Kerncijfers wijken en buurten 2014
| Wijken en buurten | Bevolking Personen met een migratieachtergrond Westers totaal (%) | Bevolking Particuliere huishoudens Huishoudens met kinderen (%) | Energie Gemiddeld aardgasverbruik Percentage woningen met stadsverwarming (%) | Inkomen Inkomen van personen 40% personen met laagste inkomen (%) | Inkomen Inkomen van personen 20% personen met hoogste inkomen (%) | Inkomen Inkomen van huishoudens 40% huishoudens met laagste inkomen (%) | Inkomen Inkomen van huishoudens 20% huishoudens met hoogste inkomen (%) | Inkomen Inkomen van huishoudens Huishoudens met een laag inkomen (%) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Metslawier | 3 | 37 | 0,0 | 46,0 | 11,5 | 35,2 | 11,9 | 7,5 |
| Verspreide huizen Metslawier | . | 55 | 0,0 | . | . | . | . | . |
| Ommeren met Den Eng | 8 | 37 | 0,0 | 40,9 | 22,5 | 27,0 | 32,5 | 5,6 |
| Meteren | 5 | 52 | 0,0 | 33,6 | 28,0 | 21,1 | 32,3 | 4,5 |
| Verspreide huizen Meteren | 4 | 51 | 0,0 | 42,0 | 20,2 | . | . | . |
| Methen | 12 | 35 | 0,0 | 36,7 | 19,8 | 36,6 | 19,1 | 9,6 |
| Schoorl met Bregtdorp | 9 | 27 | 0,0 | 39,2 | 22,6 | 31,5 | 26,3 | 6,5 |
| Groet met Hargen | 6 | 39 | 0,0 | 41,0 | 20,7 | 32,7 | 24,4 | 7,8 |
| Landmetersbuurt | 11 | 35 | 0,0 | 43,6 | 10,4 | 35,5 | 10,2 | 7,6 |
| Verspr.h. Eiland Tiengemeten (ged.) | . | . | 0,0 | . | . | . | . | . |
| Verspr.h. Eiland Tiengemeten (ged.) | . | . | 0,0 | . | . | . | . | . |
| Duindigt met Groenendaal | 28 | 40 | 0,0 | 35,8 | 35,8 | . | . | . |
| Rijksdorp met De Pan | 34 | 32 | 0,0 | 33,2 | 47,7 | 16,0 | 61,3 | 8,5 |
| Straten met Moleneind | 6 | 40 | 0,0 | 43,2 | 21,6 | . | . | . |
| Mettegeupel | 6 | 61 | 0,0 | 35,3 | 29,2 | 13,2 | 37,8 | 4,1 |
| Hussenberg met Snijdersberg | 9 | 33 | 0,0 | 40,8 | 20,4 | 31,4 | 24,8 | 5,8 |
| Wijk 02 Meterik | 4 | 50 | 0,0 | 44,6 | 17,7 | 21,1 | 32,6 | 3,2 |
| Meterik | 4 | 45 | 0,0 | 41,3 | 17,1 | 22,5 | 29,2 | 1,9 |
| Verspreide huizen Meterik | 4 | 56 | 0,0 | 47,7 | 18,2 | 19,7 | 36,3 | 4,7 |
| Nieuwemolen met Driehoek | 5 | 41 | 0,0 | 32,8 | 22,4 | . | . | . |
| Kom Dodewaard met Hien | 5 | 42 | 0,0 | 41,8 | 17,0 | 33,5 | 20,4 | 6,6 |
| Muntendam met Oude Verlaat | 4 | 34 | 0,0 | 46,1 | 11,7 | 45,2 | 9,9 | 11,6 |
| Bron: CBS. | ||||||||
Tabeltoelichting
Overzicht van statistische gegevens van gemeenten, wijken en buurten in Nederland.
Gegevens beschikbaar: over 2014.
Status van de cijfers
Definitief, tenzij in de toelichting bij het onderwerp expliciet is vermeld dat het voorlopige cijfers betreft.
Wijzigingen per 18 december 2020:
Geen, deze tabel is stopgezet.
Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Niet meer van toepassing.
Toelichting onderwerpen
- Bevolking
- Personen met een migratieachtergrond
- Het aantal personen met een migratieachtergrond op 1 januari.
Persoon met een migratieachtergrond:
Persoon van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren.
Persoon met een eerste generatie migratieachtergrond:
Persoon die in het buitenland is geboren met ten minste één in het buitenland geboren ouder.
Persoon met een tweede generatie migratieachtergrond:
Persoon die in Nederland is geboren met ten minste één in het buitenland geboren ouder.
