Conjunctuurenquête Nederland, derde kwartaal 2026
Over deze publicatie
Deze publicatie over de Conjunctuurenquête Nederland (COEN) beschrijft de belangrijkste uitkomsten van het derde kwartaal 2026. De COEN is een gezamenlijk onderzoek van het CBS, KVK, EIB, MKB-Nederland en VNO-NCW, met de steun van het ministerie van Economische Zaken.
Samenvatting
Ondernemersvertrouwen (hoofdstuk 2)
- Het ondernemersvertrouwen is aan het begin van het derde kwartaal gestegen naar -5,3. Het is de grootste stijging sinds juli 2021. Deze volgt wel op een sterke daling eerder dit jaar. Vooral de positievere verwachtingen voor het economisch klimaat droegen bij aan deze stijging.
- Uitgezonderd de autohandel en -reparatie nam het ondernemersvertrouwen toe in alle bedrijfstakken, maar alleen in de informatie en communicatie leidde deze stijging tot een positief cijfer.
Personeelsindicator (hoofdstuk 3)
- De personeelsindicator is licht gestegen en komt aan het begin van het derde kwartaal uit op 5,9. Ondernemers zijn positiever over zowel de ontwikkeling van hun personeelssterkte in het afgelopen kwartaal als de verwachte personeelssterkte in het lopende kwartaal.
- De personeelsindicator is het sterkst gestegen in de horeca en hiermee sloeg het saldo om van negatief naar positief. Alleen in de informatie en communicatie zijn ondernemers negatief over hun personeelssterkte. In de bouwnijverheid zijn ondernemers het meest positief.
Ontwikkelingen tweede kwartaal 2026 (hoofdstuk 4)
- Ondernemers zagen per saldo hun orderontvangst verbeteren in het afgelopen kwartaal. Desondanks is het oordeel over hun orderpositie nog negatief. Ondernemers in de bouw en de handel zijn het meest positief over hun orderontvangst.
- De winstgevendheid is bij ruim 4 procent van de ondernemers verbeterd, dit is iets meer dan vorig jaar (2 procent). In de vervoer en opslag zijn ondernemers het meest positief over hun winstgevendheid, in de landbouw, bosbouw en visserij het meest negatief.
Verwachtingen derde kwartaal 2026 (hoofdstuk 5)
- Ondernemers hebben per saldo positieve verwachtingen voor het derde kwartaal van 2026. Daarbij zijn ze ook positiever dan een jaar geleden. Het meest positief zijn ondernemers over de investeringen.
- Meer ondernemers verwachten een stijging van de verkoopprijzen in de komende drie maanden dan in dezelfde periode een jaar geleden. Gecorrigeerd voor seizoeneffecten daalde het saldo echter ten opzichte van vorig kwartaal.
Belemmeringen (hoofdstuk 6)
- Het tekort aan arbeidskrachten is met bijna 33 procent nog steeds de meest genoemde belemmering door ondernemers in hun bedrijfsvoering, maar het percentage nam wel iets af ten opzichte van vorig jaar.
- De belemmering financiële beperkingen wordt geleidelijk steeds iets vaker genoemd door ondernemers. Het vaakst door ondernemers in de verhuur en handel van onroerend goed en de cultuur, sport en recreatie.
Uitgelicht – Economische onzekerheid (hoofdstuk 7)
- 78 procent van de ondernemers heeft het afgelopen jaar meer economische onzekerheid ervaren. Geopolitiek is de meest genoemde oorzaak.
- De meest genoemde maatregel om met toegenomen economische onzekerheid om te gaan is het vergroten van interne flexibiliteit. Er zijn echter ook bedrijfstakken waarbij andere maatregelen vaker worden genomen, zoals uitstel of verminderen van investeringen bij de horeca, landbouw, bosbouw en visserij en de autohandel en -reparatie.
1. Inleiding
Deze publicatie over de Conjunctuurenquête Nederland brengt voor het Nederlandse bedrijfsleven vier keer per jaar de belangrijkste ontwikkelingen en verwachtingen in kaart, uitgesplitst naar regio, bedrijfstak en bedrijfsgrootte. De resultaten vormen de basis voor het ondernemersvertrouwen. Deze samengestelde indicator geeft de stemming weer van het Nederlandse niet-financiële bedrijfsleven met meer dan vijf werkzame personen. Dit rapport bevat de belangrijkste uitkomsten van het derde kwartaal 2026.
Samenwerking
De Conjunctuurenquête Nederland is een gezamenlijk onderzoek van het CBS, KVK, EIB, MKB- Nederland en VNO-NCW, met de steun van het ministerie van Economische Zaken. Doel van de samenwerking is completere informatie over het niet-financiële bedrijfsleven te vergaren tegen minimale administratieve lasten.
Saldo’s
Deze rapportage werkt met saldo’s. Een saldo ontstaat door het percentage ondernemers dat zijn ervaring of verwachting als negatief ziet, af te trekken van het percentage dat een positieve ervaring of verwachting meldt. Als bijvoorbeeld 10 procent van de ondernemers een dalende omzet had en 20 procent een stijgende omzet, ontstaat een saldo van +10 procent. Het saldo geeft in één oogopslag weer of de stemming onder ondernemers positief of negatief is en in welke mate.
Seizoenpatronen
Bij de interpretatie van de cijfers dient rekening te worden gehouden met seizoeninvloeden. Deze spelen bij sommige variabelen een rol, zoals bij omzetten in de landbouw en horeca. Om een uitkomst in een beter perspectief te kunnen plaatsen, verdient een vergelijking met dezelfde periode een jaar eerder om die reden de voorkeur boven een vergelijking met een kwartaal eerder. Voor het samenstellen van de indicatoren van het ondernemersvertrouwen, worden de onderliggende variabelen wél gecorrigeerd voor seizoenpatronen. Hierdoor kan het vertrouwen elk kwartaal worden vergeleken met een eerder kwartaal.
Totale (ex. financieel of nutsbedrijven) bedrijfsleven
Het niet-financiële bedrijfsleven is een samenstelling van SBI-secties A Landbouw, bosbouw en visserij, B Delfstoffenwinning, C Industrie, F Bouwnijverheid, G Handel, H Vervoer en opslag, I Horeca, J Informatie en communicatie, L Verhuur van en handel in onroerend goed, M-N Zakelijke dienstverlening, R Cultuur, sport en recreatie, S Overige dienstverlening.
