Klantenpotentiëlen en omgevingsadressendichtheid (KpOAD)

Definities en berekeningswijze van OAD, landelijk gebied, woonkernen, klantenpotentiëlen en centrumfuncties

Over deze publicatie

Deze nota beschrijft de definities en berekeningswijze van de ruimtelijke eenheden die het CBS voor 2026 samenstelt voor het Gemeentefonds en Provinciefonds. Aan bod komen de omgevingsadressendichtheid, inwoners in landelijk gebied, meerkernigheid en woonkernen, het lokale en regionale klantenpotentieel en de lokale, regionale en landelijke centrumfunctie. De uitkomsten worden bepaald voor gemeenten, COROP-gebieden, provincies, landsdelen en Nederland.

1. Inleiding

Dit document beschrijft de achtergrond en definities van verschillende ruimtelijke eenheden die binnen het deelproces KpOAD (Klantenpotentiëlen, OmgevingsAdressenDichtheid) aan het Gemeentefonds en Provinciefonds worden geleverd. Het is grotendeels gebaseerd op de oorspronkelijke omschrijving geschreven door Niek van Leeuwen in 2024.

Eenheden die onder KpOAD vallen zijn:

  • Omgevingsadressendichtheid (OAD);
  • Inwoners in landelijk gebied; 
  • Meerkernigheid totaal en woonkernen met minimaal 500 adressen; 
  • Centrumfuncties lokaal, regionaal en landelijk;
  • Klantenpotentieel lokaal en regionaal (Kp).

Met ingang van 2023 zijn de drie centrumfuncties ingevoerd. Overige eenheden zijn met ingang van de uitkeringen over 1997 ingevoerd en worden sindsdien nagenoeg onveranderd toegepast. Aanleiding voor het herontwerp per 1997 was het beschikbaar komen van adressen per 500 bij 500 meter vierkant op productiebasis bij het CBS. 

In de spreektaal wordt vaak met het “adres” een adresseerbaar object bedoeld. In dit document wordt met een adres dan ook het hoofdadres van het adresseerbare object bedoeld. Bij de afleiding van de eenheden voor de Algemene Uitkeringen worden nevenadressen in principe buiten beschouwing gelaten. Wanneer van toepassing duiden we deze dan ook expliciet als nevenadres aan.

Bij de berekeningen worden steunbestanden en tussenbestanden gebruikt die in de preprocesfase zijn samengesteld. De uitkomst van de berekeningen is een plat ASCII-bestand met de waarden van de diverse eenheden per gemeente en voor de vier overige gebiedsindelingen (COROP, provincie, landsdeel en Nederland).

Voor de afleiding van andere steun- en tussenbestanden wordt verwezen naar afzonderlijke bijlagen en werkinstructies.

Steunbestanden zijn: 

  • De regio-indeling van het rekenjaar;
  • Het totale aantal inwoners per gemeente van het rekenjaar;
  • Het Nationaal Wegen Bestand (versie 01 april van het rekenjaar), m.i.v. 2023;
  • Adressen in het buitenland (vaste tabel);
  • Vierkantenkaart 500 bij 500 meter van geheel Nederland (vaste kaart).

Tussenbestanden zijn:

  • De tabel met gemeente-vierkant combinaties met het aantal VSL (Verblijfsobjecten, Stand- en Ligplaatsen) en inwoners per combinatie;
  • De herindelingstabel voor voorlopige berekeningen;
  • Het aantal inwoners per gemeentesplitsing bij voorlopige berekeningen.

De definitieve cijfers voor bovenstaande eenheden voor een bepaald jaar worden in mei van het betreffende jaar geleverd. De voorlopige cijfers voor een bepaald jaar worden in november van het voorgaande jaar geleverd.

2. Definities

Voor de implementatie van de berekeningen is in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) een aantal rekenregels vastgesteld. Deze regels worden hierna zoveel mogelijk beschreven.

