2. Fosfaat- en stikstofexcretie
2.1 Fosfaat- en stikstofexcretie met rundveestapel op peildata I&R
Na afloop van elk kwartaal wordt op basis van beschikbaar gekomen nieuwe en actuele gegevens een berekening opgesteld van de totale fosfaat- en stikstofexcretie van de Nederlandse veestapel. De methodiek sluit aan bij de geharmoniseerde rekenmethodiek die door het CBS wordt toegepast (WUM, 2010; CBS, 2025). De berekeningen vormen een momentopname waarbij de omvang van de rundveestapel is gebaseerd op het aantal dieren in het I&R-register na afloop van ieder kwartaal. De omvang van de rundveestapel in de voorliggende kwartaalrapportage is gebaseerd op het aantal runderen in het I&R-register met de stand op 1 april 2026. Voor pluimvee zijn dit de voorlopige cijfers van de peildatum 1 december 2025 op basis van het I&R-register. Voor de overige diercategorieën zijn de aantallen in de rapportages afhankelijk van de beschikbaarheid van cijfers uit de Landbouwtelling.
In de kwartaalrapportages wordt steeds gebruik gemaakt van de meest recente gegevens over de omvang van de veestapel, de melkproductie per koe en van gegevens over de beschikbaarheid en de samenstelling van krachtvoer en ruwvoer. De kwartaalrapportages verschijnen ongeveer zes weken na afloop van het kwartaal.
In voorliggende kwartaalrapportage is de prognose gegeven van de fosfaat- en stikstofexcretie van de Nederlandse veestapel in 2026 naar de situatie op 1 april 2026. Hierin zijn de volgende gegevens verwerkt:
Veestapel:
- Rundvee: I&R-gegevens per 1 april 2026 (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland - RVO).
- Pluimvee voorlopige cijfers van de peildatum 1 december 2025, zonder bijtellingen voor leegstand van stallen op de peildatum. Deze cijfers zijn gebaseerd op het I&R-register.
- Varkens, schapen, geiten, paarden, pony’s en konijnen: definitieve cijfers van de Landbouwtelling op de peildatum 1 april 2025, zonder bijtellingen voor leegstand van stallen op de peildatum. Eventuele veranderingen in dieraantallen na 1 april komen hierin nog niet tot uiting. Bij de omvang van de veestapels is het aantal dieren op de peildatum van belang; bijtellingen voor leegstand leiden tot overschatting van het gemiddeld aantal aanwezige dieren.
Voerverbruik en voersamenstelling:
- Krachtvoer voor rundvee: het verbruik van mengvoer voor melkvee is berekend als een voortschrijdend jaartotaal (tweede kwartaal 2025 tot en met het eerste kwartaal 2026). Vergeleken met de vorige kwartaalrapportage (eerste tot en met het vierde kwartaal van 2025) is het verbruik van melkveemengvoer gestegen met 0,1 procent, de hoeveelheid stikstof bleef nagenoeg gelijk en de hoeveelheid fosfor steeg met 1,0 procent (Nederlandse Vereniging Diervoederindustrie - Nevedi). Voor vleesvee zijn de N- en P-gehalten van het mengvoer in 2024 gebruikt (RVO).
- Het verbruik van graskuil en hooi in 2026 (uitgedrukt in droge stof) is nog niet bekend en daarom gebaseerd op het gemiddelde verbruik in de laatste vijf jaren waarvan definitieve cijfers bekend zijn (2020-2021: Centrale Database Kringloopwijzer; 2022-2024: CBS), waarbij de jaren met de hoogste en de laagste waarde buiten beschouwing blijven.
- Het verbruik van snijmaïs in 2026 is geschat door de snijmaïsopbrengst per hectare in de laatste vijf jaar (2020-2024) te middelen waarbij de jaren met de hoogste en de laagste waarde buiten beschouwing blijven. Deze gemiddelde opbrengst per hectare is vermenigvuldigd met het maïsareaal in 2024 als indicatie voor de beschikbare hoeveelheid. De maïsopbrengsten per hectare in 2020-2023 zijn gebaseerd op cijfers uit het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Social & Economic Research. De maïsopbrengst in 2024 is gebaseerd op cijfers over de akkerbouwproductie van het CBS.
