Auteur: Eelco Tammens
Regionale economische groei 1995-2019

2. Regionale economische groei

In dit hoofdstuk wordt de regionale economische groei over de periode 1995-2019 beschreven. Welke regio’s leverden de grootste bijdrage aan de groei van de Nederlandse economie? Welke regio’s groeiden het hardst? Hoe veranderde de economische structuur in deze periode?

2.1 Groei per provincie

De Nederlandse economie was in 2019 62 procent groter dan in 1995. In die periode is de economie in Flevoland het hardst gegroeid, de omvang van de Flevolandse economie is meer dan verdubbeld. Ook in Noord-Holland, Utrecht en Noord-Brabant groeide de economie harder dan de Nederlandse economie als geheel. De drie noordelijke provincies kenden de laagste economische groei. In Groningen bleef de groei beperkt tot circa 11 procent. Het verminderen van de gaswinning speelt daarbij een grote rol. Als de delfstoffenwinning niet wordt meegerekend, komt de economische groei van Groningen uit op ongeveer 50 procent.

2.1.1 Economische groei en bevolkingsgroei
ProvincieVolumegroei bbp, 2019 t.o.v. 1995 (%)Bevolkingsgroei, 2019 t.o.v. 1995 (%)
Nederland61,712,2
Flevoland115,956,9
Noord-Holland82,516,2
Utrecht76,626,4
Noord-Brabant73,811,8
Overijssel61,510,2
Gelderland57,911,1
Limburg56,7-1,3
Zeeland51,74,5
Zuid-Holland4810,9
Fryslân46,56,2
Drenthe28,88,1
Groningen10,94,8

Bevolking Flevoland ook sterk gegroeid

Flevoland kende in de periode 1995-2019 niet alleen een sterke economische groei. Deze hangt namelijk samen met de sterke toename van de bevolking, met bijna 57 procent. Dat was veel meer dan andere bovengemiddelde groeiers Utrecht (26 procent) en Noord-Holland (16 procent). In verhouding tot de groei van de bevolking was de economische groei van Flevoland daardoor juist iets lager dan het landelijk gemiddelde. In Noord-Holland, Noord-Brabant en Limburg groeide de economie juist relatief hard ten opzichte van de bevolking.

Noord-Holland levert grootste bijdrage aan economische groei

Noord-Holland had het grootste aandeel in de groei van de Nederlandse economie. Van de 62 procent groei in de periode 1995-2019 kwam ruim 16 procentpunt voor rekening van Noord-Holland, ruim een kwart van de totale groei. Zuid-Holland en Noord-Brabant hadden beide een groeibijdrage van ruim 10 procentpunt. Door de geringe omvang van de Flevolandse economie leidde de sterke groei van die provincie tot slechts 1,5 procentpunt groei van het nationale bbp.

2.1.2 Groeibijdrage per provincie
Regio'sGroeibijdrage
Noord-Holland16,4%
Zuid-Holland10,7%
Noord-Brabant10,4%
Utrecht6,6%
Gelderland5,9%
Limburg3,4%
Overijssel3,4%
Flevoland1,5%
Fryslân1,3%
Zeeland1,0%
Drenthe 0,6%
Groningen 0,4%
Totaal groei bbp 1995-201961,7%

Aandeel Noord-Holland en Noord-Brabant neemt toe

De groei in de periode 1995-2019 heeft ervoor gezorgd dat Noord-Holland inmiddels de provincie is met de grootste economie. In 1995 was dat nog Zuid-Holland. Ook Noord-Brabant en Utrecht zijn een groter deel van de economie gaan vormen. Het aandeel van Zuid-Holland en Noord-Nederland in de Nederlandse economie nam juist af.

2.1.3 Aandeel in bbp
Provincie2019 (%)1995 (%)
Noord-Holland22,120,1
Zuid-Holland20,822,5
Noord-Brabant14,914,2
Gelderland10,110,3
Utrecht9,58,6
Limburg5,76,0
Overijssel5,65,6
Groningen3,13,9
Fryslân2,62,8
Drenthe1,92,3
Flevoland1,81,3
Zeeland1,81,9

2.2 Economische structuur

In de periode 1995-2019 is het aandeel van de bedrijfstakken informatie en communicatie en zakelijke dienstverlening in de toegevoegde waarde flink toegenomen. Ook de bedrijfstakken handel, vervoer en horeca en overheid en zorg droegen in 2019 meer bij aan de economie dan in 1995. Binnen de bedrijfstak handel, vervoer en horeca groeide de handel bovengemiddeld. Het toegenomen aandeel van de bedrijfstak overheid en zorg was te danken aan de groei van de gezondheidszorg.