Personen met een migratieachtergrond worden onderverdeeld in westers en niet-westers op grond van hun geboorteland. Tot de categorie 'niet-westers' behoren personen met een migratieachtergrond uit Turkije, Afrika, Latijns-Amerika en Azië met uitzondering van Indonesië en Japan. Op grond van hun sociaaleconomische en sociaal-culturele positie worden personen met een migratieachtergrond uit deze twee landen tot personen met een westerse migratieachtergrond gerekend. Het gaat vooral om mensen die in voormalig Nederlands Indië zijn geboren en werknemers van Japanse bedrijven met hun gezin.- Westers totaal
- Het aantal personen met een migratieachtergrond op 1 januari, uitgedrukt in hele procenten van het aantal inwoners. Dit gegeven is ontleend aan de Structuurtelling Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). Tot de categorie "Westers totaal" behoren personen met een migratieachtergrond uit Europa, Noord-Amerika, Oceanië, Indonesië en Japan.
Het percentage is vermeld bij 50 of meer inwoners per buurt.
- Particuliere huishoudens
- Betreft de huishoudens op 1 januari.
Particuliere huishoudens bestaan uit één of meer personen die alleen of samen in een woonruimte zijn gehuisvest en zelf in hun dagelijks onderhoud voorzien. Naast eenpersoonshuishoudens onderscheiden we meerpersoonshuishoudens (niet-gehuwde paren, niet-gehuwde paren met kinderen, echtparen, echtparen met kinderen, eenouderhuishoudens en overige huishoudens). De institutionele huishoudens worden hiertoe niet gerekend.- Huishoudens met kinderen
- Meerpersoonshuishoudens met kinderen bestaan uit niet-gehuwde paren met kinderen, echtparen met kinderen en eenouderhuishoudens. Het aandeel huishoudens met kinderen is ontleend aan de Structuurtelling Gemeentelijke Basisadministratie (GBA).
Het percentage is opgenomen indien er 10 of meer huishoudens in de buurt voorkomen.
- Energie
- Gemiddeld aardgasverbruik
- Het gemiddeld jaarverbruik voor aardgas van particuliere woningen berekend uit gegevens van de aansluitingenregisters van de energienetbedrijven.
De berekening is inclusief woningen die zijn aangesloten op stadsverwarming. Deze woningen hebben een zeer laag of zelfs nulverbuik voor aardgas. Hierdoor valt in gebieden waar stadsverwarming aanwezig is het gemiddeld aardgasverbruik van woningen lager uit dan in gebieden zonder stadsverwarming.
De cijfers zijn afgerond op vijftigtallen en worden vermeld bij 6 of meer (bewoonde) woningen per woningtype of type eigendom (huur- of koopwoning).- Percentage woningen met stadsverwarming
- Het percentage woningen dat is aangesloten op warmtedistributie (stadsverwarming). Warmtedistributie is een verwarmingssysteem waarbij de woningen in een wijk worden verwarmd via een ondergronds netwerk van warmwaterleidingen. In veel gevallen maakt warmtedistributie gebruik van restwarmte van bijvoorbeeld elektriciteitscentrales. Het aardgasverbruik van deze woningen is in veel gevallen zeer laag of zelfs nul. De hoeveelheid warmte die door aangesloten woningen in een jaar wordt afgenomen van de warmtedistributie is niet beschikbaar.
Het percentage wordt vermeld bij 10 of meer (bewoonde) woningen.
- Inkomen
- Deze tabel geeft informatie over het persoonlijk inkomen van personen in particuliere huishoudens waarvan het inkomen bekend is en het inkomen van particuliere huishoudens met een bekend inkomen. De gegevens komen uit het Regionaal Inkomensonderzoek (RIO) van het voorgaande jaar.
Het Regionaal Inkomensonderzoek van het CBS is voornamelijk gebaseerd op registers afkomstig van het Ministerie van Financiën (de fiscale registers) en de bevolkingsregisters van de Nederlandse gemeenten (Basisregistratie personen). De Basisregistratie personen is een register waarin alle inwoners van een gemeente behoren te zijn ingeschreven. Uitgezonderd zijn:
- inwoners van Nederland die gebruik maken van uitzonderingsregels die gelden met betrekking tot opneming in de bevolkingsregisters (niet-Nederlandse diplomaten en niet-Nederlandse NAVO militairen). Zij mogen zelf bepalen of zij in de bevolkingsregisters ingeschreven worden of niet.
- asielzoekers die korter dan zes maanden in de centrale opvang verblijven en nog geen verblijfsvergunning hebben gekregen.- Inkomen van personen
- De doelpopulatie bestaat uit personen in particuliere huishoudens.
De inkomensgegevens zijn gebaseerd op het persoonlijk inkomen. Dit omvat de volgende bestanddelen van het bruto-inkomen van een persoon:
- inkomen uit arbeid;
- inkomen uit eigen onderneming;
- uitkering inkomensverzekeringen;
- uitkering sociale voorzieningen (met uitzondering van kinderbijslag).- 40% personen met laagste inkomen
- Aandeel personen in particuliere huishoudens die behoren tot de landelijke 40% met laagste persoonlijk inkomen.
Personen met persoonlijk inkomen in particuliere huishoudens zijn ingedeeld naar hoogte van het persoonlijk inkomen.
