Landbouw; kerncijfers van de EU-lidstaten, nationale rekeningen

Landbouw; kerncijfers van de EU-lidstaten, nationale rekeningen

Landen Perioden Productie en verbruik Output basisprijzen Totaal (mln euro) Productie en verbruik Output basisprijzen Plantaardige producten (mln euro) Productie en verbruik Output basisprijzen Veeteelt Totaal (mln euro) Productie en verbruik Output basisprijzen Veeteelt Dieren (mln euro) Productie en verbruik Output basisprijzen Veeteelt Dierlijke producten (mln euro) Productie en verbruik Output basisprijzen Landbouwdiensten (mln euro) Productie en verbruik Bruto toegevoegde waarde basisprijzen (mln euro) Arbeidsvolume (x 1 000 arbeidsjaren) Landbouwinkomen per arbeidsjaar Mutatie t.o.v. voorafgaand jaar (%)
Europese Unie: EU-27 (vanaf 2020) 2010 351.599 188.463 133.540 79.043 54.497 16.296 145.930 10.366 23,3
België 2010 7.870 3.619 4.064 3.015 1.049 154 2.604 62 31,1
Bulgarije 2010 3.822 2.153 1.081 560 521 251 1.356 407 11,7
Cyprus 2010 686 324 330 194 135 0 315 20 11,6
Denemarken 2010 9.741 3.474 5.626 3.154 2.472 492 2.665 54 76,3
Duitsland 2010 50.052 23.093 23.622 13.301 10.321 1.841 16.657 522 50,7
Estland 2010 668 275 321 125 196 18 235 25 64,9
Finland 2010 4.214 1.386 2.257 786 1.471 86 1.445 82 10,0
Frankrijk 2010 68.125 39.164 23.151 14.430 8.721 3.849 27.862 809 41,2
Griekenland 2010 10.715 7.166 2.573 1.088 1.484 312 5.744 441 0,8
Hongarije 2010 6.122 3.476 2.178 1.481 697 341 1.970 444 17,7
Ierland 2010 5.822 1.670 3.833 2.268 1.565 319 1.389 165 13,3
Italië 2010 48.054 26.566 14.358 8.842 5.516 4.242 26.237 1.179 -9,3
Kroatië 2010 2.915 1.708 1.042 646 396 98 1.370 202 -8,5
Letland 2010 942 475 383 139 244 23 236 86 27,9
Litouwen 2010 2.042 1.063 811 335 476 67 651 143 19,3
Luxemburg 2010 334 141 165 77 88 7 97 4 16,3
Malta 2010 126 50 69 45 24 0 58 5 -26,1
Nederland 2010 28.597 14.925 10.172 5.193 4.979 2.338 9.181 154 29,6
Noorwegen 2010 4.646 1.521 3.020 1.579 1.441 0 1.924 50 5,7
Oostenrijk 2010 6.321 2.789 2.911 1.716 1.196 243 2.581 128 18,7
Polen 2010 19.749 10.010 9.146 5.181 3.966 461 8.234 2.214 17,0
Portugal 2010 6.585 3.566 2.691 1.890 801 151 2.810 310 15,2
Roemenië 2010 15.301 10.324 3.636 1.624 2.012 132 6.591 1.639 25,6
Slovenië 2010 1.102 586 495 302 193 21 402 77 16,2
Slowakije 2010 1.887 868 805 452 353 88 361 56 52,4
Spanje 2010 40.371 25.028 13.797 10.241 3.556 390 22.366 964 6,1
Tsjechië 2010 4.058 2.252 1.617 808 809 107 966 109 17,9
Verenigd Koninkrijk 2010 23.746 8.624 12.879 8.329 4.551 1.070 7.811 291 -2,5
Zweden 2010 5.379 2.314 2.408 1.151 1.257 265 1.548 65 29,3
Zwitserland 2010 7.748 3.039 3.763 1.781 1.983 452 2.703 80 -2,8
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel bevat gegevens uit de landbouwrekeningen van de EU-lidstaten. De cijfers hebben betrekking op de output, het intermediair verbruik, de toegevoegde waarde, het arbeidsvolume en het landbouwinkomen.

Gegevens beschikbaar vanaf: 1995

Status van de cijfers:
Voor de cijfers van Nederland geldt dat de jaren in de periode 1995-2022 definitief zijn. Gegevens van de jaren 2023 en 2024 hebben de status voorlopig. Voor de andere lidstaten zijn de cijfers integraal overgenomen uit de database van Eurostat. Omdat deze gegevens doorlopend kunnen wijzigen, is het mogelijk dat ze verschillen met de cijfers op StatLine.

