Waar laat je de auto?
Het aantal auto’s is in honderd jaar tijd enorm snel gegroeid
In 1927 was een auto een exclusief bezit. Nederland telde toen nog maar zo’n 40 duizend personenauto’s. Zes jaar later waren dit er al twee keer zo veel, maar in de crisisjaren dertig ging de groei niet meer zo snel. Brandstof werd duurder en ging zelfs op rantsoen. In 1939 waren er 95 duizend auto's.
In de loop van de Tweede Wereldoorlog daalde het aantal personenauto’s sterk. Na de bezetting steeg het autobezit weer, en was in 1949 weer hetzelfde als in 1939.
Vooral in de jaren vijftig en zestig werd de auto steeds meer iets voor de massa. Ze werden goedkoper, mensen hadden meer te besteden en er kwamen meer geschikte wegen. Het aantal auto’s groeide explosief.
In 1965 passeerde de teller de 1 miljoen, en in 1969 alweer de 2 miljoen. In 1980 waren dat er twee keer zo veel. En de groei ging gestaag door.
Inmiddels rijden er 9,4 miljoen personenauto’s rond. Daarvan zijn de meeste (8,3 miljoen) van particulieren, de rest is van een bedrijf.
Meer auto’s, dat komt door meer mensen toch?
Ja dat klopt, maar het aantal auto’s steeg harder dan het aantal mensen. Dat is goed te zien in het gemiddelde aantal auto's per inwoner.
In 1927 waren er nog geen 6 auto’s per duizend inwoners in Nederland. In 1950 waren dat er 12.
Na de Tweede Wereldoorlog groeide de bevolking snel, er was een babyboom. Maar het aantal auto’s groeide nog sneller. Daardoor waren er in 1966 al meer dan 100 auto’s per duizend inwoners. Dus 1 auto voor tien mensen.
En nu? Nu zijn er ruim 520 auto’s voor duizend mensen. Dat is dus meer dan 1 auto voor twee mensen. Ofwel iets meer dan een halve auto per persoon.
Gemiddeld aantal auto's per duizend inwoners
De belangrijkste waarden uit deze grafiek staan beschreven in de tekst rond de grafiek.
Achter iedere voordeur minder mensen
Nederland kreeg niet alleen meer inwoners, maar vooral veel meer huishoudens. Gezinnen werden kleiner en alleen wonen kwam vaker voor.
Honderd jaar geleden telde een gemiddeld huishouden nog 4,3 personen. Nu zijn dat er 2,1. Minder mensen per huishouden betekent: er zijn meer woningen nodig voor hetzelfde aantal mensen.
Gemiddeld huishouden
Toen
met z'n allen
in één auto
Nu
steeds vaker
één auto per voordeur
Wat groeide sneller: het aantal woningen of het aantal auto's?
Met meer huishoudens kwamen er meer woningen bij. Maar het aantal auto’s groeide óók hard.
De groei ging eerst langzaam: na de Tweede Wereldoorlog was herstel en opbouw nodig. Dat hield de bevolkingsgroei niet bij, er was woningnood. Er waren nog niet veel auto’s. De woningen werden vooral in de steden gebouwd.
Vooral vanaf de jaren zeventig kwamen er steeds meer woningen buiten de steden. Welgestelde gezinnen verlieten in die jaren de grote steden en verhuisden naar kleinere steden en dorpjes in de omgeving. Dat kon ook met de gestegen welvaart. Waardoor ook steeds meer mensen een auto hadden.
Het autobezit stijgt gestaag door, totdat er meer auto’s dan woningen zijn. In 2007 haalt het aantal auto’s het aantal woningen in! Er staat vanaf dan dus gemiddeld net iets meer dan 1 auto per voordeur.
Inmiddels is dat opgelopen tot gemiddeld 1,1 auto per voordeur: in 2025 waren er 9,3 miljoen auto’s en ruim 8,3 miljoen woningen.
Aantal auto's en woningen in Nederland
De belangrijkste waarden uit deze grafiek staan beschreven in de tekst rond de grafiek.