Conjunctuurenquete Nederland, vierde kwartaal 2026
Over deze publicatie
Deze publicatie over de Conjunctuurenquête Nederland (COEN) beschrijft de belangrijkste uitkomsten van het vierde kwartaal 2026. De COEN is een gezamenlijk onderzoek van het CBS, KVK, EIB, MKB-Nederland en VNO-NCW, met de steun van het ministerie van Economische Zaken.
Samenvatting
Ondernemersvertrouwen (hoofdstuk 2)
- Het ondernemersvertrouwen is onveranderd negatief en komt aan het begin van het vierde kwartaal uit op -5,3. De verwachtingen voor het economisch klimaat zijn iets positiever dan de ontwikkelingen.
- Alleen in de informatie en communicatie en de industrie hebben ondernemers een gematigd positief ondernemersvertrouwen. In de andere bedrijfstakken zijn ondernemers negatief.
Personeelsindicator (hoofdstuk 3)
- De personeelsindicator is licht gedaald en komt aan het begin van het vierde kwartaal uit op 5,5. Ondernemers zijn iets minder positief over zowel de ontwikkeling van hun personeelssterkte in het afgelopen kwartaal als de verwachte personeelssterkte in het lopende kwartaal.
- De personeelsindicator is het sterkst gestegen in de verhuur en handel van onroerend goed. In drie bedrijfstakken zijn ondernemers negatief over hun personeelssterkte, waarbij ondernemers in de informatie en communicatie het sterkst negatief zijn. In de bouwnijverheid zijn ondernemers het meest positief.
Ontwikkelingen derde kwartaal 2026 (hoofdstuk 4)
- Ondernemers zagen per saldo hun orderontvangst verbeteren in het afgelopen kwartaal. Desondanks is het oordeel over hun orderpositie nog negatief. Ondernemers in de bouwnijverheid en de handel zijn het meest positief over hun orderontvangst.
- De winstgevendheid is bij per saldo bijna 4 procent van de ondernemers afgenomen, nagenoeg gelijk aan het saldo van vorig jaar. In de informatie en communicatie zijn ondernemers het meest positief over hun winstgevendheid, in de autohandel en -reparatie het meest negatief.
Verwachtingen vierde kwartaal 2026 (hoofdstuk 5)
- Ondernemers hebben per saldo positieve verwachtingen voor het vierde kwartaal van 2026. Daarbij zijn ze nagenoeg even positief als een jaar geleden. Het saldo is het sterkst positief bij de verwachting over de verkoopprijzen.
- De verwachtingen over de winstgevendheid zijn positiever dan de ontwikkelingen in het afgelopen kwartaal, 8 procent verwacht een toename. De autohandel en -reparatie is het meest positief over de verwachte winstgevendheid.
Verwachtingen 2027 (hoofdstuk 6)
- Per saldo verwacht 5 procent van de ondernemers meer te investeren dan in 2026. Daarnaast verwacht 24 procent een toename van de omzet en ruim 8 procent verwacht dat de personeelssterkte volgend jaar toeneemt ten opzichte van dit jaar.
Belemmeringen (hoofdstuk 7)
- Ondernemers geven vaker aan dat er andere oorzaken zijn dan de standaard antwoordopties die de belangrijkste belemmering zijn in de bedrijfsvoering. Hierbij gaat het vooral om wet- en regelgeving, geopolitieke onzekerheid en hoge energiekosten.
- Tekort aan productiemiddelen, materiaal en ruimte is iets vaker gekozen als belangrijkste belemmering. Binnen de industrie nam dit aandeel het sterkst toe.
Uitgelicht – Investeringen (hoofdstuk 8)
- Bijna een kwart van de bedrijven heeft in de afgelopen twaalf maanden geplande investeringen uitgesteld of daarvan afgezien.
- Bijna de helft van de bedrijven ervaarde belemmeringen bij het doen van investeringen.
- De meeste bedrijven investeren in technologie om toekomstbestendig te blijven.
1. Inleiding
Deze publicatie over de Conjunctuurenquête Nederland brengt voor het Nederlandse bedrijfsleven vier keer per jaar de belangrijkste ontwikkelingen en verwachtingen in kaart, uitgesplitst naar regio, bedrijfstak en bedrijfsgrootte. De resultaten vormen de basis voor het ondernemersvertrouwen. Deze samengestelde indicator geeft de stemming weer van het Nederlandse niet-financiële bedrijfsleven met meer dan vijf werkzame personen. Dit rapport bevat de belangrijkste uitkomsten van het vierde kwartaal 2026.
Samenwerking
De Conjunctuurenquête Nederland is een gezamenlijk onderzoek van het CBS, KVK, EIB, MKB- Nederland en VNO-NCW, met de steun van het ministerie van Economische Zaken. Doel van de samenwerking is completere informatie over het niet-financiële bedrijfsleven te vergaren tegen minimale administratieve lasten.
Saldo’s
Deze rapportage werkt met saldo’s. Een saldo ontstaat door het percentage ondernemers dat zijn ervaring of verwachting als negatief ziet, af te trekken van het percentage dat een positieve ervaring of verwachting meldt. Als bijvoorbeeld 10 procent van de ondernemers een dalende omzet had en 20 procent een stijgende omzet, ontstaat een saldo van +10 procent. Het saldo geeft in één oogopslag weer of de stemming onder ondernemers positief of negatief is en in welke mate.
Seizoenpatronen
Bij de interpretatie van de cijfers dient rekening te worden gehouden met seizoeninvloeden. Deze spelen bij sommige variabelen een rol, zoals bij omzetten in de landbouw en horeca. Om een uitkomst in een beter perspectief te kunnen plaatsen, verdient een vergelijking met dezelfde periode een jaar eerder om die reden de voorkeur boven een vergelijking met een kwartaal eerder. Voor het samenstellen van de indicatoren van het ondernemersvertrouwen, worden de onderliggende variabelen wél gecorrigeerd voor seizoenpatronen. Hierdoor kan het vertrouwen elk kwartaal worden vergeleken met een eerder kwartaal.
Totale (ex. financieel of nutsbedrijven) bedrijfsleven
Het niet-financiële bedrijfsleven is een samenstelling van SBI-secties A Landbouw, bosbouw en visserij, B Delfstoffenwinning, C Industrie, F Bouwnijverheid, G Handel, H Vervoer en opslag, I Horeca, J Informatie en communicatie, L Verhuur van en handel in onroerend goed, M-N Zakelijke dienstverlening, R Cultuur, sport en recreatie, S Overige dienstverlening.