- Ruwvoersamenstelling: de gemiddelde samenstelling van het verbruikte graskuil en snijmaïs in 2026 wordt bepaald door de samenstelling van de oogsten in 2025 en 2026. Er wordt hierbij van uitgegaan dat de oogst in een jaar voldoende is tot en met de weideperiode van het daaropvolgende jaar. De samenstelling van de graskuiloogst is een gemiddelde samenstelling van voorjaars-, zomer- en najaarskuilen (Eurofins Agro), waarbij de samenstelling globaal voor 50 procent wordt bepaald door de voorjaarskuilen (tot en met 15 juni), voor 40 procent door de zomerkuilen (16 juni-31 augustus) en voor 10 procent door de najaarskuilen (vanaf 1 september). De samenstelling van de graskuil- en , snijmaïsoogst en van vers gras in 2026 is nog niet bekend. Daarom is voorlopig uitgegaan van vijfjaarsgemiddelden (2021-2025) waarbij de jaren met de hoogste en de laagste waarde buiten beschouwing blijven.
Overige uitgangspunten:
- Het P-gehalte van melk in 2026 is nog niet bekend en daarom gebaseerd op het gemiddelde van de laatste vijf jaren waarover gegevens bekend zijn (2020-2024) waarbij de jaren met de hoogste en de laagste waarde buiten beschouwing blijven (referentiemelk; Qlip). De samenstelling van andere dierlijke producten zijn niet gewijzigd ten opzichte van de vorige kwartaalrapportage.
- De melkproductie per koe is berekend als een voortschrijdend gemiddelde, van april 2025 tot en met maart 2026. De totale melkproductie is de som van de melkleveringen aan fabrieken (RVO) en de melk die achterblijft op de boerderij (Wageningen Social & Economic Research).
- Voor de berekening van de mineralenuitscheiding van varkens, pluimvee en konijnen zijn de definitieve excretiefactoren van 2024 (CBS, 2025) toegepast.
Tabel 2.1.1 laat zien dat het aantal melkkoeien in het eerste kwartaal van 2026 is gedaald met 0,6 procent ten opzichte van de vorige kwartaalrapportage. Het aantal stuks vleesvee nam af met 1,0 procent.
| 4e kwartaal- rapportage 20251) | 1e kwartaal- rapportage 20262) | ||
|---|---|---|---|
| Rundvee - melkvee | Totaal | 2 494 | 2 470 |
| Rundvee - melkvee | Vrouwelijk jongvee tot 1 jaar | 441 | 444 |
| Rundvee - melkvee | Mannelijk jongvee tot 1 jaar | 43 | 39 |
| Rundvee - melkvee | Vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder | 474 | 461 |
| Rundvee - melkvee | Melkkoeien | 1 522 | 1 513 |
| Rundvee - melkvee | Fokstieren van 1 jaar en ouder | 13 | 13 |
| Rundvee - vleesvee | Totaal | 1 115 | 1 104 |
| Rundvee - vleesvee | Witvleeskalveren | 591 | 583 |
| Rundvee - vleesvee | Rosévleeskalveren | 297 | 298 |
| Rundvee - vleesvee | Vrouwelijk jongvee tot 1 jaar | 31 | 31 |
| Rundvee - vleesvee | Vleesstieren tot 1 jaar | 45 | 44 |
| Rundvee - vleesvee | Vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder | 49 | 46 |
| Rundvee - vleesvee | Vleesstieren van 1 jaar en ouder | 48 | 47 |
| Rundvee - vleesvee | Weide- en zoogkoeien | 55 | 54 |
| Schapen | Ooien | 447 | 447 |
| Melkgeiten | Melkgeiten ouder dan 1 jaar | 444 | 444 |
| Paarden | Totaal | 65 | 65 |
| Pony's | Totaal | 38 | 38 |
| Varkens | Totaal (exclusief biggen tot spenen) | 7 880 | 7 880 |
| Varkens | Vleesvarkens | 4 321 | 4 321 |
| Varkens | Opfokvarkens | 173 | 173 |
| Varkens | Zeugen | 666 | 666 |
| Varkens | Gespeende biggen | 2 714 | 2 714 |
| Varkens | Dekberen | 5 | 5 |
| Pluimvee | Totaal | 81 600 | 81 600 |
| Pluimvee | Vleeskuikens | 36 327 | 36 327 |
