Nationale rekeningen; historie 1900 - 2012

Nationale rekeningen; historie 1900 - 2012

Soort cijfers Perioden Macro-economische saldi Binnenlands product Bruto, marktprijzen Macro-economische saldi Werkzame personen en bevolking Arbeidsvolume werkzame personen Macro-economische saldi Werkzame personen en bevolking Gemiddelde bevolking Totale finale bestedingen Beschikbaar voor finale bestedingen Invoer Totale finale bestedingen Finale bestedingen Consumptieve bestedingen Huishoudens incl. IZWh Totale finale bestedingen Finale bestedingen Consumptieve bestedingen Overheid Totale finale bestedingen Finale bestedingen Investeringen in v.a. (bruto) Vennootschappen, huishoudens en IZWh Totale finale bestedingen Finale bestedingen Investeringen in v.a. (bruto) Overheid Totale finale bestedingen Finale bestedingen Uitvoer
Volumemutaties, % 1922 6,5 1,2 1,6 10,1 10,2 2,6 -5,8 -4,7 13,8
Volumemutaties, % 1923 2,2 -1,2 1,7 -1,6 0,0 -5,3 -13,2 -10,1 5,9
Volumemutaties, % 1924 7,0 2,0 1,6 9,9 1,8 -0,2 8,5 -3,2 14,5
Volumemutaties, % 1925 3,2 1,9 1,4 3,9 -0,7 3,8 11,4 4,5 5,3
Volumemutaties, % 1926 6,7 1,9 1,4 6,3 5,8 1,2 10,6 10,0 5,1
Volumemutaties, % 1927 4,6 2,2 1,4 4,8 4,3 0,3 3,3 22,2 8,9
Volumemutaties, % 1928 4,2 2,9 1,3 4,3 3,9 -4,0 9,9 8,8 3,5
Volumemutaties, % 1929 1,8 2,8 1,3 4,9 2,8 5,1 4,1 17,5 0,4
Volumemutaties, % 1930 -1,3 1,7 1,5 -4,8 5,2 4,7 10,2 9,7 -8,0
Volumemutaties, % 1931 -3,6 -1,7 1,3 -4,9 1,8 6,4 -14,0 13,2 -7,8
Volumemutaties, % 1932 -1,1 -5,5 1,5 -13,9 1,5 5,1 -23,0 -9,5 -16,6
Volumemutaties, % 1933 0,4 0,0 1,4 5,5 0,8 1,6 -2,6 -10,9 -3,6
Volumemutaties, % 1934 -1,0 0,4 1,3 -4,1 -2,1 -1,7 5,1 -1,7 5,2
Volumemutaties, % 1935 2,7 0,0 1,1 -3,3 0,6 -3,5 -5,0 -5,5 4,6
Volumemutaties, % 1936 5,5 0,4 1,0 2,0 3,8 2,1 -6,2 -7,0 3,4
Volumemutaties, % 1937 5,7 3,6 1,0 8,2 0,8 -0,7 10,3 4,7 19,1
Volumemutaties, % 1938 -3,0 2,8 1,0 -0,9 0,5 6,1 17,9 18,0 -5,1
Volumemutaties, % 1939 8,3 5,8 1,1 4,9 5,9 -3,1 -3,6 6,1 -3,3
Volumemutaties, % 1940 . . 1,0 . . . . . .
Volumemutaties, % 1941 . . 1,0 . . . . . .
Volumemutaties, % 1942 . . 1,0 . . . . . .
Volumemutaties, % 1943 . . 0,5 . . . . . .
Volumemutaties, % 1944 . . 0,9 . . . . . .
Volumemutaties, % 1945 . . 0,8 . . . . . .
Volumemutaties, % 1946 . . 1,8 . . . . . .
Volumemutaties, % 1947 . . 2,3 . . . . . .
Volumemutaties, % 1948 . 4,3 1,7 . . . . . .