Waarneemperiode
De gegevens voor deze publicatie zijn verzameld in juli 2026.
Leeswijzer
Deze publicatie is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 behandelt het ondernemersvertrouwen van het Nederlandse bedrijfsleven per bedrijfstak. Hoofdstuk 3 behandelt de personeelsindicator. Hoofdstuk 4 gaat in op de belangrijkste ontwikkelingen die ondernemers hebben ervaren in het afgelopen tweede kwartaal 2026. Hoofdstuk 5 richt zich op de verwachtingen van ondernemers voor het lopende derde kwartaal 2026. Hoofdstuk 6 richt zich op de belangrijkste belemmeringen die ondernemers ervaren in de bedrijfsvoering. Hoofdstuk 7 licht ten slotte vragen over economische onzekerheid uit.
2. Ondernemersvertrouwen
Het ondernemersvertrouwen is een stemmingsindicator van het Nederlandse bedrijfsleven. Bij het beoordelen van de uitkomsten kan men ervan uitgaan dat hoe optimistischer of pessimistischer de ondernemers gestemd zijn, des te meer de waarde van het ondernemersvertrouwen positief of negatief zal afwijken van de nullijn. De indicator is opgebouwd uit het ongewogen seizoengecorrigeerde gemiddelde van de saldo’s uit twee vragen. Deze twee vragen betreffen de ontwikkeling en verwachting van het economisch klimaat. Het ondernemersvertrouwen van het totale Nederlandse bedrijfsleven is een gewogen gemiddelde van de vertrouwensindicatoren van de onderliggende bedrijfstakken.
2.1 Ondernemersvertrouwen totale niet-financiële bedrijfsleven
Het ondernemersvertrouwen is voor het negentiende kwartaal op rij negatief en komt in het derde kwartaal van 2026 uit op -5,3. Daarmee is het cijfer sterk gestegen ten opzichte van het vorige kwartaal (-14,8), toen het ondernemersvertrouwen sterk daalde tot het laagste niveau sinds 2022.
Het ondernemersvertrouwen ligt nog wel onder het gemiddelde (-3,8) van de reeks vanaf 2012. Het ondernemersvertrouwen is sinds halverwege 2021 niet meer zo sterk gestegen.
Ondernemers zijn sinds eind 2022 structureel minder negatief over de verwachting van het economisch klimaat dan over de ontwikkeling van het economisch klimaat. Dit patroon werd alleen in het tweede kwartaal van 2025 eenmalig onderbroken. Het verschil tussen de verwachting (-1,4) en de ontwikkeling (-9,3) van het economisch klimaat is dit kwartaal sterk toegenomen ten opzichte van de vorige kwartalen, dit komt vooral door de positievere verwachtingen.
| Jaar | Maand | Ondernemersvertrouwen (Saldo % positieve en negatieve antwoorden) | Ontwikkeling economisch klimaat (Saldo % positieve en negatieve antwoorden) | Verwachting economisch klimaat (Saldo % positieve en negatieve antwoorden) |
|---|---|---|---|---|
| 2022 | jan | -0,3 | -2 | 1,4 |
| 2022 | apr | -7,6 | -6,4 | -8,7 |
| 2022 | jul | -10,9 | -11,6 | -10,1 |
| 2022 | okt | -20,3 | -19,3 | -21,3 |
| 2023 | jan | -12 | -13,3 | -10,6 |
| 2023 | apr | -6,8 | -7,8 | -5,7 |
| 2023 | jul | -7,4 | -8,5 | -6,3 |
| 2023 | okt | -8,7 | -10,9 | -6,4 |
| 2024 | jan | -7,1 | -9,9 | -4,3 |
| 2024 | apr | -5,8 | -9,2 | -2,5 |
| 2024 | jul | -3,7 | -5,9 | -1,4 |
| 2024 | okt | -3,1 | -6 | -0,2 |
| 2025 | jan | -5,2 | -7,9 | -2,4 |
| 2025 | apr | -7,1 | -6,9 | -7,4 |
| 2025 | jul | -3,9 | -6,2 | -1,7 |
| 2025 | okt | -4,1 | -6,1 | -2,1 |
| 2026 | jan | -1,8 | -3 | -0,5 |
| 2026 | apr | -14,8 | -15,8 | -13,7 |
| 2026 | jul | -5,3 | -9,3 | -1,4 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | ||||
2.2 Ondernemersvertrouwen per bedrijfstak
In het derde kwartaal van 2026 nam het ondernemersvertrouwen toe in alle bedrijfstakken behalve de autohandel en -reparatie. Het ondernemersvertrouwen is nu positief in de informatie en communicatie en nagenoeg neutraal in de cultuur, sport en recreatie, maar nog negatief in de overige bedrijfstakken.
| juli 2026 (Gemiddelde van de deelvragen) | april 2026 (Gemiddelde van de deelvragen) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | -5,3 | -14,8 |
| nan | nan | |
| Informatie en communicatie | 4,6 | -4,9 |
| Cultuur, sport en recreatie | 0,4 | -7,6 |
| Industrie | -1,0 | -10,9 |
| Detailhandel (niet in auto's) | -1,1 | -11,8 |
| Zakelijke dienstverlening | -2,8 | -7,6 |
| Vervoer en opslag | -4,4 | -13,5 |
| Autohandel en -reparatie | -8,0 | -5,2 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | -9,0 | -19,4 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | -11,8 | -16,9 |
| Bouwnijverheid | -12,8 | -29,4 |
| Horeca | -19,5 | -30,1 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | -21,0 | -36,3 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
Grootste toename in de bouwnijverheid
In de bouwnijverheid nam het ondernemersvertrouwen toe van -29,4 naar -12,8. Over zowel de ontwikkeling (-6,3) als de verwachting (-26,9) van het economisch klimaat waren ondernemers hier positiever dan een kwartaal eerder. Ondanks het negatieve vertrouwen in de bouwnijverheid zijn veel andere indicatoren, zoals de verwachte orderpositie en personeelssterkte, wel positief. Ook in de landbouw, bosbouw en visserij en de detailhandel nam het ondernemersvertrouwen sterk toe. Het ondernemersvertrouwen is ondanks de stijging nog steeds het meest negatief in de landbouw, bosbouw en visserij (-21).
