Een eerste druk van Ter Braak, bij het CBS!

In de oorlogsjaren is er literatuur gedrukt op de stencilmachine van het CBS. Verzetsliteratuur. De Duivelskunstenaar van Menno ter Braak (1943) en Pro Memorie van J. Verhulst, de schuilnaam van A.C.A.J. Greebe waren clandestiene uitgaven. Ze verschenen in de reeks Astra Nigra onder verantwoordelijkheid van dr. L.J. (Louis) Zimmerman, econoom bij het CBS. In de laatste oorlogsjaren is de drukpers van het CBS ook gebruikt voor het drukken van de illegale Nieuwsbode.

De duivelskunstenaar, beschouwingen over Vestdijk, verscheen in juli 1943 als eerste deel van Astra Nigra-serie in een oplage van 50 exemplaren. Het was gestencild op de reproductieafdeling van het CBS door de chef van de afdeling, J.J. Roeland. Hij deed dat op verzoek van dr. L.J. (Louis) Zimmerman (1913–1998), die sinds september 1940 werkte bij het CBS, die het manuscript op zijn beurt toegespeeld had gekregen van Varangot, een zwager van Ter Braak. De publicatie was een eerbetoon aan Ter Braak, bestrijder van het nazisme waartegen hij zich in kranten en tijdschriften verzette, en medeoprichter van het Comité van Waakzaamheid van anti-nationaal-socialistische intellectuelen (1936). Op 10 mei, de dag van de capitulatie, had hij zelfmoord gepleegd.
De (clandestiene) literaire reeks Astra Nigra (zwarte ster) was een schepping van Zimmerman en Karel van Boeschoten (1907–1980), medewerker bij uitgever Nijhoff in Den Haag. Een eerste druk van Ter Braak, ‘zestig gestencilde bladzijtjes met een kaftje van CBS-papier eromheen‘, schreef Lisette Lewin. Na de oorlog zou uitgever L.J. Veen de legale editie uitbrengen.
Het tweede deel in de serie was Serenade voor Lena van Jan G. Elburg, het derde deeltje Pro Memorie van J. Verhulst, de schuilnaam van A.C.J.A. Greebe, net als Zimmerman CBS’er. Het tiende en laatste deel was een bundel verzetsgedichten, Berijmd Verzet (1945), om propagandaredenen in een grote oplage (2 000 exemplaren) gedrukt bij drukkerij Albedon in Den Haag. Door technische moeilijkheden was het niet meer gelukt de boekjes in te naaien. 150 exemplaren waren op beter papier gedrukt. Ze waren bestemd voor Nederlanders die in de gevangenis of in een concentratiekamp zaten, of in het buitenland waren.
Zimmerman schreef ook voor het illegale Parool. Dat moest bij kaarslicht. Het dwong hem om op te schieten, want ‘je moest klaar zijn met zo'n artikel voordat de kaars was opgebrand.’ Na de oorlog werd Zimmerman hoogleraar economie, onder andere in Mainz en Brussel en vanaf 1967 in Amsterdam. Bekend is zijn De geschiedenis van het economisch denken (1947) dat diverse drukken kende.

‘Eén groote nutteloosheid’

Niet clandestien, maar aanzienlijk polemischer waren de geschriften van de literaire criticus Greebe.
Zijn Pro Memorie was een kort, diepzwart verhaal, dat hij schreef in 1941. Het verscheen in januari 1944 in een oplage van 75 exemplaren. Het gaat over het vermoeide, nutteloze leven van André, net afgestudeerd en bezig met zijn eerste baan bij het CBS waar hij al snel had geleerd ‘dat je moet buigen om weer een trapje verder te komen.’ Hij was gekweld door de herinnering aan zijn getrau-matiseerde vader. Alles in zijn leven oogde donker en vermoeid. Hij stoorde zich aan de wereld om hem heen (‘Overal leek het leven heftiger‘), aan de tuin achter het huis (‘de donkere tuin, waar flauw geteekend als zwart kant tegen een donkerblauwend gordijn de boomen stonden, de reuzenboomen’) en aan zijn gedachten (‘Het verleden was een nog grootere rem dan al het verdriet dat morgen nog kan komen’). Op bezoek bij een kennis werd hij genegeerd als diens verloofde langs komt (‘Wij hebben den avond als zonder mij doorgebracht’). Hij ergerde zich aan de vrouw (‘Ik stootte me aan de te zware buste van het meisje, aan haar leelijke scheeve gezicht en haar zachte handen. Alles had een geur van afkeer, van gedistingeerde vulgariteit, zelfs haar kleeren, die toch zoo smaakvol en kleurig waren’). De zondagmiddag die hij met zijn eigen verloofde Annie doorbracht ging de mist in door het onaangekondigde bezoek van tante Hellamondt die over patronen voor jurken kwam praten. Hij had zich die middag vooral over zichzelf verbaasd, dat hij zich met ‘menschjes die hem niets te zeggen hadden, die op een onhandige manier zijn aandacht vroegen, kon bezighouden.’
Het boekje eindigt met een dagboeknotitie, een sfeertekening van kantoor, waar niemand iets deed en iedereen geagiteerd was. De chef deed gewichtig. Het asbakje op zijn bureau instrueerde de bezoeker: ’Au gens agités, visite courte’. De dreiging die boven de instelling hing, maakte niemand onrustig, wel bezorgd voor elkaar. Maar dat leidde niet tot iets positiefs. ‘In deze chaos van niet stuurlooze, maar doellooze menschen, moet ik mijn tijd afwachten, van 9-12 en van half twee tot vijf. Dagen lang. Een enkelen brief schrijven is als een tractatie en wij doen er langer over om het genot van langeren duur te doen zijn. leder betwist den ander met listige middelen het werk dat bij zijn functie behoort en alle functies vloeien samen tot één groote nutteloosheid.
Ik schrijf dit op in den korten tijd die me rest tusschen het einde van den kantoortijd en het avond-eten, een goede drie kwartier op mijn kamer, waar het bed nog niet is opgemaakt. Maar beter deze rommel die ik zelf heb gemaakt en die mij geheel vertrouwd is, dan het chaotische wachten op een laatste oordeel zonder verdoemenis. Vanavond lectuur, waarschijnlijk. Ik moet de schade van drie dagen inhalen. Of praten met Annie. Beide is goed. Lezen en praten, als het maar niet nutteloos is.’