Volumemutaties, % 1949 7,2 1,4 1,6 7,8 2,9 -1,0 6,4 12,2 32,6
Volumemutaties, % 1950 4,2 0,6 1,6 32,1 1,6 -2,8 7,1 -2,7 40,0
Volumemutaties, % 1951 2,4 0,4 1,5 -5,3 -2,0 0,7 -4,4 -3,8 10,6
Volumemutaties, % 1952 1,7 -0,4 1,1 -7,8 0,6 9,8 -7,4 -4,5 10,2
Volumemutaties, % 1953 8,4 1,8 1,1 19,1 5,4 10,1 15,5 62,2 13,1
Volumemutaties, % 1954 6,9 2,7 1,2 23,7 6,6 7,0 15,9 -16,4 11,3
Volumemutaties, % 1955 7,1 1,8 1,3 8,0 6,7 4,8 16,0 5,8 9,4
Volumemutaties, % 1956 4,5 1,5 1,3 13,6 7,5 4,1 12,1 7,5 4,2
Volumemutaties, % 1957 3,0 0,5 1,2 3,3 0,3 -0,5 3,8 10,2 7,3
Volumemutaties, % 1958 -1,0 -0,9 1,5 -4,5 0,3 -2,9 -12,9 -8,1 6,1
Volumemutaties, % 1959 4,7 1,0 1,4 12,6 4,4 -1,3 11,0 13,8 10,0
Volumemutaties, % 1960 9,0 1,9 1,2 16,6 6,1 5,4 12,4 7,2 14,0
Volumemutaties, % 1961 2,9 1,5 1,3 6,3 5,4 3,4 6,0 9,3 2,1
Volumemutaties, % 1962 4,3 2,0 1,4 6,7 6,1 4,4 3,6 7,6 6,5
Volumemutaties, % 1963 3,3 1,4 1,4 9,5 7,1 6,8 0,3 8,8 5,6
Volumemutaties, % 1964 8,6 1,8 1,3 14,8 5,9 1,7 20,7 12,3 11,2
Volumemutaties, % 1965 5,3 0,9 1,4 6,1 7,5 1,5 5,9 2,2 7,6
Volumemutaties, % 1966 2,8 0,8 1,3 7,0 3,2 1,7 9,3 3,8 5,3
Volumemutaties, % 1967 5,3 -0,3 1,1 6,3 5,4 2,4 7,6 10,1 6,7
Volumemutaties, % 1968 6,7 0,9 1,0 12,9 6,6 2,2 10,2 15,0 12,9
Volumemutaties, % 1969 6,8 1,7 1,2 14,0 7,7 4,5 -1,7 -3,8 15,0
Volumemutaties, % 1970 6,1 1,3 1,2 13,1 6,3 5,5 13,1 4,1 11,6
Volumemutaties, % 1971 4,3 0,7 1,2 3,7 2,2 6,5 2,8 3,5 9,4
Volumemutaties, % 1972 3,5 -0,7 1,0 2,6 3,0 3,7 -2,2 -10,2 9,0
Volumemutaties, % 1973 5,4 0,3 0,8 10,0 4,9 2,6 3,5 -6,7 10,8
Volumemutaties, % 1974 3,4 0,4 0,8 0,6 2,2 3,9 -6,3 -0,1 3,5
Volumemutaties, % 1975 0,0 -0,4 0,9 -3,9 3,2 4,9 -5,2 10,8 -4,8
Volumemutaties, % 1976 4,5 0,3 0,8 8,8 4,9 4,4 -0,2 0,8 8,2
Volumemutaties, % 1977 2,5 0,6 0,6 2,4 3,3 4,7 12,5 -10,6 -0,7
Volumemutaties, % 1978 2,7 0,8 0,6 3,1 4,3 3,1 2,2 2,2 1,9
Volumemutaties, % 1979 2,0 1,6 0,7 6,6 2,2 3,7 -2,4 -4,1 8,6
Volumemutaties, % 1980 1,3 0,9 0,8 2,3 0,0 2,0 3,1 3,4 2,2
Volumemutaties, % 1981 -0,8 -1,1 0,7 -2,6 -2,4 2,5 -10,7 -3,7 2,9
Volumemutaties, % 1982 -1,2 -2,4 0,5 -1,1 -1,4 1,8 -2,4 -4,3 -1,0
Volumemutaties, % 1983 2,1 -1,6 0,4 3,7 1,3 3,0 4,0 -5,9 2,3
Volumemutaties, % 1984 3,1 0,1 0,4 5,6 0,6 -0,6 6,7 9,8 7,7
Volumemutaties, % 1985 2,6 1,8 0,5 5,2 1,4 3,9 9,9 -3,1 4,5
Volumemutaties, % 1986 2,8 2,0 0,5 2,8 2,4 1,3 8,9 -4,1 2,0
Volumemutaties, % 1987 1,9 1,6 0,7 3,5 2,1 3,9 1,0 4,2 3,8
Volumemutaties, % 1988 3,4 1,5 0,7 8,5 1,6 1,2 10,7 4,5 8,9
