Landbouw; kerncijfers van de EU-lidstaten, nationale rekeningen

Landbouw; kerncijfers van de EU-lidstaten, nationale rekeningen

Landen Perioden Productie en verbruik Bruto toegevoegde waarde basisprijzen (mln euro) Toegevoegde waarde Bruto toegevoegde waarde basisprijzen (mln euro) Toegevoegde waarde Verbruik van vaste activa (-) (mln euro) Toegevoegde waarde Niet-productgebonden belastingen (-) (mln euro) Toegevoegde waarde Niet-productgebonden subsidies (mln euro) Toegevoegde waarde Landbouwinkomen (mln euro)
Europese Unie: EU-27 (vanaf 2020) 2024* 234.071 234.071 75.708 4.841 52.942 206.465
België 2024* 3.732 3.732 977 2 657 3.410
Bulgarije 2024* 2.063 2.063 619 17 1.219 2.646
Cyprus 2024* 423 423 17 11 75 471
Denemarken 2024* 2.972 2.972 1.121 143 846 2.554
Duitsland 2024* 31.135 31.135 14.068 277 7.390 24.180
Estland 2024* 268 268 225 4 202 240
Finland 2024* 1.772 1.772 1.381 0 1.419 1.810
Frankrijk 2024* 35.363 35.363 13.330 1.344 8.598 29.287
Griekenland 2024* 7.121 7.121 1.430 547 2.362 7.506
Hongarije 2024* 3.702 3.702 1.663 31 1.672 3.680
Ierland 2024* 4.748 4.748 1.262 38 1.839 5.287
Italië 2024* 42.957 42.957 11.367 666 5.310 36.234
Kroatië 2024* 1.769 1.769 320 0 535 1.985
Letland 2024* 601 601 258 20 363 686
Litouwen 2024* 1.468 1.468 450 2 184 1.200
Luxemburg 2024* 175 175 112 2 94 155
Malta 2024* 49 49 7 0 20 62
Nederland 2024* 16.011 16.011 5.619 352 1.137 11.177
Noorwegen 2024* 1.571 1.571 646 0 1.284 2.210
Oostenrijk 2024* 4.427 4.427 2.614 146 1.606 3.273
Polen 2024* 15.056 15.056 2.134 554 3.995 16.363
Portugal 2024* 4.291 4.291 1.050 60 1.380 4.561
Roemenië 2024* 8.940 8.940 5.769 25 3.030 6.176
Slovenië 2024* 703 703 354 11 279 617
Slowakije 2024* 685 685 332 59 827 1.121
Spanje 2024* 38.517 38.517 6.915 478 5.636 36.760
Tsjechië 2024* 2.177 2.177 988 65 1.398 2.521
Verenigd Koninkrijk 2024* . . . . . .
Zweden 2024* 2.634 2.634 1.317 0 885 2.203
Zwitserland 2024* 4.862 4.862 2.455 157 3.158 5.408
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel bevat gegevens uit de landbouwrekeningen van de EU-lidstaten. De cijfers hebben betrekking op de output, het intermediair verbruik, de toegevoegde waarde, het arbeidsvolume en het landbouwinkomen.

Gegevens beschikbaar vanaf: 1995

Status van de cijfers:
Voor de cijfers van Nederland geldt dat de jaren in de periode 1995-2022 definitief zijn. Gegevens van de jaren 2023 en 2024 hebben de status voorlopig. Voor de andere lidstaten zijn de cijfers integraal overgenomen uit de database van Eurostat. Omdat deze gegevens doorlopend kunnen wijzigen, is het mogelijk dat ze verschillen met de cijfers op StatLine.

Wijzigingen per 21 augustus 2025:
Gegevens van de raming van de voorlopige cijfers 2024 zijn toegevoegd aan deze tabel.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Na afloop van het verslagjaar worden na ongeveer 6 maanden de voorlopige cijfers gepubliceerd. Na 18 maanden worden de definitieve cijfers gepubliceerd, tegelijkertijd met het verschijnen van de nationale rekeningen. In december komen de zeer voorlopige cijfers van het actuele jaar beschikbaar. Deze gegevens worden door het Landbouw Economisch Instituut in samenspraak met het CBS vastgesteld. Een update van de zeer voorlopige cijfers vindt in januari plaats.

