Monitor fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest, eerste kwartaal 2026

Over deze publicatie

In opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) stelt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) na afloop van elk kwartaal van 2026 een berekening op van de fosfaat- en stikstofexcretie van de Nederlandse veestapel. De kwartaalrapportages vormen de basis voor een driemaandelijks ijkmoment.
Deze rapportage is de eerste kwartaalrapportage van 2026 en bevat een momentopname van de fosfaat- en stikstofexcretie naar de stand van de rundveestapel op 1 april 2026.

1. Inleiding

Op verzoek van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) maakt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) na afloop van elk kwartaal van 2026 een prognose van de fosfaat- en stikstofexcretie van de Nederlandse veestapel. Het gaat om momentopnames waarbij de omvang van de rundveestapel na afloop van elk kwartaal gebaseerd is op het actuele aantal dieren in het Identificatie & Registratiesysteem (I&R). 

In het kader van de stikstofproblematiek hebben de overheid en verschillende sectorpartijen in de melkveehouderij in 2021 afgesproken om op sectorniveau het ruweiwitgehalte van het melkveevoerrantsoen in de komende jaren stapsgewijs te verlagen met als streefdoel maximaal 160 gram ruw eiwit per kilogram droge stof in 2025. In februari 2025 is een convenant opgesteld en ondertekend door partijen in de zuivelketen. De convenantpartners hebben zich verbonden aan het doel om het gemiddeld ruweiwitgehalte van het melkveevoerrantsoen te verlagen naar maximaal 160 gr RE/kg droge stof in 2025 en maximaal 158 gr RE/kg droge stof in 2026. Op verzoek van het ministerie van LVVN en sectorpartijen is een prognose van het ruweiwitgehalte van het melkveevoerrantsoen aan de rapportage toegevoegd. 

De voorliggende rapportage is de eerste kwartaalrapportage van 2026. In hoofdstuk 2 is een prognose opgenomen van de fosfaat- en stikstofexcretie in 2026 naar de stand van de rundveestapel in het I&R-register op 1 april 2026. Aangezien er nog geen gegevens beschikbaar zijn over de ruwvoersamenstelling in 2026 en de krachtvoergegevens beperkt zijn tot de eerste drie maanden van het jaar, is het nog te vroeg om in deze kwartaalrapportage een zinvolle raming op te stellen van het ruweiwitgehalte van het melkveevoerrantsoen in 2026.

Bij het opstellen van de berekeningen is zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek die het CBS hanteert voor de reguliere jaarlijkse verantwoording over de fosfaat- en stikstofexcretie van de Nederlandse veestapel aan de Europese Commissie. 

2. Fosfaat- en stikstofexcretie

2.1 Fosfaat- en stikstofexcretie met rundveestapel op peildata I&R

Na afloop van elk kwartaal wordt op basis van beschikbaar gekomen nieuwe en actuele gegevens een berekening opgesteld van de totale fosfaat- en stikstofexcretie van de Nederlandse veestapel. De methodiek sluit aan bij de geharmoniseerde rekenmethodiek die door het CBS wordt toegepast (WUM, 2010; CBS, 2025). De berekeningen vormen een momentopname waarbij de omvang van de rundveestapel is gebaseerd op het aantal dieren in het I&R-register na afloop van ieder kwartaal. De omvang van de rundveestapel in de voorliggende kwartaalrapportage is gebaseerd op het aantal runderen in het I&R-register met de stand op 1 april 2026. Voor pluimvee zijn dit de voorlopige cijfers van de peildatum 1 december 2025 op basis van het I&R-register. Voor de overige diercategorieën zijn de aantallen in de rapportages afhankelijk van de beschikbaarheid van cijfers uit de Landbouwtelling. 

In de kwartaalrapportages wordt steeds gebruik gemaakt van de meest recente gegevens over de omvang van de veestapel, de melkproductie per koe en van gegevens over de beschikbaarheid en de samenstelling van krachtvoer en ruwvoer. De kwartaalrapportages verschijnen ongeveer zes weken na afloop van het kwartaal.

