Methoderapport wijzigingen statistiek wegvoertuigen, 2026

3. Inhoudelijke wijzigingen

Er zijn verschillende inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd bij de dataverwerking. Dit hoofdstuk gaat in op de belangrijkste veranderingen, namelijk een gewijzigde populatieafbakening, een andere werkwijze rondom voertuig statussen en nieuwe en verbeterde indelingen van de voertuigsoort, brandstofsoort en milieuklasse.

3.1 Afbakening van de voertuigpopulatie

Voor de doelpopulatie geldt als uitgangspunt dat een voertuig in het jaar voorafgaand aan het peilmoment minimaal één dag verzekerd moet zijn geweest. Daarmee wordt zoveel mogelijk aangesloten bij voertuigen die gedurende het jaar daadwerkelijk op de openbare weg konden worden gebruikt.

De Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) schrijft voor dat voertuigen waarvoor een verzekeringsplicht geldt verzekerd moeten zijn zolang het kenteken geldig is. Voor aanhangers en opleggers geldt deze verzekeringsplicht niet. Voor deze voertuigsoorten wordt daarom een afwijkende selectie toegepast.

Daarnaast wordt rekening gehouden met een beperkte groep voertuigen waarbij in de maand voorafgaand aan het peilmoment sprake is van een wijziging van de geregistreerde aansprakelijke. Door de administratieve verwerking van de verzekering is het mogelijk dat er op het peilmoment (bijv. 1 januari) tijdelijk nog geen verzekering is geregistreerd. Deze voertuigen worden dan toch tot de doelpopulatie gerekend.

Bovenstaande afbakening van de doelpopulatie is niet gewijzigd ten opzichte van de oude methode, wel worden in de nieuwe afbakening van de populatie gestolen voertuigen en voertuigen zonder regionale informatie meegenomen. Hierdoor is de populatie gemiddeld met 12-17 duizend voertuigen per jaar toegenomen.

In de vernieuwde wegvoertuigen statistiek worden drie relevante deelpopulaties onderscheiden en gepubliceerd: het actieve park, het passieve park en de uitval.

Actief park

Het actieve park bestaat uit voertuigen die aan de algemene populatievoorwaarden, zoals in paragraaf 3.1 beschreven, voldoen en op peildatum 1 januari geen status hebben die het gebruik van het voertuig belemmert.

Voertuigen die bijvoorbeeld geschorst zijn of wachten op keuring behoren volgens de nieuwe methode niet meer tot het actieve park. Hierdoor is het actieve park met de nieuwe methode op 1-1-2026 2,6 procent kleiner geworden dan op basis van de oude methode.

Passief park

Het passieve park bestaat uit voertuigen die wel aan de algemene populatievoorwaarden voldoen, maar op 1 januari tijdelijk niet tot het actieve park behoren vanwege hun status. Deze voertuigen kunnen echter in principe op elk moment weer deel gaan uitmaken van het actieve park.

Tot het passieve park worden onder meer voertuigen gerekend die op het peilmoment zijn geschorst, wachten op keuring of die tot de bedrijfsvoorraad behoren. In de oude indeling werden geschorste voertuigen tot de actieve voertuigen gerekend. Het publiceren van het passieve park op StatLine is nieuw, voorheen werden alleen cijfers over actieve voertuigen en over uitgevallen voertuigen gepubliceerd.

Uitval

De uitval bestaat uit voertuigen waarvan gedurende het jaar voorafgaand aan het peilmoment de registratie zodanig is gewijzigd dat zij niet langer tot het voertuigenpark behoren. Tot de uitval wordt gerekend: export, sloop of demontage, diefstal, en buiten de registratie gesteld.  De precieze toedeling wordt bepaald op basis van de statushistorie (zie paragraaf 3.2) en de daarvoor vastgestelde prioriteitsregels. In  de nieuwe methode horen de gestolen voertuigen tot de uitval, in de oude methode behoorden deze voertuigen helemaal niet tot de populatie. Hierdoor is het totaal aantal uitgevallen voertuigen in 2025 (peildatum 1-1-2026) 2,4 procent hoger geworden.

