Waar worden broeikasgassen uitgestoten?

De totale uitstoot van broeikasgassen wordt gedomineerd door de CO2-uitstoot. Deze is het grootst in de industriële gebieden zoals in de Rijnmond, in Velsen en in Sittard-Geleen. De uitstoot van methaan is het grootste in het oosten van Noord-Brabant, met zijn intensieve varkenshouderijen. Lachgas ontsnapt vooral uit de industrie in Sittard-Geleen en uit de intensieve veehouderij, bijvoorbeeld in Friesland.

Hoe is de regionale uitstoot bepaald?

De informatie die aan de basis ligt voor de landelijke totalen komt uit zogeheten puntbronnen en uit diffuse bronnen. Bij puntbronnen gaat het bijvoorbeeld om de wettelijk verplichte opgave van bedrijfsemissies via het elektronisch Milieujaarverslag (e-MJV). Van elke e-MJV opgave is de locatie exact bekend. De uitstoot van alle puntbronnen wordt toebedeeld aan hun precieze locaties.

Bij de diffuse bronnen gaat het bijvoorbeeld om de uitstoot van personenauto’s. In zekere zin zijn dit ook puntbronnen, maar hier is niet van elke auto bekend waar deze gereden heeft en waar de uitstoot plaats vond. Daarom worden de uitstoottotalen modelmatig verdeeld. Bij wegverkeer wordt als verdeelsleutel het aantal voertuigkilometers gebruikt. Een weg met bijvoorbeeld 5 procent van het totaal aantal voertuigkilometers krijgt ook 5 procent van het uitstoottotaal. Op soortgelijke wijze worden alle diffuse bronnen ruimtelijk verdeeld. Bij de ene bron is het gebruikte model complexer dan bij de andere bron. Ook de kwaliteit van de gegevens achter de verdeelsleutels verschilt.

Het laagste ruimtelijke niveau waarop de uitstoot wordt bepaald is die van vierkantjes van 1 x 1 km en van 5 x 5 km. Hiervan worden gemeentelijke cijfers samengesteld. Deze worden geaggregeerd naar COROP-gebieden, provincies en landsdelen.

De ruimtelijk verdeelde cijfers geven een modelwerkelijkheid weer. Het geeft een goed beeld van de regionale spreiding van de emissies, maar het zal niet voor elk 1 x 1 km vierkantje precies kloppen met de feitelijke emissies. Daarbij zitten er ook op de nationale uitstootcijfers onzekerheidsmarges.

Voor alle broeikasgassen tezamen is de onzekerheidsmarge op het landelijk totaal 5 procent. Voor kooldioxide (CO2), met een aandeel van 85 procent, is de onzekerheidsmarge 3 procent. Voor methaan (CH4), met een aandeel van 9 procent, is de onzekerheidsmarge 25 procent. Voor zowel lachgas (N2O), met een aandeel van 5 procent, als fluorhoudende gassen, met een aandeel 1 procent, is de onzekerheidsmarge 50 procent. Hoe dit uitpakt op regionaal niveau hangt van de precieze locatie af. Voor veel locaties zal de onzekerheidsmarge groter zijn. Voor een locatie met een zeer grote puntbron, waarvan de uitstoot vrij precies bekend is, zal de onzekerheidsmarge lager zijn.

1) Kies een categorie:

Relevante links