Wijzigingen per 21 augustus 2025:
Gegevens van de raming van de voorlopige cijfers 2024 zijn toegevoegd aan deze tabel.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Na afloop van het verslagjaar worden na ongeveer 6 maanden de voorlopige cijfers gepubliceerd. Na 18 maanden worden de definitieve cijfers gepubliceerd, tegelijkertijd met het verschijnen van de nationale rekeningen. In december komen de zeer voorlopige cijfers van het actuele jaar beschikbaar. Deze gegevens worden door het Landbouw Economisch Instituut in samenspraak met het CBS vastgesteld. Een update van de zeer voorlopige cijfers vindt in januari plaats.

Toelichting onderwerpen

Productie en verbruik
Productie (basisprijzen); het totaal van goederen en diensten dat is geproduceerd, ook wel output genoemd.
Intermediair verbruik (aankoopprijzen); goederen en diensten die als input in het productieproces worden gebruikt, met uitzondering van vaste activa (investeringsgoederen).
Output basisprijzen
Het totaal aan goederen en diensten dat is geproduceerd, ook wel productie genoemd. Hiervan bestaan drie soorten:
- marktoutput: goederen en diensten die op de markt zijn afgezet of waarvoor dit in de toekomst de bedoeling is
- output voor eigen finaal gebruik: goederen en diensten voor eigen consumptie of voor investeringen door dezelfde bedrijfseenheid als die welke die goederen en diensten heeft geproduceerd
- niet-marktoutput: goederen en diensten die gratis of tegen economisch niet-significante prijzen aan andere eenheden zijn geleverd.

De output wordt gewaardeerd tegen basisprijzen. Dit zijn de prijzen die door producenten zelf worden ervaren: per bedrijfstak zijn de productgebonden belastingen er vanaf getrokken en de productgebonden subsidies erbij opgeteld. Door de producent afzonderlijk in rekening gebrachte vervoerskosten zijn niet inbegrepen. Ook de waardeverandering van financiële en niet-financiële activa (productiemiddelen) tijdens de verslagperiode zijn niet inbegrepen.

Inbegrepen is de output van alle in Nederland opererende bedrijfseenheden, dus ook degenen die in buitenlandse handen zijn. Ook overheidsinstanties en andere niet-commerciële instanties behoren hiertoe.
Totaal
Omvat de output van plantaardige producten, de output van de veeteelt, de output van landbouwdiensten en de output van niet tot de landbouw behorende nevenactiviteiten (niet‑scheidbaar), totaal.
Plantaardige producten
Omvat de output van granen, handelsgewassen, voedergewassen, groenten en tuinbouwproducten, aardappelen, fruit, wijn, olijfolie en andere plantaardige producten.
Veeteelt
Omvat de output van dieren en dierlijke producten, totaal.
Totaal
Omvat de output van dieren en dierlijke producten, totaal.
Dieren
Omvat de output van boerderij- en hobbydieren (paarden honden, katten etc.).
Dierlijke producten
Omvat vooral de output van rauwe melk en consumptie eieren.
Landbouwdiensten
Omvat het loonwerk in de landbouw en de verhuur van melkquota. Activiteiten zoals de exploitatie van irrigatiesystemen en de verhuur van machines zonder personeel zijn hier niet inbegrepen.
Bruto toegevoegde waarde basisprijzen
De waarde van alle geproduceerde goederen en diensten (de productiewaarde of output) minus de waarde van goederen en diensten die tijdens deze productie zijn opgebruikt (het intermediair verbruik). De toegevoegde waarde is daarbij uitgedrukt in basisprijzen, de prijzen die door producenten zelf zijn ervaren. Inbegrepen is de toegevoegde waarde van alle in Nederland opererende bedrijfseenheden, dus ook degenen die in buitenlandse handen zijn. Ook overheidsinstanties en andere niet-commerciële instanties behoren hiertoe.

In de nationale rekeningen en landbouwrekeningen betekent ‘bruto’ vóór aftrek van het verbruik van vaste activa (afschrijvingen) en ‘netto’ na aftrek van het verbruik van vaste activa.
Arbeidsvolume
Een maatstaf voor het arbeidsvolume, die wordt berekend door alle banen (voltijd en deeltijd) om te rekenen naar voltijdbanen, ook wel voltijdequivalenten (vte) genoemd.

Zo leveren twee halve banen (elk 0,5 vte) samen een arbeidsvolume van één arbeidsjaar op.
Landbouwinkomen per arbeidsjaar
Het reële landbouwinkomen in de bedrijfstak landbouw per arbeidsjaareenheid (FTE). De toevoeging reële betekent dat de index van het 'nominaal' landbouwinkomen is gecorrigeerd voor de inflatie met de prijsindex van het BBP tegen marktprijzen.
Mutatie t.o.v. voorafgaand jaar
De jaarlijkse procentuele veranderingen van het reële landbouwinkomen per arbeidsjaar.