Sectorrekeningen; (sub)sectorspecifieke detailgegevens 1988 - 2012

Sectorrekeningen; (sub)sectorspecifieke detailgegevens 1988 - 2012

Perioden Belastingen Algemeen: totalen Belastingen: totalen Betaald door ingezetenen (mln euro) Belastingen Algemeen: totalen Belastingen: totalen Betaald door het buitenland (mln euro) Belastingen Algemeen: totalen Belastingen: totalen Ontvangen door de overheid (mln euro) Belastingen Algemeen: totalen Belastingen: totalen Ontvangen door het buitenland (mln euro) Belastingen Op productie en invoer Totalen Ontvangen door overheid (mln euro) Belastingen Op productie en invoer Totalen Ontvangen door buitenland (EU) (mln euro) Belastingen Op inkomen en vermogen Totalen Betaald door Niet-financ. vennootsch. (mln euro) Belastingen Op inkomen en vermogen Totalen Betaald door Financiële instellingen (mln euro) Belastingen Op inkomen en vermogen Totalen Betaald door Huishoudens (mln euro) Belastingen Op inkomen en vermogen Totalen Betaald door Buitenland (mln euro) Belastingen Op inkomen en vermogen Totalen Ontvangen door overheid (mln euro) Belastingen Op inkomen en vermogen Totalen Ontvangen door buitenland (EU) (mln euro) Transacties niet-financiële vennootsch. % totaal niet-financiële vennootschappen Toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen) In handen van het buitenland (%) Transacties niet-financiële vennootsch. In handen van het buitenland Toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen) (mln euro) Transacties niet-financiële vennootsch. In handen van het buitenland Afschrijvingen (-) (mln euro) Transacties niet-financiële vennootsch. In handen van het buitenland Beloning van werknemers (mln euro) Transacties niet-financiële vennootsch. In handen van het buitenland Saldo niet-prod.geb.belast. prod., subs. (mln euro) Transacties niet-financiële vennootsch. In handen van het buitenland Verschil toegerekende en afgedragen btw (mln euro) Transacties niet-financiële vennootsch. In handen van het buitenland Exploitatieoverschot (netto) (mln euro)
2012* 137.651 960 135.339 3.272 68.367 2.689 9.402 2.882 52.928 960 65.589 583 . . . . . . .
Bron: CBS
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting

Deze tabel bevat de gegevens van de(sub)sectorspecifieke detailgegevens van de publicatie Nationale rekeningen. Deze serie legt het verband tussen de detailgegevens over belastingen en de macro-gegevens. De serie eindigt met tabellen die een verdere uitsplitsing tonen van enkele sectoren.

De hoofdstructuur kent een onderverdeling in 4 rubrieken:
Belastingen
Transacties niet-financiële vennootschappen naar eigendom.
Transacties financiële instellingen naar eigendom.
Sectorspecifieke gegevens van enkele (sub)sectoren

De onderwerpen komen overeen met de tabeltitels uit het hoofdstuk (sub)sectorspecifieke detailgegevens van de papieren publicatie Nationale rekeningen.

In 2005 zijn de nationale rekeningen herzien aan de hand van conceptuele wijzigingen op de internationale richtlijnen van de Europese Unie (ESR 1995). Bovendien zijn nieuwe statistische inzichten en nieuwe bronnen in deze revisie 2001 verwerkt.

Gegevens beschikbaar vanaf 1988 tot 2012.

Status van de cijfers:
Cijfers vanaf 1988 zijn definitief. De twee meest recente jaren hebben nog een (nader) voorlopig karakter.
Aangezien deze tabel is stopgezet, worden de gegevens niet meer definitief gemaakt.

Wijzigingen per 25 juni 2014:
Geen, deze tabel is stopgezet.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Niet meer van toepassing.

