Resultaten Gepromoveerden Enquête 2025

3. Resultaten

3.1 Achtergrondkenmerken gepromoveerden

Gepromoveerden waren in 2025 gemiddeld 47 jaar en gemiddeld 32 jaar op het moment van het behalen van hun doctoraat. 41 procent van de gepromoveerden behaalden hun doctoraat in de afgelopen 10 jaar, zij worden in dit artikel beschreven als recent gepromoveerden. 

Het grootste deel van de gepromoveerden is in Nederland geboren (84 procent). Onder gepromoveerden zijn er meer mannen (58 procent) dan vrouwen (42 procent). Wel neemt het aandeel vrouwen toe. In de groep jonger dan 35 jaar is meer dan de helft vrouw (53 procent). Dit is bijna twee keer zo veel als onder de 55- tot 70-jarigen over de tijd (28 procent).

3.1.1 Gepromoveerden naar geslacht en leeftijdsgroep, 2025
Man (%)Vrouw (%)
totaal57,842,2
jonger dan 35 jaar47,252,8
35 tot 45 jaar51,348,7
45 tot 55 jaar58,941,1
55 tot 70 jaar72,127,9

3.2 Het promotietraject

Bijna 3 op de 10 gepromoveerden (29 procent) behaalden hun doctoraat in de richting gezondheid en welzijn, gevolgd door de richting wiskunde en natuurwetenschappen (27 procent). Doctoraten in de richtingen vormgeving, kunst, talen en geschiedenis, informatica, onderwijs, landbouw, diergeneeskunde en -verzorging, en dienstverlening komen minder vaak voor (allen minder dan 5 procent). Van start tot het moment van verdediging van het proefschrift hadden gepromoveerden in doorsnee 57 maanden (mediaan) nodig voor hun promotietraject.

Er zijn verschillende constructies om tot een promotie te komen. In dit onderzoek wordt daarbij aangesloten bij de definities die door de UNL worden onderscheiden (VSNU, 2020). Twee op de drie waren ‘’werknemer-promovendus’’. Zij hadden een arbeidsovereenkomst gericht op een promotietraject met de eigen universiteit of UMC. Daarnaast zijn er contract promovendi (21 procent). Onder de contract promovendus valt zowel de beurspromovendus als de extern gefinancierde promovendus. Een beurspromovendus heeft geen arbeidsovereenkomst met een universiteit of UMC, maar krijgt voor het promoveren een beurs. Ook de extern gefinancierde promovendus ontvangt op een andere manier financiering. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over het promoveren in ‘de tijd van de baas’. Naast deze constructies zijn er ook nog de promoverende medewerker (8 procent) en de buitenpromovendus (4 procent). De promoverende medewerker is in dienst van de universiteit of het UMC maar promoveren is niet de hoofdfunctie. De buitenpromovendus financiert het promotietraject zelf.

9 op de 10 tevreden met promotietraject

Voor 9 op de 10 werkzame gepromoveerden is het promotietraject van meerwaarde voor hun verdere loopbaan. Het merendeel, 80 procent, zou ook opnieuw voor een promotietraject kiezen. 90 procent is (zeer) tevreden met het promotie traject in het geheel. Ook is er grote tevredenheid over het onderwerp van het promotietraject (95 procent), het proefschrift (95 procent) en de kans om eigen ideeën in te brengen (93 procent). 

Over de mogelijkheid om in het buitenland ervaring op te doen tijdens het promotietraject (62 procent) en de werk privé balans (71 procent) waren gepromoveerden minder vaak tevreden. 

3.2.1 Tevredenheid met aspecten van het promotietraject, 2025
(Zeer) tevreden (% van gepromoveerden)
Onderwerp promotietraject95,4
Het proefschrift94,5
Inbreng eigen ideeën93
Promotietraject in het geheel90,3
Mogelijkheden bezoek congressen89,7
Middelen om promotieonderzoek
uit te voeren
89,1
Samenwerkingsmogelijkheden
met andere onderzoekers
85,3
Begeleiding van (co)promotoren83,5
Mogelijkheden volgen cursussen
of trainingen
83,4
Salaris of inkomen71,8
Verhouding werk/privé71,3
Mogelijkheden buitenlandervaring61,7

Vooral netwerkgesprekken als loopbaanvoorbereiding

Tijdens het promotietraject is het gebruikelijk om deel te nemen aan loopbaanactiviteiten. Netwerkgesprekken komt het meest voor: 38 procent van alle gepromoveerden. Daarnaast gaat het relatief vaak om het volgen van een cursus of workshop (31 procent) en het bezoeken van een loopbanenmarkt of ‘career event’ (17 procent).

