Biologische bestrijders op 94 procent van glastuinbouwareaal

© ANP / Tom van Limpt
In 2024 werden op 94 procent van het areaal glastuinbouw biologische bestrijders gebruikt tegen plagen. Dat is vergelijkbaar met 2020. Wel werden verschillende soorten biologische bestrijders op een groter deel van het areaal ingezet. Zo groeide de oppervlakte waarop roofmijten en rooftripsen werden gebruikt van 69 procent in 2020, naar 84 procent in 2024. Daarnaast worden op twee derde van het glastuinbouwareaal microbiologische middelen, zoals bacteriën, tegen plaaginsecten ingezet. Dit blijkt uit voorlopige cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Aan telers van komkommers, paprika’s, tomaten, aardbeien, gerbera’s, chrysanten, rozen, potplanten voor de bloei, en bladplanten is gevraagd naar het gebruik van biologische bestrijders tegen plagen. Ongeveer de helft van de telers in de glastuinbouw teelt een van deze gewassen, die samen 70 procent uitmaken van het totale glastuinbouwareaal. Het totale glastuinbouwareaal bedraagt 10 duizend hectare.

Naast roofmijten en rooftripsen werden ook andere biologische bestrijders als sluipwespen en galmuggen, en roofwantsen, -vliegen en -kevers op een groter deel van het areaal ingezet dan vier jaar eerder. Het areaal waarop aaltjes zijn gebruikt is met 12 procent het laagst.

Inzet biologische bestrijders glastuinbouw¹⁾
Groep biologische bestrijders2024* (% van areaal)2020 (% van areaal)2016 (% van areaal)2012 (% van areaal)
Totaal94,494,492,077,6
Roofmijten en
rooftripsen
83,669,365,851,3
Sluipwespen en
galmuggen
76,674,267,152,3
Roofwantsen, roofkevers,
gaasvliegen en zweefvliegen
65,460,853,650,5
Aaltjes11,88,713,67,9
¹⁾ meerdere biologische bestrijders kunnen tegelijk worden ingezet * voorlopige cijfers

Biologische bestrijders bij grootste deel glasteelt

Bij de meeste gewassen in de glasteelt worden op meer dan 95 procent van het areaal biologische bestrijders ingezet tegen plaaginsecten en spintmijten. Bij de teelt van komkommers en tomaten worden deze al sinds 2020 ingezet op bijna het hele teeltoppervlak. Bij potplanten voor de bloei en bladplanten ligt dit percentage lager, maar nog ruim boven de 75 procent.

Gewassen met biologische bestrijders in glastuinbouw
Gewas2024* (% van areaal)2020 (% van areaal)
Komkommers100,0100,0
Tomaten100,0100,0
Gerbera's100,097,5
Paprika's99,7100,0
Rozen98,5100,0
Aardbeien96,897,8
Chrysanten96,293,2
Bladplanten83,980,8
Potplanten
(voor de bloei)
77,874,5
* voorlopige cijfers

Sterkste toename inzet roofmijten in tomatenteelt

Het areaal waarop roofmijten en rooftripsen zijn ingezet steeg het sterkst bij tomaten: van 18 procent in 2020 naar 66 procent in 2024. Sluipwespen en galmuggen worden vooral meer gebruikt bij de teelt van potplanten voor de bloei (van 29 procent naar 45 procent). Ook bij chrysanten is er een sterke toename, van 68 procent naar 82 procent.

Het areaal waarop roofwantsen, roofkevers, gaasvliegen en zweefvliegen worden ingezet steeg het hardst in de chrysantenteelt: van 10 procent naar 44 procent.

Microbiologische middelen op ruim twee derde areaal

Naast biologische bestrijders zijn ook microbiologische middelen, zoals bacteriën, schimmels en virussen, een duurzamer alternatief voor chemische middelen in de bestrijding van insecten. Deze middelen worden op 67 procent van het glastuinbouwareaal ingezet tegen insecten. Het gebruik van deze middelen is het hoogst bij de teelt van gerbera’s, namelijk op 90 procent van het areaal. Bij de teelt van komkommers worden microbiologische middelen het minst gebruikt (50 procent).

Microbiologische middelen¹⁾ in glastuinbouw, 2024*
Gewas2024* (% van areaal)
Gerbera's89,6
Tomaten81,9
Rozen76,7
Paprika's76,3
Aardbeien65,3
Bladplanten54,3
Chrysanten53,8
Potplanten
(voor de bloei)
51,7
Komkommers50,0
¹⁾ voor insectenbestrijding * voorlopige cijfers

Buiten de glastuinbouw worden microbiologische middelen minder toegepast voor de bestrijding van insecten. Dit blijkt uit onderzoek naar het gebruik van microbiologische middelen onder 44 landbouwgewassen. In de akkerbouw is het gebruik het laagst. Bij de teelt van appels, peren, laan- en parkbomen (bijvoorbeeld kastanje, berk en Japanse sierkers), en de opkweek van vruchtbomen ligt het gebruik van deze middelen tussen 10 en 25 procent van het areaal.