Welvaart van particuliere huishoudens; kerncijfers

Welvaart van particuliere huishoudens; kerncijfers

Kenmerken van huishoudens Perioden Particuliere huishoudens (x 1 000) Gemiddeld besteedbaar inkomen (1 000 euro) Gemiddeld gestandaardiseerd inkomen (1 000 euro) Gemiddeld besteed bedrag (1 000 euro) Mediaan vermogen (1 000 euro) Huishoudens arm (%) Ongelijkheid inkomen (Ginicoëfficiënt) Ongelijkheid vermogen (Ginicoëfficiënt) Financiële welvaart (Gemiddeld percentiel)
Particuliere huishoudens 2024* 8.258,9 60,2 41,9 . 135,5 4,2 0,308 0,725 50
Type: Eenpersoonshuishouden 2024* 3.236,2 32,7 32,7 . 18,7 7,1 0,299 0,789 36
Type: Meerpersoonshuishouden 2024* 5.022,8 78,0 47,8 . 226,7 2,3 0,289 0,677 59
Type: Eenoudergezin 2024* 588,9 52,9 35,5 . 18,5 6,3 0,258 0,790 40
Type: Paar, totaal 2024* 4.271,8 81,0 49,5 . 254,8 1,7 0,287 0,655 62
Type: Paar, zonder kind 2024* 2.301,7 67,6 48,4 . 264,4 1,8 0,304 0,657 60
Type: Paar, met kind(eren) 2024* 1.970,1 96,6 50,8 . 246,5 1,6 0,265 0,653 63
Type: Meerpersoonshuishouden, overig 2024* 162,0 90,5 46,9 . 143,1 4,2 0,282 0,762 58
Hoofdkostwinner: tot 25 jaar 2024* 399,7 22,4 19,6 . 0,3 12,2 0,394 0,915 16
Hoofdkostwinner: 25 tot 45 jaar 2024* 2.563,4 60,0 40,6 . 43,1 5,3 0,258 0,760 47
Hoofdkostwinner: 45 tot 65 jaar 2024* 2.915,1 75,8 49,1 . 216,8 4,0 0,323 0,699 58
Hoofdkostwinner: 65 jaar of ouder 2024* 2.380,8 47,8 38,1 . 263,9 1,9 0,277 0,648 49
Bron: Inkomen als werknemer 2024* 4.401,5 65,9 43,7 . 122,4 2,5 0,232 0,673 54
Bron: Inkomen als zelfstandige (totaal) 2024* 829,2 97,8 63,0 . 300,0 5,7 0,446 0,744 64
Bron: Overdrachtsinkomen 2024* 3.028,3 41,8 33,4 . 111,6 6,3 0,310 0,722 40
Bron: Uitkering inkomensverzekering 2024* 2.551,0 45,6 36,5 . 229,7 3,1 0,293 0,674 46
Bron: Uitkering werkloosheid 2024* 33,8 31,8 25,4 . 14,9 18,3 0,248 0,763 28
Bron: Uitkering arbeidsongeschiktheid 2024* 283,0 34,4 26,8 . 9,0 9,7 0,194 0,776 28
Bron: Uitkering pensioen 2024* 2.234,2 47,3 37,9 . 270,5 2,0 0,298 0,654 48
Bron: Uitkering sociale voorziening 2024* 402,5 23,2 18,7 . 1,0 27,0 0,121 0,936 10
Bron: Studiefinanciering 2024* 74,8 9,1 8,5 . 0,2 2,4 0,344 0,887 3
Woningbezit: eigen woning 2024* 4.624,9 78,9 52,2 . 334,6 0,7 0,275 0,553 68
Woningbezit: huurwoning 2024* 3.634,0 36,4 28,7 . 4,2 8,6 0,254 0,882 27
Woningbezit: huurwoning geen huurtoeslag 2024* 2.158,5 42,1 32,6 . 7,4 8,2 0,270 0,870 34
Woningbezit: huurwoning met huurtoeslag 2024* 1.475,5 28,1 23,1 . 2,5 9,1 0,148 0,794 16
Gestandaardiseerd inkomen: 1e 10%-groep 2024* 825,9 14,8 12,5 . 1,5 35,5 0,272 0,939 9
Gestandaardiseerd inkomen: 2e 10%-groep 2024* 825,9 26,9 21,8 . 4,7 5,0 0,038 0,871 17
Gestandaardiseerd inkomen: 3e 10%-groep 2024* 825,9 32,4 26,3 . 17,0 0,7 0,025 0,787 27
Gestandaardiseerd inkomen: 4e 10%-groep 2024* 825,9 39,2 30,2 . 48,1 0,3 0,023 0,697 37
Gestandaardiseerd inkomen: 5e 10%-groep 2024* 825,9 46,5 34,4 . 134,3 0,1 0,020 0,637 46
Gestandaardiseerd inkomen: 6e 10%-groep 2024* 825,9 54,8 38,6 . 187,9 0,0 0,019 0,590 55
Gestandaardiseerd inkomen: 7e 10%-groep 2024* 825,9 63,2 43,1 . 228,2 0,0 0,018 0,552 64
Gestandaardiseerd inkomen: 8e 10%-groep 2024* 825,9 73,1 48,5 . 259,0 0,0 0,021 0,545 73
Gestandaardiseerd inkomen: 9e 10%-groep 2024* 825,9 86,7 56,2 . 315,1 0,0 0,029 0,534 82
Gestandaardiseerd inkomen: 10e 10%-groep 2024* 825,9 164,7 107,1 . 520,2 0,0 0,549 0,658 91
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Het doel van deze tabel is om een beeld te geven van de verdeling van de welvaart van huishoudens in Nederland, gemeten door het inkomen. Deze gegevens kunnen worden uitgesplitst naar kenmerken van het huishouden als samenstelling huishouden, leeftijd en voornaamste inkomensbron.
Voor de armoedekwalificatie wordt de nieuwe meetmethode van het CBS, SCP en NIBUD gehanteerd.
De gegevens hebben betrekking op alle particuliere huishoudens met inkomen, per 1 januari van het verslagjaar.