| Pluimvee | Opfokouderdieren vleeskuikens | 2 448 | 2 448 |
| Pluimvee | Ouderdieren vleeskuikens | 3 461 | 3 461 |
| Pluimvee | Opfokleghennen incl. ouderdieren in opfok | 7 844 | 7 844 |
| Pluimvee | Leghennen incl. ouderdieren, tot ca. 20 maanden | 26 440 | 26 440 |
| Pluimvee | Leghennen ouder dan ca. 20 maanden | 4 513 | 4 513 |
| Pluimvee | Eenden | 301 | 301 |
| Pluimvee | Kalkoenen | 266 | 266 |
| Konijnen | Voedsters | 32 | 32 |
| 1) Het aantal runderen in het I&R-register op 1-1-2026, pluimvee op 1-12-2025. Voor de overige dieren zijn de aantallen uit de Landbouwtelling (peildatum 1 april 2025) gebruikt. 2) Het aantal runderen in het I&R-register op 1-4-2026, pluimvee op 1-12-2025. Voor de overige dieren zijn de aantallen uit de Landbouwtelling (peildatum 1 april 2025) gebruikt. N.B. Door afronding kunnen de weergegeven totalen afwijken van de som van de afzonderlijke getallen. | |||
In Tabel 2.1.2 is de samenstelling van de belangrijkste voedermiddelen voor graasdieren weergegeven. De samenstelling van het verbruikte ruwvoer in 2026 wordt bepaald door de oogst van het vorige jaar (2025) en de oogst van het huidige jaar (2026). De samenstelling van de graskuiloogst, snijmaïsoogst en vers gras in 2026 is nog niet bekend. In plaats daarvan is uitgegaan van vijfjaarsgemiddelden waarbij de jaren met de hoogste en de laagste waarden buiten beschouwing blijven.
| Stikstof | Fosfor | |
|---|---|---|
| 1e kwartaal- rapportage 2026 | 1e kwartaal- rapportage 2026 | |
| Mengvoer melkvee (g/kg)1) | 28,3 | 4,23 |
| Graskuil oogstjaar 2025 (g/kg droge stof)2) | 27,7 | 3,65 |
| Graskuil oogstjaar 2026 (g/kg droge stof)2)3) | 26,4 | 3,67 |
| Snijmaïs oogstjaar 2025 (g/kg droge stof)2) | 10,9 | 1,70 |
| Snijmaïs oogstjaar 2026 (g/kg droge stof)2)3) | 11,0 | 1,73 |
| Vers gras 2026 (g/kg droge stof)2)3) | 31,3 | 3,93 |
| 1) Bron: Nevedi. 2) Bron: Eurofins Agro. 3) In de eerste kwartaalrapportage is het cijfer het gemiddelde van de vijf voorgaande jaren zonder het jaar met de laagste en het jaar met de hoogste waarde. | ||
In Tabel 2.1.3 is de melkproductie per koe per jaar weergegeven. Het cijfer is een voortschrijdend gemiddelde over de voorgaande 12 maanden, van april 2025 tot en met maart 2026. Ten opzichte van de vorige kwartaalrapportage steeg de melkproductie per koe met 1,7 procent.
| 4e kwartaal- rapportage 2025 | 1e kwartaal- rapportage 2026 | |
|---|---|---|
| Melkproductie | 9 370 | 9 525 |
In Tabel 2.1.4 is de prognose weergegeven van de fosfaat- en stikstofexcretie.
| Fosfaat | Fosfaat | Stikstof | Stikstof | ||
|---|---|---|---|---|---|
| 4e kwartaal- rapportage 2025 | 1e kwartaal- rapportage 2026 | 4e kwartaal- rapportage 2025 | 1e kwartaal- rapportage 2026 | ||
| Rundvee | Totaal | 83,8 | 81,9 | 290,7 | 296,0 |
| Rundvee | Melkvee | 75 | 73,3 | 259,3 | 264,8 |
| Rundvee | Vleeskalveren | 5,4 | 5,3 | 19,1 | 19,1 |
| Rundvee | Overig vleesvee | 3,5 | 3,3 | 12,3 | 12,1 |
| Varkens | Totaal | 29,7 | 29,7 | 73,8 | 73,8 |
| Pluimvee | Totaal | 19,8 | 19,8 | 46,9 | 46,9 |
| Pluimvee | Kippen | 19,6 | 19,6 | 46,3 | 46,3 |
| Pluimvee | Kalkoenen | 0,2 | 0,2 | 0,5 | 0,5 |
| Pluimvee | Eenden | 0,1 | 0,1 | 0,2 | 0,2 |
| Paarden, pony’s, schapen en geiten | Totaal | 7,2 | 7 | 21,2 | 21,1 |
| Konijnen | Totaal | 0,1 | 0,1 | 0,3 | 0,3 |
| Veestapel | Totaal | 140,7 | 138,6 | 432,9 | 438,0 |
| Veestapel | Productieplafond2) | 135,0 | 135,0 | 440,0 | 440,0 |