Waarneemperiode
De gegevens voor deze publicatie zijn verzameld in oktober 2026.
Leeswijzer
Deze publicatie is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 behandelt het ondernemersvertrouwen van het Nederlandse bedrijfsleven per bedrijfstak. Hoofdstuk 3 behandelt de personeelsindicator. Hoofdstuk 4 gaat in op de belangrijkste ontwikkelingen die ondernemers hebben ervaren in het afgelopen derde kwartaal 2026. Hoofdstuk 5 richt zich op de verwachtingen van ondernemers voor het lopende vierde kwartaal 2026. Hoofdstuk 6 richt zich op de verwachtingen voor 2027 en hoofdstuk 7 op de belangrijkste belemmeringen die ondernemers ervaren in de bedrijfsvoering. Hoofdstuk 8 licht ten slotte vragen over investeringen uit.
2. Ondernemersvertrouwen
Het ondernemersvertrouwen is een stemmingsindicator van het Nederlandse bedrijfsleven. Bij het beoordelen van de uitkomsten kan men ervan uitgaan dat hoe optimistischer of pessimistischer de ondernemers gestemd zijn, des te meer de waarde van het ondernemersvertrouwen positief of negatief zal afwijken van de nullijn. De indicator is opgebouwd uit het ongewogen seizoengecorrigeerde gemiddelde van de saldo’s uit twee vragen. Deze twee vragen betreffen de ontwikkeling en verwachting van het economisch klimaat. Het ondernemersvertrouwen van het totale Nederlandse bedrijfsleven is een gewogen gemiddelde van de vertrouwensindicatoren van de onderliggende bedrijfstakken.
2.1 Ondernemersvertrouwen totale niet-financiële bedrijfsleven
Het ondernemersvertrouwen is nu vijf jaar op rij negatief en komt in het vierde kwartaal van 2026 uit op -5,3. Het cijfer is daarmee gelijk aan dat van het vorige kwartaal, toen het ondernemersvertrouwen sterk steeg na een sterke daling in het tweede kwartaal van 2026. Het ondernemersvertrouwen ligt onder het gemiddelde (3,9) van de reeks sinds 2012.
Ondernemers zijn sinds eind 2022 minder negatief over de verwachting van het economisch klimaat dan over de ontwikkeling van het economisch klimaat. Dit patroon werd alleen in het tweede kwartaal van 2025 eenmalig onderbroken. Het verschil tussen de verwachting (-4,0) en de ontwikkeling (-6,6) van het economisch klimaat is dit kwartaal afgenomen ten opzichte van het derde kwartaal van 2026.
| Jaar | Maand | Ondernemersvertrouwen (Gemiddelde van de deelvragen) | Ontwikkeling econmisch klimaat (Gemiddelde van de deelvragen) | Verwachting economisch klimaat (Gemiddelde van de deelvragen) |
|---|---|---|---|---|
| 2022 | jan | -0,3 | -2 | 1,4 |
| 2022 | apr | -7,6 | -6,4 | -8,7 |
| 2022 | jul | -10,9 | -11,6 | -10,1 |
| 2022 | okt | -20,3 | -19,3 | -21,3 |
| 2023 | jan | -12 | -13,3 | -10,6 |
| 2023 | apr | -6,8 | -7,8 | -5,7 |
| 2023 | jul | -7,4 | -8,5 | -6,3 |
| 2023 | okt | -8,7 | -10,9 | -6,4 |
| 2024 | jan | -7,1 | -9,9 | -4,3 |
| 2024 | apr | -5,8 | -9,2 | -2,5 |
| 2024 | jul | -3,7 | -5,9 | -1,4 |
| 2024 | okt | -3,1 | -6 | -0,2 |
| 2025 | jan | -5,2 | -7,9 | -2,4 |
| 2025 | apr | -7,1 | -6,9 | -7,4 |
| 2025 | jul | -3,9 | -6,2 | -1,7 |
| 2025 | okt | -4,1 | -6,1 | -2,1 |
| 2026 | jan | -1,8 | -3 | -0,5 |
| 2026 | apr | -14,8 | -15,8 | -13,7 |
| 2026 | jul | -5,3 | -9,3 | -1,4 |
| 2026 | okt | -5,3 | -6,6 | -4,0 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | ||||
2.2 Ondernemersvertrouwen per bedrijfstak
Het totaalcijfer voor het ondernemersvertrouwen is gelijk gebleven aan dat van het vorige kwartaal en nog steeds negatief. Het ondernemersvertrouwen is positief in de informatie en communicatie en nagenoeg neutraal in de industrie en de autohandel en -reparatie. In de overige bedrijfstakken is het cijfer negatief.
| oktober 2026 (Gemiddelde van de deelvragen) | juli 2026 (Gemiddelde van de deelvragen) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | -5,3 | -5,3 |
| Informatie en communicatie | 4,4 | 4,6 |
| Industrie | 0,6 | -1,0 |
| Autohandel en -reparatie | 0,0 | -8,0 |
| Cultuur, sport en recreatie | -1,1 | 0,4 |
| Detailhandel (niet in auto's) | -2,0 | -1,1 |
| Zakelijke dienstverlening | -2,8 | -2,8 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | -3,8 | -9,0 |
| Vervoer en opslag | -9,5 | -4,4 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | -11,6 | -11,8 |
| Bouwnijverheid | -17,0 | -12,8 |
| Horeca | -20,0 | -19,5 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | -21,9 | -21,0 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
Grootste toename in de autohandel
In de autohandel en -reparatie verbeterde het ondernemersvertrouwen van -8,0 naar 0,0. Ook in de groothandel was er een relatief grote stijging (+5,2), maar bleef het cijfer negatief. In de industrie sloeg het cijfer om van negatief naar licht positief.
Ondernemersvertrouwen negatiefst in de landbouw
De landbouw, bosbouw en visserij is net als vorig kwartaal de meest negatieve bedrijfstak. Het ondernemersvertrouwen daalde licht van -21,0 naar -21,9. Ook in de horeca en de bouwnijverheid is het ondernemersvertrouwen relatief sterk negatief. Ondanks het negatieve vertrouwen in de bouwnijverheid zijn veel andere indicatoren, zoals het oordeel over de orderpositie en de personeelssterkte, wel positief. In de vervoer en opslag (-5,1) en de bouwnijverheid (-4,2) daalde het cijfer het sterkst.