Gegevens beschikbaar vanaf: 2011.

Status van de cijfers:
De cijfers voor 2011 t/m 2023 zijn definitief. De cijfers voor 2024 zijn voorlopig.

Wijzigingen per 3 juli 2026:
Het onderwerp ‘Financiële welvaart’ is toegevoegd aan deze tabel.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Nieuwe cijfers worden in het najaar van 2026 gepubliceerd.

Toelichting onderwerpen

Particuliere huishoudens
Aantal particuliere huishoudens per 1 januari van het verslagjaar, met inkomen.

Een particulier huishouden bestaat uit één of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf niet-bedrijfsmatig voorzien van de dagelijkse behoeften.
Gemiddeld besteedbaar inkomen
Gemiddeld besteedbaar inkomen per particulier huishouden.

Het besteedbaar inkomen bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met betaalde inkomensoverdrachten, premies inkomensverzekeringen, premies ziektekostenverzekeringen en belastingen op inkomen en vermogen.

Gemiddeld gestandaardiseerd inkomen
Gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar inkomen per particulier huishouden.

Het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen is het besteedbaar inkomen gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. Deze correctie vindt plaats met behulp van equivalentiefactoren. In de equivalentiefactor komen de schaalvoordelen tot uitdrukking die het gevolg zijn van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Met behulp van de equivalentiefactoren worden alle inkomens herleid tot het inkomen van een eenpersoonshuishouden. Op deze wijze is het welvaartsniveau van verschillende typen huishoudens onderling vergelijkbaar gemaakt. Het gestandaardiseerd inkomen is een maat voor de welvaart van (de leden van) een huishouden.
Gemiddeld besteed bedrag
Het gemiddeld besteed bedrag per particulier huishouden.

Bestedingen zijn uitgaven voor goederen en diensten die worden gebruikt voor de rechtstreekse bevrediging van individuele of collectieve behoeften van leden van de gemeenschap. De uitgaven kunnen zowel op het eigen grondgebied als in het buitenland worden gedaan.
Mediaan vermogen
Mediaan vermogen van particuliere huishoudens.

Het mediane vermogen is gelijk aan het middelste vermogen indien de vermogens van alle huishoudens van laag naar hoog worden gerangschikt. Dat wil zeggen dat de helft van de huishoudens meer, en de andere helft minder vermogen bezit.

Vermogen is het saldo van bezittingen en schulden. De bezittingen bestaan uit financiële bezittingen (banktegoeden en effecten), onroerend goed en ondernemingsvermogen. De schulden omvatten onder meer schulden ten behoeve van een eigen woning en consumptief krediet.
Huishoudens arm
Het aantal arme huishoudens, in procenten van het totaal aantal huishoudens per categorie.

