Regionale inkomensverdeling 1998, kerncijfers.

Regionale inkomensverdeling 1998, kerncijfers.

Regio's Besteedbaar inkomen personen Bevolking en personen met inkomen Aantal In % van bevolking (%) Besteedbaar inkomen personen Naar sociaal-economische categorie Aantal Niet-actief Pensioenontvanger (x 1 000) Besteedbaar inkomen personen Naar sociaal-economische categorie Gemiddeld besteedbaar inkomen Autochtonen / Allochtonen Aantal Allochtonen Westerse landen (x 1 000) Besteedbaar inkomen personen Naar sociaal-economische categorie Gemiddeld besteedbaar inkomen Autochtonen / Allochtonen Aantal Allochtonen Niet-westerse landen (x 1 000) Besteedbaar inkomen personen Naar sociaal-economische categorie Gemiddeld besteedbaar inkomen Autochtonen / Allochtonen Gemiddeld besteedbaar inkomen Allochtonen Westerse landen (1 000 euro) Besteedbaar inkomen personen Naar sociaal-economische categorie Gemiddeld besteedbaar inkomen Autochtonen / Allochtonen Gemiddeld besteedbaar inkomen Allochtonen Niet-westerse landen (1 000 euro) Besteedbaar inkomen personen Naar sociaal-economische categorie Gemiddeld besteedbaar inkomen Niet-actief Pensioenontvanger (1 000 euro) Besteedbaar inkomen huishoudens Particuliere huishoudens Huishoudens met 52 weken inkomen Totaal huishoudens Met landurig laag inkomen (%)
Nederland 63,9 2.318,9 863,3 566,5 15,3 12,5 13,0 6,4
Noord-Nederland 62,8 261,3 53,0 18,6 14,1 11,6 12,2 7,8
Oost-Nederland 62,7 467,0 158,6 76,2 14,6 12,0 12,7 5,8
West-Nederland 64,7 1.089,0 427,6 399,9 16,2 12,7 13,4 6,7
Zuid-Nederland 64,0 501,6 224,2 71,7 14,5 12,3 12,7 5,7
Friesland 61,7 96,1 16,2 5,7 14,1 11,5 12,2 8,2
Flevoland 59,6 30,3 14,1 14,3 15,2 13,1 12,2 5,8
Gelderland 63,4 280,3 94,5 37,6 14,9 12,0 12,9 5,4
Noord-Holland 66,0 365,9 161,1 155,3 16,2 12,8 13,5 7,2
Zuid-Holland 64,0 508,2 187,2 198,2 16,3 12,6 13,3 7,2
Zeeland 63,4 64,9 21,8 5,0 14,3 12,2 12,7 5,5
Noord-Friesland 61,3 48,2 8,4 3,3 14,0 11,2 12,1 8,7
Zuidwest-Friesland 61,4 15,5 2,7 0,7 14,3 12,2 12,1 7,9
Zuidoost-Friesland 62,5 32,3 5,1 1,8 14,1 11,8 12,4 7,4
Zuidwest-Gelderland 61,5 27,9 7,5 3,7 15,7 12,7 12,0 3,9
Kop van Noord-Holland 62,9 45,3 14,0 6,4 15,1 12,2 12,6 5,3
Delft en Westland 63,3 30,7 9,3 6,2 16,0 12,6 13,0 4,1
Oost-Zuid-Holland 61,8 39,1 13,2 7,7 16,6 12,9 13,1 4,2
Zuidoost-Zuid-Holland 62,0 59,5 18,9 12,4 15,2 12,6 12,6 5,6
Overig Zeeland 63,0 44,8 10,8 3,7 14,6 12,5 12,9 5,4
Flevoland 59,6 30,3 14,1 14,3 15,2 13,1 12,2 5,8
Ameland 61,6 0,5 0,1 . 15,7 . 12,3 3,7
Dirksland 61,1 1,1 0,1 . 19,8 . 11,9 4,5
Drechterland 60,3 1,0 0,2 0,0 13,7 14,4 12,2 4,0
Giessenlanden 59,3 1,8 0,3 0,0 16,5 16,5 12,3 3,1
Kollumerland c.a. 57,5 1,7 0,2 . 12,8 . 11,3 12,5
Landerd 62,9 1,8 0,3 0,1 14,9 13,3 11,5 4,3
Landgraaf 62,6 6,4 6,4 0,3 13,6 12,6 12,6 6,2
Landsmeer 66,9 1,7 0,5 0,1 17,5 15,6 13,6 3,1
Lemsterland 61,6 1,7 0,4 0,1 13,9 13,3 11,8 7,3
Maasland 59,7 0,8 0,2 . 19,4 . 14,9 .
