Bijdrage van de infrastructuur aan economie in dertig jaar verdrievoudigd

Spoorwegwerkers aan het werk aan spoor bij Rotterdam
© ANP / Hans van Rhoon

Tussen 1995 en 2024 is de bruto toegevoegde waarde van de Nederlandse infrastructuur toegenomen van 39 miljard naar 116 miljard euro (niet gecorrigeerd voor inflatie). De groei van de infrastructuur bleef iets achter bij de groei van de Nederlandse economie als geheel. Het aandeel van de infrastructuur in de totale toegevoegde waarde van Nederland daalde daardoor na 2014 van ongeveer 13 procent naar 11,6 procent. Deze afname wordt grotendeels veroorzaakt door de bedrijfstak delfstoffenwinning; deze krimpt door de afbouw van de aardgaswinning. In de afgelopen vijf jaar maakte de infrastructuur wel een inhaalslag door hogere energieprijzen; deze zijn harder gestegen in infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken.

Dit blijkt uit onderzoek dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft uitgevoerd op verzoek van Next Generation Infrastructures (NGinfra). Het onderzoek bouwt voort op eerdere onderzoeken uit 2017 en 2019.

Toegevoegde waarde is de extra waarde die jaarlijks wordt toegevoegd aan de economie door gebruik of aanleg van infrastructuur. Zoals bijvoorbeeld het transporteren van stroom door het elektriciteitsnet of het bouwen van een nieuwe brug. Infrastructuur is daarbij gedefinieerd als de voorzieningen en activiteiten die nodig zijn om primaire diensten te verlenen aan  de economie en samenleving. De primaire diensten zijn: overstromingsveiligheid en waterpeilbeheer, energievoorziening; informatie- en telecommunicatie; transport van personen en goederen over de weg, water, spoor en door de lucht, drinkwatervoorziening en afvalbeheer. Om de economische waarde van de infrastructuur te bepalen is een selectie gemaakt van dertien bedrijfstakken die onderdeel zijn van de productie- en leveringsketens van deze primaire diensten.

Aandeel totale Nederlandse toegevoegde waarde
JaarInfrastructuur (%)Infrastructuur zonder delfstoffenwinning (%)
199512,910,8
199613,010,6
199712,810,7
199812,711,0
199912,110,7
200012,610,6
200112,910,5
200212,810,8
200313,211,1
200412,910,7
200513,210,9
200613,610,8
200713,210,6
200813,910,4
200913,110,6
201013,210,5
201113,510,6
201213,810,6
201313,810,5
201412,610,4
201512,210,8
201611,410,5
201711,210,3
201811,010,1
201911,110,5
202010,310,0
202110,810,1
202213,211,5
202312,011,6
202411,611,1

Energiebedrijven leveren grootste bijdrage aan toegevoegde waarde

De grootste bijdrage aan de toegevoegde waarde van de infrastructuur kwam in 2024 van energiebedrijven (19 procent). Daarnaast hadden ook openbaar bestuur en overheidsdiensten (17 procent), bedrijven voor opslag en dienstverlening voor vervoer (16 procent) en vervoersbedrijven over land (14 procent) een groot aandeel in het totaal. De negen andere bedrijfstakken die deel uitmaken van de infrastructuur leverden samen ongeveer een derde van de toegevoegde waarde. 

De samenstelling van de toegevoegde waarde is wel veranderd over tijd. In 1995 was de bedrijfstak delfstoffenwinning nog verantwoordelijk voor 16 procent van de toegevoegde waarde, in 2024 nog slechts voor 5 procent. Dit is een gevolg van de al eerder genoemde afbouw van de aardgaswinning sinds 2014. Daartegenover staat de relatieve stijging van de toegevoegde waarde van de energiebedrijven van 12 naar 19 procent.

Toegevoegde waarde, infrastructuur-gerelateerde bedrijfstakken1), 2024*
Bedrijfstak Aandeel
Energiebedrijven19,2
Openbaar bestuur en overheidsdiensten16,8
Opslag en dienstverlening voor vervoer16,3
Vervoer over land14,3
Telecommunicatie7,3
Delfstoffenwinning4,9
Overig21,1
1) Onder overige bedrijfstakken vallen: Verkoop van brandstoffen; Vervoer over water; Vervoer door de lucht; Riolering, afvalbeheer en sanering; Gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten; Waterleidingbedrijven, Aardolie-industrie *voorlopige cijfers

Grootste deel toegevoegde waarde gecreëerd door exploitatie bestaande infrastructuur

De economie en de samenleving maken gebruik van bestaande infrastructuur, maar er wordt ook jaarlijks nieuwe infrastructuur toegevoegd. Het onderzoek maakt daarom onderscheid tussen de toegevoegde waarde door de exploitatie van bestaande infrastructuur (exploitatiefase) en door investeringen in nieuwe infrastructuur (non-exploitatiefase). Onder de exploitatiefase valt bijvoorbeeld de toegevoegde waarde die een netwerkbedrijf genereert door energie te transporteren over een bestaand energienet. In de non-exploitatiefase wordt de waarde gekoppeld aan de realisatie van investeringen in nieuwe infrastructuur en het groot onderhoud van de infrastructuur. Een voorbeeld hiervan is de toegevoegde waarde die ontstaat tijdens het aanleggen van nieuwe elektriciteitsleidingen of de renovatie van een brug.

In de afgelopen drie decennia besloeg de exploitatiefase tussen de 93 en 95 procent van de totale toegevoegde waarde. Dit beeld is stabiel over tijd. 

