Financieel risico hypotheekschuld; eigenwoningbezitters, 2006-2015

Financieel risico hypotheekschuld; eigenwoningbezitters, 2006-2015

Huishoudenskenmerken Perioden Eigenaar-bewoner, totaal Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit Hypotheekschuld / woningwaarde (%) Eigenaar-bewoner, totaal Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit Hypotheekschuld / bruto-inkomen (%) Eigenaar-bewoner, totaal Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit Hypotheekschuld / besteedbaar inkomen (%) Eigenaar-bewoner met hypotheekschuld Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit Hypotheekschuld / woningwaarde (%) Eigenaar-bewoner met hypotheekschuld Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit Hypotheekschuld / bruto-inkomen (%) Eigenaar-bewoner met hypotheekschuld Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit Hypotheekschuld / besteedbaar inkomen (%)
Totaal particuliere huishoudens 2015 0,62 2,0 3,5 0,78 2,3 4,2
Totaal eenpersoonshuishouden 2015 0,48 2,2 3,9 0,74 3,0 5,5
Alleenstaande man 2015 0,61 2,4 4,4 0,83 3,1 5,8
Alleenstaande man, onder AOW-lft 2015 0,77 2,7 5,2 0,90 3,1 6,0
Alleenstaande man, vanaf AOW-lft 2015 0,19 1,3 1,8 0,43 2,8 3,9
Alleenstaande vrouw 2015 0,36 2,0 3,2 0,63 3,0 5,1
Alleenstaande vrouw, onder AOW-lft 2015 0,65 2,6 4,9 0,81 3,0 5,9
Alleenstaande vrouw, vanaf AOW-lft 2015 0,15 1,1 1,5 0,37 2,8 3,6
Totaal meerpersoonshuishouden 2015 0,65 1,9 3,4 0,79 2,2 4,0
Totaal paar 2015 0,66 1,9 3,4 0,79 2,2 4,0
Paar, zonder kinderen 2015 0,48 1,6 2,8 0,65 2,1 3,7
Paar, zonder kinderen, onder AOW-lft 2015 0,67 1,8 3,4 0,78 2,1 3,9
Paar, zonder kinderen, vanaf AOW-lft 2015 0,26 1,3 1,8 0,44 2,2 3,1
Paar, alleen kinderen <18jr 2015 0,94 2,5 4,6 0,99 2,6 4,8
Paar, minstens één kind>=18jr 2015 0,58 1,5 2,6 0,68 1,7 3,1
Totaal eenouderhuishouden 2015 0,62 2,4 4,2 0,78 3,0 5,1
Eenoudergezin, alleen kinderen < 18 jr 2015 0,76 3,4 5,7 0,87 3,7 6,5
Eenoudergezin, minstens één kind >=18 jr 2015 0,50 1,8 3,1 0,68 2,3 4,0
Overig meerpersoonshuishouden 2015 0,60 1,9 3,2 0,74 2,2 3,9
Leeftijd hoofdkostwinner tot 25 jaar 2015 0,94 3,1 5,2 1,00 3,2 5,4
Leeftijd hoofdkostwinner 25 tot 30 jaar 2015 1,01 2,9 5,1 1,07 3,0 5,4
Leeftijd hoofdkostwinner 30 tot 35 jaar 2015 1,06 2,8 5,1 1,11 2,9 5,3
Leeftijd hoofdkostwinner 35 tot 40 jaar 2015 1,03 2,8 5,1 1,09 2,9 5,3
Leeftijd hoofdkostwinner 40 tot 45 jaar 2015 0,93 2,6 4,8 1,00 2,7 5,0
Leeftijd hoofdkostwinner 45 tot 50 jaar 2015 0,80 2,2 4,1 0,87 2,4 4,4
Leeftijd hoofdkostwinner 50 tot 55 jaar 2015 0,66 1,8 3,4 0,76 2,1 3,9
Leeftijd hoofdkostwinner 55 tot 60 jaar 2015 0,54 1,5 2,8 0,65 1,7 3,3