De aandelen van bedrijfstakken zijn berekend op basis van niveaus in de lopende prijzen van 1995 en 2019. Het aandeel van een bedrijfstak in 2019 wordt dus niet alleen beïnvloed door de volumegroei, maar ook door de prijsveranderingen in de periode 1995-2019.

2.2.1 Volumegroei van de toegevoegde waarde, 2019 t.o.v. 1995
BedrijfstakVolumegroei toegevoegde waarde (%)
Informatie en communicatie321,5
Zakelijke dienstverlening89,1
Handel, vervoer en horeca86,8
Financiële dienstverlening59,7
Verhuur en handel
van onroerend goed
56,9
Nijverheid (geen bouw)
en energie
53,5
Overheid en zorg46,5
Bouwnijverheid32,1
Landbouw, bosbouw en visserij31,4
Recreatie, toerisme
en overige diensten
29,2

In het algemeen is er een verschuiving zichtbaar van landbouw en nijverheid naar sectoren in de (voornamelijk commerciële) dienstverlening. Zo daalde het aandeel van de bedrijfstak nijverheid (geen bouw) en energie van 21,3 procent in 1995 naar 14,7 procent in 20191). Een dalend aandeel hoeft overigens niet per definitie te betekenen dat een bedrijfstak gekrompen is, slechts dat die bedrijfstak minder sterk gegroeid is dan het totaal.

2.2.2 Aandeel bedrijfstakken in toegevoegde waarde Nederland
Aandeel bedrijfstak in TWLandbouw, bosbouw en visserij (% van de toegevoegde waarde)Nijverheid (geen bouw) en energie (% van de toegevoegde waarde)Bouwnijverheid (% van de toegevoegde waarde)Handel, vervoer en horeca (% van de toegevoegde waarde)Informatie en communicatie (% van de toegevoegde waarde)Financiële dienstverlening (% van de toegevoegde waarde)Verhuur en handel van onroerend goed (% van de toegevoegde waarde)Zakelijke dienstverlening (% van de toegevoegde waarde)Overheid en zorg (% van de toegevoegde waarde)Recreatie, toerisme en overige diensten (% van de toegevoegde waarde)
20191,814,8520,95,16,67,315,221,12,3
19953,421,35,219,53,27,47,51119,22,3

Ten opzichte van 1995 is in alle provincies het aandeel van de dienstverlening toegenomen. Toch zijn er wel degelijk verschillen tussen provincies. Noord-Holland was bijvoorbeeld de enige regio waar het aandeel van de financiële dienstverlening toenam, terwijl in Flevoland vooral het aandeel van de handel, vervoer en horeca groeide. In Noord-Brabant, Limburg en Zeeland was weliswaar een lichte verschuiving naar dienstverlening zichtbaar, maar de industrie vormt daar nog steeds een relatief groot deel van de economie.

2.2.3 Aandeel bedrijfstakken in toegevoegde waarde, 2019
Aandeel bedrijfstak in TWLandbouw, bosbouw en visserij (% van de toegevoegde waarde)Nijverheid (geen bouw) en energie (% van de toegevoegde waarde)Bouwnijverheid (% van de toegevoegde waarde)Handel, vervoer en horeca (% van de toegevoegde waarde)Informatie en communicatie (% van de toegevoegde waarde)Financiële dienstverlening (% van de toegevoegde waarde)Verhuur en handel van onroerend goed (% van de toegevoegde waarde)Zakelijke dienstverlening (% van de toegevoegde waarde)Overheid en zorg (% van de toegevoegde waarde)Recreatie, toerisme en overige diensten (% van de toegevoegde waarde)
Drenthe3,418,45,518,21,84,17,811,627,02,0
Flevoland4,312,54,525,73,61,67,317,820,62,1
Fryslân2,918,35,818,32,25,17,711,026,32,4
Gelderland2,217,56,021,02,83,37,813,123,92,4
Groningen2,027,64,112,94,42,25,710,329,21,6
Limburg2,622,43,920,92,53,77,012,622,22,1
Noord-Brabant2,321,35,821,73,24,17,114,518,22,0
Noord-Holland0,88,03,122,18,412,77,719,015,72,5
Overijssel1,819,17,819,53,03,27,012,923,81,9
Utrecht0,57,54,918,19,410,77,016,122,83,0
Zeeland4,922,56,222,31,42,38,310,020,61,5
Zuid-Holland2,111,95,422,34,55,27,115,523,52,6

1) Dat werd deels veroorzaakt door de sterke daling van de delfstoffenwinning (van 2,4 naar 0,8 procent van de totale toegevoegde waarde).