Toelichting onderwerpen

Belastingen
Belastingen zijn verplichte betalingen aan de overheid en de Europese
Unie (EU) waar geen directe tegenpresentatie tegenover staat. De
belastingen worden onderverdeeld in:
- belastingen op productie en invoer;
- belastingen op inkomen en vermogen;
- vermogensheffingen (kapitaaloverdrachten).
Algemeen: totalen
Belastingen: totalen
Belastingen zijn verplichte betalingen aan de overheid en de
Europese Unie (EU) waar geen directe tegenpresentatie tegenover staat. De
belastingen worden onderverdeeld in:
- belastingen op productie en invoer;
- belastingen op inkomen en vermogen;
- vermogensheffingen (kapitaaloverdrachten).
Betaald door ingezetenen
Belastingen betaald door ingezetenen.
Ingezetenen:
Eenheden die gedurende een periode van minimaal een jaar economische
activiteiten in een gebied verrichten.
Betaald door het buitenland
Belastingen betaald door het buitenland.
Buitenland:
In de nationale rekeningen is het buitenland als zodanig geen
institutionele sector. De transacties van het buitenland met Nederland
worden geregistreerd tussen ingezeten en niet-ingezeten eenheden.
Ontvangen door de overheid
Belastingen ontvangen door de overheid.
Overheid:
De sector overheid is het geheel van het Rijk, de provincies, de
gemeenten, de samenwerkingsverbanden op grond van de Wet
Gemeenschappelijke Regelingen, de waterschappen en de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisaties. Verder bestaat de overheid uit instellingen die
gecontroleerd en voornamelijk gefinancierd worden door de hiervoor
genoemde eenheden én daarbij niet voor de markt produceren, zoals ProRail,
de Open Universiteit en TNO, en de instanties die de sociale uitkeringen
verstrekken. Tot de overheid behoren ook de overheidsinstellingen die
werkzaam zijn in het buitenland, zoals ambassades. Omgekeerd worden
buitenlandse ambassades en internationale instellingen, zoals Europol en
het Internationaal gerechtshof, niet tot de Nederlandse overheid gerekend.
Vennootschappen maken in principe geen deel uit van de overheid, zelfs al
zijn ze geheel of gedeeltelijk eigendom van overheidsinstellingen, zoals
de NS, Schiphol en DNB (De Nederlandsche Bank). De overheid bestaat uit
verschillende subsectoren:
- Centrale overheid (CO);
- Lokale overheid (LO);
- Wettelijke sociale verzekeringsinstellingen (SV).
Vanuit de bedrijfsklassen gezien bestaat de overheid uit de
bedrijfsklassen overheidsbestuur en sociale verzekering, defensie en
gesubsidieerd onderwijs.
Daarnaast zijn er eenheden in een aantal andere bedrijfsklassen die ook
tot de sector overheid behoren, zoals:
- specifieke activiteiten van gemeenten, zoals reinigingsdiensten
(bedrijfsklasse milieudienstverlening), sociale werkplaatsen
(bedrijfsklasse overige industrie) en medische dienstverlening
(bedrijfsklasse gezondheids- en welzijnszorg) en aparte gemeenschappelijke
regelingen voor deze activiteiten;
- bureaus voor arbeidsbemiddeling, banenpools en het Jeugd Werk
Garantieplan (bedrijfsklasse uitzendbureaus);
- aan universiteiten gelieerde instituten (bedrijfsklasse speur- en
ontwikkelingswerk);
- opvangtehuizen en asielzoekerscentra (bedrijfsklasse gezondheids- en
welzijnszorg); .
- ideële organisaties, zoals Oxfam Novib en SNV (bedrijfsklasse overige
dienstverlening n.e.g. (niet elders genoemd)).
Ontvangen door het buitenland
Belastingen ontvangen door het buitenland.
Buitenland:
In de nationale rekeningen is het buitenland als zodanig geen
institutionele sector. De transacties van het buitenland met Nederland
worden geregistreerd tussen ingezeten en niet-ingezeten eenheden.
Op productie en invoer
Belastingen op productie en invoer.
Verplichte betalingen aan de overheid en de Europese Unie (EU) die
verband houden met productie en invoer en met het gebruik van
productiefactoren. Deze belastingen worden onderscheiden in
productgebonden belastingen en niet-productgebonden belastingen.
Deze belastingen hebben betrekking op alle door producenten aan de