3.2.2 Deelname loopbaanactiviteiten tijdens promotietraject, 2025
Deelname (% van gepromoveerden)
Netwerkgesprekken37,7
Cursus of workshop31,3
Banenmarkt/career event17,2
Bedrijfsbezoeken of presentaties
door bedrijven of alumni
13,0
Werkervaring opdoen12,8
Begeleiding door loopbaancentrum11,8
Andere activiteit(en)5,9

Bijna twee derde vindt universiteit hiërarchisch

64 procent van de gepromoveerden was het (helemaal) eens met de stelling dat de universiteit waaraan zij promoveerden een hiërarchische organisatiestructuur had. Ruim de helft van de gepromoveerden (53 procent) is het (helemaal) eens met de stelling dat het niet erg was om een fout te maken op de universiteit en iets minder dan de helft is het (helemaal) eens dat het gemakkelijk was om hulp te vragen op de universiteit. Het minst vaak zijn gepromoveerden het eens met de stelling dat er op de universiteit gelijke carrièrekansen zijn voor alle medewerkers; 26 procent was het hier (helemaal) mee eens. 

3.2.3 (Helemaal) eens met stelling over klimaat universiteit, 2025
(Helemaal) eens met steling (% van gepromoveerden)
Hiërarchisch werkklimaat63,5
Niet erg om fouten te maken53,3
Positief dat medewerkers
verschillend zijn
49,5
Gemakkelijk om hulp kunnen vragen49,1
Lastige kwesties kunnen bespreken36,2
Serieus nemen van
ideeën voor verbetering
33,7
Stimuleren van competitie
op werkvloer
30,0
Goede werk-privé balans belangrijk29,6
Luisteren naar medewerkers in functie
om probleem op te lossen
28,2
Medewerkers gelijke carrièrekansen25,6

Bijna 9 op de 10 maakt gebruik van betaalde kinderopvang

Kinderopvang en kinderopvangtoeslag kunnen ondersteunend zijn bij het combineren van werk en zorgtaken tijdens het promotietraject. Om gegevens te genereren die kunnen worden vertaald naar de huidige situatie, hebben we hierover vragen gesteld aan recent gepromoveerden. Ruim een kwart van de recent gepromoveerden, 27 procent, had tijdens het promotietraject een kind jonger dan 13 jaar. Dit kan ook het kind van hun partner zijn. Veel van hen (97 procent) woonden ten tijde van het promotietraject samen met een partner. Van deze partners had de overgrote meerderheid betaald werk (96 procent). 

De meeste recent gepromoveerden (88 procent) die een kind jonger dan 13 jaar hadden en samenwoonden met een partner met betaald werk, maakten gebruik van één of meer vorm(en) van betaalde opvang. De meesten maakten gebruik van formele opvang; bij 75 procent was dat een kinderdagverblijf, voor 27 procent de buitenschoolse opvang (BSO) en voor 12 procent een gastouder. 9 procent had een betaalde oppas, een vorm van informele opvang. De meeste ouders die van formele opvang gebruik maakten (kinderopvang, BSO of gastouder), kregen kinderopvangtoeslag (92 procent). Van de gepromoveerden die gebruik hebben gemaakt van formele opvang tijdens het promotietraject, geeft 22 procent aan meer opvang nodig te hebben gehad. Van de groep die geen gebruik heeft gemaakt van formele opvang, geeft 20 procent aan dit eigenlijk wel nodig te hebben gehad.

Meer dan twee derde (zeer) hoge werkdruk

Een promotietraject kan gepaard gaan met een aanzienlijke werkdruk. Om een zo betrouwbaar mogelijk beeld van de ervaren werkdruk te krijgen en om geheugeneffecten te beperken is dit deel van het onderzoek gericht op recent gepromoveerden. Van de recent gepromoveerden ervaarde 68 procent een (zeer) hoge werkdruk tijdens hun promotietraject. Hen is gevraagd naar de gevolgen van die werkdruk. Vermoeidheid of slapeloosheid worden het vaakst genoemd; bij 17 procent was dit het geval. Lichamelijke klachten, als hoofdpijn, duizeligheid, nek of schouderklachten kwamen in mindere mate voor, maar nog steeds bij 10 procent.

