Lopende transacties; sectoren, nationale rekeningen

Lopende transacties; sectoren, nationale rekeningen

Institutionele sectoren Niet-geconsolideerd of geconsolideerd Perioden Middelen Output Output voor eigen finaal gebruik Output voor eigen consumptie (mln euro) Bestedingen Consumptieve bestedingen Totaal (mln euro) Bestedingen Consumptieve bestedingen Collectieve consumptieve bestedingen (mln euro) Bestedingen Consumptieve bestedingen Individuele consumptieve bestedingen Totaal (mln euro) Bestedingen Consumptieve bestedingen Individuele consumptieve bestedingen Overige individuele consumptie (mln euro)
Totale binnenlandse sectoren Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 15.424 203.941 24.942 178.999 125.266
Totale binnenlandse sectoren Geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 15.424 203.941 24.942 178.999 125.266
Niet-financiële vennootschappen Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Niet-financiële vennootschappen Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Financiële instellingen Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Financiële instellingen Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Monetaire financiële instellingen Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Monetaire financiële instellingen Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Centrale bank Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Centrale bank Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Ov. deposito-instellingen en GMF's Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Ov. deposito-instellingen en GMF's Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Overige financiële instellingen Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Overige financiële instellingen Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Beleggingsfondsen m.u.v geldmarktfondsen Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Beleggingsfondsen m.u.v geldmarktfondsen Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Ov. fin. inst. excl. beleggingsfondsen Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Ov. fin. inst. excl. beleggingsfondsen Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Ov. fin. intermediairs en hulpbedrijven Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Ov. fin. intermediairs en hulpbedrijven Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Overige financiële intermediairs Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Overige financiële intermediairs Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Financiële hulpbedrijven Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Financiële hulpbedrijven Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Fin. instellingen binnen concernverband Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Fin. instellingen binnen concernverband Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Verzekeringsinstel. en pensioenfondsen Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Verzekeringsinstel. en pensioenfondsen Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Verzekeringsinstellingen Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Verzekeringsinstellingen Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Pensioenfondsen Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Pensioenfondsen Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Overheid Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 76.216 24.942 51.274
Overheid Geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 76.216 24.942 51.274
Centrale overheid Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 21.254 15.274 5.980
Centrale overheid Geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 21.254 15.274 5.980
Lokale overheid Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 28.832 9.668 19.164
Lokale overheid Geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 28.832 9.668 19.164
Socialezekerheidsfondsen Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 26.130 0 26.130
Socialezekerheidsfondsen Geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 26.130 0 26.130
Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 15.424 127.725 127.725 125.266
Huishoudens incl. IZW's t.b.v. huish. Geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 15.424 127.725 127.725 125.266
Huishoudens Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 15.424 125.266 125.266 125.266
Huishoudens Geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 15.424 125.266 125.266 125.266
IZW's t.b.v. huishoudens Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 2.459 2.459
IZW's t.b.v. huishoudens Geconsolideerd 2026 1e kwartaal* 2.459 2.459
Buitenland Niet-geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Buitenland Geconsolideerd 2026 1e kwartaal*
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel geeft een overzicht van de niet-financiële transacties van de institutionele sectoren van de Nederlandse economie. Niet-financiële transacties bestaan uit lopende transacties en transacties van de kapitaalrekening. De transacties worden ingedeeld naar middelen en bestedingen. Daarnaast worden ook de saldi van de sectoren weergegeven.
Niet-financiële transacties worden geraamd voor de hoofdsectoren van de economie: niet-financiële vennootschappen, financiële instellingen, overheid, huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens en het buitenland. De sectoren financiële instellingen en overheid zijn bovendien nog naar subsectoren uitgesplitst. Sectoren worden zowel geconsolideerd als niet-geconsolideerd gepresenteerd.

Gegevens beschikbaar vanaf:
Jaargegevens vanaf 1995.
Kwartaalgegevens vanaf het eerste kwartaal 1999.

Status van de cijfers:
De jaargegevens van 1995 tot en met 2024 zijn definitief. Kwartaalgegevens vanaf 2024 hebben de status voorlopig.

Wijzigingen per 1 juli 2026:
Cijfers over het eerste kwartaal van 2026 zijn toegevoegd.
Conform revisiebeleid zijn gegevens van 2024 en 2025 geactualiseerd, en zijn de tijdreeksen van de sectorrekeningen gereviseerd (jaarlijkse revisie).

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Jaarcijfers:
De eerste jaarcijfers komen beschikbaar 85 dagen na afloop van het verslagjaar als som van de cijfers van de vier kwartalen van het betreffende jaar. Vervolgens worden na 6 en 18 maanden respectievelijk de voorlopige en definitieve jaarramingen gepubliceerd. Hiernaast worden de sectorrekeningen voor alle verslagperioden jaarlijks gereviseerd. De cijfers komen jaarlijks in juni beschikbaar op StatLine, de elektronische database van het CBS.
Kwartaalcijfers:
85 dagen na afloop van een verslagkwartaal komt de eerste kwartaalraming beschikbaar. Mocht daarna nog nieuwe kwartaalinformatie beschikbaar komen, dan kan in september het eerste, en in december het tweede kwartaal nog worden herzien. In maart kunnen de eerste drie kwartalen nog worden bijgesteld. Als in juni nieuwe jaarcijfers beschikbaar komen, dan worden de kwartaalcijfers opnieuw herzien zodat ze aansluiten op die jaarcijfers.
Hiernaast kunnen er tussentijdse actualisaties plaatsvinden om eind maart en eind september de meest actuele gegevens over de overheid aan de Europese Commissie te verstrekken. De gegevens over de kwartalen worden aangesloten op de bijgestelde jaarcijfers.