2.3 Ondernemersvertrouwen naar regio
Net als het landelijke cijfer is het ondernemersvertrouwen in alle provincies negatief in het vierde kwartaal. Het cijfer is in vier provincies gedaald, en in acht provincies gestegen ten opzichte van het vorige kwartaal. In Drenthe is het cijfer van -10,9 naar -4,0 het meest gestegen ten opzichte van het vorige kwartaal. Het cijfer daalde het sterkst in Zeeland van -4,0 naar -9,7, waardoor Zeeland na Flevoland de meest negatief gestemde provincie is.
| Provincie | Statcode |
|---|---|
| Groningen (PV) | -5,5 |
| Fryslân (PV) | -4,7 |
| Drenthe (PV) | -4,0 |
| Overijssel (PV) | -8,3 |
| Flevoland (PV) | -11,4 |
| Gelderland (PV) | -6,9 |
| Utrecht (PV) | -2,6 |
| Noord-Holland (PV) | -5,5 |
| Zuid-Holland (PV) | -6,1 |
| Zeeland (PV) | -9,7 |
| Noord-Brabant (PV) | -1,9 |
| Limburg (PV) | -6,6 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | |
3. Personeelsindicator
De personeelsindicator is een stemmingsindicator van het Nederlandse bedrijfsleven over de personeelssterkte binnen het bedrijf. Een positieve uitkomst van de stemmingsindicator duidt op verwachte uitbreiding van het personeelsbestand, een negatieve uitkomst op krimp van het personeelsbestand. De indicator is opgebouwd uit het ongewogen seizoengecorrigeerde gemiddelde van de saldo’s uit twee vragen. Deze twee vragen betreffen de ontwikkeling in de afgelopen drie maanden en de verwachting voor de komende drie maanden van de personeelssterkte.
3.1 Personeelsindicator totale niet-financiële bedrijfsleven
De personeelsindicator is licht gedaald en komt aan het begin van het vierde kwartaal van 2026 uit op 5,5. Daarmee ligt de indicator boven het gemiddelde (3,1) van de reeks vanaf 2012. De personeelsindicator bereikte eind 2021 een piek van 17,3 en vertoonde daarna een dalende trend. Sinds begin 2024 is de trend van de personeelsindicator nagenoeg stabiel. Ten opzichte van vorig kwartaal zijn ondernemers minder positief geworden over zowel de verwachting als de ontwikkeling van hun personeelssterkte. Sinds halverwege 2020 zijn ondernemers steeds positiever over de verwachting van de personeelssterkte dan over de daadwerkelijke ontwikkeling daarvan. Voor 2020 lagen beide reeksen nagenoeg op hetzelfde niveau.
| Jaar | Maand | Personeelsindicator (Gemiddelde van de deelvragen) | Ontwikkeling personeelssterkte (Gemiddelde van de deelvragen) | Verwachting personeelssterkte (Gemiddelde van de deelvragen) |
|---|---|---|---|---|
| 2022 | jan | 13,8 | 10,6 | 17,1 |
| 2022 | apr | 15 | 10,9 | 19,2 |
| 2022 | jul | 12 | 7,9 | 16,2 |
| 2022 | okt | 10 | 7,3 | 12,7 |
| 2023 | jan | 10,9 | 7,6 | 14,3 |
| 2023 | apr | 9,4 | 6 | 12,8 |
| 2023 | jul | 6,7 | 4,7 | 8,7 |
| 2023 | okt | 5,3 | 2,3 | 8,3 |
| 2024 | jan | 6 | 3,7 | 8,3 |
| 2024 | apr | 5 | 2,9 | 7,1 |
| 2024 | jul | 3,5 | 0,1 | 6,9 |
| 2024 | okt | 4,9 | 1,9 | 7,8 |
| 2025 | jan | 5,4 | 0,9 | 9,8 |
| 2025 | apr | 4,8 | 2,9 | 6,6 |
| 2025 | jul | 5,6 | 3,6 | 7,6 |
| 2025 | okt | 4,8 | 1,8 | 7,9 |
| 2026 | jan | 5,5 | 3,9 | 7,1 |
| 2026 | apr | 4,3 | 2,2 | 6,3 |
| 2026 | jul | 5,9 | 4,3 | 7,5 |
| 2026 | okt | 5,5 | 3,6 | 7,3 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | ||||
3.2 Personeelsindicator per bedrijfstak
De personeelsindicator is in bijna alle bedrijfstakken positief. Het cijfer is alleen negatief in de informatie en communicatie, de horeca en de landbouw, bosbouw en visserij. Ten opzichte van het vorige kwartaal is de indicator bij ongeveer de helft van de bedrijfstakken gestegen.
| oktober 2026 (Gemiddelde van de deelvragen) | juli 2026 (Gemiddelde van de deelvragen) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 5,5 | 5,9 |
| Bouwnijverheid | 19,9 | 24,2 |
| Industrie | 9,7 | 5,1 |
| Cultuur, sport en recreatie | 8,7 | 6,1 |
| Autohandel en -reparatie | 8,4 | 11,0 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 8,0 | 1,9 |
| Zakelijke dienstverlening | 7,1 | 4,8 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 7,1 | 5,6 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 2,9 | 1,8 |
| Vervoer en opslag | 0,1 | 7,6 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | -0,6 | 1,0 |
| Horeca | -4,7 | 4,5 |
| Informatie en communicatie | -7,5 | -3,0 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
Personeelsindicator het sterkst gestegen in de verhuur en handel van onroerend goed
De personeelsindicator is in het vierde kwartaal het sterkst gestegen in de verhuur en handel van onroerend goed (+6,1). Ook in de industrie (+4,6) en de cultuur, sport en recreatie (+2,6) steeg het cijfer relatief sterk. In de horeca vond juist de sterkste daling plaats (-9,2).
Ondernemers in de bouw het meest positief over personeelssterkte
Net als vorig kwartaal zijn van alle bedrijfstakken ondernemers in de bouwnijverheid het meest positief over hun personeelssterkte. De personeelsindicator kwam hier uit op 19,9. Dat is wel een daling ten opzichte van een kwartaal eerder toen het cijfer op 24,2 uitkwam. Ook in de industrie (9,7) en de cultuur, sport en recreatie (8,7) is de personeelsindicator relatief hoog. In de informatie en communicatie is het cijfer het laagst (-7,5).