De armoedegrens is gebaseerd op de minimale levensbehoeften. Als er na het betalen van de vaste lasten aan wonen, energie en de zorgpremie te weinig geld overblijft voor de andere levensbehoeften, dan is een huishouden – en de mensen die er deel van uitmaken – arm. Waar de armoedegrens voor een huishouden ligt, is afhankelijk van het soort huishouden. Hoe meer mensen in het huishouden, hoe meer geld er nodig is om te kunnen leven en mee te kunnen doen in de samenleving. De benodigde bedragen worden door het Nibud voor 35 verschillende typen huishoudens vastgesteld. Naast geld voor wonen, energie, verzekeringen, kleding en de dagelijkse boodschappen, gaat het ook om bijvoorbeeld een telefoon, toegang tot het internet en sociale activiteiten.

Om vast te stellen of een huishouden in armoede leeft, wordt het besteedbare inkomen van het huishouden vergeleken met het minimaal benodigde budget inclusief de betaalde vaste lasten aan wonen en energie. Ook wordt er gekeken naar de vermogensbuffer (spaargeld of ander direct te besteden bezit) van het huishouden. Een huishouden wordt niet als arm gekwalificeerd als vanuit de vermogensbuffer zeker twaalf maanden lang uitgaven kunnen worden gedaan op het niveau van de armoedegrens.
Ongelijkheid inkomen
De Ginicoëfficiënt is een maatstaf voor ongelijkheid. De Ginicoëfficiënt voor inkomen wordt berekend door de helft van het gemiddelde absolute verschil in inkomen tussen huishoudens te normaliseren. In een verdeling zonder negatieve waarden wordt daarbij gedeeld door het gemiddelde. In een verdeling met negatieve waarden is dat het gemiddelde van alle absolute waarden.
De waarde van de Ginicoëfficiënt G ligt zodoende altijd tussen 0 en 1. Bij een volkomen gelijke inkomensverdeling is G gelijk aan nul. Als het totale inkomen geconcentreerd is bij één huishouden (totale inkomensongelijkheid) dan is G gelijk aan 1.
De Ginicoëfficiënt is gebaseerd op het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen.
Ongelijkheid vermogen
De Ginicoëfficiënt is een maatstaf voor ongelijkheid. De Ginicoëfficiënt voor vermogen wordt berekend door de helft van het gemiddelde absolute verschil in vermogen tussen huishoudens te normaliseren. In een verdeling zonder negatieve waarden wordt daarbij gedeeld door het gemiddelde. In een verdeling met negatieve waarden is dat het gemiddelde van alle absolute waarden.
De waarde van de Ginicoëfficiënt G ligt zodoende altijd tussen 0 en 1. Bij een volkomen gelijke vermogensverdeling is G gelijk aan nul. Als het totale vermogen geconcentreerd is bij één huishouden (totale vermogensongelijkheid) dan is G gelijk aan 1.
Financiële welvaart
De financiële welvaart van een huishouden is gebaseerd op een maat die informatie bevat over zowel het gestandaardiseerd besteedbaar inkomen als het vermogen van het huishouden. Op grond daarvan zijn huishoudens geordend van laag naar hoog en in gelijke groepen ingedeeld. Huishoudens in de laagste welvaartsgroep hebben een laag inkomen én een laag vermogen. Naarmate het inkomen of vermogen hoger is, wordt een huishouden in een hogere groep ingedeeld. Huishoudens in de hoogste welvaartsgroep hebben een hoog inkomen én een hoog vermogen. Alle personen in een huishouden behoren tot dezelfde welvaartsgroep als het huishouden.
Alle particuliere huishoudens in Nederland worden gerangschikt van laag naar hoog op basis van hun financiële welvaart en vervolgens ingedeeld in 100 gelijke groepen (percentielgroepen). De gemiddelde groep is de gemiddelde positie in de landelijke verdeling op een schaal van nul tot honderd. Om dit gemiddelde te bepalen is uitgegaan van het midden van de percentielgroep, waarin een huishoudens zich bevindt. Voor percentielgroep 1 is dat 0,5, voor percentielgroep 2 is dat 1,5 enzovoorts. Het gemiddelde voor Nederland bedraagt precies 50.