3.2.4 Klachten hoge werkdruk promotietraject, 2025
Klachten hoge werkdruk (% van recent gepromoveerden)
Vermoeidheid of slapeloosheid17,2
Verwaarlozing hobby's of sporten14,1
Psychische klachten12,4
Verwaarlozing sociale contacten10,6
Lichamelijke klachten9,6

De helft heeft een conflict tijdens promotietraject

De laatste jaren is er in toenemende mate aandacht voor het bevorderen van een veilige, inclusieve en respectvolle leer- en werkomgeving en het voorkomen van ongewenst gedrag in het hoger onderwijs en de wetenschap (Programma Sociale Veiligheid in Hoger onderwijs en Wetenschap, z.d.). Om een beeld van eventuele negatieve ervaringen tijdens het promotietraject te krijgen en om geheugeneffecten te beperken, zijn alleen recent gepromoveerden onderzocht.

De helft van de recent gepromoveerden heeft tijdens het promotietraject een kort- of langdurend conflict ervaren. Vrouwelijke promovendi hebben vaker te maken met conflicten dan mannelijke: 56 tegenover 44 procent. Daarbij geeft 58 procent aan een conflict te hebben gehad met een van hun (co)promotoren, gevolgd door hun leidinggevende (33 procent) en een mede promovendus (21 procent). 

3.2.5 Met wie conflict tijdens promotietraject, 2025
Conflict met (% van recent gepromoveerden met een conflict tijdens het promotietraject)
(Co)promotoren58,5
Leidinggevende32,6
Medepromovendi21,3
Iemand anders20,7
Senior collega19,8
Andere collega15,5

Meest voorkomend ongewenst gedrag is pesten

Ruim 1 op de 3 recent gepromoveerden geeft aan met vorm van ongewenst gedrag te hebben ervaren tijdens het promotietraject. Hierbij gaat het over pesten, discriminatie, verbale- of fysieke agressie, bedreiging en seksuele intimidatie. Van deze vormen van ongewenst gedrag komt pesten het meest voor. Van de recent gepromoveerden heeft 18 procent pestgedrag ervaren tijdens hun promotietraject; zoals beledigen, treiteren, irriteren, bespotten, roddelen of buitensluiten. Ook discriminatie wordt relatief vaak genoemd: 15 procent. Fysieke agressie tijdens het promotietraject komt nauwelijks voor (minder dan 1 procent).

Vooral vrouwen slachtoffer van ongewenst gedrag

Vrouwen hebben meer met ongewenst gedrag te maken dan mannen: 44 procent tegenover 26 procent. Dit geldt voor vrijwel alle vormen van ongewenst gedrag. Onder vrouwen zijn pesten en discriminatie de meest genoemde vormen van ongewenst gedrag: beide 21 procent. Als vrouwen discriminatie ervaren is dit het vaakst op basis van geslacht. Voor mannen is dat herkomst. Ook onder mannen is pesten de meest genoemde vorm van ongewenst gedrag (14 procent). De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn het grootst bij seksuele intimidatie. Van de gepromoveerden die de afgelopen 10 jaar hun doctoraat hebben behaald, heeft 6 procent seksuele intimidatie ervaren. Onder vrouwen is dat 10 procent terwijl dat onder mannen 1 procent is. Voor vrijwel alle vormen van ongewenst gedrag wordt een (co)promotor het vaakst genoemd als degene van wie die dit gedrag afkomstig was. Uitzondering is seksuele intimidatie, daarbij wordt een senior collega het vaakst genoemd.

3.2.6 Ongewenst gedrag tijdens promotietraject, 2025
 Mannen (% van recent gepromoveerden)Vrouwen (% van recent gepromoveerden)
Discriminatie9,221,6
Pesten14,521,2
Bedreiging en intimidatie7,811,7
Verbale agressie10,211,8
Seksuele intimidatie1,110,5

Bijna de helft minder vertrouwen in mensen na conflict en ongewenst gedrag

Gepromoveerden die alleen te maken hadden met een conflict, maar geen ongewenst gedrag, noemen het vaakst dat ze als gevolg daarvan minder vertrouwen in mensen hadden (24 procent). Ook noemen zij slaapproblemen en zich minder veilig voelen (beide 10 procent). Gepromoveerden die alleen ongewenst gedrag hebben ervaren, noemen als gevolg daarvan het vaakst dat ze zich minder veilig voelen (28 procent). Ook wordt minder vertrouwen in mensen (26 procent) en slaapproblemen (7 procent) genoemd. Van de gepromoveerden die zowel een conflict hadden als ongewenst gedrag hebben ervaren, geeft 47 procent aan dat ze daarna minder vertrouwen in mensen hadden, voelde 42 procent zich minder veilig en had 22 procent slaapproblemen.