Ondernemersvertrouwen positief in twee bedrijfstakken
Het ondernemersvertrouwen sloeg in twee bedrijfstakken om van negatief naar positief. In de informatie en communicatie nam het toe van -4,9 naar 4,6, en in de cultuur, sport en recreatie nam het toe van -7,6 naar 0,4. Ook in de industrie is het ondernemersvertrouwen gestegen en ligt het op het hoogste niveau sinds begin 2022.
2.3 Ondernemersvertrouwen naar regio
Net als het landelijke cijfer is het ondernemersvertrouwen in alle provincies toegenomen in het derde kwartaal van 2026. Het cijfer is desondanks nog steeds negatief in alle provincies. In Zeeland is het vertrouwen het sterkst gestegen van -17,2 naar -4. Ook in Fryslân (+12,9) en Noord-Holland (+12,7) nam het ondernemersvertrouwen relatief sterk toe. Het ondernemersvertrouwen is in het derde kwartaal van 2026 het minst negatief in Noord-Holland (-1,7). De meest negatief gestemde provincie in het derde kwartaal van 2026 is Flevoland met een ondernemersvertrouwen van -12,2.
| Provincie | Statcode |
|---|---|
| Groningen (PV) | -7,0 |
| Fryslân (PV) | -5,6 |
| Drenthe (PV) | -10,9 |
| Overijssel (PV) | -5,6 |
| Flevoland (PV) | -12,2 |
| Gelderland (PV) | -7,9 |
| Utrecht (PV) | -4,0 |
| Noord-Holland (PV) | -1,7 |
| Zuid-Holland (PV) | -8,1 |
| Zeeland (PV) | -4,0 |
| Noord-Brabant (PV) | -3,3 |
| Limburg (PV) | -5,9 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | |
3. Personeelsindicator
De personeelsindicator is een stemmingsindicator van het Nederlandse bedrijfsleven over de personeelssterkte binnen het bedrijf. Een positieve uitkomst van de stemmingsindicator duidt op verwachte uitbreiding van het personeelsbestand, een negatieve uitkomst op krimp van het personeelsbestand. De indicator is opgebouwd uit het ongewogen seizoengecorrigeerde gemiddelde van de saldo’s uit twee vragen. Deze twee vragen betreffen de ontwikkeling in de afgelopen drie maanden en de verwachting voor de komende drie maanden van de personeelssterkte.
3.1 Personeelsindicator totale niet-financiële bedrijfsleven
De personeelsindicator is licht gestegen en komt aan het begin van het derde kwartaal van 2026 uit op 5,9. Daarmee ligt de indicator boven het gemiddelde (3,1) van de reeks vanaf 2012. De personeelsindicator bereikte eind 2021 een piek van 17,3 en vertoonde daarna een dalende trend. Sinds halverwege 2024 is de trend nagenoeg stabiel. Ten opzichte van vorig kwartaal zijn ondernemers positiever geworden over zowel de verwachting als de ontwikkeling van hun personeelssterkte. Sinds halverwege 2020 zijn ondernemers steeds positiever over de verwachting van de personeelssterkte dan over de daadwerkelijke ontwikkeling daarvan.
| Jaar | Maand | Personeelsindicator (Saldo % positieve en negatieve antwoorden) | Ontwikkeling personeelssterkte (Saldo % positieve en negatieve antwoorden) | Verwachting personeelssterkte (Saldo % positieve en negatieve antwoorden) |
|---|---|---|---|---|
| 2022 | jan | 13,8 | 10,6 | 17,1 |
| 2022 | apr | 15 | 10,9 | 19,2 |
| 2022 | jul | 12 | 7,9 | 16,2 |
| 2022 | okt | 10 | 7,3 | 12,7 |
| 2023 | jan | 10,9 | 7,6 | 14,3 |
| 2023 | apr | 9,4 | 6 | 12,8 |
| 2023 | jul | 6,7 | 4,7 | 8,7 |
| 2023 | okt | 5,3 | 2,3 | 8,3 |
| 2024 | jan | 6 | 3,7 | 8,3 |
| 2024 | apr | 5 | 2,9 | 7,1 |
| 2024 | jul | 3,5 | 0,1 | 6,9 |
| 2024 | okt | 4,9 | 1,9 | 7,8 |
| 2025 | jan | 5,4 | 0,9 | 9,8 |
| 2025 | apr | 4,8 | 2,9 | 6,6 |
| 2025 | jul | 5,6 | 3,6 | 7,6 |
| 2025 | okt | 4,8 | 1,8 | 7,9 |
| 2026 | jan | 5,5 | 3,9 | 7,1 |
| 2026 | apr | 4,3 | 2,2 | 6,3 |
| 2026 | jul | 5,9 | 4,3 | 7,5 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | ||||
3.2 Personeelsindicator per bedrijfstak
De personeelsindicator is in bijna alle bedrijfstakken positief. Het cijfer is alleen negatief in de informatie en communicatie. Ten opzichte van het vorige kwartaal is de indicator bij ongeveer de helft van de bedrijfstakken gestegen.
| juli 2026 (Gemiddelde van de deelvragen) | april 2026 (Gemiddelde van de deelvragen) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 5,9 | 4,3 |
| nan | nan | |
| Bouwnijverheid | 24,2 | 20,5 |
| Autohandel en -reparatie | 11,0 | 4,9 |
| Vervoer en opslag | 7,6 | 8,5 |
| Cultuur, sport en recreatie | 6,1 | 8,4 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 5,6 | 3,4 |
| Industrie | 5,1 | 0,1 |
| Zakelijke dienstverlening | 4,8 | 7,7 |
| Horeca | 4,5 | -6,8 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 1,9 | 10,4 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 1,8 | 2,0 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 1,0 | 1,7 |
| Informatie en communicatie | -3,0 | -2,8 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
Personeelsindicator het sterkst gestegen in de horeca
De personeelsindicator is in het derde kwartaal het sterkst gestegen in de horeca (+11,3). Ook in de autohandel en -reparatie en de industrie steeg het cijfer relatief sterk. In de verhuur en handel van onroerend goed vond juist de sterkste daling plaats (-8,5).