4. Ontwikkelingen derde kwartaal 2026
Ondernemers worden in de COEN gevraagd naar ontwikkelingen over verschillende onderwerpen in het afgelopen kwartaal. Ze maken daarbij een vergelijking van het afgelopen kwartaal met het kwartaal daarvoor. Ondernemers geven dan per onderwerp aan of het is verslechterd, gelijk is gebleven of verbeterd. Als de vraag in iedere bedrijfstak wordt gesteld kan een cijfer voor het totale niet-financiële bedrijfsleven worden gemaakt.
4.1 Ontwikkelingen totale niet-financiële bedrijfsleven
In het afgelopen kwartaal waren er meer ondernemers die hun winstgevendheid zagen verslechteren dan verbeteren; daarmee is het saldo hierover negatief. In dezelfde periode een jaar geleden was het saldo hierover iets minder negatief. Verder zagen ondernemers per saldo hun orderontvangst toenemen in het afgelopen kwartaal en zijn zij nagenoeg even positief over hun concurrentiepositie. Het oordeel over de orderpositie was echter per saldo negatief. Dat betekent dat ondernemers hun orderpositie als (te) klein beschouwen. Over de omzetontwikkeling waren ondernemers positief, terwijl het saldo in dezelfde periode een jaar geleden nog negatief was.
| VerkorteVraagTekst | oktober 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | oktober 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) |
|---|---|---|
| Orderontvangst | 2,9 | 2,9 |
| Concurrentiepositie Nederlandse Markt | 2,4 | 2,2 |
| Omzet | 1,2 | -3,0 |
| Orderpositie | -3,3 | -3,7 |
| Winstgevendheid | -3,8 | -4,4 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
4.2 Ontwikkelingen per bedrijfstak
De ontwikkelingen voor het totale niet-financiële bedrijfsleven geven een goed beeld op macro-economisch niveau. De uitkomsten voor de onderliggende bedrijfstakken geven een indicatie voor de ontwikkelingen op bedrijfstakniveau en zorgen daarmee voor gedetailleerdere informatie.
Bouwnijverheid negatiever over winstgevendheid
In het afgelopen kwartaal zag per saldo 3,8 procent van de ondernemers hun winstgevendheid verslechteren. In dezelfde periode vorig jaar was dit nog 4,4 procent. Iets meer dan de helft van de bedrijfstakken is negatief over de winstgevendheid. Dit cijfer is het laagst in de autohandel (-23,6), gevolgd door de landbouw, bosbouw en visserij en de horeca. In de bouw daalde het saldo over de winstgevendheid het sterkst; van 17,3 naar -6,6 procent. Het meest positief over de winstgevendheid zijn ondernemers in de informatie en communicatie (3,3) en de cultuur, sport en recreatie (3,0). Het cijfer steeg het sterkst in de detailhandel, de vervoer en opslag en de cultuur, sport en recreatie.
| oktober 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | oktober 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | -3,8 | -4,4 |
| Informatie en communicatie | 3,3 | -1,3 |
| Cultuur, sport en recreatie | 3,0 | -3,4 |
| Vervoer en opslag | 0,7 | -7,2 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 0,5 | -10,8 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 0,0 | -2,4 |
| Zakelijke dienstverlening | -1,2 | -1,4 |
| Industrie | -2,4 | -7,6 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | -4,3 | -3,5 |
| Bouwnijverheid | -6,6 | 17,3 |
| Horeca | -18,2 | -13,6 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | -20,7 | -13,5 |
| Autohandel en -reparatie | -23,6 | -21,0 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
Meeste bedrijfstakken positief over concurrentiepositie Nederland
In het afgelopen kwartaal zag per saldo 2,4 procent van de ondernemers de concurrentiepositie op de Nederlandse markt verbeteren. In dezelfde periode vorig jaar was dit 2,2 procent. In de meeste bedrijfstakken waren ondernemers positief over de concurrentiepositie. Het saldo steeg het sterkst in de detailhandel en de informatie en communicatie. Ondernemers in de groothandel en handelsbemiddeling waren met een saldo van 6,8 het meest positief over de concurrentiepositie. Het negatiefst waren ondernemers in de horeca en de landbouw. In de autohandel sloeg het saldo om van positief naar negatief.
| oktober 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | oktober 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 2,4 | 2,2 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 6,8 | 6,9 |
| Informatie en communicatie | 6,4 | 3,3 |
| Vervoer en opslag | 5,6 | 5,7 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 4,8 | -1,6 |
| Zakelijke dienstverlening | 2,3 | 3,8 |
| Bouwnijverheid | 2,1 | 3,5 |
| Industrie | 2,0 | 1,0 |
| Cultuur, sport en recreatie | 0,4 | 2,4 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 0,4 | -1,1 |
| Autohandel en -reparatie | -3,3 | 4,3 |
| Horeca | -6,6 | -4,6 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | -10,0 | -8,1 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
5. Verwachtingen vierde kwartaal 2026
Ondernemers worden in de COEN gevraagd naar verwachtingen over verschillende onderwerpen voor het lopende kwartaal. Ondernemers geven dan per onderwerp aan of het zal verslechteren, gelijk zal blijven of zal verbeteren. Als de vraag in iedere bedrijfstak wordt gesteld kan een cijfer voor het totale niet-financiële bedrijfsleven worden gemaakt.
5.1 Verwachtingen totale niet-financiële bedrijfsleven
Bij alle zes de onderwerpen zijn er meer ondernemers die een verbetering verwachten dan een verslechtering; per saldo is de stemming hier dus positief. Het saldo over de verwachte verkoopprijzen is met per saldo bijna 21 procent het hoogst en ook het sterkst gestegen, vorig jaar was dit ruim 16 procent. Ook over de omzet in de komende drie maanden zijn ondernemers positief en is het saldo hoger dan over de verwachte winstgevendheid. Net als vorig jaar verwacht per saldo bijna 12 procent meer orders te ontvangen en bijna 10 procent van de ondernemers verwacht meer orders te plaatsen. Over de investeringen zijn de verwachtingen iets positiever geworden.
| VerkorteVraagTekst | oktober 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | oktober 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) |
|---|---|---|
| Verkoopprijzen | 20,6 | 16,2 |
| Omzet | 17,5 | 19,1 |
| Orderontvangst | 11,6 | 11,9 |
| Inkooporders | 9,7 | 8,5 |
| Winstgevendheid* | 8,2 | |
| Investeringen verslagjaar | 4,0 | 2,2 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
| *Deze vraag was in oktober 2025 niet beschikbaar | ||
5.2 Verwachtingen per bedrijfstak
De verwachtingen voor het totale niet-financiële bedrijfsleven geven een goed beeld op macro-economisch niveau. De uitkomsten voor de onderliggende bedrijfstakken geven een indicatie voor de verwachtingen op bedrijfstakniveau en zorgen daarmee voor gedetailleerdere informatie.