Nieuw-Lekkerland 53,0 1,0 0,3 0,1 15,3 14,3 11,8 2,9
Noord-Beveland 67,3 1,4 0,2 0,0 14,3 16,1 13,4 4,6
Noorder-Koggenland 63,0 1,2 0,4 0,0 17,7 13,4 12,0 5,5
Opsterland 61,5 4,3 0,7 0,1 14,7 11,7 12,2 7,2
Oud-Beijerland 60,9 2,9 0,6 0,2 16,3 14,3 12,8 3,9
Reiderland 66,8 1,4 0,6 0,0 13,3 9,5 10,6 10,8
Sas van Gent 64,2 1,6 1,3 0,1 13,2 11,8 12,0 4,8
Schouwen-Duiveland 64,8 6,2 1,1 0,2 15,3 15,5 13,2 5,1
's-Graveland 65,6 1,4 0,5 0,1 17,2 18,6 13,3 2,3
Smallingerland 62,3 8,0 1,5 0,7 13,3 11,9 12,7 8,0
Vlieland 67,4 0,2 0,0 . 13,8 . 13,9 .
Waterland 63,1 2,3 0,8 0,1 16,9 14,8 13,2 3,2
Wester-Koggenland 61,7 1,5 0,3 0,0 19,4 13,4 12,6 4,4
Wormerland 65,2 2,0 0,6 0,2 15,1 13,1 12,6 3,7
Zeevang 62,8 0,6 0,3 0,0 15,1 19,1 14,2 4,4
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting

Besteedbaar inkomen; inkomensverdelingen van personen en huishoudens
Per gemeente (1 - 1- 1999), COROP-gebied, provincie, landsdeel
1998
Gewijzigd op 02 juli 2004.
Verschijningsfrequentie: Eenmalig.

Toelichting onderwerpen

Besteedbaar inkomen personen
Het besteedbaar inkomen is het bruto-inkomen verminderd met de premies
sociale zekerheid en andere betaalde overdrachten (o.a. alimentatie voor
ex-partner) en de loon-, inkomsten- en vermogensbelasting.
Personen die het gehele jaar inkomen hebben, worden tot de categorie 'met
52 weken inkomen' gerekend. De categorie zelfstandigen behoort tot de
groep die het gehele jaar inkomen hebben.
Personen die in het onderzoeksjaar gedurende kortere tijd of over een qua
tijdsduur onbekende periode inkomen hebben, worden samengenomen in de
groep 'minder dan 52 weken inkomen'. Studenten, dat wil zeggen personen
met een studiebeurs in het kader van de Wet Studiefinanciering, worden
altijd tot deze groep gerekend, ook al hebben zij het gehele jaar een
baan. Uitzondering op deze algemene regel vormen de studenten die naast
hun studiebeurs ook nog winst uit onderneming hebben. Deze groep wordt
altijd ingedeeld bij de categorie '52 weken inkomen'. Ook personen die
uitsluitend kinderbijslag, individuele huursubsidie en of tegemoetkoming
studiekosten ontvangen worden bij de categorie '52 weken inkomen' buiten
beschouwing gelaten. Vanuit het grondmateriaal is het niet mogelijk om de
groep parttime werkers van de fulltimers te onderscheiden. Hierdoor
zullen ook bij de personen met 52 weken inkomen lage inkomens voorkomen.
Bevolking en personen met inkomen
Als indicator van de bestedingsmogelijkheden in een regio wordt vaak
gebruik gemaakt van het gemiddeld besteedbaar inkomen per hoofd van de
bevolking. De hoogte van dit gemiddeld inkomen per inwoner hangt samen
met het percentage inwoners met inkomen en hun gemiddeld inkomen.
Personen die het gehele jaar inkomen hebben, worden tot de categorie 'met
52 weken inkomen' gerekend. De categorie zelfstandigen behoort tot de
groep die het gehele jaar inkomen hebben.