Ondernemers in de bouw het meest positief over personeelssterkte
Net als vorig kwartaal zijn ondernemers in de bouwnijverheid het meest positief over hun personeelssterkte van alle bedrijfstakken. De personeelsindicator kwam hier uit op 24,2. Dat is een stijging ten opzichte van een kwartaal eerder toen het cijfer op 20,5 uitkwam. In de autohandel en -reparatie en de vervoer en opslag is de personeelsindicator ook relatief hoog. In de informatie en communicatie is het cijfer daarentegen het laagst en als enige van alle bedrijfstakken negatief (-3).
4. Ontwikkelingen tweede kwartaal 2026
Ondernemers worden in de COEN gevraagd naar ontwikkelingen over verschillende onderwerpen in het afgelopen kwartaal. Ondernemers geven dan per onderwerp aan of het is verslechterd, gelijk is gebleven of verbeterd. Als de vraag in iedere bedrijfstak wordt gesteld kan een cijfer voor het totale niet-financiële bedrijfsleven worden gemaakt.
4.1 Ontwikkelingen totale niet-financiële bedrijfsleven
In het afgelopen kwartaal waren er meer ondernemers die hun winstgevendheid zagen verbeteren dan verslechteren; daarmee is het saldo hierover positief. In dezelfde periode een jaar geleden lag het saldo hierover iets lager. Verder zagen ondernemers per saldo hun orderontvangst toenemen in het afgelopen kwartaal en zijn zij iets minder positief over hun concurrentiepositie vergeleken met dezelfde periode een jaar geleden. Het oordeel over de orderpositie was per saldo licht negatief. Dat betekent dat ondernemers hun orderpositie als (te) klein beschouwen. Over de omzetontwikkeling waren ondernemers positief.
| VerkorteVraagTekst | juli 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | juli 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) |
|---|---|---|
| Omzet | 21,4 | 16,9 |
| Orderontvangst | 13,4 | 8,8 |
| Winstgevendheid | 4,4 | 2,5 |
| Concurrentiepositie Nederlandse Markt | 3,1 | 4,5 |
| Orderpositie | -2,5 | -4,3 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
4.2 Ontwikkelingen per bedrijfstak
De ontwikkelingen voor het totale niet-financiële bedrijfsleven geven een goed beeld op macro-economisch niveau. De uitkomsten voor de onderliggende bedrijfstakken geven een indicatie voor de ontwikkelingen op bedrijfstakniveau en zorgen daarmee voor gedetailleerdere informatie.
Meeste bedrijfstakken positiever over orderontvangst
In het afgelopen kwartaal zag per saldo ruim 13 procent van de ondernemers de orderontvangst toenemen. In dezelfde periode vorig jaar was dit bijna 9 procent. In de meeste bedrijfstakken waren ondernemers positiever over hun orderontvangst dan een jaar geleden. In de autohandel en -reparatie en de groothandel en handelsbemiddeling steeg het saldo het sterkst. Ondernemers in de bouwnijverheid hadden met een saldo van 24 procent het vaakst een toename van de orderontvangst. Ondernemers in de verhuur en handel van onroerend goed zijn met een saldo van 2,6 procent het minst positief over hun orderontvangst.
| juli 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | juli 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 13,4 | 8,8 |
| nan | nan | |
| Bouwnijverheid | 24,0 | 23,5 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 20,2 | 17,7 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 18,5 | 6,7 |
| Vervoer en opslag | 17,2 | 10,7 |
| Industrie | 14,6 | 4,0 |
| Horeca | 10,6 | 14,4 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 9,5 | 0,5 |
| Cultuur, sport en recreatie | 8,4 | 1,8 |
| Autohandel en -reparatie | 7,6 | -18,6 |
| Zakelijke dienstverlening | 7,2 | 10,5 |
| Informatie en communicatie | 4,1 | 1,5 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 2,6 | 2,7 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
Dat ondernemers per saldo de orderontvangst zagen toenemen in de afgelopen drie maanden is nog niet terug te zien in het oordeel over de orderpositie. Er waren meer ondernemers die de orderpositie als (te) klein beschouwen dan (te) groot; daarmee is de stemming hierover per saldo negatief (-2,5 procent). In nagenoeg alle bedrijfstakken was het saldo negatief over de orderpositie. Uitzondering is de bouwnijverheid waar per saldo 20 procent van de ondernemers de orderpositie als groot beschouwde.
Landbouw, bosbouw en visserij negatiever over winstgevendheid
In het afgelopen kwartaal zag per saldo ruim 4 procent van de ondernemers de winstgevendheid verbeteren. In dezelfde periode vorig jaar was dit nog ruim 2 procent. Uitgezonderd de verhuur en handel van onroerend goed, de horeca en de landbouw, bosbouw en visserij zijn ondernemers in alle bedrijfstakken positief over de winstgevendheid. In de vervoer en opslag steeg het saldo over de winstgevendheid het sterkst; van -3 procent naar 14 procent. Ook in onder andere de autohandel en -reparatie en detailhandel steeg het saldo sterk. In de horeca is het saldo met -9,5 procentpunt het sterkst gedaald van alle bedrijfstakken. Ondernemers in de landbouw, bosbouw en visserij zijn met een saldo van bijna -10 procent het meest negatief.
| juli 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | juli 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 4,4 | 2,5 |
| nan | nan | |
| Vervoer en opslag | 14,0 | -3,0 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 10,7 | 0,6 |
| Bouwnijverheid | 9,9 | 10,1 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 6,5 | 3,8 |
| Autohandel en -reparatie | 6,1 | -7,7 |
| Cultuur, sport en recreatie | 5,5 | 14,1 |
| Informatie en communicatie | 5,5 | 12,2 |
| Zakelijke dienstverlening | 4,1 | 7,8 |
| Industrie | 0,1 | -4,3 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | -1,9 | -1,1 |
| Horeca | -9,6 | -0,1 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | -9,8 | -4,6 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
5. Verwachtingen derde kwartaal 2026
Ondernemers worden in de COEN gevraagd naar verwachtingen over verschillende onderwerpen voor het lopende kwartaal. Ondernemers geven dan per onderwerp aan of het zal verslechteren, gelijk zal blijven of zal verbeteren. Als de vraag in iedere bedrijfstak wordt gesteld kan een cijfer voor het totale niet-financiële bedrijfsleven worden gemaakt.