Verwachte winstgevendheid positief, maar verschillen tussen bedrijfstakken
Per saldo verwacht ruim 8 procent van de ondernemers in het vierde kwartaal een toename van de winstgevendheid. Tussen de bedrijfstakken zijn echter grote verschillen zichtbaar. Negen bedrijfstakken verwachten een toename van de winstgevendheid en drie bedrijfstakken een afname.
Ondernemers in de autohandel en -reparatie zijn met een saldo van 27 procent het meest positief over de winstgevendheid. In de detailhandel is het saldo het sterkst gestegen ten opzichte van een jaar geleden, van 3 naar ruim 19 procent. In de horeca daalden de verwachtingen het sterkst en in deze bedrijfstak zijn ondernemers met een saldo van -31 procent ook het meest negatief. Ook in de landbouw, bosbouw en visserij daalde het saldo sterk.
| oktober 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | oktober 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven)* | 8,2 | |
| Autohandel en -reparatie | 27,0 | 17,0 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 19,3 | 3,0 |
| Zakelijke dienstverlening | 15,1 | 12,4 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 14,9 | 15,0 |
| Informatie en communicatie | 14,8 | 19,3 |
| Industrie | 9,0 | 9,2 |
| Vervoer en opslag | 7,9 | 8,0 |
| Cultuur, sport en recreatie | 5,3 | -2,5 |
| Bouwnijverheid* | 3,1 | |
| Verhuur en handel van onroerend goed | -2,4 | -5,3 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | -24,0 | -10,6 |
| Horeca | -31,1 | -8,8 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
| *Deze vraag was in oktober 2025 niet beschikbaar | ||
Ondernemers industrie positiever over de buitenlandse omzet
In alle bedrijfstakken verwachten ondernemers een toename van de buitenlandse omzet in de komende drie maanden. Ten opzichte van een jaar geleden zijn deze verwachtingen het sterkst verbeterd bij de industrie, hier steeg het saldo van 5 naar 13 procent. Ondernemers in de groothandel zijn het meest positief over de verwachte buitenlandse omzet. In de vervoer en opslag is het sentiment het minst positief en is het saldo nagenoeg neutraal. De landbouw laat de meest negatieve ontwikkeling zien, hier daalde het saldo van 7 naar 4 procent.
| Bedrijfstak | oktober 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | oktober 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) |
|---|---|---|
| Groothandel en handelsbemiddeling | 13,7 | 12,1 |
| Industrie | 13,2 | 5,1 |
| Informatie en communicatie | 9,4 | 11,1 |
| Zakelijke dienstverlening | 6,1 | 5,1 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 3,8 | 6,8 |
| Vervoer en opslag | 1,7 | 1,0 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
6. Verwachtingen voor 2027
Ondernemers worden ieder jaar aan het begin van het vierde kwartaal in de COEN gevraagd naar verwachtingen voor het komende kalenderjaar. Ondernemers geven dan voor hun omzet, personeelssterkte en investeringen aan of deze het komende jaar naar verwachting zullen toenemen, gelijk zullen blijven of zullen afnemen naar verwachting. Als de vraag in iedere bedrijfstak wordt gesteld kan een cijfer voor het totale niet-financiële bedrijfsleven worden gemaakt.
Meeste bedrijfstakken verwachten meer investeringen
Voor volgend jaar verwacht per saldo 5 procent van de ondernemers meer te investeren vergeleken met dit jaar. In de meeste bedrijfstakken zijn ondernemers iets positiever over de investeringsverwachtingen voor het komende jaar dan een jaar geleden. In de groothandel en handelsbemiddeling en de industrie is het saldo het sterkst gestegen. In de informatie en communicatie is het saldo omgeslagen van negatief naar positief. In de autohandel en -reparatie zijn de verwachtingen het sterkst gedaald maar nog wel licht positief. Ondernemers in de verhuur in handel van onroerend goed verwachten het vaakst een toename van de investeringen in 2027. In de landbouw, bosbouw en visserij en de horeca verwachten ondernemers het vaakst een afname.
| Bedrijfstak | oktober 2026 (Saldo % positieve antwoorden en negatieve antwoorden) | oktober 2025 (Saldo % positieve antwoorden en negatieve antwoorden) |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 5,2 | 3,6 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 25,5 | 25,1 |
| Cultuur, sport en recreatie | 13,9 | 9,6 |
| Industrie | 11,2 | 5,4 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 9,4 | 2,8 |
| Vervoer en opslag | 9,4 | 11,9 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 5,9 | 5,7 |
| Zakelijke dienstverlening | 2 | 1,6 |
| Informatie en communicatie | 1,6 | -3,3 |
| Autohandel en -reparatie | 1,1 | 11,9 |
| Bouwnijverheid | 0,3 | 3,8 |
| Horeca | -5,5 | -5,9 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | -6,4 | -5,8 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | ||
In alle bedrijfstakken meer omzet verwacht
Voor volgend jaar zijn er meer ondernemers die een toename van hun omzet verwachten dan ondernemers die een afname daarvan verwachten. Het saldo is met 24 procent positief. In de verhuur en handel van onroerend goed zijn ondernemers met een saldo van ruim 39 procent het meest positief over de verwachte omzet voor 2027. In de landbouw, bosbouw en visserij en de horeca zijn ondernemers het minst positief gestemd. In de bouwnijverheid zijn de omzetverwachtingen voor komend jaar het sterkst gedaald ten opzichte van een jaar geleden. In de autohandel en -reparatie is het saldo het sterkst gestegen.