Volumemutaties, % 1989 4,4 2,1 0,6 7,8 3,2 1,5 3,7 0,9 8,6
Volumemutaties, % 1990 4,2 2,7 0,7 4,0 4,0 2,2 2,4 6,2 5,7
Volumemutaties, % 1991 2,4 1,3 0,8 6,3 2,7 2,6 1,1 2,6 6,6
Volumemutaties, % 1992 1,7 1,3 0,8 2,9 0,7 2,5 1,0 6,4 2,9
Volumemutaties, % 1993 1,3 0,0 0,7 0,4 0,8 2,2 -1,9 -0,4 4,0
Volumemutaties, % 1994 3,0 -0,2 0,6 9,0 2,0 2,0 1,8 3,6 8,7
Volumemutaties, % 1995 3,1 1,8 0,5 10,2 2,7 2,5 6,3 3,8 9,2
Volumemutaties, % 1996 3,4 2,3 0,4 5,3 4,3 -0,7 8,3 9,7 4,4
Volumemutaties, % 1997 4,3 3,1 0,5 11,9 3,5 2,5 11,1 -5,4 10,9
Volumemutaties, % 1998 3,9 2,9 0,6 9,0 5,1 2,5 6,7 7,4 6,8
Volumemutaties, % 1999 4,7 2,4 0,7 9,3 5,3 2,8 8,7 8,1 8,7
Volumemutaties, % 2000 3,9 1,9 0,7 12,2 3,7 1,9 -0,9 10,5 13,5
Volumemutaties, % 2001 1,9 1,6 0,8 2,5 1,8 4,6 -1,1 7,4 1,9
Volumemutaties, % 2002 0,1 -0,3 0,6 0,3 0,9 3,3 -7,2 10,2 0,9
Volumemutaties, % 2003 0,3 -1,1 0,5 1,8 -0,2 2,9 -2,0 0,4 1,5
Volumemutaties, % 2004 2,2 -1,0 0,3 5,7 1,0 -0,1 -0,3 -7,4 7,9
Volumemutaties, % 2005 2,0 0,0 0,3 5,4 1,0 0,5 3,2 6,0 6,0
Volumemutaties, % 2006 3,4 1,6 0,2 8,8 -0,3 9,5 8,2 4,1 7,3
Volumemutaties, % 2007 3,9 2,2 0,2 5,6 1,8 3,5 5,8 4,2 6,4
Volumemutaties, % 2008 1,8 1,5 0,4 2,3 1,3 2,8 4,3 5,4 2,0
Volumemutaties, % 2009 -3,7 -1,1 0,5 -7,1 -2,1 5,0 -15,3 4,4 -7,7
Volumemutaties, % 2010 1,5 -0,6 0,5 10,3 0,3 0,5 -8,8 -1,8 11,6
Volumemutaties, % 2011 0,9 0,5 0,5 4,2 -1,1 0,2 9,5 -7,0 4,1
Volumemutaties, % 2012* -1,2 -0,3 0,4 3,3 -1,6 -0,7 -4,6 -1,3 3,2
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel bevat historische gegevens uit de nationale rekeningen.
Voor de belangrijkste macro-economische cijfers zoals het binnenlands product, de invoer, bestedingscategorieën, arbeidsvolume en het vorderingensaldo van de overheid zijn in deze publicatie lange tijdreeksen opgenomen, waaronder enkele vanaf 1900.

Ondanks het streven naar vergelijkbaarheid in de tijd treden er soms trendbreuken op in de gegevens. Dit komt onder andere doordat doorgevoerde revisies niet ver genoeg zijn teruggewerkt. In deze historische reeks komen trendbeuken voor in de jaren: 1921, 1938, 1948 en 1969. Deze publicatie met historische gegevens heeft ongeveer dezelfde opbouw als de publicatie "Macro-economische gegevens". Meer informatie is te vinden in het hoofdstuk Historische gegevens van de papieren publicatie Nationale rekeningen.

Gegevens beschikbaar vanaf: 1900 tot 2012

Status van de cijfers:
De cijfers vanaf 1900 zijn definitief. De twee meest recente jaren hebben nog een (nader) voorlopig karakter.