Personen die in het onderzoeksjaar gedurende kortere tijd of over een qua
tijdsduur onbekende periode inkomen hebben, worden samengenomen in de
groep 'minder dan 52 weken inkomen'. Studenten, dat wil zeggen personen
met een studiebeurs in het kader van de Wet Studiefinanciering, worden
altijd tot deze groep gerekend, ook al hebben zij het gehele jaar een
baan. Uitzondering op deze algemene regel vormen de studenten die naast
hun studiebeurs ook nog winst uit onderneming hebben. Deze groep wordt
altijd ingedeeld bij de categorie '52 weken inkomen'. Ook personen die
uitsluitend kinderbijslag, individuele huursubsidie en of tegemoetkoming
studiekosten ontvangen worden bij de categorie '52 weken inkomen' buiten
beschouwing gelaten. Vanuit het grondmateriaal is het niet mogelijk om de
groep parttime werkers van de fulltimers te onderscheiden. Hierdoor
zullen ook bij de personen met 52 weken inkomen lage inkomens voorkomen.
Aantal
De hier opgenomen populatie omvat de totale bevolking van Nederland. Bij
de bepaling van de bevolkingsaantallen en het gemiddeld inkomen per
inwoner zijn ook de huishoudens zonder (waargenomen) belastbaar inkomen
(een procent) opgenomen. Personen die het gehele jaar inkomen hebben
genoten dus ook de bevolking in instellingen, inrichtingen en tehuizen
worden tot de categorie "met 52 weken inkomen" gerekend. Huishoudens
waarvan alle huishoudensleden een WSF-uitkering ontvangen behoren tot de
groep studentenhuishoudens en per definitie niet tot deze categorie.
In % van bevolking
Het aantal personen met 52 weken inkomen in procenten van de bevolking.
Naar sociaal-economische categorie
Bij de indeling naar sociaal-economische categorie worden alle personen
met winst uit onderneming als zelfstandigen aangemerkt. Na het bepalen
van de zelfstandigen worden de overige sociaal-economische categorieën
vastgesteld op basis van de voornaamste inkomensbron gedurende het
onderzoeksjaar. De hoofdcategorie actieven omvat zelfstandigen,
ambtenaren en overige werknemers in loondienst.
Tot de categorie niet-actieven worden gerekend bijstandsontvangers
(waaronder ontvangers van een uitkering RWW), personen met een
werkloosheidsuitkering, pensioenontvangers en arbeidsongeschikten
(waaronder de ontvangers van een invaliditeitspensioen).
Aantal
De hier opgenomen populatie heeft betrekking op alle personen
voorzover deze 52 weken inkomen hebben genoten. Personen waarvan de
sociaal-economische categorie onbekend is en personen behorend tot de
huishoudens zonder (waargenomen) belastbaar inkomen en behorend tot de
studentenhuishoudens zijn in deze tabellen buiten beschouwing gelaten.
Niet-actief
Tot de categorie niet-actieven worden gerekend bijstandsontvangers
(waaronder ontvangers van een uitkering RWW), personen met een
werkloosheidsuitkering, pensioenontvangers en arbeidsongeschikten
(waaronder de ontvangers van een invaliditeitspensioen).
Pensioenontvanger
Aantal personen met een pensioenuitkering.
Gemiddeld besteedbaar inkomen
Gemiddeld besteedbaar inkomen van personen met 52 weken inkomen
naar sociaal-economische categorie.
Autochtonen / Allochtonen
Een allochtoon is een persoon van wie ten minste een ouder in het
buitenland is geboren. Allochtonen worden onderscheiden in een eerste
generatie, d.w.z. zelf en tenminste een ouder in het buitenland geboren,
en een tweede generatie, d.w.z. zelf in Nederland geboren en ten minste
een ouder in het buitenland geboren. In het laatste geval is bij het
vaststellen van het land van herkomst prioriteit gegeven aan het
geboorteland van de moeder indien beide ouders in het buitenland zijn
geboren. De informatie over het land van herkomst is ontleend aan de
Gemeentelijke Basisadministratie. In de uitkomsten wordt onderscheid
gemaakt tussen westerse en niet-westerse allochtonen.