Toelichting onderwerpen

Middelen
Middelen bestaan uit transacties die de economische waarde van sectoren verhogen (oftewel de inkomsten door sectoren).
Output
Het totaal aan goederen en diensten dat is geproduceerd. Ook wel productie genoemd. Hiervan bestaan drie soorten:
- marktoutput: goederen en diensten die op de markt zijn afgezet of waarvoor dit in de toekomst de bedoeling is.
- output voor eigen finaal gebruik: goederen en diensten voor eigen consumptie of voor investeringen door dezelfde institutionele eenheid als die welke die goederen en diensten heeft geproduceerd.
- niet-marktoutput: goederen en diensten die gratis of tegen economisch niet-significante prijzen aan andere eenheden zijn geleverd.

De output wordt gewaardeerd tegen basisprijzen. Dit zijn de prijzen die door producenten zelf worden ervaren: per bedrijfstak zijn de productgebonden belastingen er namelijk vanaf getrokken en de productgebonden subsidies erbij opgeteld. Door de producent afzonderlijk in rekening gebrachte vervoerskosten zijn niet inbegrepen. Ook de waardeverandering van financiële en niet-financiële activa (productiemiddelen) tijdens de verslagperiode zijn niet inbegrepen.

Inbegrepen is de productie van alle in Nederland opererende bedrijfseenheden, dus ook degenen die in buitenlandse handen zijn. Ook overheidsinstanties en andere niet-commerciële instanties behoren hiertoe.
Output voor eigen finaal gebruik
Output voor eigen finaal gebruik bestaat uit de productie van goederen en diensten voor eigen consumptie of voor productie van investeringen in vaste activa door dezelfde institutionele eenheid.
Output voor eigen consumptie
Producten voor eigen consumptie kunnen alleen door de sector huishoudens worden geproduceerd. Voorbeelden van producten voor eigen consumptie zijn:
a) landbouwproducten die de landbouwers zelf houden;
b) woondiensten die door bewoners van een eigen huis worden geproduceerd;
c) huishoudelijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel.
Bestedingen
Bestedingen bestaan uit transacties die de economische waarde van sectoren verminderen (oftewel de uitgaven door sectoren).
Consumptieve bestedingen
Uitgaven aan goederen en diensten die worden gebruikt voor de rechtstreekse bevrediging van individuele of collectieve behoeften. De consumptieve bestedingen kunnen zowel op het eigen grondgebied als in het buitenland worden gedaan, maar het gaat altijd om uitgaven door ingezeten institutionele eenheden, dat wil zeggen in Nederland gevestigde huishoudens, izw's t.b.v. huishoudens en overheidsinstanties. Consumptieve bestedingen worden gedaan door huishoudens, izw's t.b.v. huishoudens en de overheid. Ondernemingen consumeren niet: kosten aan goederen en diensten die ondernemingen maken ten behoeve van hun productie vallen hier niet onder, maar onder intermediair verbruik of investeringen. De overheid is een speciaal geval. Ook de overheid kent intermediair verbruik, naar analogie van ondernemingen. Maar de productie die de overheid levert en waar niet rechtstreeks voor wordt betaald, niet-markt-output (veiligheid bijvoorbeeld), valt onder de (overheids-)consumptie. Het heet dat de overheid 'haar eigen productie consumeert'. Binnen de nationale rekeningen moet alles wat wordt geproduceerd namelijk ook worden afgenomen. Dat de consumptie van de overheidsproductie bij de overheid zelf is neergelegd, is een conventie. Daarnaast bevat de overheidsconsumptie ook door de overheid verstrekte sociale uitkeringen in natura zoals basiszorg (gefinancierd uit AWBZ en de Zorgverzekeringswet) en huurtoeslag.
Totaal
Individuele consumptieve bestedingen
Individuele consumptieve bestedingen zijn uitgaven van ingezeten institutionele eenheden voor goederen en diensten die worden gebruikt voor de rechtstreekse bevrediging van individuele behoeften of wensen van leden van de samenleving.
De consumptieve bestedingen kunnen zowel op het eigen grondgebied als in het buitenland worden gedaan.
Consumptieve bestedingen vinden plaats door huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens en de overheid.
Totaal
Overige individuele consumptie
Overige individuele consumptieve bestedingen.
Collectieve consumptieve bestedingen
Uitgaven voor goederen en diensten die worden gebruikt voor de rechtstreekse bevrediging van collectieve behoeften of wensten van leden van de gemeenschap. Collectieve consumptieve bestedingen vinden plaats bij de overheid
en betreft met name uitgaven voor diensten op het gebied van:
- openbaar bestuur, beveiliging en defensie;
- ordehandhaving, wet- en regelgeving;
- milieubescherming;
- speur- en ontwikkelingswerk;
- infrastructuur en economische ontwikkeling.