Vragen over kenmerk ‘Arbeidsvermogen’

Over welke situatie gaat het arbeidsvermogen, nu of in de toekomst?

Het arbeidsvermogen gaat niet over wat de persoon nu al kan, maar wat de persoon naar verwachting zou kunnen wanneer er bepaalde voorzieningen worden of zijn ingezet.

In de SRG wordt de inschatting opgegeven van wat het hoogst haalbare arbeidsvermogen van de persoon is, eventueel na aanbieding van voorzieningen. Bij de inschatting van het arbeidsvermogen maakt het niet uit welke voorzieningen de persoon op dit moment heeft, maar welke voorzieningen de persoon nodig zou hebben om het WML te kunnen verdienen.

Iemand kan worden geclassificeerd als (tijdelijk) onbemiddelbaar als het arbeidsvermogen niet kan worden vastgesteld omdat deze persoon niet kan deelnemen aan het arbeidsproces, bijvoorbeeld door persoonlijke omstandigheden of langdurige ziekte.

Wie stelt het arbeidsvermogen van de persoon vast?

De bepaling van het arbeidsvermogen kan ingeschat worden door de gemeente, bijvoorbeeld door de klantmanager, of er kan – afhankelijk van het gemeentelijk beleid – een keuring worden uitgevoerd door de gemeente, in opdracht van de gemeente of door het UWV.

Moet het kenmerk arbeidsvermogen voor elke persoon met een voorziening vastgelegd worden?

Om de persoon (een) passende voorziening(en) te bieden, is een inschatting van zijn of haar arbeidsvermogen nodig. Daarom moet dit voor elke persoon worden vastgelegd. Dit kan gebeuren op basis van een keuring of van een inschatting van de klantmanager.

Moeten wij de bestaande indeling van het arbeidsvermogen van alle personen met een SRG-voorziening omzetten naar de nieuwe indeling van het arbeidsvermogen?

Ja, de bestaande codes van het arbeidsvermogen dienen uiteindelijk allemaal omgezet te worden naar de nieuwe indeling van de SRG-richtlijnen 2019.

De code ‘Langdurig onder WML’ (1) van de SRG-richtlijnen 2018 kan direct vertaald worden naar de nieuwe code ‘Onder WML’ (10).

De code ‘Overig’ (2) van de SRG-richtlijnen 2018 kan daarentegen niet een-op-een omgezet worden. Voor de personen voor wie al een voorziening wordt ingezet kan ‘Overig’ in eerste instantie worden omgezet naar de nieuwe code ‘Nog niet bekend’ (40). Vervolgens dient een juiste categorie te worden bepaald, bijvoorbeeld op het moment dat een nieuwe voorziening voor de persoon wordt ingezet of tijdens een gesprek met de betreffende persoon. Bij de omzetting kan de beslisboom helpen, die is opgenomen in de korte vertaalinstructie (Vertaalinstructie flyer).
Het is de bedoeling dat uiterlijk bij de juni-levering voor iedere persoon voor wie één of meer voorzieningen worden ingezet het juiste arbeidsvermogen is ingevuld dat op dat moment van toepassing is.

De indeling moet een goed overwogen keuze zijn. Als een persoon bijvoorbeeld als type voorziening een aanpassing van de werkplek ontvangt, dan ligt een indeling in de categorie ‘WML of hoger: Met hulp (11)’ voor de hand als daarnaast geen financiële voorziening ingezet wordt.

Kunnen wij op basis van ingezette typen voorzieningen het arbeidsvermogen van een persoon afleiden?

In principe is dit niet mogelijk. Er zijn drie uitzonderingen, namelijk ‘Loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet’ (10), ‘Forfaitaire loonkostensubsidie’ (11) en ‘WIW/ID-baan’ (20). Als iemand één van deze voorzieningen ontvangt, dan is het arbeidsvermogen ‘Onder WML’ (10).

Wij maken nog gebruik van de participatieladder. Kunnen wij op basis van de participatieladder het arbeidsvermogen afleiden?

Nee, het arbeidsvermogen is niet af te leiden van de participatieladder.

Kan een persoon met arbeidsvermogen ‘WML of hoger: Zelfstandig’ (20) een SRG-voorziening ontvangen?

‘WML of hoger: Zelfstandig’ (20) houdt in dat iemand naar inschatting van de gemeente zelfstandig het WML zou kunnen verdienen (of verdient) en daarbij geen hulp nodig heeft van een financiële of niet-financiële voorziening op de werkplek. Het kan echter wel zo zijn dat deze persoon hulp nodig heeft om aan een baan te komen. Deze hulp kan bijvoorbeeld worden geboden in de vorm van een cursus of een vergoeding voor representatiekosten in het kader van solliciteren.

Kan een persoon met arbeidsvermogen ‘(Tijdelijk) onbemiddelbaar’ (30) een SRG-voorziening ontvangen?

Dit is mogelijk. Een persoon kan bijvoorbeeld (tijdelijk) onbemiddelbaar zijn, maar wel een voorziening krijgen in het kader van sociale activering of een opleiding volgen.

Welk arbeidsvermogen heeft iemand met ‘Beschut werk’ (21)?

Mogelijke categorieën zijn:

  • ‘Onder WML’ (10), voor personen die naast ‘Beschut werk’ ook een ‘Loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet’ (10) of ‘Forfaitaire loonkostensubsidie’ (11) ontvangen.
  • ‘WML of hoger: met hulp’ (11), voor personen die geen van voorgenoemde loonkostensubsidies ontvangen.

Welk arbeidsvermogen heeft iemand met een werkervaringsplek?

Het is niet mogelijk om alleen op grond van de verstrekking van een werkervaringsplek het arbeidsvermogen te bepalen. Meerdere codes omtrent arbeidsvermogen komen in aanmerking, afhankelijk van de persoon. Het arbeidsvermogen is een persoonskenmerk en is daarom afhankelijk van de persoon zelf en niet van de ingezette voorziening.

Alleen bij de typen voorzieningen ‘Loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet’ (10), ‘Forfaitaire loonkostensubsidie’ (11) of ‘WIW/ID-baan’ (20) is standaard een arbeidsvermogen van code ‘Onder WML’ (10) van toepassing.

Welk arbeidsvermogen heeft iemand voor wie vrijwilligerswerk duurzaam het hoogst haalbare is?

Voor de persoon voor wie vrijwilligerswerk het hoogst haalbare is, is het arbeidsvermogen van code ‘(Tijdelijk) onbemiddelbaar’ (30) van toepassing.

Welk arbeidsvermogen heeft iemand die medisch urenbeperkt is?

Dit is niet direct te bepalen. Een persoon die vanwege een medische urenbeperking minder dan de normale arbeidsduur kan werken, zou nog steeds het wettelijke minimumloon (WML) per uur kunnen verdienen. De vraag welke vorm van arbeidsvermogen voor de persoon met medische urenbeperking van toepassing is, kan dus niet algemeen beantwoord worden, maar dient per persoon beoordeeld te worden.

Welk arbeidsvermogen is van toepassing als een persoon zowel financiële als niet-financiële voorzieningen ontvangt?

In dit geval is de financiële voorziening leidend bij de bepaling van het arbeidsvermogen. Indien een persoon een financiële voorziening ontvangt of nodig zal hebben, dan is het arbeidsvermogen ‘Onder WML (10)’.