen voor permanente bewoning) van bijzondere woongebouwen, zoals verpleeghuizen en gezinsvervangende tehuizen, was in de woningvoorraadregistratie ook een aparte categorie woonruimten. Per adres van het bijzondere woongebouw was de bewoningscapaciteit bekend. In de BAG is informatie over de bewoningscapaciteit niet meer voorhanden. Daarnaast worden bijzondere woongebouwen in de BAG niet altijd aangeduid met een woonfunctie. Net als de recreatiewoningen worden dergelijke objecten dan niet meer meegeteld in de voorraad woningen.
Woningen naar eigendom
Peildatum: 1 januari van het betreffende jaar.

De afleiding van de eigendomssituatie van woningen vindt als volgt plaats:

De eigendomssituatie wordt afgeleid via koppeling op woning en bewoner tussen de registraties Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), Basisregistratie Personen (BRP) en Inkomens Informatie Systeem (IIS).
In 2012 kon voor 81 procent van de woningvoorraad deze methode voor de eigendomssituatie worden toegepast, in 2015 is dit gestegen naar 93 procent.

Voor de woningen waarbij via deze methode geen eigendom kan worden afgeleid wordt de eigendomssituatie afgeleid via koppeling van de woning aan de Kadasterregistratie
of:
via een door de gemeente toegekend nummer als aanvulling op het Rechtspersonen Samenwerkingsverbanden Informatie Nummer (RSIN)
of:
via het totaal aantal woningen dat een eigenaar met eenzelfde Burgerservicenummer (BSN) of RSIN in zijn bezit heeft.
Als geen van deze methoden kan worden toegepast dan wordt de eigendomssituatie getypeerd als onbekend.

Tot en met verslagjaar 2011 werd de volgende werkwijze gehanteerd:
Na koppeling van de woningen uit het woningregister met de woningen uit de WOZ-registratie (Wet Onroerende Zaken) is op basis van de WOZ-registratie bepaald of de eigenaar van de woning ook de bewoner was. Voor de woningen waarbij de eigenaar niet de bewoner was, is op basis van gegevens uit de GBA (Gemeentelijke Basisadministratie) gekeken of de woningen door iemand anders bewoond werd. Als dat het geval was, zijn deze woningen aangeduid als huurwoningen.
Koopwoningen
Woningen die eigendom zijn van de (toekomstige) bewoner(s) of in gebruik als tweede woning.
Landbouw
De gegevens voor dit onderwerp komen uit de landbouwtelling. De landbouwtelling maakt deel uit van de gecombineerde opgave, die onder meer gebruikt wordt voor de uitvoering van het landbouwbeleid en handhaving van de Meststoffenwet.

De regionale indeling van de Landbouwtelling is gebaseerd op het hoofdvestigingsadres. Hierdoor kan de regio, waaraan de landbouwactiviteiten (houden van dieren, teelt van gewassen) worden toegerekend, afwijken van de plaats waar deze activiteiten daadwerkelijk plaatsvinden.

De peildatum voor het aantal dieren is 1 april; de peildatum voor de gewassen is 15 mei.

Met ingang van 2016 wordt voor de afbakening van de Landbouwtelling gebruik gemaakt van informatie uit het Handelsregister. Inschrijving in het Handelsregister met een agrarische SBI (Standaard BedrijfsIndeling) is leidend bij de bepaling of er sprake is van een landbouwbedrijf. Met deze afbakening wordt zo nauw mogelijk aangesloten bij de statistische verordeningen van Eurostat en de (Nederlandse) implementatie van het begrip 'actieve landbouwer' uit het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB).

De afbakening van de Landbouwtelling op basis van informatie uit het Handelsregister heeft vooral invloed op het aantal bedrijven, hier treedt een duidelijke trendbreuk op. De invloed op arealen (behalve bij niet-cultuurgrond en natuurlijk grasland) en de dieraantallen (behalve bij schapen, en paarden en pony's) zijn beperkt. Dit heeft met name te maken met het soort bedrijven dat bij de nieuwe afbakening wordt uitgesloten (zoals maneges, kinderboerderijen en natuurbeheer organisaties).

Met ingang van 2010 wordt een nieuwe norm voor de economische omvang van bedrijven en een nieuwe bedrijfstypering gehanteerd. Tot en met 2009 werd de economische omvang van agrarische bedrijven uitgedrukt in NGE (Nederlandse Grootte-Eenheid). Met ingang van 2010 is dit vervangen door SO (Standaard Opbrengst). Hierdoor wijzigt de ondergrens voor opname van bedrijven in de publicatie van de Landbouwtelling van 3 nge in 3000 euro SO.
Voor vergelijkbaarheid in de tijd zijn de gegevens van 2000 tot en met 2009 herberekend op basis van SO-normen en -indelingen. SO-normen worden om de drie jaar geactualiseerd. De meest recente actualisatie vond plaats in 2016; bij de herberekening zijn de SO-normen uit 2010 gehanteerd.

Met ingang van 2011 zijn er wijzigingen doorgevoerd in de geografische toedeling van bedrijven met hoofdvestiging in het buitenland. Dit kan met name in de grensgebieden invloed hebben op de regionale cijfers.
Graasdieren
Graasdieren zijn paarden en pony's, rundvee, schapen en geiten.
Rundvee
Jongvee, melk- en kalfkoeien, zoogkoeien en vlees- en weidekoeien, fokstieren en kalveren.