2.1 Omgevingsadressendichtheid (OAD)

De OmgevingsAdressenDichtheid (OAD) is het gemiddeld aantal adressen per vierkante kilometer (km2) dat een adres binnen zijn omgeving heeft. Als omgeving van een adres wordt een cirkel aangehouden met een straal van één kilometer rondom dat adres. 

Deze definitie hanteert het CBS in het kader van typering van mate van stedelijkheid van een regio, meestal de gemeente. Het CBS is in 1992 overgegaan op deze eenheid die gecategoriseerd wordt naar één van de vijf klassen van stedelijkheid, terwijl het daarvoor de typering “urbanisatiegraad” hanteerde.

De omgeving van een adres wordt vertaald naar een groepering van 500 bij 500 meter vierkanten. Figuur 1 illustreert dit principe. De omgeving van het donkergrijze vierkant wordt gedefinieerd als het eigen vierkant (het vierkant waarin het adres ligt), samen met de twaalf vierkanten waarvan het middelpunt binnen een straal van één kilometer van het middelpunt van het eigen vierkant ligt. De OAD wordt berekend als het totaal aantal adressen in deze dertien vierkanten, gedeeld door de totale oppervlakte daarvan (3,25 km2) en afgerond op een geheel getal. De eenheid van de OAD is dan ook adressen/km2. Alle adressen binnen een vierkant krijgen vervolgens dezelfde OAD toegekend. Daarbij kunnen dus ook adressen in meerdere gemeenten in dat vierkant liggen. De OAD is een eigenschap van het vierkant.
 
2.1.1 Eigenvierkant en de omliggende vierkanten bij de berekening van de OAD
Eigenvierkant en de omliggende vierkanten bij de berekening van de OAD.

Wanneer in een bepaald vierkant gebouwd wordt en het aantal adressen toeneemt, dan heeft dat niet alleen effect op de OAD van het betreffende vierkant, maar ook op de twaalf omliggende vierkanten waarvoor dan een hogere OAD wordt berekend.

De OAD van een gebied (bijvoorbeeld een gemeente) wordt bepaald als het gemiddelde van de OAD van alle adressen van dat gebied. Dit is de som van de OAD van alle adressen binnen dat gebied, gedeeld door de som van alle adressen in dat gebied. Afronding vindt plaats nadat het gemiddelde voor een gebied berekend is.

De OAD van een 500 bij 500 meter vierkant kan oplopen tot meer dan twaalfduizend (bijvoorbeeld in het centrum van Amsterdam). De waarde nul is een afronding en wordt berekend wanneer een vierkant met één adres geen ander vierkant met adressen binnen één kilometer om zich heen heeft.

2.2 Inwoners in landelijk gebied

Onder het landelijk gebied vallen binnen het stelsel van Algemene Uitkeringen vierkanten van 500 bij 500 meter met een stedelijkheidsklasse “weinig stedelijk” en “niet stedelijk”.

De stedelijkheidsklassen die het CBS hanteert zijn een maatstaf voor de concentratie van menselijke activiteiten gebaseerd op de gemiddelde OAD. Hierbij zijn vijf categorieën onderscheiden:

  • Zeer sterk stedelijk: gemiddelde OAD van 2500 of meer adressen per km2;
  • Sterk stedelijk: gemiddelde OAD van 1500 tot 2500 adressen per km2
  • Matig stedelijk: gemiddelde OAD van 1000 tot 1500 adressen per km2;
  • Weinig stedelijk: gemiddelde OAD van 500 tot 1000 adressen per km2;
  • Niet stedelijk: gemiddelde OAD van minder dan 500 adressen per km2.

Het aantal inwoners in het landelijk gebied per regio is de som van alle inwoners van die regio die wonen in de 500 bij 500 meter vierkanten die een OAD van minder dan 1000 adressen per km2 kennen.