De indeling vindt plaats nadat alle personen landelijk zijn gerangschikt van laag naar hoog persoonlijk inkomen. Tot de laagste 40-procent-groep worden de veertig procent personen met het laagste persoonlijk inkomen gerekend.
Het persoonlijk inkomen omvat inkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming, uitkering inkomensverzekeringen en uitkering sociale voorzieningen (met uitzondering van kinderbijslag).
Het percentage is vermeld bij minimaal 100 personen met persoonlijk inkomen in particuliere huishoudens per regio.
- 20% personen met hoogste inkomen
- Aandeel personen in particuliere huishoudens die behoren tot de landelijke 20% met hoogste persoonlijk inkomen.
Personen met persoonlijk inkomen in particuliere huishoudens zijn ingedeeld naar hoogte van het persoonlijk inkomen.
De indeling vindt plaats nadat alle personen landelijk zijn gerangschikt van laag naar hoog persoonlijk inkomen. Tot de hoogste 20-procent-groep worden de twintig procent personen met het hoogste persoonlijk inkomen gerekend.
Het persoonlijk inkomen omvat inkomen uit arbeid, inkomen uit eigen onderneming, uitkering inkomensverzekeringen en uitkering sociale voorzieningen (met uitzondering van kinderbijslag).
Het percentage is vermeld bij minimaal 100 personen met persoonlijk inkomen in particuliere huishoudens per regio.
- Inkomen van huishoudens
- De doelpopulatie bestaat uit particuliere huishoudens waarvan het inkomen bekend is.
- 40% huishoudens met laagste inkomen
- Aandeel particuliere huishoudens die behoren tot de landelijke 40% huishoudens met laagste huishoudensinkomen.
Particuliere huishoudens zijn ingedeeld naar hoogte van het besteedbaar huishoudensinkomen.
De indeling vindt plaats nadat huishoudens landelijk zijn gerangschikt van laag naar hoog besteedbaar huishoudensinkomen. Tot de laagste 40-procent-groep worden de veertig procent huishoudens met het laagste besteedbaar inkomen gerekend.
Het percentage is vermeld bij minimaal 100 particuliere huishoudens per regio.
Het besteedbaar inkomen van particuliere huishoudens bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met:
- betaalde inkomensoverdrachten, zoals alimentatie van de ex-echtgeno(o)t(e);
- premies inkomensverzekeringen zoals premies betaald voor sociale verzekeringen, volksverzekeringen en particuliere verzekeringen in verband met werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en ouderdom en nabestaanden;
- premies ziektekostenverzekeringen;
- belastingen op inkomen en vermogen.
- 20% huishoudens met hoogste inkomen
- Aandeel particuliere huishoudens die behoren tot de landelijke 20% huishoudens met hoogste huishoudensinkomen.
Particuliere huishoudens zijn ingedeeld naar hoogte van het besteedbaar huishoudensinkomen.
De indeling vindt plaats nadat huishoudens landelijk zijn gerangschikt van laag naar hoog besteedbaar huishoudensinkomen. Tot de hoogste 20-procent-groep worden de twintig procent huishoudens met het hoogste besteedbaar inkomen gerekend.
Het percentage is vermeld bij minimaal 100 particuliere huishoudens per regio.
Het besteedbaar inkomen van particuliere huishoudens bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met:
- betaalde inkomensoverdrachten, zoals alimentatie van de ex-echtgeno(o)t(e);
- premies inkomensverzekeringen zoals premies betaald voor sociale verzekeringen, volksverzekeringen en particuliere verzekeringen in verband met werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en ouderdom en nabestaanden;
- premies ziektekostenverzekeringen;
- belastingen op inkomen en vermogen.
- Huishoudens met een laag inkomen
- Bij de bepaling van laag inkomen is van de particuliere huishoudens een aantal groepen niet meegenomen. Dit betreft enerzijds studentenhuishoudens en anderzijds huishoudens met een onvolledig jaarinkomen. De doelpopulatie bestaat dan ook uit particuliere huishoudens waarvan de hoofdkostwinner (of eventuele partner) het gehele jaar inkomen heeft en niet afhankelijk is van studiefinanciering.
Om te bepalen of een huishouden een laag inkomen heeft, wordt het inkomen van een huishouden omgerekend tot het gestandaardiseerde inkomen (exclusief eventueel ontvangen huurtoeslag). Vervolgens wordt dit gestandaardiseerde inkomen (met het prijsindexcijfer) herleid naar het prijspeil in 2000. Het resulterende gestandaardiseerde en gedefleerde inkomen is laag wanneer het minder is dan 9249 euro. Deze grens komt ongeveer overeen met de koopkracht van een bijstandsuitkering voor een alleenstaande in 1979 toen deze op zijn hoogst was.
Het percentage is vermeld bij minimaal 100 particuliere huishoudens behorende tot de doelpopulatie per regio.