In voorliggende kwartaalrapportage is de prognose gegeven van de fosfaat- en stikstofexcretie van de Nederlandse veestapel in 2026 naar de situatie op 1 april 2026. Hierin zijn de volgende gegevens verwerkt:

Veestapel:

  • Rundvee: I&R-gegevens per 1 april 2026 (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland - RVO).
  • Pluimvee voorlopige cijfers van de peildatum 1 december 2025, zonder bijtellingen voor leegstand van stallen op de peildatum. Deze cijfers zijn gebaseerd op het I&R-register. 
  • Varkens, schapen, geiten, paarden, pony’s en konijnen: definitieve cijfers van de Landbouwtelling op de peildatum 1 april 2025, zonder bijtellingen voor leegstand van stallen op de peildatum. Eventuele veranderingen in dieraantallen na 1 april komen hierin nog niet tot uiting. Bij de omvang van de veestapels is het aantal dieren op de peildatum van belang; bijtellingen voor leegstand leiden tot overschatting van het gemiddeld aantal aanwezige dieren. 

Voerverbruik en voersamenstelling:

  • Krachtvoer voor rundvee: het verbruik van mengvoer voor melkvee is berekend als een voortschrijdend jaartotaal (tweede kwartaal 2025 tot en met het eerste kwartaal 2026). Vergeleken met de vorige kwartaalrapportage (eerste tot en met het vierde kwartaal van 2025) is het verbruik van melkveemengvoer gestegen met 0,1 procent, de hoeveelheid stikstof bleef nagenoeg gelijk en de hoeveelheid fosfor steeg met 1,0 procent (Nederlandse Vereniging Diervoederindustrie - Nevedi). Voor vleesvee zijn de N- en P-gehalten van het mengvoer in 2024 gebruikt (RVO).
  • Het verbruik van graskuil en hooi in 2026 (uitgedrukt in droge stof) is nog niet bekend en daarom gebaseerd op het gemiddelde verbruik in de laatste vijf jaren waarvan definitieve cijfers bekend zijn (2020-2021: Centrale Database Kringloopwijzer; 2022-2024: CBS), waarbij de jaren met de hoogste en de laagste waarde buiten beschouwing blijven.
  • Het verbruik van snijmaïs in 2026 is geschat door de snijmaïsopbrengst per hectare in de laatste vijf jaar (2020-2024) te middelen waarbij de jaren met de hoogste en de laagste waarde buiten beschouwing blijven. Deze gemiddelde opbrengst per hectare is vermenigvuldigd met het maïsareaal in 2024 als indicatie voor de beschikbare hoeveelheid. De maïsopbrengsten per hectare in 2020-2023 zijn gebaseerd op cijfers uit het Bedrijveninformatienet (BIN) van Wageningen Social & Economic Research. De maïsopbrengst in 2024 is gebaseerd op cijfers over de akkerbouwproductie van het CBS.
  • Ruwvoersamenstelling: de gemiddelde samenstelling van het verbruikte graskuil en snijmaïs in 2026 wordt bepaald door de samenstelling van de oogsten in 2025 en 2026. Er wordt hierbij van uitgegaan dat de oogst in een jaar voldoende is tot en met de weideperiode van het daaropvolgende jaar. De samenstelling van de graskuiloogst is een gemiddelde samenstelling van voorjaars-, zomer- en najaarskuilen (Eurofins Agro), waarbij de samenstelling globaal voor 50 procent wordt bepaald door de voorjaarskuilen (tot en met 15 juni), voor 40 procent door de zomerkuilen (16 juni-31 augustus) en voor 10 procent door de najaarskuilen (vanaf 1 september). De samenstelling van de graskuil- en , snijmaïsoogst en van vers gras in 2026 is nog niet bekend. Daarom is voorlopig uitgegaan van vijfjaarsgemiddelden (2021-2025) waarbij de jaren met de hoogste en de laagste waarde buiten beschouwing blijven.

Overige uitgangspunten:

  • Het P-gehalte van melk in 2026 is nog niet bekend en daarom gebaseerd op het gemiddelde van de laatste vijf jaren waarover gegevens bekend zijn (2020-2024) waarbij de jaren met de hoogste en de laagste waarde buiten beschouwing blijven (referentiemelk; Qlip). De samenstelling van andere dierlijke producten zijn niet gewijzigd ten opzichte van de vorige kwartaalrapportage. 
  • De melkproductie per koe is berekend als een voortschrijdend gemiddelde, van april 2025 tot en met maart 2026. De totale melkproductie is de som van de melkleveringen aan fabrieken (RVO) en de melk die achterblijft op de boerderij (Wageningen Social & Economic Research). 
  • Voor de berekening van de mineralenuitscheiding van varkens, pluimvee en konijnen zijn de definitieve excretiefactoren van 2024 (CBS, 2025) toegepast.

