Jongere generaties meestal rijker dan hun voorgangers

© CBS / Nikki van Toorn

Jongere generaties, zoals de millennials, hebben op eenzelfde leeftijd meestal meer koopkracht en een hoger vermogen dan oudere generaties, zoals de babyboomers. Maar het eigenwoningbezit is niet altijd groter in jongere generaties. Dit blijkt uit nieuwe analyses van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in het artikel Van babyboomers tot gen Z: financiële welvaart van generaties.

Jongere generaties hebben meer koopkracht

Doordat de koopkracht in de periode 1977-2024 steeg, is deze op vrijwel elke leeftijd van de jongere generaties hoger dan die van oudere. Zo is op 45-jarige leeftijd de koopkracht van de generatie geboren tussen 1970 en 1985 (de zogenaamde pragmaten) bijna anderhalf keer zo groot als die van de babyboomers, die tussen 1945 en 1955 zijn geboren. Tot ongeveer 25-jarige leeftijd hebben de generaties geboren vanaf 1970 juist minder te besteden. Hier speelt mee dat jongeren steeds langer doorleren.

Koopkrachtstijging tot 55 jaar

Het koopkrachtverloop tijdens het leven is in de onderscheiden generaties min of meer hetzelfde: een toename tot 55 jaar, gevolgd door een afname. De economische recessie van begin jaren tachtig zorgde bij de babyboomers voor een terugval in hun koopkracht toen zij twintiger of dertiger waren. Ook speelde mee dat vrouwen in die generatie vaak minder gingen werken of stopten zodra er kinderen kwamen, waardoor de koopkracht van het huishouden daalde. Dat gebeurde in jongere generaties minder: hun koopkracht groeide nog wel toen ze dertiger waren, het meest bij de millennials (geboren tussen 1985 en 2000).

Gemiddelde koopkracht geboortegeneraties
LeeftijdVoor 1945 (stille generatie) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1945 tot 1955 (babyboomers) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1955 tot 1970 (generatie X) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1970 tot 1985 (pragmaten) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1985 tot 2000 (millennials) (1 000 euro, in prijzen van 2024)2000 tot 2015 (generatie Z) (1 000 euro, in prijzen van 2024)
2018,112,712,813,9
2119,415,815,917,6
2221,118,819,621,5
2323,022,023,325,9
2425,724,524,827,330,2
2525,325,427,230,8
2625,226,529,433,5
2724,927,431,435,8
2824,928,232,737,4
2924,628,433,638,6
3024,528,534,239,6
3124,328,534,740,3
3223,828,835,140,9
3323,728,935,441,3
3425,023,529,235,841,8
3524,924,029,336,442,2
3625,224,529,737,042,8
3725,125,530,237,842,8
3825,426,430,638,543,3
3925,527,131,539,144,1
4025,927,532,439,9
4126,128,133,440,6
4225,929,434,641,4
4326,129,935,542,2
4426,630,836,543,2
4527,131,437,644,1
4628,532,338,745,2
4729,833,239,846,4
4830,934,640,847,5
4931,535,841,748,7
5032,236,942,849,6
5132,338,044,051,0
5232,739,045,052,4
5332,939,845,954,1
5432,941,046,754,8
5532,841,647,4
5632,542,447,4
5732,542,447,8
5832,442,447,7
5932,342,247,5
6032,141,747,0
6131,941,546,6
6231,440,945,6
6331,240,144,7
6431,240,144,0
6532,340,243,1
6631,839,643,9
6731,939,243,3
6831,538,643,3
6931,238,542,8
7030,938,2
7130,737,7
7230,437,4
7330,236,8
7430,136,4
7530,035,9
7629,936,2
7729,836,1
7829,836,6
7930,036,5
8030,1
8129,9
8229,7
8329,5
8429,5
8529,3
8629,1
8728,9
8828,9
8929,0

Jongere generaties meer vermogen dan hun voorgangers

Op elke leeftijd hebben jongere generaties meestal een hoger doorsnee vermogen dan voorgaande generaties. Dat komt doordat het vermogen in het algemeen toenam tussen 1993 en 2024, vooral in de jaren 2014-2022 door de oplopende huizenprijzen. Daarna viel het vermogen terug, vooral door de hoge inflatie. Bij de millennials is de toename bijvoorbeeld te zien op de leeftijd van 30 tot 40 jaar, en bij de pragmaten van 45 tot 55 jaar. De groei van het vermogen die millennials als dertiger meemaakten, is veel sterker dan die van oudere generaties op die leeftijd.

Bij de stille generatie geboren voor 1945 liep het vermogen in de leeftijd van 70 tot 75 jaar terug, bij de babyboomers gebeurde dat toen ze 60 tot 65 jaar waren. Dit viel samen met de crisis van 2009-2013. De jongere generaties werden hier minder sterk door getroffen. Op elke leeftijd is het vermogen van de stille generatie lager. Dit hangt samen met het lagere eigenwoningbezit in deze generatie.