| Bedrijfstak | oktober 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | oktober 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 23,8 | 23,1 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 39,5 | 30,7 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 37,3 | 35,1 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 36,3 | 35,2 |
| Informatie en communicatie | 35,3 | 32,7 |
| Autohandel en -reparatie | 34 | 23,1 |
| Zakelijke dienstverlening | 26,7 | 24,4 |
| Industrie | 21,5 | 17,2 |
| Bouwnijverheid | 18,1 | 26,6 |
| Cultuur, sport en recreatie | 13,5 | 18,8 |
| Vervoer en opslag | 8 | 8,8 |
| Horeca | 4,2 | 6,9 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 3,9 | 9,5 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | ||
Industrie verwacht uitbreiding personeelssterkte in 2027
Ook voor personeelssterkte zijn er meer ondernemers die een toename daarvan verwachten in het komende jaar dan een afname. Het saldo is met ruim 8 procent wel minder positief dan bij de verwachte omzet. In de meeste bedrijfstakken verwachten ondernemers een toename van hun personeelssterkte in 2027. In de bouwnijverheid en de zakelijke dienstverlening verwachten ondernemers dit het vaakst. Ten opzichte van een jaar geleden is het saldo in de industrie het sterkst gestegen. In de horeca en de vervoer en opslag is het saldo negatief. Ondernemers verwachten in deze bedrijfstakken per saldo dus een afname van hun personeelssterkte in het komende jaar.
| Bedrijfstak | oktober 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | oktober 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 8,6 | 8,5 |
| Bouwnijverheid | 22,4 | 27 |
| Zakelijke dienstverlening | 14,9 | 21,1 |
| Industrie | 11,7 | 1,5 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 11 | 11,6 |
| Autohandel en -reparatie | 10 | 12,7 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 6,9 | 8,7 |
| Informatie en communicatie | 5,2 | 11,4 |
| Cultuur, sport en recreatie | 4,3 | 13,2 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 3,1 | -0,1 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 2,6 | -2,3 |
| Vervoer en opslag | -0,8 | -4,7 |
| Horeca | -4,3 | -0,4 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | ||
7. Belemmeringen
Ieder kwartaal worden ondernemers gevraagd naar de belangrijkste belemmering die ze op dat moment ondervinden in de bedrijfsvoering. Van de zeven antwoordcategorieën kunnen ze er maximaal twee selecteren. De uitkomsten worden daarvoor niet genormaliseerd en geven dus het percentage ondernemers aan die de belemmering hebben gekozen.
7.1 Belemmeringen totale niet-financiële bedrijfsleven
Sinds het derde kwartaal van 2021 is het tekort aan arbeidskrachten onafgebroken de meest genoemde belemmering door ondernemers. Na de coronacrisis liep dit op tot meer dan 49 procent in het derde kwartaal van 2022. Daarna nam het langzaam af en komt het in het vierde kwartaal van 2026 uit op bijna 32 procent. Daarmee is het percentage nagenoeg gelijk gebleven ten opzichte van vorig kwartaal (33 procent). Bijna een derde van de ondernemers gaf aan geen belemmeringen te ervaren, nagenoeg gelijk aan het aandeel dat een tekort aan arbeidskrachten ervaarde.
De belemmering onvoldoende vraag is dit kwartaal met 19 procent gelijk gebleven, al was dit halverwege 2022 nog maar 11 procent. Voor 11 procent van de ondernemers zijn financiële beperkingen de belangrijkste belemmering in de bedrijfsvoering. Dit percentage is nagenoeg gelijk aan dat van vorig kwartaal, maar ten opzichte van begin 2022 ruimschoots verdubbeld. Het tekort aan productiemiddelen is sinds het derde kwartaal van 2022 geleidelijk afgenomen. Waar toen ruim 22 procent van de ondernemers dit als belemmering aangaf, is het aandeel in het vierde kwartaal van 2026 gedaald tot ruim 7 procent. De categorie andere oorzaken is ten opzichte vorig kwartaal iets toegenomen naar 17 procent.
| Jaar | Maand | Geen belemmeringen (% bedrijven) | Onvoldoende vraag (% bedrijven) | Tekort aan arbeidskrachten (% bedrijven) | Tekort aan productiemiddelen (% bedrijven) | Financiële beperkingen (% bedrijven) | Andere oorzaken (% bedrijven) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2022 | jan | 32,3 | 11,9 | 35 | 17,1 | 4,5 | 20,7 |
| 2022 | apr | 27,6 | 10,6 | 43,7 | 23,9 | 4,5 | 14,1 |
| 2022 | jul | 26,3 | 11,3 | 49,3 | 22,4 | 5,2 | 11,5 |
| 2022 | okt | 23,7 | 14,1 | 48,2 | 20,4 | 6,9 | 13,7 |
| 2023 | jan | 27,1 | 15 | 44,4 | 16,1 | 8,4 | 11 |
| 2023 | apr | 30 | 16,2 | 42,9 | 13,7 | 7,3 | 9,7 |
| 2023 | jul | 31,2 | 16,8 | 42,3 | 12,3 | 7,1 | 9,6 |
| 2023 | okt | 30,3 | 19,6 | 41,7 | 9,5 | 8,8 | 10 |
| 2024 | jan | 32,1 | 20,8 | 37,5 | 7,6 | 8,5 | 9,1 |
| 2024 | apr | 31,8 | 21,2 | 38,4 | 8 | 8,2 | 8,8 |
| 2024 | jul | 33,1 | 19,8 | 36,9 | 8,3 | 8,8 | 8,4 |
| 2024 | okt | 31,9 | 20,4 | 39,9 | 7,5 | 8,7 | 9,3 |
| 2025 | jan | 35,3 | 19 | 35,8 | 7,1 | 10,3 | 9,4 |
| 2025 | apr | 36 | 18,8 | 33,9 | 8,2 | 9,9 | 10,5 |
| 2025 | jul | 33,3 | 19,8 | 36,3 | 6,4 | 10,4 | 11,7 |
| 2025 | okt | 33,4 | 21,8 | 33,3 | 6 | 10,4 | 13,3 |
| 2026 | jan | 34,7 | 19,7 | 31,5 | 6,4 | 10,3 | 12,6 |
| 2026 | apr | 32,3 | 19,6 | 30,1 | 7,8 | 10,9 | 17,4 |
| 2026 | jul | 31,7 | 18,9 | 32,8 | 6,8 | 11,9 | 15,7 |
| 2026 | okt | 32,1 | 18,9 | 31,7 | 7,4 | 11,0 | 17,0 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | |||||||
| 1)Bedrijven konden maximaal twee belemmeringen kiezen. De optie 'weersomstandigheden' ontbreekt in de grafiek | |||||||
7.2 Belemmeringen per bedrijfstak
De belemmeringen voor het totale niet-financiële bedrijfsleven geven een goed beeld op macro-economisch niveau. De uitkomsten voor de onderliggende bedrijfstakken geven een indicatie voor de verwachtingen op bedrijfstakniveau en zorgen daarmee voor gedetailleerdere informatie.