Tabel 2.1.1 laat zien dat het aantal melkkoeien in het eerste kwartaal van 2026 is gedaald met 0,6 procent ten opzichte van de vorige kwartaalrapportage. Het aantal stuks vleesvee nam af met 1,0 procent. 

2.1.1 Aantal dieren (x 1 000)
4e kwartaal-
rapportage 20251)
1e kwartaal-
rapportage 20262)
Rundvee - melkvee Totaal 2 494 2 470
Rundvee - melkvee Vrouwelijk jongvee tot 1 jaar 441 444
Rundvee - melkvee Mannelijk jongvee tot 1 jaar 43 39
Rundvee - melkvee Vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder 474 461
Rundvee - melkvee Melkkoeien 1 522 1 513
Rundvee - melkvee Fokstieren van 1 jaar en ouder 13 13
Rundvee - vleesvee Totaal 1 115 1 104
Rundvee - vleesvee Witvleeskalveren 591 583
Rundvee - vleesvee Rosévleeskalveren 297 298
Rundvee - vleesvee Vrouwelijk jongvee tot 1 jaar 31 31
Rundvee - vleesvee Vleesstieren tot 1 jaar 45 44
Rundvee - vleesvee Vrouwelijk jongvee van 1 jaar en ouder 49 46
Rundvee - vleesvee Vleesstieren van 1 jaar en ouder 48 47
Rundvee - vleesvee Weide- en zoogkoeien 55 54
Schapen Ooien 447 447
Melkgeiten Melkgeiten ouder dan 1 jaar 444 444
Paarden Totaal 65 65
Pony's Totaal 38 38
Varkens Totaal (exclusief biggen tot spenen) 7 880 7 880
Varkens Vleesvarkens 4 321 4 321
Varkens Opfokvarkens 173 173
Varkens Zeugen 666 666
Varkens Gespeende biggen 2 714 2 714
Varkens Dekberen 5 5
Pluimvee Totaal 81 600 81 600
Pluimvee Vleeskuikens 36 327 36 327
Pluimvee Opfokouderdieren vleeskuikens 2 448 2 448
Pluimvee Ouderdieren vleeskuikens 3 461 3 461
Pluimvee Opfokleghennen incl. ouderdieren in opfok 7 844 7 844
Pluimvee Leghennen incl. ouderdieren, tot ca. 20 maanden 26 440 26 440
Pluimvee Leghennen ouder dan ca. 20 maanden 4 513 4 513
Pluimvee Eenden 301 301
Pluimvee Kalkoenen 266 266
Konijnen Voedsters 32 32
1) Het aantal runderen in het I&R-register op 1-1-2026, pluimvee op 1-12-2025. Voor de overige dieren zijn de aantallen uit de Landbouwtelling (peildatum 1 april 2025) gebruikt.
2) Het aantal runderen in het I&R-register op 1-4-2026, pluimvee op 1-12-2025.  Voor de overige dieren zijn de aantallen uit de Landbouwtelling (peildatum 1 april 2025) gebruikt.
N.B. Door afronding kunnen de weergegeven totalen afwijken van de som van de afzonderlijke getallen.

In Tabel 2.1.2 is de samenstelling van de belangrijkste voedermiddelen voor graasdieren weergegeven. De samenstelling van het verbruikte ruwvoer in 2026 wordt bepaald door de oogst van het vorige jaar (2025) en de oogst van het huidige jaar (2026). De samenstelling van de graskuiloogst, snijmaïsoogst en vers gras in 2026 is nog niet bekend. In plaats daarvan is uitgegaan van vijfjaarsgemiddelden waarbij de jaren met de hoogste en de laagste waarden buiten beschouwing blijven.

2.1.2 Samenstelling van ruwvoer en melkveemengvoer
Stikstof Fosfor
1e kwartaal-
rapportage 2026
1e kwartaal-
rapportage 2026
Mengvoer melkvee (g/kg)1) 28,3 4,23
Graskuil oogstjaar 2025 (g/kg droge stof)2) 27,7 3,65
Graskuil oogstjaar 2026 (g/kg droge stof)2)3) 26,4 3,67
Snijmaïs oogstjaar 2025 (g/kg droge stof)2) 10,9 1,70
Snijmaïs oogstjaar 2026 (g/kg droge stof)2)3) 11,0 1,73
Vers gras 2026 (g/kg droge stof)2)3) 31,3 3,93
1) Bron: Nevedi.
2) Bron: Eurofins Agro.
3) In de eerste kwartaalrapportage is het cijfer het gemiddelde van de vijf voorgaande jaren zonder het jaar met de laagste en het jaar met de hoogste waarde.