overheid en de EU betaalde belastingen, met uitzondering van de
belastingen over de winst. Zij worden geregistreerd volgens het
bestemmingscriterium. Belastingen die door de centrale overheid worden
geïnd ten behoeve van de lokale overheid of de EU worden dus niet geboekt
bij de centrale overheid.
Totalen
Ontvangen door overheid
Belastingen op productie en invoer ontvangen door de overheid.
Overheid:
De sector overheid is het geheel van het Rijk, de provincies, de
gemeenten, de samenwerkingsverbanden op grond van de Wet
Gemeenschappelijke Regelingen, de waterschappen en de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisaties. Verder bestaat de overheid uit instellingen die
gecontroleerd en voornamelijk gefinancierd worden door de hiervoor
genoemde eenheden én daarbij niet voor de markt produceren, zoals ProRail,
de Open Universiteit en TNO, en de instanties die de sociale uitkeringen
verstrekken. Tot de overheid behoren ook de overheidsinstellingen die
werkzaam zijn in het buitenland, zoals ambassades. Omgekeerd worden
buitenlandse ambassades en internationale instellingen, zoals Europol en
het Internationaal gerechtshof, niet tot de Nederlandse overheid gerekend.
Vennootschappen maken in principe geen deel uit van de overheid, zelfs al
zijn ze geheel of gedeeltelijk eigendom van overheidsinstellingen, zoals
de NS, Schiphol en DNB (De Nederlandsche Bank). De overheid bestaat uit
verschillende subsectoren:
- Centrale overheid (CO);
- Lokale overheid (LO);
- Wettelijke sociale verzekeringsinstellingen (SV).
Vanuit de bedrijfsklassen gezien bestaat de overheid uit de
bedrijfsklassen overheidsbestuur en sociale verzekering, defensie en
gesubsidieerd onderwijs.
Daarnaast zijn er eenheden in een aantal andere bedrijfsklassen die ook
tot de sector overheid behoren, zoals:
- specifieke activiteiten van gemeenten, zoals reinigingsdiensten
(bedrijfsklasse milieudienstverlening), sociale werkplaatsen
(bedrijfsklasse overige industrie) en medische dienstverlening
(bedrijfsklasse gezondheids- en welzijnszorg) en aparte gemeenschappelijke
regelingen voor deze activiteiten;
- bureaus voor arbeidsbemiddeling, banenpools en het Jeugd Werk
Garantieplan (bedrijfsklasse uitzendbureaus);
- aan universiteiten gelieerde instituten (bedrijfsklasse speur- en
ontwikkelingswerk);
- opvangtehuizen en asielzoekerscentra (bedrijfsklasse gezondheids- en
welzijnszorg); .
- ideële organisaties, zoals Oxfam Novib en SNV (bedrijfsklasse overige
dienstverlening n.e.g. (niet elders genoemd)).
Ontvangen door buitenland (EU)
Belastingen op productie en invoer ontvangen door buitenland (EU).
Door ingezetenen aan de Europese Unie (EU) betaalde belastingen op
productie en invoer.
Op inkomen en vermogen
Belastingen op inkomen en vermogen.
Belastingen op inkomen en vermogen zijn alle verplichte betalingen die
regelmatig door de overheid over het inkomen en vermogen van bedrijven en
huishoudens worden geheven. Bij vennootschappen is dit met name de
vennootschapsbelasting en de dividendbelasting. Deze belastingen hebben
als grondslag de winst van vennootschappen. De belangrijkste belasting op
inkomen betaald door huishoudens is de loon-en inkomstenbelasting. Alle
belastingen die huishoudens afdragen in hun hoedanigheid van consument
worden gerekend tot belastingen op inkomen en vermogen. Zo wordt het deel
van de onroerendezaakbelasting op woningen dat is betaald door bewoners,
gerekend tot de belastingen op inkomen en vermogen. Het deel dat is
betaald door exploitanten van woningen, waartoe ook de eigen-huis
eigenaren behoren, wordt beschouwd als belasting op productie. Enkele
belastingsoorten die bij producenten gerekend worden tot belastingen op
productie en invoer worden bij huishoudens, in hun hoedanigheid van
consument, beschouwd als belastingen op inkomen en vermogen. Zo is de
motorrijtuigenbelasting op auto's die privé worden gebruikt, gerekend tot
de belastingen op inkomen en vermogen. Niet-periodieke heffingen, zoals de