5.1 Verwachtingen totale niet-financiële bedrijfsleven
Bij alle zes de onderwerpen zijn er meer ondernemers die een verbetering verwachten dan een verslechtering; per saldo is de stemming hier dus positief. Het saldo over de verwachte verkoopprijzen is met 16 procent het hoogst en ook het sterkst gestegen, vorig jaar was dit 11 procent. Voor de overige onderwerpen geldt dat tussen de 2 en 5 procent van de ondernemers per saldo een toename verwacht. Voor de inkooporders en de omzet zijn de verwachtingen verbeterd van licht negatief naar positief.
| VerkorteVraagTekst | juli 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | juli 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) |
|---|---|---|
| Verkoopprijzen | 16,4 | 11,0 |
| Investeringen verslagjaar | 4,3 | 0,6 |
| Inkooporders | 3,5 | -1,2 |
| Orderontvangst | 3,4 | 0,4 |
| Omzet | 2,9 | -0,8 |
| Winstgevendheid | 2,6 | 0,6 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
5.2 Verwachtingen per bedrijfstak
De verwachtingen voor het totale niet-financiële bedrijfsleven geven een goed beeld op macro-economisch niveau. De uitkomsten voor de onderliggende bedrijfstakken geven een indicatie voor de verwachtingen op bedrijfstakniveau en zorgen daarmee voor gedetailleerdere informatie.
Investeringsverwachtingen sterkst verbeterd in de horeca
Per saldo verwacht ruim 4 procent van de ondernemers in het lopende jaar een toename van de investeringen ten opzichte van vorig jaar. Daarmee zijn de investeringsverwachtingen positiever dan in het derde kwartaal van 2025, toen het saldo bijna 1 procent was. Tussen de bedrijfstakken zijn grotere verschillen zichtbaar.
Ondernemers in de verhuur en handel van onroerend goed zijn met een saldo van bijna 22 procent het meest positief over de investeringsverwachtingen. In de horeca is het saldo het sterkst gestegen ten opzichte van een jaar geleden en is het cijfer nu nagenoeg neutraal. In de autohandel en -reparatie daalde de investeringsverwachtingen het sterkst en sloeg het saldo om van licht positief naar negatief. Ditzelfde geldt voor de groothandel en de landbouw, bosbouw en visserij en samen met de autohandel en -reparatie zijn ondernemers in deze bedrijfstakken het meest negatief over de investeringen in het lopende jaar.
| juli 2026 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | juli 2025 (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 4,3 | 0,6 |
| nan | nan | |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 21,7 | 16,9 |
| Vervoer en opslag | 18,1 | 11,9 |
| Cultuur, sport en recreatie | 12,3 | 3,0 |
| Bouwnijverheid | 9,1 | -0,8 |
| Informatie en communicatie | 6,8 | -2,4 |
| Industrie | 6,2 | -0,2 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 1,1 | -3,8 |
| Zakelijke dienstverlening | -0,3 | 3,0 |
| Horeca | -0,8 | -12,0 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | -1,5 | 1,3 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | -2,7 | 1,3 |
| Autohandel en -reparatie | -6,2 | 2,3 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
Ondernemers verwachten minder vaak prijsstijgingen
In grafiek 5.1.1 was te zien dat ondernemers ten opzichte van het derde kwartaal van 2025 vaker een stijging van de verkoopprijzen of tarieven verwachten. Ten opzichte van het tweede kwartaal van 2026 is het saldo, gecorrigeerd voor seizoeneffecten, echter afgenomen. Dit volgt op een stijging in het tweede kwartaal en geldt voor alle bedrijfstakken; het sterkst voor de bouwnijverheid, waar het saldo daalde van bijna 64 procent naar 42 procent. In de dienstverlening verwachten ondernemers het minst vaak prijsstijgingen. Voor alle bedrijfstakken geldt echter dat het saldo nog boven het langjarig gemiddelde ligt van de reeks sinds 2012.
| Jaar | Maand | Industrie (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | Bouwnijverheid (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | Handel (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) | Dienstverlening (Saldo % positieve antwoorden en % negatieve antwoorden) |
|---|---|---|---|---|---|
| 2019 | jan | 12,6 | 53,1 | 23,1 | 16,2 |
| 2019 | apr | 9 | 47,8 | 10 | 12,2 |
| 2019 | jul | 6,6 | 32,6 | 10,2 | 11,2 |
| 2019 | okt | 7,9 | 25,4 | 7,9 | 10,8 |
| 2020 | jan | 10,7 | 26,9 | 12,4 | 14,6 |
| 2020 | apr | -3,1 | 3,1 | -0,6 | -7,2 |
| 2020 | jul | 2,4 | 1,5 | 4,8 | 6,8 |
| 2020 | okt | 0,3 | 11,3 | 3 | 3,2 |
| 2021 | jan | 6,5 | 17,7 | 4,5 | 0,5 |
| 2021 | apr | 24,1 | 41,3 | 17,5 | 9 |
| 2021 | jul | 33,8 | 61,8 | 29,1 | 15,2 |
| 2021 | okt | 38,3 | 65 | 36,4 | 21,2 |
| 2022 | jan | 40,8 | 70,5 | 35,2 | 18,1 |
| 2022 | apr | 55,6 | 87,3 | 60,2 | 28,2 |
| 2022 | jul | 44,9 | 69 | 51,8 | 26,6 |
| 2022 | okt | 48 | 76,5 | 54,6 | 31,8 |
| 2023 | jan | 34,9 | 59,8 | 45,2 | 32,9 |
| 2023 | apr | 14,4 | 35,1 | 27,1 | 20,9 |
| 2023 | jul | 7,3 | 19,4 | 14,9 | 18,2 |
| 2023 | okt | 8,1 | 30,3 | 14,7 | 17 |
| 2024 | jan | 6,1 | 48,4 | 15,1 | 22 |
| 2024 | apr | 8,8 | 29,7 | 11,6 | 16 |
| 2024 | jul | 13,6 | 36,9 | 12,6 | 17,2 |
| 2024 | okt | 12 | 29,7 | 11,1 | 15,7 |
| 2025 | jan | 15,2 | 41,6 | 20,4 | 19,2 |
| 2025 | apr | 15,6 | 46 | 14,1 | 16,6 |
| 2025 | jul | 12,8 | 41,4 | 15,7 | 16,4 |
| 2025 | okt | 11,3 | 43,4 | 16,8 | 14,7 |
| 2026 | jan | 12 | 59,7 | 16,9 | 18,8 |
| 2026 | apr | 27,2 | 63,6 | 35,2 | 21,6 |
| 2026 | jul | 20,9 | 42,1 | 27,4 | 17,9 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | |||||
6. Belemmeringen
Ieder kwartaal worden ondernemers gevraagd naar de belangrijkste belemmering die ze op dat moment ondervinden in de bedrijfsvoering. Van de zeven antwoordcategorieën kunnen ze er maximaal twee selecteren. De uitkomsten worden daarvoor niet genormaliseerd en geven dus het percentage ondernemers aan die de belemmering hebben gekozen.