| 1) De omvang van de rundveestapel in de kwartaalrapportages is gebaseerd op de aantallen in het I&R-systeem voor rundvee aan het einde van elk kwartaal. 2) Door de Europese Commissie en in Nederlandse wetgeving vastgesteld productieplafond voor Nederland. N.B. de momentopnames na afloop van elk kwartaal zijn door veranderingen in de rundveestapel niet representatief voor de fosfaat- en stikstofexcretie in het hele jaar. Daarnaast zijn de waarden van een aantal variabelen in de kwartaalrapportages geschat, zoals het verbruik en de samenstelling van bepaalde voeders, omdat deze gegevens op het moment van rapportage nog niet beschikbaar waren. Door afronding kunnen de weergegeven totalen afwijken van de som van de afzonderlijke getallen. | |||||
In 2025 zijn vanwege de derogatiebeschikking (EC, 2022) de productieplafonds verlaagd tot 440 miljoen kilogram stikstof en 135 miljoen kilogram fosfaat (Stb-2024-369). De stikstofexcretie van de gehele veestapel is volgens de momentopname in het eerste kwartaal van 2026 438 miljoen kilogram, 0,4 procent onder het stikstofproductieplafond. De fosfaatexcretie van de gehele veestapel bedroeg in het eerste kwartaal 139 miljoen kilogram, 2,7 procent boven het productieplafond.
Vergeleken met de vorige kwartaalrapportage is de stikstofexcretie toegenomen, als gevolg van een hogere melkproductie en een hoger stikstofgehalte van het ruwvoer. De prognose van de fosfaat- en stikstofexcretie in 2026 in deze kwartaalrapportage berust voor een groot deel op voorlopige cijfers over de omvang van de veestapel en de hoeveelheden en de samenstelling van ruwvoer en krachtvoer. Dit betekent dat de onzekerheid in de prognose van de excretie in 2026 in deze kwartaalrapportage groot is.
2.2 Fosfaat- en stikstofexcretie met gemiddeld aantal dieren
Na afloop van elk kalenderjaar berekent het CBS achtereenvolgens voorlopige en definitieve cijfers over de fosfaat- en stikstofexcretie van de veestapel. Bij de definitieve cijfers wordt uitgegaan van de excretiefactoren per dier die zijn vastgesteld door de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM) en het aantal dieren in de Landbouwtelling. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het aantal dieren op de peildatum 1 april van de Landbouwtelling overeenkomt met het gemiddeld aantal aanwezige dieren in het jaar, behalve in jaren met uitbraken van dierziekten of andere bijzondere omstandigheden zoals uitkoopregelingen. In Tabel 2.2.1 is de excretie van stikstof en fosfaat in 2023 en 2024 weergegeven. De cijfers van 2025 worden eind juni 2026 verwacht.
| Fosfaat | Fosfaat | Stikstof | Stikstof | ||
|---|---|---|---|---|---|
| 2023 | 2024 | 2023 | 2024 | ||
| Rundvee | Totaal | 84,4 | 86,1 | 307,1 | 298,4 |
| Rundvee | Melkvee | 75,6 | 76,7 | 273,8 | 265,2 |
| Rundvee | Vleeskalveren | 5,0 | 5,5 | 19,0 | 19,6 |
| Rundvee | Overig vleesvee | 3,8 | 3,9 | 14,2 | 13,7 |
| Varkens | Totaal | 32,8 | 32,3 | 81,7 | 80,1 |
| Pluimvee | Totaal | 23,0 | 20,8 | 52,6 | 48,7 |
| Pluimvee | Kippen | 22,5 | 20,3 | 51,4 | 47,6 |
| Pluimvee | Kalkoenen | 0,4 | 0,3 | 0,9 | 0,9 |
| Pluimvee | Eenden | 0,1 | 0,1 | 0,3 | 0,2 |
| Paarden, pony’s, schapen en geiten | Totaal | 7,2 | 7,4 | 22,0 | 21,5 |
| Konijnen | Totaal | 0,1 | 0,1 | 0,2 | 0,3 |
| Veestapel | Totaal | 147,5 | 146,7 | 463,5 | 448,9 |
| N.B. Door afronding kunnen de weergegeven totalen afwijken van de som van de afzonderlijke getallen. | |||||