Particuliere huish. met laag inkomen / rond soc. minimum, na revisie, 2002

Particuliere huish. met laag inkomen / rond soc. minimum, na revisie, 2002

Regio's Samenstelling van het huishouden Aantal huishoudens (x 1 000) Aantal huishoudens met een laag inkomen (%)
Achterhoek Totaal particulier huishouden 152,6 7
Achterhoek Eenpersoonshuishouden 39,5 11
Groot-Amsterdam Totaal particulier huishouden 556,3 12
Groot-Amsterdam Eenpersoonshuishouden 247,4 16
Amsterdam Totaal particulier huishouden 490,3 13
Amsterdam Eenpersoonshuishouden 232,0 17
Rotterdam Totaal particulier huishouden 453,6 12
Rotterdam Eenpersoonshuishouden 177,1 17
Amsterdam Totaal particulier huishouden 655,2 11
Amsterdam Eenpersoonshuishouden 275,4 16
Rotterdam Totaal particulier huishouden 528,0 11
Rotterdam Eenpersoonshuishouden 195,6 16
Slochteren Totaal particulier huishouden 5,9 6
Slochteren Eenpersoonshuishouden 1,4 7
Skarsterlân Totaal particulier huishouden 10,6 6
Skarsterlân Eenpersoonshuishouden 2,7 9
Boarnsterhim Totaal particulier huishouden 7,7 6
Boarnsterhim Eenpersoonshuishouden 2,0 10
Lemsterland Totaal particulier huishouden 5,4 9
Lemsterland Eenpersoonshuishouden 1,5 12
Opsterland Totaal particulier huishouden 11,4 6
Opsterland Eenpersoonshuishouden 2,9 8
Terschelling Totaal particulier huishouden 2,1 7
Terschelling Eenpersoonshuishouden 0,8 9
Deventer Totaal particulier huishouden 36,7 9
Deventer Eenpersoonshuishouden 12,2 13
Kesteren Totaal particulier huishouden 7,5 6
Kesteren Eenpersoonshuishouden 1,5 10
Westervoort Totaal particulier huishouden 6,1 7
Westervoort Eenpersoonshuishouden 1,3 10
Winterswijk Totaal particulier huishouden 11,6 8
Winterswijk Eenpersoonshuishouden 3,2 13
Amsterdam Totaal particulier huishouden 371,5 15
Amsterdam Eenpersoonshuishouden 192,4 18
Beemster Totaal particulier huishouden 3,3 5
Beemster Eenpersoonshuishouden 0,8 x
Ter Aar Totaal particulier huishouden 3,2 4
Ter Aar Eenpersoonshuishouden 0,6 x
Drechterland Totaal particulier huishouden 3,8 3
Drechterland Eenpersoonshuishouden 0,8 x
Wester-Koggenland Totaal particulier huishouden 5,1 5
Wester-Koggenland Eenpersoonshuishouden 1,1 8
Monster Totaal particulier huishouden 7,7 8
Monster Eenpersoonshuishouden 1,9 19
Oudewater Totaal particulier huishouden 3,7 4
Oudewater Eenpersoonshuishouden 1,0 8
Rotterdam Totaal particulier huishouden 280,1 15
Rotterdam Eenpersoonshuishouden 123,6 19
Wateringen Totaal particulier huishouden 6,3 4
Wateringen Eenpersoonshuishouden 1,5 7
Zoetermeer Totaal particulier huishouden 45,8 6
Zoetermeer Eenpersoonshuishouden 13,0 10
Zoeterwoude Totaal particulier huishouden 3,0 4
Zoeterwoude Eenpersoonshuishouden 0,6 x
Gaasterlân-Sleat Totaal particulier huishouden 4,0 7
Gaasterlân-Sleat Eenpersoonshuishouden 1,0 10
Terneuzen Totaal particulier huishouden 23,6 7
Terneuzen Eenpersoonshuishouden 6,8 12
Tytsjerksteradiel Totaal particulier huishouden 12,5 6
Tytsjerksteradiel Eenpersoonshuishouden 3,0 9
Oisterwijk Totaal particulier huishouden 9,9 6
Oisterwijk Eenpersoonshuishouden 2,3 11
Oosterhout Totaal particulier huishouden 21,8 6
Oosterhout Eenpersoonshuishouden 5,7 11
Waterland Totaal particulier huishouden 7,0 4
Waterland Eenpersoonshuishouden 1,8 7
Twenterand Totaal particulier huishouden 11,7 7
Twenterand Eenpersoonshuishouden 2,2 13
Westerveld Totaal particulier huishouden 7,8 6
Westerveld Eenpersoonshuishouden 2,0 9
Echt-Susteren Totaal particulier huishouden 12,8 6
Echt-Susteren Eenpersoonshuishouden 3,0 11
Zwartewaterland Totaal particulier huishouden 7,7 6
Zwartewaterland Eenpersoonshuishouden 1,7 10
Menterwolde Totaal particulier huishouden 5,1 8
Menterwolde Eenpersoonshuishouden 1,2 14
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Sinds 1946 houdt het Centraal Bureau voor de Statistiek regelmatig
onderzoek naar de regionale inkomensverdeling. Deze onderzoeken zijn
voornamelijk gebaseerd op registers afkomstig van het Ministerie van
Financiën (de fiscale registers) en de Nederlandse gemeenten
(de bevolkingsregisters = GBA).
De uiteindelijke RIO resultaten zijn gebaseerd op een steekproef
van 1,9 miljoen huishoudens.