6.1 Belemmeringen totale niet-financiële bedrijfsleven
Sinds het derde kwartaal van 2021 is het tekort aan arbeidskrachten onafgebroken de meest genoemde belemmering door ondernemers. Na de coronacrisis liep dit op tot meer dan 49 procent in het derde kwartaal van 2022. Daarna nam het langzaam af en komt het in het derde kwartaal van 2026 uit op bijna 33 procent. Daarmee is het percentage gestegen ten opzichte van het vorige kwartaal (30,1 procent). Bijna een derde van de ondernemers gaf aan geen belemmeringen te ervaren, nagenoeg gelijk dan het aandeel dat een tekort aan arbeidskrachten ervaarde.
De belemmering onvoldoende vraag is dit kwartaal met 19 procent nagenoeg gelijk gebleven, al was dit halverwege 2022 nog maar 11 procent. Voor 12 procent van de ondernemers zijn financiële beperkingen de belangrijkste belemmering in de bedrijfsvoering. Dit percentage is nagenoeg gelijk aan dat van vorig kwartaal, maar ten opzichte van begin 2022 ruimschoots verdubbeld. Het tekort aan productiemiddelen is sinds het derde kwartaal van 2022 geleidelijk afgenomen. Waar toen ruim 22 procent van de ondernemers dit als belemmering aangaf, is het aandeel in het derde kwartaal van 2026 gedaald tot bijna 7 procent.
Ten opzichte van het vorige kwartaal is de categorie andere oorzaken met bijna 16 procent iets gedaald. Hier wordt door bedrijven onder andere de internationale situatie, economische onzekerheid, en wet- en regelgeving aangegeven. Bijna een derde van de ondernemers geeft aan geen belemmeringen te ervaren.
| Jaar | Maand | Geen belemmeringen (% bedrijven) | Onvoldoende vraag (% bedrijven) | Tekort aan arbeidskrachten (% bedrijven) | Tekort aan productiemiddelen (% bedrijven) | Financiële beperkingen (% bedrijven) | Andere oorzaken (% bedrijven) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 2022 | jan | 32,3 | 11,9 | 35 | 17,1 | 4,5 | 20,7 |
| 2022 | apr | 27,6 | 10,6 | 43,7 | 23,9 | 4,5 | 14,1 |
| 2022 | jul | 26,3 | 11,3 | 49,3 | 22,4 | 5,2 | 11,5 |
| 2022 | okt | 23,7 | 14,1 | 48,2 | 20,4 | 6,9 | 13,7 |
| 2023 | jan | 27,1 | 15 | 44,4 | 16,1 | 8,4 | 11 |
| 2023 | apr | 30 | 16,2 | 42,9 | 13,7 | 7,3 | 9,7 |
| 2023 | jul | 31,2 | 16,8 | 42,3 | 12,3 | 7,1 | 9,6 |
| 2023 | okt | 30,3 | 19,6 | 41,7 | 9,5 | 8,8 | 10 |
| 2024 | jan | 32,1 | 20,8 | 37,5 | 7,6 | 8,5 | 9,1 |
| 2024 | apr | 31,8 | 21,2 | 38,4 | 8 | 8,2 | 8,8 |
| 2024 | jul | 33,1 | 19,8 | 36,9 | 8,3 | 8,8 | 8,4 |
| 2024 | okt | 31,9 | 20,4 | 39,9 | 7,5 | 8,7 | 9,3 |
| 2025 | jan | 35,3 | 19 | 35,8 | 7,1 | 10,3 | 9,4 |
| 2025 | apr | 36 | 18,8 | 33,9 | 8,2 | 9,9 | 10,5 |
| 2025 | jul | 33,3 | 19,8 | 36,3 | 6,4 | 10,4 | 11,7 |
| 2025 | okt | 33,4 | 21,8 | 33,3 | 6 | 10,4 | 13,3 |
| 2026 | jan | 34,7 | 19,7 | 31,5 | 6,4 | 10,3 | 12,6 |
| 2026 | apr | 32,3 | 19,6 | 30,1 | 7,8 | 10,9 | 17,4 |
| 2026 | jul | 31,7 | 18,9 | 32,8 | 6,8 | 11,9 | 15,7 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | |||||||
| 1)Bedrijven konden maximaal twee belemmeringen kiezen. De optie 'weersomstandigheden' ontbreekt in de grafiek | |||||||
6.2 Belemmeringen per bedrijfstak
De belemmeringen voor het totale niet-financiële bedrijfsleven geven een goed beeld op macro-economisch niveau. De uitkomsten voor de onderliggende bedrijfstakken geven een indicatie voor de verwachtingen op bedrijfstakniveau en zorgen daarmee voor gedetailleerdere informatie.
Tekort aan arbeidskrachten blijft de belangrijkste belemmering
Met bijna 33 procent blijft het tekort aan arbeidskrachten de belangrijkste belemmering voor bedrijven. Ten opzichte van een jaar geleden is dit percentage afgenomen. Dit geldt ook voor tien van de twaalf bedrijfstakken. In de horeca is het tekort aan arbeidskrachten als belangrijkste belemmering verreweg het sterkst gedaald, in deze bedrijfstak nam het 10 procentpunt af. In de bouwnijverheid is het tekort aan arbeidskrachten als belangrijkste belemmering met 1,3 procentpunt het sterkst gestegen. Ook in de groothandel en handelsbemiddeling ervaren meer ondernemers dit en nam het percentage toe naar bijna 32 procent. In de verhuur en handel van onroerend goed is deze belemmering het minst vaak genoemd van alle bedrijfstakken. Het tekort aan arbeidskrachten wordt in de autohandel en -reparatie met 57 procent het vaakst genoemd als belemmering. In deze bedrijfstak zijn ondernemers met per saldo 14 procent echter wel positiever (+6 procent) over de verwachte personeelssterkte.