Het aantal inwoners per 500 bij 500 meter vierkant wordt ook als tussenproduct bepaald. Door koppeling van de OAD van een vierkant aan de tabel met gemeente-vierkant combinaties met het aantal inwoners, kan het aantal inwoners in het landelijk gebied per gemeente en bovenliggende regio’s worden afgeleid. Een gemeente kan dus inwoners in alle vijf de stedelijkheidsklassen herbergen.

2.3 Meerkernigheid en woonkernen

Met meerkernigheid wordt gerefereerd aan het aantal woonkernen per gebied. Deze woonkernen zijn gebaseerd op kernvierkanten. Kernvierkanten zijn 500 bij 500 meter vierkanten die ieder minimaal 25 verblijfplaatsen (hoofdadressen) bevatten.

Een woonkern kan bestaan uit één geïsoleerd kernvierkant, of uit meerdere kernvierkanten. Het eerste geval komt voor wanneer een kernvierkant niet langs een zijde aan een ander kernvierkant verbonden is. Wanneer dit wel het geval is, zullen deze kernvierkanten samen een aparte woonkern vormen. Kernvierkanten die slechts één hoekpunt delen worden daarmee dus tot verschillende woonkernen gerekend. Het buitengebied is het gebied dat niet tot de woonkernen behoort (vierkanten met minder dan 25 hoofdadressen).

Bij de afleiding van meerkernigheid wordt ieder kernvierkant slechts aan één gemeente toegekend en doet daarom alleen voor de gemeente mee in de afbakening van de woonkernen van die gemeente. Dit wijkt af van de methodiek gebruikt bij de berekening van de klantenpotentiëlen en centrumfuncties, waar een aangepaste afbakening wordt toegepast (zie hoofdstukken 2.4 en 2.5). Bij de afleiding van meerkernigheid wordt een kernvierkant (met in totaal minimaal 25 hoofdadressen) dat op het grondgebied van twee of meer gemeenten ligt, toegekend aan de woonkern van de gemeente die de meeste hoofdadressen in dat vierkant heeft. Bij een gelijk aantal adressen per gemeente wordt het vierkant toegekend aan de gemeente met het grootste aantal adressen (voor de gehele gemeente). 

Kernvierkanten binnen een gemeente die met een zijde aan elkaar grenzen, vormen één woonkern. Wanneer vierkanten alleen met de punt aansluiten vormen ze aparte woonkernen. Bij meerkernigheid gaat het om het aantal woonkernen. Voor elke aparte woonkern wordt het aantal hoofdadressen geteld. Het aantal woonkernen met minimaal 500 hoofdadressen per gemeente wordt ten slotte ook bepaald. Bij dit deelproces wordt ook een woonkernenkaart voor Nederland aangemaakt, waarop de woonkernen per gemeente te zien zijn, met het aantal adressen per woonkern.

2.4 Lokaal en regionaal klantenpotentieel

Met ingang van 1997 zijn het lokaal en regionaal klantenpotentieel ingevoerd om de faciliterende rol van grotere gemeenten voor hun omgeving te kunnen ondersteunen. Het gaat hierbij om faciliteiten in gemeenten, waar inwoners van de gemeente zelf gebruik van maken, maar ook inwoners van omliggende gemeenten. Voorbeelden hiervan zijn zwembaden op lokale schaal en theaters op regionale schaal. Gemeenten worden gecompenseerd voor deze faciliterende rol. Als maat hiervoor heeft het ministerie van BZK eenheden ontworpen met een bewerking op het attractiemodel van Huff. Dit model is aangepast door een weging voor lokale en regionale invloed toe te passen.

Het model gaat uit van een gewicht (een attractie) en de invloed van afstand tot andere gewichten op de mate van attractie. Deze invloed neemt snel af met afstand. Als gewicht geldt het aantal aan de zwaartepunten van woonkernen toegekende inwoners. Als afstand wordt bij lokaal en regionaal klantenpotentieel een hemelsbrede afstand toegepast. Deze benadering geldt al vanaf 1997 en verschilt met de benadering van de centrumfuncties die met ingang van 2023 wordt toegepast waarbij de afstand over de weg (NWB) wordt gebruikt.

