Een veelzijdige statistiek: de keuringsstatistiek van het leger

Met statistieken bouwen we aan kennis over de samenleving. Die opvatting is al oud. De Utrechtse hoogleraar statistiek Jan Ackersdyck drukte zich rond het midden van de 19e eeuw eens zo uit: het ging in de statistiek om ‘de kennis van werkelijke waarheden van hoog aanbelang, welke menigvuldig ten grondslag dienen moeten voor maatregelen, die op het welzijn der burgers onvermijdelijken invloed hebben.’ Al zijn z’n woorden archaïsch, we herkennen hier al nadrukkelijk de rol die de statistiek later officieel zou krijgen: kennis bijeenbrengen die de basis is voor wetgeving, de grondslag vormt voor beleid.

Opiniërende kracht

In de tijd van Ackersdyck moesten statistici nog worstelen om hun beelden te krijgen, want ‘opiniërende’ statistieken, enquêtes waarin de burgers zich over zaken konden uitspreken, waren er niet. Zij hebben zich moeten behelpen, maar met de keuringsstatistieken van het leger, een van de oudste officiële statistieken, kwamen ze een heel eind.
De militiestatistieken zijn zeer informatief, de opiniërende kracht groot. Ze toonden bijvoorbeeld de hoge sterfte in de kazernes, die een veelvoud was van de sterfte in de gewone maatschappij, en nauwelijks lager was dan de sterfte in de meest beruchte strafgevangenissen. Artsen verklaarden die hoge sterfte in de kazernes wel uit de zeer slechte huisvesting. Op een aantal terreinen leverde de statistiek lange tijd enkele sociale indicatoren. De artsen van de Commissie voor statistiek van de Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering van de Geneeskunst deden een onderzoek naar de afkeuring van dienstplichtigen. Doel was om zo meer inzicht te krijgen in de verspreiding van ziekten. Het onderzoek leerde veel over de relatie tussen lichamelijke ontwikkeling en gezondheid en welvaart, geïndiceerd door de voedingstoestand (roggeprijzen). De Amsterdamse arts J. Zeeman (1822–1905) zag in 1868 in de statistiek dat ‘onze stedelingen onder een lager dak geherbergd kunnen worden dan de plattelandsbewoners’, anders gezegd: stedelingen hadden een geringere lengte. Zeeman zette de lengtes van de recruten naast de broodprijs, maakte de ‘militaire bakkersrekening’ op en merkte op dat ‘het brood er meer toe doet dan men gewoonlijk gelooft.’

Historisch levensstandaarddebat

In 1880 publiceerde het ministerie van Binnenlandse Zaken een onderzoek naar de fysieke en intellectuele toestand van de bevolking dat op de militiestatistieken was gebaseerd. De eerste CBS-directeur Coenraad Verrijn Stuart (1865–1948) baseerde in zijn Inleiding tot de beoefening der statistiek (1913) zijn beschrijving van de ontwikkeling van het analfabetisme in de tweede helft van de negentiende eeuw (1851–1911) volledig op de militiestatistiek. Indicator: het relatieve aantal miliciens dat niet kon lezen of schrijven.
Nog niet zo lang geleden is de militiestatistiek als bron gebruikt in een historisch levensstandaarddebat. In de lengte van een 19-jarige man kwamen de invloeden samen van voeding, ziekten en arbeidsverleden en de lengtegegevens zijn gebruikt als indicator voor de biologische levensstandaard. De Groningse onderzoeker Vincent Tassenaar toonde aan dat tot 1860 jongens in de Drentse veengemeenten langer waren dan jongens in industriesteden in het westen. Daaruit trok hij de conclusie dat de voedselsituatie in Drenthe gemiddeld beter moet zijn geweest dan elders en dat het beeld van een sterk verpauperde bevolking in de Drentse venen niet klopte. Hans de Beer onderzocht met de gegevens van de militiestatistiek wat het verband was tussen lengte – als indicator voor de voedingstoestand – en de arbeidscapaciteit. En Merijn Knibbe gebruikte de lengtegegevens, de maatstaf voor de biologische levenstandaard, om zijn berekeningen van de voedingstoestand van de Nederlander op plausibiliteit te toetsen. Er is zelfs gediscussieerd over de vraag of het mogelijk was om op basis van de gegevens over de lengtegroei het nationaal inkomen te schatten.

Een militair voor de statistiek

De meting- en keuringstatistieken van de krijgsmacht waren vanaf het begin vaste rubrieken in de Jaarcijfers die het Statistisch Instituut (1884), een voorganger van het CBS, uitgaf, en een van de oudste seriële statistieken. Toen de beter geëquipeerde Centrale Commissie voor de Statistiek in 1892 het stokje overnam, zette die de publicatie voort. De militair-sanitaire statistieken zijn in de loop der jaren onder uiteenlopende titels gepubliceerd.
Dat er een militair is opgenomen in de allereerste CCS is dan ook minder vreemd dan het op het eerste gezicht lijkt. Die eerste militair was Marie Hermanus Jan Plantenga (1842–1901), op dat moment majoor, later generaal-majoor bij de Generale Staf, en commandant van de eerste divisie infanterie. Hij was in de CCS de officiële vertegenwoordiger van het departement van Oorlog. Plantenga doceerde op dat moment het vak militaire aardrijkskunde en statistiek aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda.

Militair-sanitaire statistieken

Voor de bewerking van de militair-geneeskundige statistieken is de CCS, sinds de oprichting van het CBS (1899) de denktank van het nieuwe bureau, met enkele legerartsen uitgebreid. In 1910 zijn deze artsen – de zogeheten gezondheidsofficieren – ‘ambtshalve’ toegevoegd aan de commissie. In de eerste tranche trad onder anderen de inspecteur der geneeskundige dienst dr. A.A.J. Quanjer toe tot de commissie, een man met grote verantwoordelijkheden. Toen in de Eerste Wereldoorlog de Nederlandse legerleiding na het eerste gebruik van gifgas aan het front geïnteresseerd was geraakt in de eigen productie van ‘bedwelmende gassen’, werden chemici aangetrokken, stoffen geselecteerd en getest, en gasmaskers ontwikkeld. Dat laatste was de taak van Quanjer, die ook betrokken was bij het testen van de gassen en de maskers.