Vaker andere oorzaken genoemd als belangrijkste belemmering
Ondernemers gaven in 2026 vaker aan dat zij een belemmering ervaren die niet past bij de standaard antwoordmogelijkheden van de enquêtevraag over belemmeringen. 17 procent gaf dit aan, een stijging van bijna 4 procent ten opzichte van vorig jaar. In het vrije invulveld gaven ondernemers voornamelijk aan dat zij belemmerd worden door wet- en regelgeving, geopolitieke onzekerheid of hoge energiekosten.
Ondernemers in de verhuur en handel van onroerend goed ervaarden met bijna 29 procent het vaakst andere oorzaken als belangrijkste belemmering. Ook in de vervoer en opslag, de landbouw, bosbouw en visserij, de detailhandel en de groothandel gaf meer dan 20 procent dit aan. In de autohandel- en reparatie en de detailhandel nam dit percentage met bijna 15 procent toe. Bijna 1 op de 5 ondernemers in de bouwnijverheid geeft andere oorzaken aan, het gaat dan met name om vertragingen bij de vergunningverlening. Ondernemers in de informatie en communicatie ervaarden het minst vaak andere oorzaken als belangrijkste belemmering.
| oktober 2026 (% bedrijven) | oktober 2025 (% bedrijven) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 17,0 | 13,3 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 28,8 | 22,8 |
| Vervoer en opslag | 24,2 | 22,4 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 22,5 | 22,1 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 22,2 | 7,7 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 21,1 | 17,5 |
| Bouwnijverheid | 19,3 | 14,4 |
| Autohandel en -reparatie | 18,4 | 3,8 |
| Horeca | 14,1 | 11,8 |
| Zakelijke dienstverlening | 13,8 | 12,7 |
| Cultuur, sport en recreatie | 13,7 | 9,0 |
| Industrie | 13,4 | 13,0 |
| Informatie en communicatie | 7,4 | 7,2 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
Tekort aan productiemiddelen vaker belemmering in de industrie
Het aandeel bedrijven dat een tekort aan productiemiddelen, materiaal of ruimte als belangrijkste belemmering ervaart, ligt met ruim 7 procent op een iets hoger niveau dan een jaar geleden. Bij elf van de twaalf bedrijfstakken is deze belemmering vaker gemeld dan vorig jaar. Enkel bij de vervoer en opslag is het tekort aan productiemiddelen minder vaak genoemd als belangrijkste belemmering. Desondanks is het percentage hier met 13 procent het hoogst van alle bedrijfstakken. Het aandeel bedrijven met deze belemmering is het sterkst gestegen in de industrie en werd daarbinnen het vaakst genoemd door de elektrotechnische- en machine-industrie.
| oktober 2026 (% bedrijven) | oktober 2025 (% bedrijven) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 7,4 | 6,0 |
| Vervoer en opslag | 13,0 | 14,3 |
| Industrie | 12,1 | 8,0 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 11,9 | 11,6 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 11,2 | 8,6 |
| Autohandel en -reparatie | 8,6 | 7,2 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 7,1 | 6,7 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 6,2 | 6,1 |
| Informatie en communicatie | 4,5 | 1,9 |
| Zakelijke dienstverlening | 3,7 | 3,0 |
| Cultuur, sport en recreatie | 3,1 | 2,6 |
| Horeca | 3,0 | 2,3 |
| Bouwnijverheid | 2,6 | 1,0 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
8. Uitgelicht – Investeringen
Ondernemers worden in de COEN ieder kwartaal ook maximaal drie extra vragen gesteld over een specifiek onderwerp of een actuele ontwikkeling in de economie. In dit kwartaal gingen de extra vragen over investeringen. In dit hoofdstuk worden de resultaten daarvan uitgelicht.
Bijna kwart van de ondernemers heeft geplande investeringen uitgesteld
Bijna een kwart van de bedrijven heeft in de afgelopen 12 maanden geplande investeringen uitgesteld of daarvan afgezien. 14 procent van de ondernemers heeft alleen geplande investeringen uitgesteld en ruim 2 procent heeft ervan afgezien. Ruim 7 procent heeft zowel investeringen uitgesteld als van geplande investeringen afgezien. 10 procent van de ondernemers had geen investeringsplannen de afgelopen 12 maanden.
In de vastgoedsector heeft bijna de helft van de ondernemers geplande investeringen uitgesteld of daarvan afgezien. Ook in de horeca (37 procent) en de industrie (33 procent) geven relatief veel ondernemers dit aan. In de informatie en communicatie (15 procent) en de zakelijke dienstverlening (17 procent) geven ondernemers dit het minst aan. In de landbouw, bosbouw en visserij geven relatief de meeste ondernemers aan van investeringen te hebben afgezien (ruim 4 procent) en zowel investeringen uitgesteld te hebben als van geplande investeringen te hebben afgezien (ruim 14 procent).