Aangezien deze tabel is stopgezet, worden de gegevens niet meer definitief gemaakt.

Wijzigingen per 25 juni 2014:
Geen, deze tabel is stopgezet.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Niet meer van toepassing.

Toelichting onderwerpen

Macro-economische saldi
Deze rubriek bevat een aantal veel voorkomende macro-saldi zoals
binnenlands product, nationaal inkomen, nationale besparingen en
vorderingensaldo. Het zijn kernbegrippen in de macro-economie.
Binnenlands product
Het binnenlands product is het eindresultaat van de productieve
activiteiten van de ingezeten productie-eenheden. Het is gelijk aan de
toegevoegde waarde tegen basisprijzen van alle bedrijfsklassen samen,
aangevuld met enkele transacties die niet naar bedrijfsklassen worden
verdeeld. De toegevoegde waarde (basisprijzen) per bedrijfsklasse is
gelijk aan het verschil tussen de productie (basisprijzen) en het
intermediair verbruik (aankoopprijzen). De onverdeelde transacties
betreffen het saldo van productgebonden belastingen en subsidies en het
verschil toegerekende en afgedragen btw (belasting over de toegevoegde
waarde). Het binnenlands product is ook gelijk aan de waarde van het in
Nederland gevormde inkomen. Het binnenlands product wordt gewaardeerd
tegen marktprijzen. Het bruto binnenlands product (bbp) is inclusief
afschrijvingen en het netto binnenlands product is exclusief
afschrijvingen.
Bruto, marktprijzen
Het bruto binnenlands product (bbp) is het eindresultaat van de
productieve activiteiten van de ingezeten productie-eenheden. Het is
gelijk aan de toegevoegde waarde tegen basisprijzen van alle
bedrijfsklassen samen, aangevuld met enkele transacties die niet naar
bedrijfsklassen worden verdeeld. De toegevoegde waarde (basisprijzen) per
bedrijfsklasse is gelijk aan het verschil tussen de productie
(basisprijzen) en het intermediair verbruik (aankoopprijzen). De
onverdeelde transacties betreffen het saldo van productgebonden
belastingen en subsidies en het verschil toegerekende en afgedragen btw
(belasting over de toegevoegde waarde). Het bbp is ook gelijk aan de
waarde van het in Nederland gevormde inkomen.
Werkzame personen en bevolking
Werkzame personen: Alle personen die een baan hebben bij een in Nederland
gevestigd bedrijf of bij een particulier huishouden in Nederland.
Tot de werkzame personen behoren alle personen die betaalde arbeid
verrichten, ook al is het maar voor één of enkele uren per week, ook als
zij:
- arbeid verrichten die op zichzelf genomen legaal is, maar waarvan de
beloning aan de registratie door fiscus of sociale zekerheidsautoriteiten
wordt onttrokken ('zwarte arbeid');
- tijdelijk geen arbeid verrichten, maar wel doorbetaald krijgen
(bijvoorbeeld bij ziekte of vorstverlet);
- tijdelijk onbetaald verlof hebben opgenomen.
Werkzame personen kunnen worden onderscheiden in werknemers en
zelfstandigen. Werknemers zijn personen die in een bepaalde periode arbeid
verrichten voor loon of salaris, in geld of in natura. Zelfstandigen zijn
personen die een inkomen ontvangen door voor eigen rekening of risico
arbeid te verrichten in het bedrijf of het beroep dat zij zelfstandig
uitoefenen. Ook meewerkende gezinsleden worden tot zelfstandigen gerekend,
tenzij zij een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan.
Bevolking: Alle personen van eigen of vreemde nationaliteit die duurzaam
in het land gevestigd zijn, ook al verblijven ze tijdelijk in een ander
land.
Arbeidsvolume werkzame personen
De hoeveelheid arbeid die in een bepaalde periode is ingezet. Het
arbeidsvolume kan worden uitgedrukt in banen, arbeidsjaren of gewerkte
uren.
Werkzame personen zijn alle personen die een baan hebben bij een in
Nederland gevestigd bedrijf of bij een particulier huishouden in
Nederland.