Afbakening woonkernen per gemeente

Bij welke gemeente een woonkern hoort, wordt in deze berekeningen anders bepaald dan bij de berekeningen van meerkernigheid. De aanleiding voor deze aanpassing was een groot verschil in de uitkering aan de gemeente Zaanstad in 2001. Aan deze gemeente werden enkele miljoenen euro’s minder uitgekeerd dan voorheen. Dit grote, ongewenste effect gaf aanleiding om de methodiek voor de afbakening van woonkernen per gemeente te herzien. Daarom werden met ingang van 2001 de woonkernen per gemeente niet meer hetzelfde afgebakend als bij de meerkernigheid bepaling, maar werd een andere methode toegepast. Hierbij worden de woonkernen per gemeente afgeleid als groepering van alle kernvierkanten waarin die gemeente minimaal één adres heeft. Een kernvierkant kan dus voor twee (of meerdere) gemeenten worden gebruikt, als beide gemeenten daar samen minimaal 25 adressen hebben, waarvan iedere gemeente minimaal één adres. Het voorbeeld hieronder licht dit verder toe.

Voorbeeld

Een vierkant ligt op het grondgebied van gemeente A en van gemeente B. Het vierkant heeft 25 adressen, waarvan er 24 liggen in gemeente A en één in gemeente B. 

Meerkernigheid

Het vierkant heeft minimaal 25 adressen, dus is een kernvierkant. Het hoort in dit geval bij de woonkern(en) van gemeente A, omdat deze gemeente de meeste adressen heeft binnen het vierkant.

Klantenpotentiëlen en centrumfuncties

Het vierkant heeft minimaal 25 adressen, dus is een kernvierkant. Het hoort zowel bij de woonkern(en) van gemeente A, als bij de woonkern(en) van gemeente B, omdat het vierkant in beide gemeenten minstens één adres heeft.

Door deze andere afbakening hebben de activiteiten van de ene gemeente geen catastrofale effecten op de afbakening van woonkernen van de buurgemeente. Bij berekeningen betekent dit wel dat de begrenzing en zwaartepunten van woonkernen per afzonderlijke gemeente moeten worden afgeleid.

Zwaartepunten

Bij de berekening van het lokale en regionale klantenpotentieel wordt gebruikgemaakt van zwaartepunten van woonkernen. Het zwaartepunt wordt vastgelegd als een X- en Y-coördinaat. Bij de invoering van deze eenheid in 1997 was van een adres enkel bekend in welk 500 bij 500 meter vierkant dit lag (coördinaten van adressen waren toen nog niet beschikbaar). De zwaartepunten van de woonkernen bij de berekeningen van het lokale en regionale klantenpotentieel worden daarom vastgelegd als de coördinaten van het linksonderpunt van het 500 bij 500 meter vierkant waarin het zwaartepunt van de woonkern ligt (dit is dus een veelvoud van 500 meter). Dit wijkt af van hoe de zwaartepunten worden bepaald bij het berekenen van de centrumfuncties (zie hiervoor hoofdstuk 2.5). Daar wordt namelijk wel het gemiddelde X- en Y-coördinaat gehanteerd (bepaald op basis van de adrescoördinaten). 

Vervolgens wordt het inwonertal van iedere woonkern binnen een gemeente bepaald. Inwoners in de kernvierkanten van een woonkern worden in eerste instantie aan die woonkern toegedeeld. Inwoners van de gemeente die niet in een woonkern wonen, worden aan de woonkernen van een gemeente toegedeeld naar rato van het in eerste instantie toegekende inwonertal.

De coördinaten van het zwaartepunt worden in de berekening gebruikt om de onderlinge afstanden van woonkernen te bepalen. Een woonkern trekt natuurlijk ook zelf een groot deel van de inwoners aan. De afstand van een woonkern tot zichzelf wordt daarom op één kilometer gesteld, evenals afstanden tot andere woonkernen die kleiner zijn dan één kilometer. 