Leeftijd hoofdkostwinner 60 tot 65 jaar 2015 0,43 1,4 2,6 0,57 1,8 3,3
Leeftijd hoofdkostwinner 65 tot 70 jaar 2015 0,33 1,5 2,2 0,49 2,3 3,3
Leeftijd hoofdkostwinner 70 tot 75 jaar 2015 0,24 1,3 1,8 0,42 2,4 3,3
Leeftijd hoofdkostwinner 75 jr of ouder 2015 0,13 0,8 1,1 0,33 2,1 2,8
Migratieachtergrond: Nederland 2015 0,60 1,9 3,4 0,76 2,3 4,2
Migratieachtergrond: westers 2015 0,65 2,0 3,6 0,82 2,4 4,3
Migratieachtergrond: 1e gen westers 2015 0,64 2,0 3,5 0,83 2,3 4,2
Migratieachtergrond: 2e gen westers 2015 0,66 2,1 3,7 0,82 2,4 4,4
Migratieachtergrond: niet-westers 2015 0,93 2,6 4,7 1,02 2,8 5,0
Migratieachtergrond: 1e gen niet-west... 2015 0,90 2,6 4,5 1,00 2,8 4,9
Migratieachtergrond: 2e gen niet-west... 2015 1,01 2,9 5,2 1,10 3,1 5,5
1. Inkomen uit arbeid 2015 0,80 2,1 4,0 0,87 2,3 4,4
1.1 Loon werknemer 2015 0,80 2,0 3,9 0,87 2,2 4,3
1.2 Loon ambtenaar 2015 0,76 1,9 3,8 0,83 2,0 4,1
1.3 Overig inkomen uit arbeid 2015 0,84 3,2 5,5 0,95 3,6 6,3
2. Inkomen uit eigen onderneming 2015 0,63 2,1 3,3 0,81 2,6 4,1
3. Overdrachtsinkomen 2015 0,27 1,5 2,1 0,46 2,5 3,6
3.1 Uitkering inkomensverzekering 2015 0,26 1,5 2,1 0,46 2,4 3,6
3.1.1 Uitkering werkloosheid 2015 0,65 3,1 5,3 0,75 3,5 6,0
3.1.2 Uitkering ziekte/arbeidsongeschikt 2015 0,50 2,3 3,8 0,64 2,9 4,7
3.1.3 Uitkering ouderdom/nabestaanden 2015 0,23 1,3 1,9 0,42 2,3 3,3
3.2 Uitkering sociale voorzieningen 2015 . . . . . .
3.2.1 Uitkering algemene bijstandswet 2015 . . . . . .
3.2.2 Sociale voorzieningen, overig 2015 . . . . . .
3.3 Overig overdrachtsinkomen 2015 . . . . . .
Besteedbaar inkomen: 1e 25%-groep 2015 0,49 3,3 5,0 0,71 4,2 6,9
Besteedbaar inkomen: 2e 25%-groep 2015 0,58 2,3 3,9 0,75 2,8 4,8
Besteedbaar inkomen: 3e 25%-groep 2015 0,67 2,1 3,7 0,80 2,3 4,2
Besteedbaar inkomen: 4e 25%-groep 2015 0,68 1,5 2,9 0,82 1,8 3,4
Woningwaarde: 1e 25%-groep 2015 0,83 2,0 3,4 0,98 2,3 4,0
Woningwaarde: 2e 25%-groep 2015 0,71 1,9 3,4 0,85 2,2 4,0
Woningwaarde: 3e 25%-groep 2015 0,60 1,9 3,3 0,75 2,2 4,0
Woningwaarde: 4e 25%-groep 2015 0,53 2,0 3,7 0,69 2,5 4,6
Stedelijkheid: zeer sterk stedelijk 2015 0,72 2,1 3,9 0,87 2,4 4,6
Stedelijkheid: sterk stedelijk 2015 0,68 2,0 3,6 0,83 2,3 4,2
Stedelijkheid: matig stedelijk 2015 0,62 2,0 3,5 0,77 2,4 4,3
Stedelijkheid: weinig stedelijk 2015 0,55 1,9 3,3 0,71 2,3 4,0
Stedelijkheid: niet stedelijk 2015 0,51 1,7 2,9 0,69 2,2 3,8
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel bevat gegevens over het financieel risico van eigenwoningbezitters door hypotheekschuld, gemiddelde woningwaarde en inkomen aan elkaar te relateren. Peildatum is 1 januari van het verslagjaar. Het inkomen heeft betrekking op het voorgaande verslagjaar.