| juli 2026 (% bedrijven) | juli 2025 (% bedrijven) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 32,8 | 36,3 |
| Autohandel en -reparatie | 57,1 | 57,1 |
| Zakelijke dienstverlening | 44,6 | 45,8 |
| Vervoer en opslag | 40,9 | 47,9 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 31,5 | 30,8 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 30,9 | 39,2 |
| Horeca | 30,4 | 40,6 |
| Industrie | 26,6 | 30,7 |
| Cultuur, sport en recreatie | 26,2 | 29,8 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 25,6 | 27,1 |
| Informatie en communicatie | 25,3 | 29,3 |
| Bouwnijverheid | 25,0 | 23,7 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 17,6 | 23,3 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
Financiële beperkingen steeds vaker belemmering in de vervoer en opslag
Het aandeel bedrijven dat financiële beperkingen als belangrijkste belemmering ervaart, ligt met bijna 12 procent op een hoger niveau dan een jaar geleden. Binnen de bedrijfstakken is deze belemmering geleidelijk aan het toenemen. Zo is het percentage bij de vervoer en opslag het afgelopen jaar met 12 procentpunt toegenomen, gevolgd door de verhuur en handel van onroerend goed en de cultuur, sport en recreatie, waar het respectievelijk 5,5 en 5,1 procentpunt steeg. In de detailhandel is financiële beperkingen minder vaak genoemd als belangrijkste belemmering ten opzichte van vorig jaar. In de vastgoedsector wordt deze belemmering verreweg het vaakst genoemd met 34 procent. Ook in de cultuursector (ruim 26,8 procent) wordt deze belemmering relatief vaak genoemd. In de bouwnijverheid is deze belemmering nagenoeg niet gekozen.
| juli 2026 (% bedrijven) | juli 2025 (% bedrijven) | |
|---|---|---|
| Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) | 11,9 | 10,4 |
| nan | nan | |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 34,0 | 28,5 |
| Cultuur, sport en recreatie | 26,8 | 21,7 |
| Vervoer en opslag | 25,3 | 13,3 |
| Horeca | 15,6 | 13,8 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 13,6 | 12,9 |
| Informatie en communicatie | 12,3 | 11,7 |
| Autohandel en -reparatie | 11,2 | 8,2 |
| Industrie | 10,6 | 10,4 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 10,1 | 10,1 |
| Zakelijke dienstverlening | 9,9 | 8,5 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 7,1 | 10,7 |
| Bouwnijverheid | 0,3 | 0,0 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, MKB-Nederland, VNO-NCW | ||
7. Uitgelicht – Economische onzekerheid
Ondernemers worden in de COEN ieder kwartaal ook maximaal drie extra vragen gesteld over een specifiek onderwerp of een actuele ontwikkeling in de economie. In dit kwartaal gingen de extra vragen over economische onzekerheid. In dit hoofdstuk worden de resultaten daarvan uitgelicht.
Geopolitiek belangrijkste oorzaak toegenomen onzekerheid
Ruim drie kwart van de ondernemers heeft het afgelopen jaar meer economisch onzekerheid ervaren. Geopolitiek (oorlogen, handelsspanningen) is voor de meeste ondernemers de belangrijkste oorzaak hiervan, ruim 42 procent geeft dit aan. Voor bijna een kwart van de ondernemers geldt dat veranderingen in de vraag of markt de belangrijkste oorzaak is van de toegenomen onzekerheid. Dat geldt ook voor de beschikbaarheid van personeel, leveranciers of productiemiddelen. Ten slotte geeft 15 procent inflatie of renteontwikkelingen aan als belangrijkste bron van onzekerheid.
| Antwoord | Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) (% bedrijven) |
|---|---|
| Geopolitiek (bijvoorbeeld: oorlogen, handelsspanningen) | 42,5 |
| Veranderingen in de vraag of markt | 24,2 |
| Beschikbaarheid van personeel, leveranciers of productiemiddelen | 22,4 |
| Binnenlands beleid of regelgeving | 18,5 |
| Inflatie of renteontwikkelingen | 14,5 |
| Anders | 3,6 |
| Niet van toepassing, we ervaren geen toegenomen onzekerheid | 21,9 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | |
| 1)Bedrijven konden maximaal twee antwoorden kiezen | |
Bedrijfstakken verschillen in ervaren onzekerheid en oorzaken daarvan
Het aandeel ondernemers dat het afgelopen jaar meer onzekerheid ervaarde verschilt per bedrijfstak. In de vervoer en opslag (ruim 87 procent) en de landbouw, bosbouw en visserij (86 procent) was dit het hoogst. In de informatie en communicatie (64 procent) en de zakelijke dienstverlening (68 procent) was het aandeel ondernemers met toegenomen onzekerheid het laagst.
Wat de belangrijkste oorzaak is van de toegenomen onzekerheid verschilt per bedrijfstak. Voor bedrijven met toegenomen onzekerheid in de industrie, de groothandel en handelsbemiddeling en de vervoer en opslag is geopolitiek (oorlogen, handelsspanningen) de belangrijkste oorzaak. Iets meer dan twee derde van bedrijven met toegenomen onzekerheid in deze bedrijfstakken geeft dat aan. Veranderingen in de vraag of markt is voor de helft van de bedrijven in de informatie en communicatie de belangrijkste oorzaak van toegenomen onzekerheid. Beschikbaarheid van personeel, leveranciers of productiemiddelen is het vaakst genoemd in de bouwnijverheid (44 procent). In de verhuur en handel van onroerend goed zijn inflatie of renteontwikkelingen (60 procent) en binnenlands beleid of regelgeving (49 procent) de belangrijkste oorzaken van toegenomen onzekerheid bij bedrijven.