Lokaal klantenpotentieel

Het aantal potentiële lokale klanten van een woonkern is het aantal klanten dat een woonkern van een gemeente aantrekt uit alle woonkernen binnen een straal van 20 kilometer rondom de eigen woonkern, met inbegrip van die woonkern zelf. 

Hierbij geldt dat:

  • Verondersteld wordt dat de lokale aantrekkingskracht van een kern lineair toeneemt met het aantal inwoners van die kern en afneemt met het kwadraat van de afstand tot die kern;
  • De lokale aantrekkingskracht wordt nul gesteld op een afstand van meer dan 20 kilometer; 
  • Het totale aantal potentiële lokale klanten in Nederland is gelijk aan het aantal inwoners.

Bij de berekening van het klantenpotentieel worden als eerste stap de inwoners van een woonkern verdeeld over alle woonkernen binnen de straal van invloed. Voor het lokale klantenpotentieel is die invloed maximaal 20 kilometer. Iedere woonkern krijgt een proportie van de inwoners toegedeeld. Die proportie is het aandeel van die kern in de som van proporties die op de woonkern wordt uitgeoefend. Vervolgens wordt per woonkern het aantal potentiële lokale klanten uit alle kernen gesommeerd. Het lokaal klantenpotentieel van een gemeente wordt verkregen door het aantal potentiële lokale klanten van alle woonkernen binnen de gemeente op te tellen.

In formule: 

$$P_{ij} =
\begin{cases}
\displaystyle
\frac{\dfrac{M_j}{d_{ij}^{2}}}
     {\displaystyle\sum_{n:\,d_{in}\leq 20}
      \dfrac{M_n}{d_{in}^{2}}},
& \text{als } d_{ij}\leq 20\,\text{km},\\[1.25em]
0,
& \text{als } d_{ij}>20\,\text{km}.
\end{cases}$$

Waarbij:

  • Mj: het gewicht van de kern j (het aantal inwoners)
  • dij: de afstand tussen de zwaartepunten van de woonkern j tot de woonkern i waarbij alleen woonkerken binnen een straal van 20 kilometer worden betrokken;
  • \(\dfrac{M_j}{d_{ij}^{2}}\): de lokale attractie van kern j op kern i;
  • \(\displaystyle\sum_{\substack{n:\,d_{in}\leq 20}}
    \dfrac{M_n}{d_{in}^{2}}\): de som van alle attracties van alle woonkernen binnen 20 km op de woonkern i;
  • Pij: het aandeel van de inwoners uit kern i dat aan kern j wordt toebedeeld. 

Deze proportie is een getal tussen 0 en 1 en wordt vervolgens met het aantal inwoners van kern i vermenigvuldigd, waardoor het aantal inwoners dat kern j ontvangt van kern i wordt berekend. 

Regionaal klantenpotentieel

Het aantal potentiële regionale klanten van een woonkern is het aantal klanten dat een woonkern van een gemeente aantrekt uit alle woonkernen binnen een straal van 60 kilometer rondom de eigen woonkern, met inbegrip van die woonkern zelf. 

Hierbij geldt dat:

  • Verondersteld wordt dat de regionale aantrekkingskracht van een kern toeneemt met het kwadraat van het aantal inwoners van die kern en afneemt met het kwadraat van de afstand tot die kern;
  • De regionale aantrekkingskracht is nul op een afstand van meer dan 60 kilometer;
  • Het totale aantal potentiële regionale klanten in Nederland is gelijk aan het aantal inwoners.

Bij de berekening van het klantenpotentieel worden als eerste stap de inwoners van een woonkern verdeeld over alle woonkernen binnen de straal van invloed. Voor het regionale klantenpotentieel is die invloed maximaal 60 kilometer. Iedere woonkern krijgt een proportie van de inwoners toegedeeld. Die proportie is het aandeel van die kern in de som van proporties die op de woonkern wordt uitgeoefend. Vervolgens wordt per woonkern het aantal potentiële regionale klanten uit alle kernen gesommeerd. Het regionale klantenpotentieel van een gemeente wordt verkregen door het aantal potentiële regionale klanten van alle woonkernen binnen de gemeente op te tellen.