Toelichting onderwerpen

Productie en verbruik
Productie (basisprijzen); het totaal van goederen en diensten dat is geproduceerd, ook wel output genoemd.
Intermediair verbruik (aankoopprijzen); goederen en diensten die als input in het productieproces worden gebruikt, met uitzondering van vaste activa (investeringsgoederen).
Bruto toegevoegde waarde basisprijzen
De waarde van alle geproduceerde goederen en diensten (de productiewaarde of output) minus de waarde van goederen en diensten die tijdens deze productie zijn opgebruikt (het intermediair verbruik). De toegevoegde waarde is daarbij uitgedrukt in basisprijzen, de prijzen die door producenten zelf zijn ervaren. Inbegrepen is de toegevoegde waarde van alle in Nederland opererende bedrijfseenheden, dus ook degenen die in buitenlandse handen zijn. Ook overheidsinstanties en andere niet-commerciële instanties behoren hiertoe.

In de nationale rekeningen en landbouwrekeningen betekent ‘bruto’ vóór aftrek van het verbruik van vaste activa (afschrijvingen) en ‘netto’ na aftrek van het verbruik van vaste activa.
Toegevoegde waarde
De waarde van alle geproduceerde goederen en diensten (de productiewaarde of output) minus de waarde van goederen en diensten die tijdens deze productie zijn opgebruikt (het intermediair verbruik). De toegevoegde waarde kan worden uitgedrukt in basisprijzen en in factorkosten.

In de nationale rekeningen en landbouwrekeningen betekent ‘bruto’ vóór aftrek van het verbruik van vaste activa (afschrijvingen) en ‘netto’ na aftrek van het verbruik van vaste activa.
Bruto toegevoegde waarde basisprijzen
De waarde van alle geproduceerde goederen en diensten (de productiewaarde of output) minus de waarde van goederen en diensten die tijdens deze productie zijn opgebruikt (het intermediair verbruik). De toegevoegde waarde is daarbij uitgedrukt in basisprijzen, de prijzen die door producenten zelf zijn ervaren. Inbegrepen is de toegevoegde waarde van alle in Nederland opererende bedrijfseenheden, dus ook degenen die in buitenlandse handen zijn.

In de nationale rekeningen en landbouwrekeningen betekent ‘bruto’ vóór aftrek van het verbruik van vaste activa (afschrijvingen) en ‘netto’ na aftrek van het verbruik van vaste activa.
Verbruik van vaste activa (-)
De waardevermindering van vaste activa (productiemiddelen) in eigendom als gevolg van normale slijtage en economische veroudering. Ook wel afschrijvingen genoemd.

Bij het berekenen van het verbruik van vaste activa wordt gebruik gemaakt van de PIM methode (perpetual inventory method). Deze methode gaat uit van de waarde van de aan het begin van een jaar aanwezige kapitaalgoederenvoorraad, die op vervangingswaarde wordt gebracht door te corrigeren voor de prijsveranderingen van vergelijkbare kapitaalgoederen in het verslagjaar. Hieraan worden de investeringen in vaste activa van dat jaar toegevoegd en vervolgens wordt de waarde van de buiten gebruik gestelde activa erop in mindering gebracht. Aldus wordt de waarde van de kapitaalgoederenvoorraad aan het eind van het jaar verkregen. Vervolgens wordt via een afschrijvingspercentage de afschrijvingen bepaald. De als hierboven beschreven afschrijvingen behoeven niet overeen te stemmen met de bedrijfseconomische afschrijvingen die zijn vastgesteld op basis van historische kostprijs of fiscale levensduur.
Niet-productgebonden belastingen (-)
Dit zijn de belastingen op productie die producenten moeten betalen, ongeacht de hoeveelheid of de waarde van de geproduceerde of verkochte producten. Voorbeelden hiervan zijn de onroerendezaakbelasting, reinigingsrechten en rioolrechten betaald door producenten.
Niet-productgebonden subsidies
Onder subsidies die niet-productgebonden zijn, vallen de subsidies op productie, die niet direct relateerbaar zijn aan de waarde of de hoeveelheid geproduceerde en verkochte producten. Het betreft vooral landbouwsubsidies, subsidies op R&D en loonsubsidies.
Landbouwinkomen
Ook wel de netto toegevoegde waarde tegen factorkosten die wordt berekend door op de netto toegevoegde waarde tegen basisprijzen het saldo van de niet-productgebonden belastingen en subsidies in mindering te brengen.