| Bedrijfstak | Geopolitiek (bijvoorbeeld: oorlogen, handelsspanningen) (% bedrijven met toegenomen onzekerheid) | Veranderingen in de vraag of markt (% bedrijven met toegenomen onzekerheid) | Beschikbaarheid van personeel, leveranciers of productiemiddelen (% bedrijven met toegenomen onzekerheid) | Binnenlands beleid of regelgeving (% bedrijven met toegenomen onzekerheid) | Inflatie of renteontwikkelingen (% bedrijven met toegenomen onzekerheid) |
|---|---|---|---|---|---|
| Industrie | 69,5 | 36,1 | 24,5 | 14,2 | 11,1 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 66,7 | 34,6 | 22,2 | 18,3 | 16,9 |
| Vervoer en opslag | 66,1 | 25,1 | 25,5 | 25,1 | 6,2 |
| Bouwnijverheid | 58,7 | 16,0 | 44,1 | 31,2 | 13,2 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 51,7 | 37,6 | 20,3 | 38,7 | 7,2 |
| Detailhandel (niet in auto's) | 50,1 | 21,9 | 20,6 | 27,8 | 44,2 |
| Autohandel en -reparatie | 46,9 | 22,7 | 34,8 | 29,0 | 24,9 |
| Horeca | 44,8 | 23,0 | 27,0 | 33,9 | 35,1 |
| Informatie en communicatie | 44,1 | 50,3 | 24,8 | 12,1 | 18,7 |
| Zakelijke dienstverlening | 37,0 | 40,6 | 41,1 | 24,7 | 10,7 |
| Cultuur, sport en recreatie | 21,6 | 26,1 | 32,3 | 30,9 | 24,0 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 14,4 | 15,2 | 14,0 | 49,3 | 59,6 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | |||||
| 1)Bedrijven konden maximaal twee antwoorden kiezen | |||||
Verhogen interne flexibiliteit belangrijkste maatregel
Van de ondernemers die meer toegenomen onzekerheid hebben ervaren heeft bijna drie kwart maatregelen genomen om hiermee om te gaan. De meest genoemde maatregel was het vergroten van de interne flexibiliteit, bijvoorbeeld door personeel breder inzetbaar te maken of werkzaamheden en processen sneller aan te passen aan veranderende omstandigheden; 36 procent van de ondernemers gaf dit aan. Daarnaast gaf 23 procent van de ondernemers aan financiële buffers op te bouwen en strakker liquiditeitsbeheer als reactie op de toegenomen onzekerheid. 22 procent van de ondernemers verminderde hun investeringen of stelde deze uit. Ook bracht 13 procent van de ondernemers meer spreiding aan in leveranciers, klanten of markten. Grotere voorraden werd het minst vaak genoemd als maatregel tegen toegenomen onzekerheid.
| Antwoord | Totaal (ex. financieel of nutsbedrijven) (% bedrijven met toegenomen onzekerheid) |
|---|---|
| Vergroten van interne flexibiliteit (personeel, productie, processen) | 35,6 |
| Opbouwen van financiële buffers, liquiditeitsbeheersing | 23,0 |
| Uitstel of verminderen van investeringen | 22,0 |
| Meer spreiding in leveranciers, klanten of markten | 13,2 |
| Grotere voorraden (materiaal, handelswaar) | 6,4 |
| Anders | 5,2 |
| Geen specifieke maatregelen genomen | 26,2 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | |
| 1)Bedrijven konden maximaal twee antwoorden kiezen | |
Aanpak onzekerheid verschilt per bedrijfstak
Het aandeel ondernemers dat maatregelen heeft genomen tegen de toegenomen economische onzekerheid verschilt per bedrijfstak. In de industrie (79 procent) en de informatie en communicatie (77 procent) hebben ondernemers het vaakst maatregelen genomen. In de cultuur, sport en recreatie (66 procent) en de vervoer en opslag (67 procent) het minst vaak.
Wat de belangrijkste maatregel is die bedrijven hebben genomen verschilt per bedrijfstak. Het vergroten van de interne flexibiliteit is in de meeste bedrijfstakken de belangrijkste maatregel. In de detailhandel (50 procent) en de informatie en communicatie (46 procent) geven bedrijven dit het vaakst aan. Het opbouwen van financiële buffers en liquiditeitsbeheersing wordt het vaakst genoemd door bedrijven in de vastgoedsector (37 procent) en is daar ook de meest gekozen maatregel. In de horeca geldt dat voor het uitstellen of verminderen van investeringen, 39 procent geeft dit aan. Meer spreiding aanbrengen in leveranciers, klanten of markten is nergens de meest gekozen maatregel. Dit wordt relatief het vaakst aangegeven in de industrie (20 procent) en de groothandel en handelsbemiddeling (17 procent). Ook het aanhouden van grotere voorraden wordt daar relatief vaak genoemd, in de andere bedrijfstakken speelt dat nauwelijks een rol.
| Bedrijfstak | Vergroten van interne flexibiliteit (personeel, productie, processen) (% bedrijven met toegenomen onzekerheid) | Opbouwen van financiële buffers, liquiditeitsbeheersing (% bedrijven met toegenomen onzekerheid) | Uitstel of verminderen van investeringen (% bedrijven met toegenomen onzekerheid) | Meer spreiding in leveranciers, klanten of markten (% bedrijven met toegenomen onzekerheid) | Grotere voorraden (materiaal, handelswaar) (% bedrijven met toegenomen onzekerheid) |
|---|---|---|---|---|---|
| Detailhandel (niet in auto's) | 49,8 | 21,7 | 15,0 | 5,7 | 5,1 |
| Informatie en communicatie | 46,4 | 23,5 | 17,6 | 12,6 | 2,8 |
| Zakelijke dienstverlening | 40,7 | 19,5 | 21,7 | 14,6 | 1,8 |
| Groothandel en handelsbemiddeling | 36,3 | 23,0 | 18,3 | 16,5 | 14,6 |
| Industrie | 35,0 | 21,7 | 26,0 | 19,6 | 12,8 |
| Horeca | 30,2 | 23,2 | 38,9 | 7,3 | 2,1 |
| Vervoer en opslag | 29,0 | 23,3 | 16,1 | 9,0 | 0,5 |
| Bouwnijverheid | 29,0 | 28,5 | 16,2 | 15,6 | 6,0 |
| Landbouw, bosbouw en visserij | 26,0 | 27,0 | 34,5 | 10,1 | 10,0 |
| Cultuur, sport en recreatie | 22,0 | 30,7 | 25,8 | 6,8 | 2,5 |
| Autohandel en -reparatie | 19,8 | 24,5 | 31,8 | 10,0 | 5,2 |
| Verhuur en handel van onroerend goed | 16,8 | 37,1 | 28,3 | 8,2 | 0,0 |
| Bron: CBS, EIB, KVK, VNO-NCW, MKB-Nederland | |||||
| 1)Bedrijven konden maximaal twee antwoorden kiezen | |||||