Tot de werkzame personen behoren alle personen die betaalde arbeid
verrichten, ook al is het maar voor één of enkele uren per week, ook als
zij:
- arbeid verrichten die op zichzelf genomen legaal is, maar waarvan de
beloning aan de registratie door fiscus en sociale zekerheidsautoriteiten
wordt onttrokken ('zwarte arbeid');
- tijdelijk geen arbeid verrichten, maar wel doorbetaald krijgen
(bijvoorbeeld bij ziekte of vorstverlet);
- tijdelijk onbetaald verlof hebben opgenomen.
Werkzame personen kunnen worden onderscheiden in werknemers en
zelfstandigen. Werknemers zijn personen die in een bepaalde periode arbeid
verrichten voor loon of salaris, in geld of in natura. Zelfstandigen zijn
personen die een inkomen ontvangen door voor eigen rekening of risico
arbeid te verrichten in het bedrijf of het beroep dat zij zelfstandig
uitoefenen. Ook meewerkende gezinsleden worden tot zelfstandigen gerekend,
tenzij zij een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan.
Gemiddelde bevolking
De som van de 12 maandelijkse begin- en eindstanden van de bevolking
gedeeld door 24. De cijfers zijn gebaseerd op informatie die het Centraal
Bureau voor de Statistiek (CBS) ontvangt uit de Gemeentelijke
Basisadministratie persoonsgegevens (GBA).
Totale finale bestedingen
De totale finale bestedingen bestaan uit:
- consumptieve bestedingen;
- investeringen in vaste activa (bruto);
- veranderingen in voorraden;
- uitvoer van goederen en diensten.
Beschikbaar voor finale bestedingen
Het binnenlands product (bruto, marktprijzen) plus de invoer van goederen
en diensten.
Invoer
Invoer van goederen en diensten.
De invoer van goederen betreft de voor ingezetenen bestemde goederen, die
vanuit het buitenland in het economisch gebied van Nederland zijn
gebracht. Hiertoe behoren ook voor verwerking in het productieproces
benodigde grondstoffen, halffabrikaten, brandstoffen en voor investeringen
bestemde vaste activa. De invoer omvat verder goederen die, zonder
noemenswaardige bewerking te hebben ondergaan, weer zijn uitgevoerd
(wederuitvoer).
De invoer van diensten heeft onder meer betrekking op de uitgaven van
Nederlandse bedrijven in het buitenland, zoals vervoerskosten, bankkosten
en zakenreizen. Bij de overheid gaat het onder meer om uitgaven van
Nederlandse ambassades en consulaten in het buitenland. De invoer door
huishoudens bestaat onder meer uit ingevoerde consumptiegoederen en de
directe consumptieve bestedingen van Nederlandse toeristen, grensbewoners,
diplomaten en militairen in het buitenland.
Finale bestedingen
Deze bestaan uit:
- consumptieve bestedingen;
- investeringen in vaste activa (bruto);
- veranderingen in voorraden;
- uitvoer van goederen en diensten.
Consumptieve bestedingen
Uitgaven voor goederen en diensten die worden gebruikt voor de
rechtstreekse bevrediging van individuele behoeften of wensen of van de
collectieve behoeften van leden van de gemeenschap. De consumptieve
bestedingen kunnen zowel op het eigen grondgebied als in het buitenland
worden gedaan. Consumptieve bestedingen vinden plaats door huishoudens,
instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens en de
overheid.
Huishoudens incl. IZWh
Huishoudens inclusief instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van
huishoudens.
Dit zijn de sectoren huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ten
behoeve van huishoudens (IZW huishoudens). Tot de sector huishoudens
behoren alle natuurlijke personen die langer dan een jaar in Nederland
verblijven, ongeacht hun nationaliteit. Omgekeerd worden Nederlanders die
langer dan een jaar in het buitenland verblijven niet tot de Nederlandse
huishoudens gerekend.
Huishoudens omvatten niet alleen op zichzelf of in gezinsverband wonende
personen, maar ook personen in verpleeginrichtingen, bejaardentehuizen,
gevangenissen en internaten. Indien de tot de huishoudens gerekende
personen een eigen bedrijf hebben, wordt dit bedrijf ook tot de
huishoudens gerekend. Dit is het geval bij de zelfstandigen en de
eigenwoningbezitters.
Tot de sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens
behoren stichtingen en verenigingen waarvan de middelen voor het merendeel
afkomstig zijn uit vrijwillige bijdragen van huishoudens en uit inkomen
uit vermogen. Voorbeelden zijn religieuze instellingen,
liefdadigheidsinstellingen, politieke partijen, vakbonden en verenigingen
op het gebied van cultuur, sport en recreatie.