Tot de westerse allochtonen worden alle personen gerekend die als
herkomstland hebben Europa (met uitzondering van Turkije), Noord-Amerika,
Oceanië, Japan en Indonesië (met inbegrip van het voormalig
Nederlands-Indië). De niet-westerse landen bestaan uit Turkije, alle
landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (met uitzondering van Japan en
Indonesië). Mocht zowel het geboorteland van de onderzoekspersoon als
van de vader en de moeder ontbreken dan is betrokkene ingedeeld bij de
groep niet-westerse landen.
Aantal
De hier opgenomen populatie heeft betrekking op alle personen
voorzover deze 52 weken inkomen hebben genoten. Personen behorend tot
de huishoudens zonder (waargenomen) belastbaar inkomen en personen
behorend tot de studentenhuishoudens zijn in deze tabellen buiten
beschouwing gelaten.
Allochtonen
Tot de westerse allochtonen worden alle personen gerekend die als
herkomstland hebben Europa (met uitzondering van Turkije), Noord-Amerika,
Oceanië, Japan en Indonesië (met inbegrip van het voormalig
Nederlands-Indië). De niet-westerse landen bestaan uit Turkije, alle
landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (met uitzondering van Japan en
Indonesië). Mocht zowel het geboorteland van de onderzoekspersoon als van
de vader en de moeder ontbreken dan is betrokkene ingedeeld bij de groep
niet-westerse landen.
Westerse landen
Aantal allochtonen uit westerse landen met 52 weken inkomen.
Tot de westerse allochtonen worden alle personen gerekend die als
herkomstland hebben Europa (met uitzondering van Turkije), Noord-Amerika,
Oceanië, Japan en Indonesië (met inbegrip van het voormalig
Nederlands-Indië).
Niet-westerse landen
Aantal allochtonen uit niet-westerse landen met 52 weken inkomen.
De niet-westerse landen bestaan uit Turkije, alle landen in Afrika,
Latijns-Amerika en Azië (met uitzondering van Japan en Indonesië). Mocht
zowel het geboorteland van de onderzoekspersoon als van de vader en de
moeder ontbreken dan is betrokkene ingedeeld bij de groep
niet-westerse landen.
Gemiddeld besteedbaar inkomen
Gemiddeld besteedbaar inkomen van de autochtone en allochtone bevolking
met 52 weken inkomen.
Allochtonen
Gemiddeld besteedbaar inkomen van allochtone bevolking met 52 weken
inkomen. Tot de westerse allochtonen worden alle personen gerekend die als
herkomstland hebben Europa (met uitzondering van Turkije), Noord-Amerika,
Oceanië, Japan en Indonesië (met inbegrip van het voormalig
Nederlands-Indië). De niet-westerse landen bestaan uit Turkije, alle
landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (met uitzondering van Japan en
Indonesië). Mocht zowel het geboorteland van de onderzoekspersoon als van
de vader en de moeder ontbreken dan is betrokkene ingedeeld bij de groep
niet-westerse landen.
Westerse landen
Gemiddeld besteedbaar inkomen van het aantal allochtonen uit westerse
landen met 52 weken inkomen.
Tot de westerse allochtonen worden alle personen gerekend die als herkomst
land hebben Europa (met uitzondering van Turkije), Noord-Amerika,
Oceanië,
Japan en Indonesië (met inbegrip van het voormalig Nederlands-Indië).
Niet-westerse landen
Gemiddeld besteedbaar inkomen van het aantal allochtonen uit
niet-westerse landen met 52 weken inkomen.
De niet-westerse landen bestaan uit Turkije, alle landen in Afrika,
Latijns-Amerika en Azië (met uitzondering van Japan en Indonesië). Mocht
zowel het geboorteland van de onderzoekspersoon als van de vader en de
moeder ontbreken dan is betrokkene ingedeeld bij de groep
niet-westerse landen.
Niet-actief
Gemiddeld besteedbaar inkomen van niet-actieve personen met 52 weken
inkomen. Tot de categorie niet-actieven worden gerekend
bijstandsontvangers (waaronder ontvangers van een uitkering RWW),
personen met een werkloosheidsuitkering, pensioenontvangers en
arbeidsongeschikten (waaronder de ontvangers van een
invaliditeitspensioen).