3.2.7 Klachten conflict en ongewenst gedrag promotietraject, 2025
Conflict ervaren (% van recent gepromoveerden)Ongewenst gedrag ervaren (% van recent gepromoveerden)Beide ervaren (% van recent gepromoveerden)
Minder vertrouwen in mensen23,926,047,4
Minder veilig voelen9,628,141,7
Slaapproblemen10,27,322,4
Angstklachten en/of paniekaanvallen5,44,417,8
Depressieve klachten6,24,017,3
Voorval herbeleven3,43,810,8

Voor 24 procent van de gepromoveerden die alleen te maken had met een conflict was dit reden om een enkele keer of vaker te overwegen te stoppen met hun promotietraject. Voor gepromoveerden die alleen te maken hebben gehad met ongewenst gedrag was dit 10 procent. Dit percentage was hoger onder gepromoveerden die zowel een conflict als ongewenst gedrag hebben ervaren: 41 van deze gepromoveerden geeft aan een enkele keer of vaker te hebben nagedacht om te stoppen met het promotietraject.

3.3 Gepromoveerden op de arbeidsmarkt

Meer dan een kwart werkzaam in de gezondheids- en welzijnszorg

Het overgrote merendeel, 95 procent, van de gepromoveerden heeft betaald werk. Drie kwart van de werkzame gepromoveerden werkt voltijds (35 uur of meer). Vaak zijn ze werknemer: 75 procent heeft een vaste aanstelling en 12 procent een tijdelijke. Daarnaast is 13 procent werkzaam als zelfstandige. Een groot deel van de werkzame gepromoveerden heeft een baan in de gezondheids- en welzijnszorg (27 procent) of in het onderwijs (26 procent). De bedrijfstak specialistische zakelijke diensten volgt als derde (16 procent). De bedrijfstak openbaar bestuur en overheidsdiensten staat met 8 procent op nummer 4 en industrie maakt met 7 procent de top 5 compleet.

3.3.1 Top 5 bedrijfstakken1) werkzame gepromoveerden, 2025
 Bedrijfstak (% van werkzame gepromoveerden)
Gezondheids- en welzijnszorg27,0
Onderwijs26,0
Specialistische zakelijke diensten16,0
Openbaar bestuur en overheidsdiensten8,3
Industrie7,5
1)Hierbij gaat het alleen om de 1e werkkring

Van de werkzame gepromoveerden geeft 1 op de 5 onderwijs of is specialist op het gebied van gezondheidszorg (beide 21 procent). Onderwijsgevenden zijn bijvoorbeeld hoogleraren, universitair (hoofd)docenten en hbo-docenten. Specialisten op het gebied van gezondheid zijn voornamelijk artsen. Op de derde plek volgt de beroepsgroep van wetenschappers en ingenieurs: 14 procent.

7 op de 10 gepromoveerden werkzaam als onderzoeker

In hun werk houden 7 op de 10 gepromoveerden zich bezig met onderzoek in de eerste werkkring. Degenen die niet als onderzoeker werkzaam zijn, noemen als reden daarvoor het vaakst een onzeker toekomstperspectief (26 procent), gevolgd door geen duidelijk loopbaantraject (25 procent), geen aanbod van een onderzoeksplek (24 procent) en geen interesse in onderzoek (24 procent).

Van degenen die werkzaam zijn als onderzoeker geeft 37 procent aan dat ze het liefst zouden werken binnen de academische wereld. Daaropvolgend geeft 26 procent aan de voorkeur te geven aan een overheidsinstelling, publieke sector of een non-profit organisatie. 23 procent zou het liefst werkzaam in het bedrijfsleven of in de industrie. In doorsnee is het persoonlijk primair jaarinkomen van gepromoveerden die onderzoeker zijn, hoger dan van degenen die geen onderzoekswerkzaamheden doen: 109 duizend euro tegen 97 duizend euro.