De tabel bevat drie kengetallen voor het financieel risico van eigen woningbezit:
- hypotheekschuld / woningwaarde,
- hypotheekschuld / bruto-inkomen en
- hypotheekschuld / besteedbaar inkomen.

Het eerste verhoudingsgetal wordt ook wel Loan-To-Value (LTV) genoemd, terwijl de andere twee bekend zijn als Loan-to-Income ratio's (LTI).

Gegevens beschikbaar van 2006 t/m 2015.

Status van de cijfers
De cijfers over de jaren 2006 - 2015 zijn definitief.

Wijzigen per 10 april 2018
Geen, deze tabel is stopgezet.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Niet meer van toepassing.
Vanwege een herziening van de inkomensstatistiek wordt deze tabel vervangen. Nieuwe cijfers worden gepubliceerd onder het thema Inkomen en bestedingen, zie hieronder bij koppelingen.

Toelichting onderwerpen

Eigenaar-bewoner, totaal
Huishoudens die een eigen woning bezitten welke gebruikt wordt als hoofdverblijf.
Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit
Deze verhoudingsgetallen geven een indicatie van het financiële risico dat eigenaar-bewoners lopen door het hebben van een hypotheekschuld.
---
Drie kengetallen worden onderscheiden:
-hypotheekschuld / woningwaarde (LTV),
-hypotheekschuld / bruto-inkomen (LTI) en
-hypotheekschuld / besteedbaar inkomen (LTI).

Hypotheekschuld / woningwaarde
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddelde waarde van de eigen woning.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Value (LTV). Dit verhoudingsgetal hangt samen met het risico op restschuld na verkoop van de eigen woning.
---
Een LTV gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als de LTV gelijk is aan 1 dan is de hypotheekschuld precies gelijk aan de woningwaarde. Bij een LTV groter dan 1 is de hypotheekschuld groter dan de onderliggende woningwaarde. Er is dan een relatief groot risico op restschuld afhankelijk van de looptijd van de hypotheek.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en Woningwaarde is 2,5 ton.
De LTV is dan gelijk aan 0,80.
Hypotheekschuld / bruto-inkomen
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddeld bruto inkomen.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Income (LTI), waarbij hier gekozen is voor het 'bruto-inkomen'. Dit verhoudingsgetal hangt samen met het kunnen dragen van de maandelijkse hypotheeklasten (betalingsrisico).
---
Een LTI gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als er wel een hypotheekschuld bestaat, dan geldt 'hoe lager het inkomen, hoe hoger de LTI en hoe hoger het betalingsrisico'.
Een grove vuistregel: er is sprake van een relatief groot betalingsrisico voor een eigenaar-bewoner als de LTI groter is dan 4. Deze indicatieve grenswaarde geldt alleen bij het gebruik van het 'bruto-inkomen'. Bij een ander inkomensbegrip zoals bijvoorbeeld het besteedbaar inkomen hoort een andere grenswaarde.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en het bruto-inkomen is 60 duizend euro.
De LTI is dan gelijk aan 3,3.
Hypotheekschuld / besteedbaar inkomen
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddeld besteedbaar inkomen.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Income (LTI), waarbij hier gekozen is voor het 'besteedbaar inkomen'. Dit verhoudingsgetal hangt samen met het kunnen dragen van de maandelijkse hypotheeklasten (betalingsrisico).
---
Een LTI gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als er wel een hypotheekschuld bestaat, dan geldt 'hoe lager het inkomen, hoe hoger de LTI en hoe hoger het betalingsrisico'.
Een grove vuistregel: er is sprake van een groot betalingsrisico voor een eigenaar-bewoner als de LTI groter is dan 7. Deze indicatieve grenswaarde geldt alleen bij het gebruik van het 'besteedbaar inkomen'. Bij een ander inkomensbegrip zoals bijvoorbeeld het bruto inkomen hoort een andere grenswaarde.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en Besteedbaar inkomen is 35 duizend euro.
De LTI is dan gelijk aan 5,7.
Eigenaar-bewoner met hypotheekschuld
Huishoudens die een eigen woning bezitten (welke gebruikt wordt als hoofdverblijf) met hypotheekschuld op de eigen woning.
Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit
Deze verhoudingsgetallen geven een indicatie van het financiële risico dat eigenaar-bewoners lopen door het hebben van een hypotheekschuld.
---
Drie kengetallen worden onderscheiden:
-hypotheekschuld / woningwaarde (LTV),
-hypotheekschuld / bruto-inkomen (LTI) en
-hypotheekschuld / besteedbaar inkomen (LTI).