In tabel 3.1.1 wordt getoond waaruit de verschillende deelpopulaties in de oude en nieuwe methode bestaan en of ze wel of niet gepubliceerd werden op StatLine.

3.1.1 Vergelijking populatie park oude en nieuwe methode
Deelpopulaties parkIndeling oude methodeIn oude publicatieIndeling nieuwe methodeIn huidige publicatie
ActiefInclusief schorsingenJaExclusief schorsingenJa
PassiefBedrijfsvoorraadNeeBedrijfsvoorraad
en schorsingen
Ja
UitvalExclusief diefstalJaInclusief diefstalJa

Het actieve, passieve park en de uitval samen vormen de populatie waarvoor voertuigkilometers worden geschat in de statistiek verkeersprestaties en waarvoor ook emissies worden geschat voor het wegverkeer. Door de wijziging in de populatie van het voertuigenpark sluiten de populaties van de drie statistieken nu exact op elkaar aan.

3.2 Nieuwe afleiding van de voertuigstatus

In de oude datalevering ontving het CBS van de RDW per kenteken de actuele status(sen) van voertuigen en de bijbehorende begindatum. In de nieuwe levering ontvangt het CBS de complete statushistorie van alle kentekens uit de desbetreffende datalevering. De datalevering biedt een compleet overzicht van alle statussen die de voertuigen ooit gehad hebben, inclusief start- en einddatum van de status. Het komt ook voor dat een voertuig gelijktijdig meerdere statussen heeft.

Het CBS leidt op basis van deze dataset nu zelf de voor de statistiek relevante status af. Wanneer meerdere statussen tegelijkertijd geldig zijn, wordt een vaste prioriteitsvolgorde toegepast. Dit heeft als voordeel dat de statussen consequent en transparant worden afgeleid.

Statussen worden gebruikt om de populatie-indeling naar actief, passief en uitval af te leiden. Zie ook paragraaf 3.1.

3.3 Nieuwe voertuigsoortindeling

Er is een nieuwe indeling gemaakt voor de voertuigsoort, op basis van de Europese voertuigcategorie. Daarmee sluit de CBS-indeling beter aan bij Europese classificaties, wet- en regelgeving en indelingen die ook door andere organisaties worden gebruikt.

De nieuwe indeling bevat nieuwe voertuigcategorieën maar leidt ook tot verschuivingen tussen bestaande categorieën. De belangrijkste wijzigingen zijn:

Campers

Campers werden voorheen grotendeels bij personenauto's of speciale voertuigen ingedeeld. In de nieuwe statistiek vormen campers een afzonderlijke voertuigsoort.

Driewielige motorvoertuigen

Een deel van de lichte driewielige motorvoertuigen dat voorheen tot de personenauto's werd gerekend, wordt volgens de nieuwe indeling tot de motorfietsen gerekend.

Speciale voertuigen

De afzonderlijke categorie speciale voertuigen vervalt. Voertuigen uit deze groep worden op basis van hun technische kenmerken ondergebracht bij andere voertuigsoorten, waaronder campers, bestelauto's en vrachtauto's.

Speedpedelecs

Speedpedelecs werden in de oude statistiek grotendeels tot de bromfietsen en voor een kleiner deel tot de snorfietsen gerekend. In de nieuwe StatLine-publicatie worden zij als afzonderlijke voertuigsoort gepresenteerd.

Bussen

De totale groep bussen blijft bestaan, maar wordt opgesplitst in touringcars en lijnbussen. Deze indeling werd wel al gemaakt bij de statistiek Verkeersprestaties, maar wordt nu al afgeleid bij de statistiek Wegvoertuigen. Hierbij is ook nog een kleine verbetering doorgevoerd in de afleiding lijnbus/touringcar.