Statistieken maken om het maken

Het half-werkloze afwachten van de werkdag, het geagiteerde nietsdoen; het is de statistiekambtenaar blijven aankleven en hij kreeg de hoon van velen. Vestdijk polemiseerde in het literaire tijdschrift Forum met Garmt Stuiveling over diens proefschrift Versbouw en rhythme in den tijd van '80. Stuiveling (1907–1985), die zijn vervangende dienstplicht had vervuld als dienstweigeraar bij het CBS, had zijn bevindingen samengevat in een aantal statistieken. Vestdijk schreef: ‘Ik heb een vader gekend die een zoon had die statistieken maakte. Altijd kreeg men van dien vader datzelfde antwoord: hij maakte statistieken. Verder niets, en misschien was er verder ook niets over dien zoon te berichten, zelfs niet door een ijdelen vader, want veel later kwam me ter oore, dat hij achterlijk was, en niet zoo goed mee kon, en een waterhoofd had of zooiets. Maar in elk geval máakte hij ze, en dat was toch iéts, want hoeveel achterlijke zoons met een waterhoofd loopen er niet rond die nauwelijks weten wat een statistiek ís? Waaróver hij ze maakte, ik heb het nooit geweten. Wellicht over het aantal keeren dat hij zijn neus snoot en wat er dan uit kwam. Maar wat doet dat ook eigenlijk ter zake? Hij maakte ze, en dat was het voornaamste. Aan dit geval werd ik onweerstaanbaar herinnerd bij het doorbladeren van de dissertatie van Garmt Stuiveling.’ Maar het kon met de statistiek nog ellendiger. Arnon Grunberg liet in zijn roman Het aapje dat geluk pakte iemand na een bezoek aan het CBS gewoon onder de trein lopen.

Verwoestende zedenschets

Niet van de CBS-pers wel van een CBS’er, was Virginia van Victor Varangot (1912–1992). Varangot was wiskundige, maar ook literair redacteur, onder meer van de tijdschriften Podium, Proloog en Forum, en recensent van het NRC. Varangot was gevreesd om zijn pen. In Proloog noemde Jan G. Elburg hem eens de ‘V2’, naar zijn initialen en diens verwoestende aanvallen op wat hij noemde het ‘hedendaagse epigonisme.’
In 1935 publiceerde hij in Forum zijn Virginia. Het was een zedenschets over de 20-jarige Virginia wier maagdelijkheid de inzet was van een wreed spel dat veel verliezers kende en één winnaar: de dichter die Virginia onder het avondrood, vrij van alle preluderende erotiek en op de harde grond bezat in ‘een gemeenen, alledaagsche coitus onder den blooten hemel.’ Uit die vereniging werd een nieuwe Virginia geboren. Het katholieke deel van de Forum-redactie onder aanvoering van Marnix Gijsen heeft geprobeerd publicatie tegen te houden, maar Ter Braak had van de uitgave een principekwestie gemaakt. Het boterde al langer niet op de redactie en de publicatie van Virginia was de directe aanleiding om het blad op te heffen.

De illegale Nieuwsbode

Roeland en zijn drukpers zouden in de loop van de oorlog verder ondergronds gaan. Roeland was de man achter de illegale krant De Nieuwsbode, die tussen mei 1943 en januari 1945 dagelijks, later een- tot tweemaal per week verscheen in een oplage van 100 exemplaren. Roeland maakte de krant samen met collega’s G. van Gameren, conciërge, H.A. Barentsen, elektrotechnisch ambtenaar, en G.W. van Westering, die als journalist tijdelijk werkzaam was bij het CBS. Net als bijna alle illegale kranten gaf De Nieuwsbode letterlijke transcripties van de Britse nieuwsuitzendingen. Roeland en de zijnen hadden in de Oostduinlaan de beschikking over negen radio’s. Het blad ging in dienstenveloppen naar de lezers. De directie wist ervan en verleende alle medewerking.
Na Dolle Dinsdag (5 september 1944) kwam de klad erin. De grotere landelijke bladen bundelden hun krachten en kwamen met lokale edities. In Den Haag was dat het Oranje Bulletin, dat werd verspreid door de Haagse afdeling van Ons Volk, van oorsprong een verzetskrant die in Utrecht door studenten werd gemaakt maar een Haagse editie had met een oplage van wel 10 duizend exemplaren. De Nieuwsbode was overbodig geworden. Het blad verscheen nog sporadisch tot januari 1945.
Wat mogelijk een rol gespeeld heeft, is dat kort daarvoor, op 15 augustus 1944, acht collega’s zijn gearresteerd voor het illegaal verspreiden van nieuwsberichten.