| Bedrijfstak | Ja, investeringen uitgesteld (% bedrijven) | Ja, van geplande investeringen afgezien (% bedrijven) | Ja, zowel investeringen uitgesteld als van geplande investeringen afgezien (% bedrijven) | Nee (% bedrijven) | Niet van toepassing, wij hadden geen investeringsplannen (% bedrijven) |
|---|---|---|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 14,1 | 2,5 | 7,6 | 65,8 | 10 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 36,5 | 3 | 9 | 41,3 | 10,2 |
| Horeca | 23,7 | 1,9 | 11,3 | 45,5 | 17,6 |
| Industrie | 18,6 | 3 | 11,5 | 60,6 | 6,3 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 13 | 4,6 | 14,6 | 55,8 | 12 |
| Vervoer en opslag | 15,3 | 3,9 | 11,6 | 61,4 | 7,8 |
| Cultuur, sport en recreatie | 21,2 | 2 | 6,3 | 58 | 12,5 |
| Autohandel en -reparatie | 11,9 | 3,9 | 4,1 | 70,7 | 9,4 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 8,7 | 1 | 9 | 70,6 | 10,7 |
| Bouwnijverheid | 12,8 | 3,1 | 2,6 | 74,7 | 6,8 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 11,8 | 2,5 | 4,2 | 71,5 | 10 |
| Zakelijke dienstverlening | 10,8 | 2,1 | 4,1 | 68,7 | 14,3 |
| Informatie en communicatie | 9,1 | 1,2 | 4,9 | 79,5 | 5,3 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | |||||
Bijna helft van de ondernemers ervaarde belemmeringen bij investeringen
Ruim 48 procent van de ondernemers ervaarde belemmeringen bij het doen van investeringen. Ondernemers in de verhuur en handel van onroerend goed ervaarden het vaakst belemmeringen (ruim 70 procent). Ook in de landbouw, bosbouw en visserij (61 procent), de industrie (ruim 59 procent) en de vervoer en opslag (56 procent) ervaarden ondernemers relatief vaak belemmeringen bij het doen van investeringen. In de zakelijke dienstverlening (37 procent) en de informatie en communicatie (40 procent) ervaarden ondernemers het minst vaak belemmeringen.
Financiële beperkingen (17 procent) en onzekerheid over toekomstig economisch beleid of regelgeving (14 procent) zijn de meest genoemde belemmeringen bij het doen van investeringen. In de cultuur, sport en recreatie en de horeca werden financiële beperkingen het vaakst aangegeven. Onzekerheid over toekomstig economisch beleid of regelgeving werd het vaakst in de landbouw, bosbouw en visserij en de industrie aangegeven. Beperkingen door huidige regelgeving, vergunningen of infrastructuur is vooral genoemd in de vastgoedsector (52 procent) en de landbouw, bosbouw en visserij (19 procent).
| Bedrijfstak | Financiële beperkingen (% bedrijven) | Onzekerheid over toekomstig economisch beleid of regelgeving (% bedrijven) | Beperkingen door huidige regelgeving, vergunningen of infrastructuur (% bedrijven) | Tekort aan personeel of gespecialiseerde kennis (% bedrijven) | Onvoldoende vraag of onzekere afzetvooruitzichten (% bedrijven) |
|---|---|---|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 16,9 | 13,7 | 11,1 | 10,3 | 8 |
| Cultuur, sport en recreatie | 30,3 | 12,4 | 6,9 | 6,4 | 3,3 |
| Horeca | 25,3 | 16,6 | 14,6 | 8,6 | 6,7 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 22,4 | 11,1 | 52,2 | 3,6 | 6,5 |
| Industrie | 22,2 | 20,8 | 13,9 | 10,5 | 13,4 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 18,8 | 29,1 | 19,2 | 6,3 | 3,9 |
| Informatie en communicatie | 17,6 | 8,5 | 1,6 | 8,5 | 9,6 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 16,8 | 11,2 | 11,3 | 9,9 | 12 |
| Vervoer en opslag | 15,7 | 17,5 | 11,7 | 14,9 | 6,6 |
| Zakelijke dienstverlening | 13,9 | 8,3 | 5,5 | 11,2 | 5,8 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 13,6 | 6,2 | 16,9 | 6,9 | 3,4 |
| Autohandel en -reparatie | 9,4 | 14,3 | 6,8 | 15,1 | 3,6 |
| Bouwnijverheid | 6,2 | 16,1 | 8,4 | 11,7 | 8 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | |||||
| 1)Bedrijven konden maximaal twee antwoordopties kiezen | |||||
Technologie belangrijkste investeringsgebied voor bedrijven
Om toekomstbestendig te blijven investeren de meeste bedrijven (ruim 46 procent) in technologie voor bijvoorbeeld digitalisering of automatisering van processen. In de informatie en communicatie geven ondernemers dit met bijna twee derde het vaakst aan. Investeringen in personeel door bijvoorbeeld opleidingen en cursussen is voor bedrijven in de autohandel en -reparatie (ruim 37 procent) en de bouwnijverheid (ruim 28 procent) relatief een belangrijk investeringsgebied. Productinnovatie of R&D is relatief het vaakst genoemd in de industrie (26 procent). In de vastgoedsector is zowel technologie als duurzaamheid het belangrijkste investeringsgebied. Ruim 9 procent van de bedrijven investeert niet om toekomstbestendig te blijven. In de horeca ligt dit percentage met 31 het hoogst, in de informatie en communicatie met 6 het laagst.
| Bedrijfstak | Technologie (bijv. digitalisering, automatisering) (% bedrijven) | Personeel (bijv. opleidingen/cursussen) (% bedrijven) | Duurzaamheid/maatschappelijk verantwoord ondernemen (% bedrijven) | Productinnovatie of R&D (% bedrijven) | Anders (% bedrijven) | Mijn bedrijf investeert niet met dit doeleinde (% bedrijven) |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 46,5 | 16,7 | 12,3 | 11,9 | 3,2 | 9,4 |
| Informatie en communicatie | 64,9 | 13,5 | 2,9 | 12,8 | 0,2 | 5,7 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 59,6 | 10,4 | 8,9 | 11,5 | 2 | 7,6 |
| Zakelijke dienstverlening | 53,3 | 21,7 | 6,8 | 8,3 | 1,5 | 8,4 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 50,1 | 13,5 | 10,2 | 10,3 | 7,3 | 8,6 |
| Vervoer en opslag | 46,3 | 10,6 | 24,8 | 8,1 | 2,6 | 7,6 |
| Industrie | 42,1 | 13,5 | 10,5 | 26,2 | 2,2 | 5,5 |
| Autohandel en -reparatie | 40,4 | 37,4 | 6,8 | 2,4 | 2,1 | 10,9 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 34,9 | 11,3 | 34,9 | 0,7 | 3,9 | 14,3 |
| Cultuur, sport en recreatie | 34,1 | 17,4 | 24,2 | 7 | 6 | 11,3 |
| Bouwnijverheid | 33,9 | 28,4 | 18,2 | 7,8 | 5,9 | 5,8 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 33,7 | 4,3 | 22 | 18,7 | 5,9 | 15,4 |
| Horeca | 26,5 | 19 | 15,1 | 3,1 | 5,3 | 31 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | ||||||