Overheid
De sector overheid is het geheel van het Rijk, de provincies, de
gemeenten, de samenwerkingsverbanden op grond van de Wet
Gemeenschappelijke Regelingen, de waterschappen en de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisaties. Verder bestaat de overheid uit instellingen die
gecontroleerd en voornamelijk gefinancierd worden door de hiervoor
genoemde eenheden én daarbij niet voor de markt produceren, zoals ProRail,
de Open Universiteit en TNO, en de instanties die de sociale uitkeringen
verstrekken. Tot de overheid behoren ook de overheidsinstellingen die
werkzaam zijn in het buitenland, zoals ambassades. Omgekeerd worden
buitenlandse ambassades en internationale instellingen, zoals Europol en
het Internationaal gerechtshof, niet tot de Nederlandse overheid gerekend.
Vennootschappen maken in principe geen deel uit van de overheid, zelfs al
zijn ze geheel of gedeeltelijk eigendom van overheidsinstellingen, zoals
de NS, Schiphol en DNB (De Nederlandsche Bank).
De overheid bestaat uit verschillende subsectoren:
- Centrale overheid (CO);
- Lokale overheid (LO);
- Wettelijke sociale verzekeringsinstellingen (SV).
Vanuit de bedrijfsklassen gezien bestaat de overheid uit de
bedrijfsklassen overheidsbestuur en sociale verzekering, defensie en
gesubsidieerd onderwijs.
Daarnaast zijn er eenheden in een aantal andere bedrijfsklassen die ook
tot de sector overheid behoren, zoals:
- specifieke activiteiten van gemeenten, zoals reinigingsdiensten
(bedrijfsklasse milieudienstverlening), sociale werkplaatsen
(bedrijfsklasse overige industrie) en medische dienstverlening
(bedrijfsklasse gezondheids- en welzijnszorg) en aparte gemeenschappelijke
regelingen voor deze activiteiten;
- bureaus voor arbeidsbemiddeling, banenpools en het Jeugd Werk
Garantieplan (bedrijfsklasse uitzendbureaus);
- aan universiteiten gelieerde instituten (bedrijfsklasse speur- en
ontwikkelingswerk);
- opvangtehuizen en asielzoekerscentra (bedrijfsklasse gezondheids- en
welzijnszorg);
- ideële organisaties, zoals Oxfam Novib en SNV (bedrijfsklasse overige
dienstverlening n.e.g. (niet elders genoemd)).
Investeringen in v.a. (bruto)
Investeringen in vaste activa (bruto).
Uitgaven voor geproduceerde materiële of immateriële activa die langer dan
een jaar in het productieproces worden gebruikt, zoals gebouwen, woningen,
machines, vervoermiddelen en dergelijke.
Tot de investeringen in vaste activa behoren ook:
- het onderhanden werk in de bouwnijverheid, dat tot de investeringen in
vaste activa van de opdrachtgever is gerekend. Het gaat hierbij om
woningen, bedrijfsgebouwen, weg- en waterbouwkundige werken etc.;
- militaire bouwwerken die op soortgelijke wijze als door civiele
producenten worden gebruikt, zoals vliegvelden en ziekenhuizen;
- verbeteringen aan gebruikte vaste activa, die veel verder gaan dan wat
voor gewoon onderhoud en gewone reparaties nodig is;
- de bij de aankoop van nieuwe en gebruikte vaste activa gemaakte kosten,
zoals overdrachtskosten en kosten van makelaars, architecten, notarissen
en taxateurs.
Op het niveau van de totale economie (en de sectoren) worden de
investeringen gecorrigeerd voor de aan- en verkopen van gebruikte vaste
activa.
Vennootschappen, huishoudens en IZWh
Vennootschappen zijn ondernemingen met rechtspersoonlijkheid. Ook grote
zelfstandig opererende ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid
(quasi-vennootschappen) worden tot de vennootschappen gerekend.
Voorbeelden hiervan zijn onder andere grote familiebedrijven en
gemeentelijke vervoersbedrijven. De vennootschappen worden onderscheiden
in niet-financiële vennootschappen en financiële instellingen.