Werkzaamheden bijna helft onderzoekers gerelateerd aan promotieonderzoek

46 procent van de gepromoveerde onderzoekers verricht in hun huidige baan werkzaamheden die deels gerelateerd zijn aan hun promotieonderzoek. En voor 30 procent is dat sterk gerelateerd. Onder gepromoveerden die niet werkzaam zijn als onderzoeker geeft een vergelijkbaar percentage aan dat hun werkzaamheden deels relateren aan hun promotieonderzoek. Het percentage die de huidige werkzaamheden sterk gerelateerd vinden aan hun promotietraject is beduidend lager: 8 procent.

3.3.2 Relatie huidige werk met promotieonderzoek, 2025
Sterk gerelateerd (% van werkzame gepromoveerden)Deels gerelateerd (% van werkzame gepromoveerden)Niet gerelateerd (% van werkzame gepromoveerden)Weigert (% van werkzame gepromoveerden)
Onderzoekers30,046,423,50,1
Niet-onderzoekers7,843,847,90,5
 

7 op de 10 werkt buiten de academische wereld

Van de werkzame gepromoveerden werkte ongeveer 7 op de 10 gepromoveerden buiten de academische wereld (69 procent) in de eerste werkkring. Nog geen 1 op de 5 (19 procent) van de gepromoveerden vindt echter dat zij tijdens het promotietraject voldoende zijn voorbereid op een carrière buiten de academische wereld. Gepromoveerden zijn positiever over de voorbereiding op een carrière binnen de academische wereld: 44 procent vindt dat voldoende.
3.3.3 Loopbaanvoorbereiding tijdens promotietraject, 2025
Voldoende voorbereiding op carrière binnen academische wereld (% van werkzame gepromoveerden)Voldoende voorbereiding op een carrière buiten academische wereld (% van werkzame gepromoveerden)
(Helemaal) eens44,319,2
Niet eens, niet oneens23,225,1
(Helemaal) oneens28,651,1

Vaak tevreden over maatschappelijke relevantie huidige baan

Over verschillenden aspecten van het werk zijn ruim 9 op de 10 werkzame gepromoveerden tevreden. Bij de algemene tevredenheid gaat het om 94 procent. Het vaakst zijn zij tevreden over de maatschappelijke relevantie (93 procent), het verantwoordelijkheidsniveau (92 procent) en de arbeidsomstandigheden (91 procent). Ze zijn het minst vaak tevreden over de ontwikkelingsmogelijkheden van hun huidige baan. Daarover is iets meer dan drie kwart (77 procent) tevreden. 

3.3.4 Tevredenheid huidige baan1), 2025
(Zeer) tevreden (% van werkzame gepromoveerden)
Werkkring in het algemeen94,1
Maatschappelijke relevantie92,7
Verantwoordelijkheidsniveau91,7
Salaris91,0
Arbeidsomstandigheden90,6
Secundaire arbeidsvoorwaarden90,0
Mate van onafhankelijkheid90,0
Werklocatie89,0
Intellectuele uitdaging87,9
Werkzekerheid87,4
Sociale status85,6
Ontwikkelingsmogelijkheden76,9
1)Hierbij gaat het alleen om de 1e werkkring

3.4 Internationale mobiliteit gepromoveerden

Omdat in dit onderzoek de gepromoveerden die in het buitenland wonen buiten beschouwing worden gelaten, is het beperkt mogelijk om de internationale mobiliteit van gepromoveerden in kaart te brengen. Van de gepromoveerden die de afgelopen 10 jaar hun doctoraat hebben behaald, is wel bekend dat 15 procent tijdens het promotietraject voor 3 maanden of langer naar het buitenland geweest. Gemiddeld zijn zij ongeveer 8 maanden naar het buitenland geweest. 

Van deze gepromoveerden die tijdens het promotietraject naar het buitenland zijn geweest, ging 28 procent naar de Verenigde Staten. Naast de Verenigde Staten gingen de gepromoveerden ook relatief vaak naar het Verenigd Koninkrijk (11 procent) en Duitsland (8 procent). 

Voor gepromoveerden die de afgelopen 10 jaar hun doctoraat hebben behaald gaf 11 procent aan ná het promotietraject voor 3 maanden of langer naar het buitenland te zijn geweest. De meest voorkomende reden voor dit bezoek was het eigen werk (90 procent).