In formule:

\[
P_{ij} =
\begin{cases}
\displaystyle
\frac{\dfrac{M_j^{2}}{d_{ij}^{2}}}
     {\displaystyle\sum_{\substack{n:\,d_{in}\leq 60}}
      \dfrac{M_n^{2}}{d_{in}^{2}}},
& \text{als } d_{ij}\leq 60\,\text{km},\\[1.25em]
0,
& \text{als } d_{ij}>60\,\text{km}.
\end{cases}
\]

Waarbij:

  • Mj: het gewicht van de kern j (het aantal inwoners)
  • dij: de afstand tussen de zwaartepunten van de woonkern j tot de woonkern i, waarbij alleen woonkernen binnen een straal van 60 kilometer worden betrokken;
  • \(\dfrac{M_j^{2}}{d_{ij}^{2}}\): de regionale attractie van kern j op kern i;
  • \(\displaystyle\sum_{\substack{n:\,d_{in}\leq 60}}
    \dfrac{M_n^{2}}{d_{in}^{2}}\): de som van alle attracties van alle woonkernen binnen 60 kilometer op de woonkern i;
  • Pij: het aandeel van de inwoners uit kern i dat aan kern j wordt toebedeeld. 

Deze proportie is een getal tussen 0 en 1 en wordt vervolgens met het aantal inwoners van kern i vermenigvuldigd, waardoor het aantal inwoners dat kern j ontvangt van kern i wordt berekend. 

2.5 Centrumfunctie lokaal, regionaal en landelijk

De lokale en regionale centrumfuncties worden berekend analoog aan die van de lokale en regionale klantenpotentiëlen, namelijk M/d2 voor lokale centrumfunctie met een maximale afstand van 20 kilometer en M2/d2 voor de regionale centrumfunctie met een maximale afstand van 60 kilometer. Bij de berekening van de landelijke centrumfunctie wordt de berekening van de proportie gelijk gesteld aan die van de regionale centrumfunctie, dus M2/d2. Maar er wordt hierbij geen maximale grens meer gesteld. De proportie van de landelijke centrumfunctie wordt berekend voor alle woonkernen in Nederland en de inwoners worden verdeeld over de aantrekking door alle woonkernen van Nederland.

Verschillen methodiek klantenpotentiëlen

Er zijn echter belangrijke verschillen in de methodiek tussen de berekeningen van de klantenpotentiëlen en de centrumfuncties. Sinds 2023 is een aangepaste bepaling van de afstand in het attractiemodel toegepast. De afstand wordt voor de centrumfunctie niet hemelsbreed berekend, maar via het netwerk van verbonden wegen met naam of nummer, het Nationaal Wegenbestand (NWB). Omdat de afstand over de weg wordt berekend, kan de afstand van A naar B anders uitvallen dan van B naar A, vanwege invloed van eenrichtingswegen. 

Daarnaast is ook de berekening van het zwaartepunt verfijnd. Er wordt namelijk gebruikgemaakt van de X- en Y-coördinaten van alle adressen. Er wordt niet meer uitgegaan van eenheden van 500 bij 500 meter, maar van het berekende zwaartepunt. 

Verschillen methodiek meerkernigheid

Zoals eerder genoemd wordt bij de afbakening van woonkernen voor de berekeningen van centrumfunctie en klantenpotentiëlen een iets aangepaste methodiek gebruikt. Deze methodiek dient alleen onverwachte effecten van de kernafbakening te neutraliseren en wordt alleen onderweg in de berekeningen uitgevoerd en toegepast voor de modules centrumfunctie en klantenpotentiëlen. Het resulteert niet in een statistiek van woonkernen, daarvoor is de voorgaande module woonkernen (zie hiervoor hoofdstuk 2.3).