Tot de sector huishoudens behoren alle natuurlijke personen die langer dan
een jaar in Nederland verblijven, ongeacht hun nationaliteit. Omgekeerd
worden Nederlanders die langer dan een jaar in het buitenland verblijven
niet tot de Nederlandse huishoudens gerekend. Huishoudens omvatten niet
alleen op zichzelf of in gezinsverband wonende personen, maar ook personen
in verpleeginrichtingen, bejaardentehuizen, gevangenissen en internaten.
Indien de tot de huishoudens gerekende personen een eigen bedrijf hebben,
wordt dit bedrijf ook tot de huishoudens gerekend. Dit is het geval bij de
zelfstandigen en de eigenwoningbezitters. Grote, zelfstandig opererende
ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid (quasi-vennootschappen) behoren
echter tot de (niet-financiële of financiële) vennootschappen.
Tot de sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens
(IZWh) behoren stichtingen en verenigingen waarvan de middelen voor het
merendeel afkomstig zijn uit vrijwillige bijdragen van huishoudens en uit
inkomen uit vermogen. Voorbeelden zijn religieuze instellingen,
liefdadigheidsinstellingen, politieke partijen, vakbonden en verenigingen
op het gebied van cultuur, sport en recreatie. De stichtingen en
verenigingen die tot de sector IZWh behoren komen met name voor in de
bedrijfsklassen gezondheids- en welzijnszorg, cultuur, sport en recreatie
en de overige dienstverlening.
Overheid
De sector overheid is het geheel van het Rijk, de provincies, de
gemeenten, de samenwerkingsverbanden op grond van de Wet
Gemeenschappelijke Regelingen, de waterschappen en de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisaties. Verder bestaat de overheid uit instellingen die
gecontroleerd en voornamelijk gefinancierd worden door de hiervoor
genoemde eenheden én daarbij niet voor de markt produceren, zoals ProRail,
de Open Universiteit en TNO, en de instanties die de sociale uitkeringen
verstrekken. Tot de overheid behoren ook de overheidsinstellingen die
werkzaam zijn in het buitenland, zoals ambassades. Omgekeerd worden
buitenlandse ambassades en internationale instellingen, zoals Europol en
het Internationaal gerechtshof, niet tot de Nederlandse overheid gerekend.
Vennootschappen maken in principe geen deel uit van de overheid, zelfs al
zijn ze geheel of gedeeltelijk eigendom van overheidsinstellingen, zoals
de NS, Schiphol en DNB (De Nederlandsche Bank).
De overheid bestaat uit verschillende subsectoren:
- Centrale overheid (CO);
- Lokale overheid (LO);
- Wettelijke sociale verzekeringsinstellingen (SV).
Vanuit de bedrijfsklassen gezien bestaat de overheid uit de
bedrijfsklassen overheidsbestuur en sociale verzekering, defensie en
gesubsidieerd onderwijs.
Daarnaast zijn er eenheden in een aantal andere bedrijfsklassen die ook
tot de sector overheid behoren, zoals:
- specifieke activiteiten van gemeenten, zoals reinigingsdiensten
(bedrijfsklasse milieudienstverlening), sociale werkplaatsen
(bedrijfsklasse overige industrie) en medische dienstverlening
(bedrijfsklasse gezondheids- en welzijnszorg) en aparte gemeenschappelijke
regelingen voor deze activiteiten;
- bureaus voor arbeidsbemiddeling, banenpools en het Jeugd Werk
Garantieplan (bedrijfsklasse uitzendbureaus);
- aan universiteiten gelieerde instituten (bedrijfsklasse speur- en
ontwikkelingswerk);
- opvangtehuizen en asielzoekerscentra (bedrijfsklasse gezondheids- en
welzijnszorg);
- ideële organisaties, zoals Oxfam Novib en SNV (bedrijfsklasse overige
dienstverlening n.e.g. (niet elders genoemd)).
Uitvoer
Uitvoer van goederen en diensten.
Tot de uitvoer van goederen worden de goederen gerekend, die door
ingezetenen vanuit het economisch gebied van Nederland aan het buitenland
zijn geleverd.
De uitvoer van diensten omvat onder meer de diensten van Nederlandse
vervoerbedrijven in het buitenland, aan het buitenland bewezen
havendiensten, scheepsreparatie en de uitvoering van werken in het
buitenland door Nederlandse aannemers. Onder de uitvoer vallen eveneens de
bestedingen in Nederland door buitenlandse toeristen, grensbewoners en
diplomaten.