Hypotheekschuld / woningwaarde
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddelde waarde van de eigen woning.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Value (LTV). Dit verhoudingsgetal hangt samen met het risico op restschuld na verkoop van de eigen woning.
---
Een LTV gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als de LTV gelijk is aan 1 dan is de hypotheekschuld precies gelijk aan de woningwaarde. Bij een LTV groter dan 1 is de hypotheekschuld groter dan de onderliggende woningwaarde. Er is dan een relatief groot risico op restschuld afhankelijk van de looptijd van de hypotheek.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en Woningwaarde is 2,5 ton.
De LTV is dan gelijk aan 0,80.
Hypotheekschuld / bruto-inkomen
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddeld bruto inkomen.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Income (LTI), waarbij hier gekozen is voor het 'bruto-inkomen'. Dit verhoudingsgetal hangt samen met het kunnen dragen van de maandelijkse hypotheeklasten (betalingsrisico).
---
Een LTI gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als er wel een hypotheekschuld bestaat, dan geldt 'hoe lager het inkomen, hoe hoger de LTI en hoe hoger het betalingsrisico'.
Een grove vuistregel: er is sprake van een relatief groot betalingsrisico voor een eigenaar-bewoner als de LTI groter is dan 4. Deze indicatieve grenswaarde geldt alleen bij het gebruik van het 'bruto-inkomen'. Bij een ander inkomensbegrip zoals bijvoorbeeld het besteedbaar inkomen hoort een andere grenswaarde.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en het bruto-inkomen is 60 duizend euro.
De LTI is dan gelijk aan 3,3.
Hypotheekschuld / besteedbaar inkomen
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddeld besteedbaar inkomen.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Income (LTI), waarbij hier gekozen is voor het 'besteedbaar inkomen'. Dit verhoudingsgetal hangt samen met het kunnen dragen van de maandelijkse hypotheeklasten (betalingsrisico).
---
Een LTI gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als er wel een hypotheekschuld bestaat, dan geldt 'hoe lager het inkomen, hoe hoger de LTI en hoe hoger het betalingsrisico'.
Een grove vuistregel: er is sprake van een groot betalingsrisico voor een eigenaar-bewoner als de LTI groter is dan 7. Deze indicatieve grenswaarde geldt alleen bij het gebruik van het 'besteedbaar inkomen'. Bij een ander inkomensbegrip zoals bijvoorbeeld het bruto inkomen hoort een andere grenswaarde.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en Besteedbaar inkomen is 35 duizend euro.
De LTI is dan gelijk aan 5,7.