In Tabel 2.1.3 is de melkproductie per koe per jaar weergegeven. Het cijfer is een voortschrijdend gemiddelde over de voorgaande 12 maanden, van april 2025 tot en met maart 2026. Ten opzichte van de vorige kwartaalrapportage steeg de melkproductie per koe met 1,7 procent.

2.1.3 Melkproductie per koe (kg/koe/jaar)
4e kwartaal-
rapportage 2025
1e kwartaal-
rapportage 2026
Melkproductie 9 370 9 525

In Tabel 2.1.4 is de prognose weergegeven van de fosfaat- en stikstofexcretie. 

2.1.4 Fosfaat- en stikstofexcretie van de Nederlandse veestapel met de
rundveestapel op peildata van het I&R-systeem1) (mln kg)
Fosfaat Fosfaat Stikstof Stikstof
4e kwartaal-
rapportage 2025
1e kwartaal-
rapportage 2026
4e kwartaal-
rapportage 2025
1e kwartaal-
rapportage 2026
Rundvee Totaal 83,8 81,9 290,7 296,0
Rundvee Melkvee 75 73,3 259,3 264,8
Rundvee Vleeskalveren 5,4 5,3 19,1 19,1
Rundvee Overig vleesvee 3,5 3,3 12,3 12,1
Varkens Totaal 29,7 29,7 73,8 73,8
Pluimvee Totaal 19,8 19,8 46,9 46,9
Pluimvee Kippen 19,6 19,6 46,3 46,3
Pluimvee Kalkoenen 0,2 0,2 0,5 0,5
Pluimvee Eenden 0,1 0,1 0,2 0,2
Paarden, pony’s, schapen en geiten Totaal 7,2 7 21,2 21,1
Konijnen Totaal 0,1 0,1 0,3 0,3
Veestapel Totaal 140,7 138,6 432,9 438,0
Veestapel Productieplafond2) 135,0 135,0 440,0 440,0
1) De omvang van de rundveestapel in de kwartaalrapportages is gebaseerd op de aantallen in het I&R-systeem voor rundvee aan het einde van elk kwartaal.
2) Door de Europese Commissie en in Nederlandse wetgeving vastgesteld productieplafond voor Nederland.
N.B. de momentopnames na afloop van elk kwartaal zijn door veranderingen in de rundveestapel niet representatief voor de fosfaat- en stikstofexcretie in het hele jaar. Daarnaast zijn de waarden van een aantal variabelen in de kwartaalrapportages geschat, zoals het verbruik en de samenstelling van bepaalde voeders, omdat deze gegevens op het moment van rapportage nog niet beschikbaar waren. 
Door afronding kunnen de weergegeven totalen afwijken van de som van de afzonderlijke getallen.

In 2025 zijn vanwege de derogatiebeschikking (EC, 2022) de productieplafonds verlaagd tot 440 miljoen kilogram stikstof en 135 miljoen kilogram fosfaat (Stb-2024-369). De stikstofexcretie van de gehele veestapel is volgens de momentopname in het eerste kwartaal van 2026 438 miljoen kilogram, 0,4 procent onder het stikstofproductieplafond. De fosfaatexcretie van de gehele veestapel bedroeg in het eerste kwartaal 139 miljoen kilogram, 2,7 procent boven het productieplafond. 

Vergeleken met de vorige kwartaalrapportage is de stikstofexcretie toegenomen, als gevolg van een hogere melkproductie en een hoger stikstofgehalte van het ruwvoer. De prognose van de fosfaat- en stikstofexcretie in 2026 in deze kwartaalrapportage berust voor een groot deel op voorlopige cijfers over de omvang van de veestapel en de hoeveelheden en de samenstelling van ruwvoer en krachtvoer. Dit betekent dat de onzekerheid in de prognose van de excretie in 2026 in deze kwartaalrapportage groot is.  