successierechten, zijn als vermogensheffingen (kapitaaloverdrachten)
aangemerkt.
Totalen
Totaal belastingen op inkomen en vermogen.
Betaald door Niet-financ. vennootsch.
Belastingen op inkomen en vermogen betaald door niet-financiële
vennootschappen.
Niet-financiële vennootschappen:
Vanuit de sectoren gezien:
Deze sector bevat alle (quasi-)vennootschappen met als hoofdfunctie het
produceren van goederen en verhandelbare niet-financiële diensten:
- alle vennootschappen (nv's en bv's), quasi-vennootschappen en
coöperatieve verenigingen die niet tot de financiële instellingen worden
gerekend (zie financiële instellingen);
- alle Instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens
(stichtingen en verenigingen) die niet tot de andere sectoren worden
gerekend. Voorbeelden zijn bejaardenoorden, ziekenhuizen en
woningcorporaties;
- overheidsbedrijven (vennootschappen die geheel of gedeeltelijk eigendom
zijn van de overheid) zoals de NS.
Vanuit de bedrijfsklassen gezien:
De sector niet-financiële vennootschappen bevat alle bedrijfseenheden die
niet bij de andere sectoren zijn ingedeeld.
Betaald door Financiële instellingen
Belastingen op inkomen en vermogen betaald door financiële instellingen.
Financiële instellingen:
Vanuit de sectoren gezien:
Deze sector bevat alle (quasi-)vennootschappen met als hoofdfunctie
financiële intermediatie, dat wil zeggen het aantrekken, transformeren en
distribueren van financiële middelen.
De sector financiële instellingen bestaat uit drie subsectoren: monetaire
financiële instellingen, verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen en
overige financiële instellingen.
Niet in de sector financiële instellingen begrepen zijn:
- juridisch zelfstandige beleggingsmaatschappijen in het bezit van één of
enkele eigenaren, die zelf niet tot de financiële instellingen behoren.
Deze zijn ingedeeld bij de sector waartoe de eigenaar behoort;
-- niet onder toezicht staande fondsen gericht op de pensioenverzekering
van één enkel persoon (pensioen-bv's). Deze zijn ingedeeld bij de sector
huishoudens;
- financiële hulpbedrijven en dergelijke die geen rechtspersoonlijkheid
bezitten. Deze zijn ingedeeld bij de sector huishoudens.
Vanuit de bedrijfsklassen gezien:
De sector financiële instellingen bevat alle eenheden uit de
bedrijfsklassen banken, verzekeringswezen en pensioenfondsen en financiële
hulpactiviteiten, met uitzondering van de niet onder toezicht staande
financiële eenheden die werkzaam zijn voor een niet-financiële
vennootschap, waarvan zij onderdeel vormen.
Daarnaast zijn er eenheden in een aantal andere bedrijfsklassen die
eveneens tot de sector financiële instellingen behoren. Voorbeelden
hiervan zijn:
- operationele lease door maatschappijen die onderdeel vormen van een
financiële instelling (bedrijfsklasse verhuur van roerende goederen);
- houdstermaatschappijen van verzekeringsmaatschappijen en monetaire
financiële instellingen die zelf niet onder toezicht staan (bedrijfsklasse
economische dienstverlening);
- werkgevers-, werknemers- en beroepsorganisaties voor zover die in
verband staan met financiële instellingen (bedrijfsklasse overige
dienstverlening n.e.g. (niet elders genoemd)).
Betaald door Huishoudens
Belastingen op inkomen en vermogen betaald door huishoudens.
Huishoudens:
Tot deze sector behoren alle natuurlijke personen die langer dan een jaar
in Nederland verblijven, ongeacht hun nationaliteit. Omgekeerd worden
Nederlanders die langer dan een jaar in het buitenland verblijven niet tot
de Nederlandse huishoudens gerekend.
Huishoudens omvatten niet alleen op zichzelf of in gezinsverband wonende
personen, maar ook personen in verpleeginrichtingen, bejaardentehuizen,
gevangenissen en internaten.
Indien de tot de huishoudens gerekende personen een eigen bedrijf hebben,
wordt dit bedrijf ook tot de huishoudens gerekend. Dit is het geval bij de
zelfstandigen en de eigenwoningbezitters. Grote, zelfstandig opererende
ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid (quasi-vennootschappen) behoren
echter tot de (niet-financiële of financiële) vennootschappen.
Betaald door Buitenland
Belastingen op inkomen en vermogen betaald door het Buitenland.
Buitenland:
In de nationale rekeningen is het buitenland als zodanig geen
institutionele sector. De transacties van het buitenland met Nederland
worden geregistreerd tussen ingezeten en niet-ingezeten eenheden.
Ontvangen door overheid
Belastingen op inkomen en vermogen ontvangen door de overheid.
Overheid:
De sector overheid is het geheel van het Rijk, de provincies, de
gemeenten, de samenwerkingsverbanden op grond van de Wet
Gemeenschappelijke Regelingen, de waterschappen en de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisaties. Verder bestaat de overheid uit instellingen die
gecontroleerd en voornamelijk gefinancierd worden door de hiervoor
genoemde eenheden én daarbij niet voor de markt produceren, zoals ProRail,
de Open Universiteit en TNO, en de instanties die de sociale uitkeringen
verstrekken. Tot de overheid behoren ook de overheidsinstellingen die
werkzaam zijn in het buitenland, zoals ambassades. Omgekeerd worden
buitenlandse ambassades en internationale instellingen, zoals Europol en
het Internationaal gerechtshof, niet tot de Nederlandse overheid gerekend.
Vennootschappen maken in principe geen deel uit van de overheid, zelfs al
zijn ze geheel of gedeeltelijk eigendom van overheidsinstellingen, zoals
de NS, Schiphol en DNB (De Nederlandsche Bank). De overheid bestaat uit
verschillende subsectoren:
- Centrale overheid (CO);
- Lokale overheid (LO);
- Wettelijke sociale verzekeringsinstellingen (SV).
Vanuit de bedrijfsklassen gezien bestaat de overheid uit de
bedrijfsklassen overheidsbestuur en sociale verzekering, defensie en
gesubsidieerd onderwijs.
Daarnaast zijn er eenheden in een aantal andere bedrijfsklassen die ook
tot de sector overheid behoren, zoals:
- specifieke activiteiten van gemeenten, zoals reinigingsdiensten
(bedrijfsklasse milieudienstverlening), sociale werkplaatsen
(bedrijfsklasse overige industrie) en medische dienstverlening
(bedrijfsklasse gezondheids- en welzijnszorg) en aparte gemeenschappelijke
regelingen voor deze activiteiten;
- bureaus voor arbeidsbemiddeling, banenpools en het Jeugd Werk
Garantieplan (bedrijfsklasse uitzendbureaus);
- aan universiteiten gelieerde instituten (bedrijfsklasse speur- en
ontwikkelingswerk);
- opvangtehuizen en asielzoekerscentra (bedrijfsklasse gezondheids- en
welzijnszorg); .
- ideële organisaties, zoals Oxfam Novib en SNV (bedrijfsklasse overige
dienstverlening n.e.g. (niet elders genoemd)).
Ontvangen door buitenland (EU)
Belastingen op inkomen en vermogen ontvangen door het buitenland (EU).
Dividendbelasting ontvangen door het buitenland (EU).
Transacties niet-financiële vennootsch.
Transacties niet-financiële vennootschappen.
Specificatie van transacties van niet-financiële vennootschappen
naar eigendom. Het CBS heeft met behulp van nieuw beschikbaar gekomen
bronnen de specificatie van transacties van niet-financiële
vennootschappen naar eigendom verbeterd. Dit heeft geleid tot aanpassingen
bij de subsectoren niet-financiële vennootschappen in handen van de
particuliere sector en niet-financiële vennootschappen in handen
van het buitenland. Omdat deze nieuwe verdeling niet van invloed
is op de macrototalen is besloten met de introductie van deze
verbeterde gegevens niet te wachten tot een revisie van de
nationale rekeningen.
% totaal niet-financiële vennootschappen
Variabele uitgedrukt als percentage van totaal
niet-financiële vennootschappen.
Toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen)
De toegevoegde waarde tegen basisprijzen per bedrijfsklasse is
gelijk aan het verschil tussen de productie (basisprijzen) en
het intermediair verbruik (aankoopprijzen).
In handen van het buitenland
Transacties niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland.
In de nationale rekeningen is het buitenland als zodanig geen