De cijfers in deze tabel wijken af van de eerder gepubliceerde
cijfers over 2002 omdat het besteedbaar inkomen en de ophoging
gebruikt is conform de methodiek 2003 (zie ook 4.5 en 4.7.4).
In het verdere verloop van deze toelichting spreken we
over 'nárevisie 2003'.

Inkomensverdelingen van personen en huishoudens, per landsdeel,
provincie, corop-gebied, grootstedelijke agglomeratie, stadsgewest
en gemeente.

Gegevens beschikbaar vanaf: 2002

Frequentie: eenmalig
Omdat de gemeentelijke indeling jaarlijks verandert worden de
uitkomsten uit het RIO voor elk afzonderlijk onderzoeksjaar
gepubliceerd; samenvoeging of splitsing van gemeenten heeft tot
gevolg dat alle informatie gerelateerd aan het inkomen in een
nieuw gevormde of gesplitste gemeente aanzienlijk kan wijzigen
waardoor vergelijkbaarheid in de tijd niet mogelijk is.

Toelichting onderwerpen

Aantal huishoudens
De hier opgnomen populatie betreft particuliere huishoudens met inkomen.
Aantal huishoudens met een laag inkomen
Het percentage huishoudens met een laag inkomen met de desbetreffende
huishoudenssamenstelling.
De lage-inkomensgrens is vastgesteld op 9.249 euro. Dit bedrag komt in
koopkracht ongeveer overeen met de koopkracht van een bijstandsuitkering
voor een alleenstaande in 1979, toen deze op zijn hoogst was. Het
inkomensbegrip dat in deze publicatie wordt gehanteerd, is het
besteedbaar inkomen verminderd met eventueel ontvangen
huursubsidie. Om te bepalen hoe het inkomen van een huishouden zich
verhoudt tot de lage-inkomensgrens, wordt het inkomen van
een huishouden gecorrigeerd voor verschillen in huishoudenssamenstelling
en voor de prijsontwikkeling. De correctie voor verschillen in
samenstelling vindt plaats met behulp van equivalentiefactoren.
In de equivalentiefactor komen de schaalvoordelen tot uitdrukking die het
gevolg zijn van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Met
behulp van de equivalentiefactoren worden alle inkomens herleid tot het
inkomen van een eenpersoonshuishouden. Op deze wijze zijn de
inkomensniveaus van huishoudens onderling vergelijkbaar gemaakt.
Vervolgens wordt dit gestandaardiseerde inkomen (met
consumentenprijsindices) herleid naar het prijspeil in 2000.
Het resulterende inkomen is laag wanneer het minder is dan 9.