Pensioenontvanger
Gemiddeld besteedbaar inkomen van personen met een pensioenuitkering.
Besteedbaar inkomen huishoudens
Het besteedbaar inkomen is het bruto-inkomen verminderd met de premies
sociale zekerheid en andere betaalde overdrachten (o.a. alimentatie voor
ex-partner) en de loon-, inkomsten- en vermogensbelasting.
Het huishoudensinkomen bestaat uit de som van inkomens van de
afzonderlijke huishoudensleden. Bij ongeveer een procent van de
huishoudens is geen belastbaar inkomen waargenomen. Voor een deel is dit
het gevolg van het onvoldoende kunnen toerekenen van studietoelagen aan
studenten en van andere onvolkomenheden in de gekozen werkwijze.
In het algemeen geldt voor de inkomensstatistiek dat huishoudens waar
uitsluitend kinderbijslag, individuele huursubsidie en of tegemoetkoming
studiekosten wordt waargenomen gerekend wordt tot de huishoudens zonder
(waargenomen) belastbaar inkomen.
Particuliere huishoudens
Particuliere huishoudens worden onderscheiden naar samenstelling van
het huishouden. Er wordt een onderscheid gemaakt in een- en
meerpersoonshuishoudens. Een eenpersoonshuishouden bestaat uit een
persoon die alleen in een (deel van een) woonruimte is gehuisvest en zelf
in de dagelijkse levensbehoeften voorziet of die een woonruimte deelt met
anderen zonder met hen gemeenschappelijk in de dagelijkse levensbehoeften
te voorzien. Een meerpersoonshuishouden bestaat uit twee of meer personen
die samen in een (deel van een) woonruimte zijn gehuisvest en
gemeenschappelijk in hun dagelijkse levensbehoeften voorzien. De
meerpersoonshuishoudens worden verder onderscheiden op basis van het
aantal meerderjarigen en het aantal minderjarige kinderen. Minderjarige
kinderen zijn personen die jonger zijn dan 18 jaar en die aan de zorg
van ouderen zijn toevertrouwd. Personen boven de 18 jaar worden als
meerderjarige aangemerkt.
Huishoudens met 52 weken inkomen
Totaal aantal particuliere huishoudens waarvan het hoofd of de partner
het gehele jaar inkomen heeft genoten en het percentage huishoudens met
een laag inkomen naar samenstelling van het huishouden.
Studentenhuishoudens en dat deel van de bevolking dat in een instelling,
inrichting of tehuis verblijft, zijn buiten beschouwing gelaten. Het in
deze tabel gebruikte begrip inkomen is afgeleid van het besteedbaar
inkomen. Het inkomen is gelijk aan het besteedbaar inkomen vermindert met
eventueel ontvangen huursubsidie. De kinderbijslag en de
koopkrachttoeslag die in de huursubsidie inbegrepen is, is aan het
inkomen toegevoegd. Het inkomen is gecorrigeerd voor de verschillen in
samenstelling en grootte van het huishouden en voor de inflatie. Om de
vergelijkbaarheid tussen de uitkomsten van de verschillende jaren te
bevorderen zijn de inkomens met het prijsindexcijfer van de
gezinsconsumptie voor een- en meerpersoonshuishoudens herleid naar het
prijspeil in het basisjaar 1990.
Het resulterende inkomen is vergelijkbaar met de koopkracht van een
alleenstaande in 1990. De grens die de inkomens verdeelt in lage en
overige inkomens, is gesteld op 7 260 euro. Hiermede wordt bereikt dat de
sociale minima tot de huishoudens met een laag inkomen worden gerekend.
Zo neemt bijvoorbeeld een alleenstaande die in 1990 7 260 euro te
besteden had een gelijke welvaartspositie in als een alleenstaande die in
1998 een inkomen van 9 030 euro had of als een echtpaar met een inkomen
van 12 116 euro in 1998.
Totaal huishoudens
De hier opgenomen populatie omvat de particuliere huishoudens waarvan het
hoofd of de partner het gehele jaar inkomen hebben genoten.
Studentenhuishoudens en institutionele huishoudens zijn niet meegeteld.
Met landurig laag inkomen
Het percentage huishoudens met minstens vier jaar achtereen een laag
inkomen.