institutionele sector. De transacties van het buitenland met Nederland
worden geregistreerd tussen ingezeten en niet-ingezeten eenheden.
In handen van het buitenland
Transacties niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland.
In de nationale rekeningen is het buitenland als zodanig geen
institutionele sector. De transacties van het buitenland met Nederland
worden geregistreerd tussen ingezeten en niet-ingezeten eenheden.
Toegevoegde waarde (bruto, basisprijzen)
De toegevoegde waarde tegen basisprijzen per bedrijfsklasse is
gelijk aan het verschil tussen de productie (basisprijzen) en
het intermediair verbruik (aankoopprijzen).
Afschrijvingen (-)
De waardevermindering van de kapitaalgoederenvoorraad die het gevolg is
van voorzienbare technische en economische veroudering en verzekerbare
schade (zoals brand en diefstal).
Kapitaalgoederen zijn bijvoorbeeld machines, gebouwen, vervoermiddelen en
software.
Beloning van werknemers
De beloning voor geleverde arbeid door werknemers. Werknemers zijn alle
ingezeten en niet-ingezeten personen die in Nederland in dienstbetrekking
werkzaam zijn. Ook directeuren van nv's en bv's behoren tot de werknemers,
dus hun salarissen zijn ook in de beloning van werknemers begrepen.
Hetzelfde geldt voor medewerkers van sociale werkplaatsen.
De beloning van werknemers heeft twee componenten: lonen enerzijds en
sociale premies ten laste van werkgevers anderzijds. De lonen zijn
inclusief de door de werkgever ingehouden loonbelasting en de sociale
premies die ten laste komen van de werknemers. Verder omvatten de lonen
naast het periodiek, direct aan werknemers betaalde loon ook de
aanvullingen hierop (zoals bonussen, overwerkvergoeding, fooien en
provisie), het loon in natura (zoals vrij wonen, vrije voeding, 'auto van
de zaak', korting op kinderopvang, rentevoordeel, voordelig reizen) en het
vakantiegeld. Ook bepaalde vergoedingen voor kosten die door werknemers
zijn gemaakt in verband met de dienstbetrekking, zoals vergoeding voor de
kosten van het woon-werkverkeer, zijn tot de lonen gerekend. De sociale
premies zijn de premies wettelijke sociale verzekering, pensioenpremies,
overige particuliere sociale premies en toegerekende sociale premies. Deze
premies komen ten laste van werkgevers, werknemers, zelfstandigen of
niet-werkenden.
Saldo niet-prod.geb.belast. prod., subs.
Saldo niet-productgebonden belastingen op productie en subsidies
Het verschil tussen de belastingen op productie die producenten moeten
betalen, ongeacht de hoeveelheid of de waarde van de geproduceerde
of verkochte producten en de subsidies op productie. De hoogte van
de subsidie is onafhankelijk van de waarde of de hoeveelheid
geproduceerde en verkochte producten. Het betreft vooral de loonsubsidies.
Verschil toegerekende en afgedragen btw
Het verschil tussen de toegerekende en de afgedragen btw ontstaat onder
meer door kwijtscheldingen, oninbaar geleden bedragen, boetes, de Regeling
kleine ondernemers en door ontwijking van afdracht van btw. Het verschil
tussen toegerekende en afgedragen btw wordt niet verdeeld over de
bedrijfsklassen. Dit verschil wordt op het niveau van de totale economie
geteld bij de toegevoegde waarde.
Exploitatieoverschot (netto)
Het exploitatieoverschot per bedrijfsklasse is het saldo dat
resteert nadat de toegevoegde waarde tegen basisprijzen is verminderd met
de beloning van werknemers en het saldo van niet-productgebonden
belastingen op productie en niet-productgebonden subsidies op productie.
Bij zelfstandigen wordt dit saldo gemengd inkomen genoemd omdat het ook de
beloning voor de door hen geleverde arbeid bevat.
Het exploitatieoverschot van de totale economie wordt bepaald door het
totaal van de bedrijfsklassen te vermeerderen met het verschil
toegerekende en afgedragen belasting over de toegevoegde waarde (btw).
Het netto exploitatieoverschot / gemengd inkomen is gelijk aan het bruto
exploitatieoverschot / gemengd inkomen verminderd met de afschrijvingen.