De aanpassing in de methodiek t.o.v. de methodiek toegepast bij het bepalen van de meerkernigheid, is gebaseerd op het feit dat een kernvierkant voor alle gemeenten wordt meegenomen die minimaal één hoofdadres in dat kernvierkant bevatten (zie ook hoofdstuk 2.4). Een kernvierkant dat op het grondgebied van twee verschillende gemeenten ligt, kan dus voor beide gemeenten worden gebruikt om de woonkernen af te bakenen. Daarom wordt voor iedere gemeente apart de verzameling woonkernen afgeleid, en niet generiek voor heel Nederland in één keer.

Stappen voor het bepalen van de centrumfuncties

  1. Het bepalen van kernvierkanten. Dit zijn vierkanten met minimaal 25 adressen.
  2. Het maken van het bestand met kernvierkanten per gemeente en het afleiden van de woonkernen. Een kernvierkant hoort bij een gemeente, wanneer de gemeente minstens één adres in het kernvierkant heeft liggen.
  3. Het berekenen van het zwaartepunt per woonkern, met behulp van de gemiddelde X- en Y-coördinaten van de adressen in de woonkern.
  4. Het sommeren van het aantal inwoners in de kernvierkanten per afzonderlijke woonkern.
  5. Het verdelen van het aantal inwoners buiten de woonkernen in het buitengebied van de gemeente over de woonkernen naar rato van het inwonertal binnen de woonkernen. Hier wordt niet afgerond. Het zwaartepunt en het gewicht (aantal inwoners) per woonkern zijn nu bekend.
  6. Het berekenen van de onderlinge afstand over de weg van alle zwaartepunten van woonkernen tot andere zwaartepunten van woonkernen binnen Nederland. Er wordt een Origin-Destination (OD) matrix gemaakt met een aantal records gelijk aan het kwadraat van het aantal woonkernen. Voor elk record wordt de afstand tussen de kernen over de weg gevuld. Hierbij wordt de naamgeving vankern en naarkern gebruikt. Er kan een verschil optreden in de afstand van kern A naar kern B en de afstand van kern B naar kern A (gevolg van éénrichtingswegen). Daarom wordt een complete matrix gehanteerd. Er wordt gecontroleerd of het aantal records in de OD-matrix gelijk is aan het kwadraat van het aantal woonkernen. Indien dit niet zo is, betekent dit dat er geen route gemaakt kon worden van en/of naar bepaalde kernen. In dat geval moet het netwerk eerst worden gerepareerd, zodat een volledig complete OD-matrix gemaakt kan worden.
  7. Ook de afstand van een kern tot zichtzelf wordt in de OD-matrix opgenomen. Dat is ook de bedoeling, want de kern trekt immers ook zichzelf aan. Onderlinge afstanden kleiner dan 1000 meter worden op 1000 meter gesteld, dus ook van de kern tot zichzelf.
  8. Het berekenen van de proporties van de naarkern op de vankern met het gewicht van de naarkern en de afstand tussen beide kernen uit de OD-matrix. Dit wordt gedaan voor de lokale, regionale en landelijke centrumfuncties, waarbij voor afstanden groter dan 20 kilometer (lokaal) en 60 kilometer (regionaal) geen proporties meer worden berekend. Voor de landelijke aantrekkingskracht worden geen maximale afstanden gehanteerd en worden alle proporties berekend.
  9. Het verdelen van de inwoners van de vankern over alle naarkernen naar rato van hun proportie op het totaal van alle proporties op de vankern.
  10. Het sommeren van de inwoners per type centrumfunctie (lokaal, regionaal, landelijk) per naarkern.
  11. Het berekenen van de centrumfuncties per gemeente. Deze centrumfuncties bestaan uit de som van alle inwoners van de betreffende centrumfunctie van alle woonkernen per gemeente.