Doorsnee vermogen geboortegeneraties
leeftijdVoor 1945 (stille generatie) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1945 tot 1955 (babyboomers) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1955 tot 1970 (generatie X) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1970 tot 1985 (pragmaten) (1 000 euro, in prijzen van 2024)1985 tot 2000 (millennials) (1 000 euro, in prijzen van 2024)2000 tot 2015 (generatie Z) (1 000 euro, in prijzen van 2024)
201,70,80,1
211,70,50,0
221,80,30,0
231,90,10,0
243,12,20,10,2
253,52,80,3
264,73,60,6
276,74,31,3
2811,05,02,6
2913,25,45,0
3018,25,69,0
3122,06,515,2
3227,47,424,3
3333,17,636,3
3439,59,151,2
3546,210,870,3
3651,013,792,0
3756,517,3111,7
3860,922,0112,5
3940,768,926,6118,2
4048,377,532,5
4153,082,136,7
4256,687,241,6
4362,690,648,8
4464,291,660,4
4571,588,174,1
4675,187,589,9
4779,191,5108,0
4886,092,7127,1
4968,098,795,0147,5
5066,9109,998,2168,6
5173,7122,5104,2191,8
5280,1134,2113,0212,5
5378,3150,2122,8213,6
5486,1164,4131,1221,4
5589,3174,8138,9
5695,3181,1145,1
5786,4186,2150,9
5895,5188,3158,8
59100,0181,6170,6
60101,2177,1183,0
61104,7173,7196,2
62107,8170,4209,8
63108,4165,1223,0
64102,7161,9237,0
65105,1166,9250,9
66106,3171,7269,3
67106,9177,5282,9
68105,2188,2275,8
6995,9201,1277,8
7092,8215,3
7181,9223,0
7279,2231,5
7372,2241,3
7472,5251,3
7568,8260,5
7670,2269,3
7768,9279,0
7868,7271,2
7967,4276,8
8068,5
8164,7
8263,2
8359,3
8455,9
8553,9
8653,7
8751,4
8849,5
8948,5

Eigenwoningbezit oudste generaties laagst

Het eigenwoningbezit is vanaf de jaren zeventig sterk gegroeid. Jongere generaties hebben dan ook vaker een eigen woning dan oudere. Toch is dat niet op elke leeftijd zo. Als begintwintiger hebben de generaties geboren tussen 1955 en 2000 ongeveer even vaak een eigen woning, terwijl de jongste generatie Z hierin wat achterblijft. Dat heeft te maken met het woningtekort en de relatief hoge huizenprijzen.

Van 25 tot 45 jaar is het eigenwoningbezit van de pragmaten het hoogst. Vanaf 45 jaar is het weer vrijwel gelijk aan dat van de voorgaande generatie X. Het eigenwoningbezit in de stille generatie is gedurende hun leven een stuk lager dan in de andere generaties en neemt na pensionering relatief sterk af.

Eigenwoningbezit geboortegeneraties
leeftijdVoor 1945 (stille generatie) (%)1945 tot 1955 (babyboomers) (%)1955 tot 1970 (generatie X) (%)1970 tot 1985 (pragmaten) (%)1985 tot 2000 (millennials) (%)2000 tot 2015 (generatie Z) (%)
206,95,86,24,5
2110,010,210,46,7
2213,416,415,610,1
2317,423,221,114,5
2426,821,929,926,620,0
2529,226,035,231,6
2631,629,941,837,0
2734,735,047,541,5
2839,539,852,346,0
2941,944,156,749,9
3043,647,659,553,4
314550,662,356,5
3248,153,464,859,0
3349,155,866,361,0
3443,652,857,767,962,7
3544,554,159,369,164,1
3643,955,160,870,265,1
3742,056,062,370,965,7
3848,858,063,871,466,0
3946,458,764,871,866,4
4046,459,065,871,9
4144,958,867,372,2
4248,859,768,172,3
4347,160,469,272,5
4445,360,469,872,6
4544,660,970,172,8
4647,661,670,572,8
4749,261,870,872,9
4848,962,671,273,0
4949,363,271,673,0
5049,763,871,973,1
5150,064,472,073,1
5250,164,772,373,2
5350,365,172,473,1
5449,865,472,273,2
5549,765,872,2
5649,466,372,0
5749,267,171,7
5849,167,371,7
5948,667,671,4
6048,567,671,2
6148,367,570,9
6247,867,570,7
6347,367,370,4
6446,767,270,1
6546,666,869,9
6646,366,469,5
6746,966,469,1
6846,066,368,8
6945,566,168,5
7044,965,8
7144,265,3
7243,564,8
7343,064,3
7442,463,7
7541,863,1
7641,362,5
7740,862,0
7840,461,3
7939,960,9
8039,7
8138,4
8237,4
8336,4
8435,5
8534,5
8633,6
8732,7
8832,1
8931,3