Toegevoegde waarde onderdelen infrastructuur
JaarExploitatiefase (mld euro)Non-exploitatiefase (mld euro)Infrastructuur totaal (mld euro)
199536,522,1538,67
199638,202,3140,51
199740,422,1742,59
199842,922,2945,21
199943,082,5145,59
200048,212,9251,13
200152,523,2255,74
200254,383,3357,71
200357,113,3460,45
200457,963,0861,04
200561,503,4464,94
200667,413,7671,17
200769,134,1373,25
200876,354,4580,80
200969,604,5974,18
201071,484,7676,24
201174,255,0879,32
201277,154,6381,78
201377,545,0482,58
201472,234,8177,04
201571,425,0476,46
201668,584,6173,19
201770,874,3775,24
201872,694,4277,10
201977,225,0182,23
202069,735,1774,90
202180,145,3885,52
2022111,865,44117,30
2023107,216,61113,81
2024109,037,32116,35

Aantal werkzame personen in infrastructuur neemt relatief gezien af 

Het aantal werkzame personen in bedrijfstakken gerelateerd aan de infrastructuur steeg tussen 1995 en 2024 van 524 duizend tot 681 duizend; een toename van 30 procent. In dezelfde periode groeide het aantal werkzame personen in de totale Nederlandse economie met 41 procent. Het aantal werkzame personen in andere bedrijfstakken, zoals de zorg, zakelijke dienstverlening en handel, zijn harder gestegen. Het aandeel werkzame personen in de infrastructuur ten opzichte van de totale economie is daardoor gedaald. In de infrastructuur werken relatief weinig zelfstandigen, in 2024 gaat het om 9,7 procent. Voor de hele Nederlandse economie ligt het aandeel zelfstandigen ongeveer twee keer zo hoog. 

Aandeel infrastructuur in totale milieu-impact relatief hoog, maar daalt wel over tijd

Het aandeel van de infrastructuur in de totale toegevoegde waarde van Nederland bedraagt in 2024 11,6 procent. Maar de milieu-impact is, vanwege de aard van de betrokken bedrijfstakken, naar verhouding vaak groter. Zo is de infrastructuur in 2024 verantwoordelijk voor de helft van alle door bedrijven uitgestoten broeikasgassen en ruim voor een derde van de fijnstofemissies. Ook betalen de bedrijven in de infrastructuur relatief veel milieubelasting en -heffingen. Dit is vooral gerelateerd aan de bedrijfstakken rondom energieproductie en transport. Daarnaast verbruiken de overige bedrijfstakken binnen de infrastructuur relatief veel mineralen. 

Milieu-impact, infrastructuur, uitgesplitst 1)2)3)
 Exploitatie energiebedrijven (%)Exploitatie water en afvalbeheer (%)Exploitatie vervoer (%)Exploitatie overig (%)Non-exploitatie (%)
Directe broeikasgasemissies18,46,018,56,50,3
Fijnstofemissies0,50,532,31,00,9
Milieubelastingen en -heffingen11,71,510,53,40,7
Netto energieverbruik9,92,716,28,80,2
Biomassaverbruik7,50,01,14,20,2
Mineralenverbruik0,80,50,015,214,6
Metalenverbruik0,50,00,21,42,8
Waterverbruik1,22,20,05,10,1
Afvalaanbod1,24,30,02,64,2
1)Ten opzichte van totaal van alle Nederlandse bedrijfstakken. 2)Vervoer omvat de bedrijfstakken vervoer over land, vervoer over water, vervoer door de lucht en opslag en dienstverlening voor vervoer. 3) Door databeschikbaarheid kunnen de verslagjaren uiteenlopen.

Tegelijkertijd is de milieu-impact van de meeste indicatoren over de tijd gedaald. De uitstoot van fijnstof was in 1995 nog drie keer zo hoog als in 2024 en broeikasgasemissies daalden met meer dan een kwart sinds 2015. Dat betekent dat voor bijna alle genoemde indicatoren het verbruik of uitstoot per euro toegevoegde waarde is gedaald. Want naast de daling of stilstand van de milieu-impact verdrievoudigde de toegevoegde waarde in de periode 1995-2024. Alleen de milieubelastingen zijn grofweg gelijk gestegen met de toegevoegde waarde.

Ontwikkeling milieu-indicatoren infrastructuur
JaarBroeikasgasemissies (Index (2021/2022 = 100))Fijnstofemissies (Index (2021/2022 = 100))Milieubelastingen en -heffingen (Index (2021/2022 = 100))Waterverbruik (Index (2021/2022 = 100))Netto energieverbruik (Index (2021/2022 = 100))Toegevoegde waarde (Index (2021/2022 = 100))
1995104,2286,143,533
1996106,7301,444,634,5
1997108,7301,446,536,3
1998112,3280,649,938,5
1999110,1315,350,738,9
2000114,1293,153,743,6
2001118,827559,947,5
200211925057,649,2
2003120,2252,858,7118,351,5
2004123233,352,710652
2005122,2234,753,1101,155,4
2006115,5202,858,8107,160,7
2007119,3211,158,3107,562,4
2008120,420063110,168,9
2009119177,863,2106,763,2
2010123,3159,760,2123,965
2011119,5130,664,2120,167,6
2012116,4130,658,895,569,7
2013115,1131,962,786,670,4
2014118,9134,765,982,5113,765,7
2015123,6118,167,580,2113,565,2
2016120,597,263,779,1108,962,4
201711693,163,481,7107,964,1
2018112,394,464,587,3106,265,7
201911390,376,797,8110,370,1
202096,986,172,19494,263,9
2021100,994,480,510099,172,9
2022100100100100100
202390,5102,8105,297,297
202489,4106,9129,199,2