Landbouwvoertuigen

Landbouwvoertuigen en landbouwaanhangers vormen een nieuwe categorie binnen de CBS-publicatie. Sinds 1 januari 2022 geldt voor landbouwvoertuigen die gebruikmaken van de openbare weg een registratieplicht. Het betreft onder meer tractoren, mobiele landbouwmachines en getrokken landbouwvoertuigen. Deze voertuigen werden in de oude levering niet regulier aan het CBS geleverd en konden daardoor niet op dezelfde manier in de statistiek worden opgenomen.

Zie bijlage B.1 voor een overzicht van de nieuwe voertuigindeling.

3.4 Brandstofindeling

In de oude methode werd op basis van de brandstofvariabelen uit het bronbestand van de RDW onderscheid gemaakt tussen hoofdbrandstof en (indien van toepassing) nevenbrandstof. Daarnaast werd op basis van een aantal kenmerken bepaald of er bij de hoofdbrandstof elektriciteit, sprake was van een volledig elektrisch, hybride of plug-inhybride voertuig.
In de nieuwe methode wordt op basis van dezelfde brandstofvariabelen uit het bronbestand een uitgebreidere brandstofindeling gemaakt. Tevens kan het onderscheid tussen hybride en plug-inhybride voertuigen beter bepaald worden door gebruik te maken van een nieuwe indicator van de RDW. Voor de personenauto’s wordt voor hybride en plug-inhybride voertuigen ook de tweede brandstof gepubliceerd.

Zie bijlage B.2 voor een overzicht van de nieuwe brandstofindeling.

3.5 Milieuklasse

De afleiding van de milieuklasse is in het nieuwe proces verbeterd.

Per type brandstof levert de RDW een milieuklasse. De milieuklasse is alleen relevant voor personenauto’s, bedrijfsauto’s (licht en zwaar) en bussen. De milieuklasse, ook wel euronorm genoemd, geeft aan hoe milieuvriendelijk een voertuig is. Bij voertuigen die slechts op één brandstofsoort kunnen rijden, wordt de bijbehorende milieuklasse geselecteerd. Voor voertuigen die op een fossiele brandstof rijden, is dit een numerieke milieuklasse. Voor volledig elektrische en waterstofvoertuigen is de milieuklasse ‘Z’, wat staat voor zero emission.

Bij voertuigen die op meerdere brandstofsoorten kunnen rijden, wordt de meest relevante milieuklasse geselecteerd. Dit komt bijvoorbeeld voor bij hybrides, plug-inhybrides en voertuigen die op LPG en benzine kunnen rijden.

Hybrides en plug-inhybrides worden niet als zero-emission voertuigen beschouwd, omdat zij ook op een fossiele brandstof kunnen rijden. Daarom krijgen zij niet de milieuklasse ‘Z’, maar de milieuklasse die hoort bij de fossiele brandstof waarop het voertuig kan rijden.

Bij voertuigen die zowel op LPG als op benzine kunnen rijden, wordt de milieuklasse van LPG geselecteerd. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat het voertuig voornamelijk op LPG rijdt.

Als de milieuklasse bij een voertuig onbekend is, wordt deze bepaald op basis van het voertuigtype, de toelatingsdatum en het gewicht van het voertuig. Het toekennen van een milieuklasse als deze onbekend was, werd in de oude methode niet gedaan.

3.6 Regio- en adresinformatie

Het CBS ontvangt in de nieuwe levering meer adresinformatie van de eigenaar van een voertuig dan voorheen. Daardoor kan vaker een adres worden gebruikt dat de feitelijke locatie van de geregistreerde aansprakelijke weergeeft in plaats van bijvoorbeeld een postadres. Hierdoor is de kwaliteit van de tabellen waarbij regio informatie wordt gebruikt, bijvoorbeeld aantal auto’s naar wijk en buurt, verbeterd. Toch zullen gebruikers van de cijfers zien dat de StatLinetabellen nu ook een categorie ‘regio onbekend’ bevatten die er voorheen niet was. Dit is omdat, zoals in paragraaf 3.1 al aan bod kwam, voorheen voertuigen waarvan de regio onbekend was werden uitgesloten van de populatie.