2.2 Fosfaat- en stikstofexcretie met gemiddeld aantal dieren

Na afloop van elk kalenderjaar berekent het CBS achtereenvolgens voorlopige en definitieve cijfers over de fosfaat- en stikstofexcretie van de veestapel. Bij de definitieve cijfers wordt uitgegaan van de excretiefactoren per dier die zijn vastgesteld door de Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (WUM) en het aantal dieren in de Landbouwtelling. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het aantal dieren op de peildatum 1 april van de Landbouwtelling overeenkomt met het gemiddeld aantal aanwezige dieren in het jaar, behalve in jaren met uitbraken van dierziekten of andere bijzondere omstandigheden zoals uitkoopregelingen. In Tabel 2.2.1 is de excretie van stikstof en fosfaat in 2023 en 2024 weergegeven. De cijfers van 2025 worden eind juni 2026 verwacht. 

2.2.1 Fosfaat- en stikstofexcretie van de Nederlandse veestapel op
basis van het aantal dieren op de peildatum 1 april van de
Landbouwtelling (mln kg)
Fosfaat Fosfaat Stikstof Stikstof
2023 2024 2023 2024
Rundvee Totaal 84,4 86,1 307,1 298,4
Rundvee Melkvee 75,6 76,7 273,8 265,2
Rundvee Vleeskalveren 5,0 5,5 19,0 19,6
Rundvee Overig vleesvee 3,8 3,9 14,2 13,7
Varkens Totaal 32,8 32,3 81,7 80,1
Pluimvee Totaal 23,0 20,8 52,6 48,7
Pluimvee Kippen 22,5 20,3 51,4 47,6
Pluimvee Kalkoenen 0,4 0,3 0,9 0,9
Pluimvee Eenden 0,1 0,1 0,3 0,2
Paarden, pony’s, schapen en geiten Totaal 7,2 7,4 22,0 21,5
Konijnen Totaal 0,1 0,1 0,2 0,3
Veestapel Totaal 147,5 146,7 463,5 448,9
N.B. Door afronding kunnen de weergegeven totalen afwijken van de som van de afzonderlijke getallen.

3. Ruweiwitgehalte van het melkveevoerrantsoen

In het kader van de stikstofproblematiek hebben de overheid en verschillende sectorpartijen in de melkveehouderij in 2021 afgesproken om op sectorniveau het ruweiwitgehalte van het melkveevoerrantsoen in de komende jaren stapsgewijs te verlagen met als streefdoel maximaal 160 gram ruw eiwit per kilogram droge stof in 2025. In februari 2025 is een convenant opgesteld en ondertekend door partijen in de zuivelketen. De convenantpartners hebben zich verbonden aan het doel om het gemiddeld ruweiwitgehalte van het melkveevoerrantsoen te verlagen naar maximaal 160 gr RE/kg droge stof in 2025 en maximaal 158 gr RE/kg droge stof in 2026. De melkveestapel bestaat uit melkkoeien en het bijbehorende vrouwelijke jongvee. 

De uitgangspunten in de prognose van het ruweiwitgehalte zijn opgenomen in Paragraaf 2.1 onder Voerverbruik en voersamenstelling. Voor de eerste kwartaalrapportage van 2026 zijn nog onvoldoende gegevens beschikbaar over krachtvoer- en ruwvoersamenstelling om een indicatie te kunnen geven van het ruweiwitgehalte van het melkveevoerrantsoen in 2026. In de volgende kwartaalrapportage zal voor het eerst een prognose worden opgenomen waarin de samenstelling van de voorjaarskuilen van 2026 is verwerkt. Tabel 3.1 toont het ruweiwitgehalte van het melkveevoerrantsoen in 2023, 2024 en het vierde kwartaal van 2025.

3.1 Ruweiwitgehalte van het melkveevoerrantsoen (g/kg droge stof)
2023 2024 4e kwartaal-
rapportage 2025
Melkveevoerrantsoen (melkkoeien en jongvee) 163 161 158

4. Referenties

CBS (2025). Dierlijke mest en mineralen 2024.

EC (2022). Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/2069 van de Commissie van 30 september 2022 tot verlening van een door Nederland gevraagde derogatie op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen.

Royer, E. en P. Bikker (2025). Nitrogen and phosphorous content in the body of growing pigs in the Netherlands; Literature review and data analysis. Wageningen Livestock Research, Public Report 1554.

Stb-2024-369. Staatsblad 2024, 369

WUM (2010). Gestandaardiseerde berekeningsmethode voor dierlijke mest en mineralen. Standaardcijfers 1990-2008. Werkgroep Uniformering berekening Mest- en mineralencijfers (redactie C. van Bruggen). CBS, PBL, LEI-Wageningen UR, Wageningen UR-Livestock Research, ministerie van LNV en RIVM. CBS, Den Haag.