Maatstaven Financiële-verhoudingswet (Fvw)
| Status cijfer | Regio's | Perioden | Sociale zekerheid Bijstandsuitkeringen Overig adreslozen (aantal) | Bodemgesteldheid en oeverlengte Bodemfactor Zandgrond/overig (ha) |
|---|---|---|---|---|
| Voorlopig | Overig Groningen (CR) | 2026 | 96.625 | |
| Voorlopig | Overig Zeeland (CR) | 2026 | 51.799 | |
| Definitief | Overig Groningen (CR) | 2026 | ||
| Definitief | Overig Zeeland (CR) | 2026 | ||
| Bron: CBS. | ||||
Tabeltoelichting
Deze tabel bevat gegevens die (mede) als grondslag dienen bij het bepalen van de hoogte van de Algemene Uitkeringen aan gemeenten en provincies. Daarnaast zijn er enkele gegevens ten behoeve van de Decentralisatie Uitkering beschikbaar.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepaalt deze uitkeringen aan de hand van verdeelmodellen. De hiervoor gebruikte eenheden die het CBS levert worden beschreven in de 'Toelichting op de berekeningen van de uitkeringen uit het gemeentefonds 1997 e.v. jaren', zie paragraaf 3. Dit verdeelstelsel is op 1 januari 1998 in werking getreden (Staatsblad, 1997, 526).
Gegevens beschikbaar vanaf: 2023.
Status van de cijfers:
Er worden zowel voorlopige als definitieve cijfers gepubliceerd.
De onderwerpen: Belastingcapaciteit woningen, belastingcapaciteit niet-woningen en Amendement De Pater kunnen door nagekomen berichten ondanks de status definitief alsnog worden aangepast.
Wijzigingen per 27 februari 2026
Voorlopige cijfers 2026
- Woning: totaal
- Woning met functie: logies
- Niet-woning met functie: logies
zijn voor toegevoegd
Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Nieuwe cijfers worden onregelmatig gepubliceerd.
Toelichting onderwerpen
- Sociale zekerheid
- Bijstandsuitkeringen
- Aantal huishoudens - voor zover alle personen die deel uitmaken van het huishouden thuiswonend en beneden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet, zijn - dat in een gemeente een periodieke algemene uitkering ontvangt op grond van:
1. Algemene bijstand.
2. BBZ
3. IOAW.
4. IOAZ.
5. Adreslozen
6. Overig adreslozen.
7. Elders verzorgden.
Indien een huishouden zowel een periodieke uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet als een periodieke uitkering op grond van de IOAW of IOAZ, dan telt dat huishouden twee keer mee.
Procedure vaststelling
Bepalend bij vaststelling is het aantal uitkeringen aan thuiswonende personen beneden de pensioengerechtigde leeftijd met een periodieke algemene uitkering op 31 december van het voorgaand jaar. Buiten beschouwing blijven uitkeringen die gedurende december zijn beëindigd (inclusief incidentele uitkeringen), uitkeringen aan elders verzorgden en uitkeringen aan personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd. Wordt aan meerdere personen in een huishouden een uitkering verstrekt dan telt dit in de maatstaf als één uitkering.
Aan dit bestand worden door het CBS zelfstandig gegevens toegevoegd over uitkeringen die door de gemeente, op het moment van aanmaak van het bestand voor het CBS, nog niet in de uitkeringsadministratie waren verwerkt. Deze informatie wordt opgespoord door het bestand van december te vergelijken met die van de daaropvolgende maanden. Is een bestand van een gemeente statistisch in orde dan worden de aantallen voor deze maatstaf door het CBS vastgesteld en schriftelijk aan de gemeente doorgegeven. De gemeente heeft na ontvangst van de brief één maand de tijd om te reageren.
Aantallen zijn afgeronde (gehele) cijfers op tienvoud.- Overig adreslozen
- De aanvrager heeft geen vaste woon- of verblijfplaats maar is niet (geheel) adresloos. Overig adreslozen, ook wel thuisloze daklozen genoemd, zijn wel ingeschreven op een woonadres/briefadres, maar vinden structureel onderdak op verschillende adressen. Dit kan bijvoorbeeld zijn doordat zij door een scheiding nog in het huis wonen van een ex-partner, bij vrienden of bij familie. Het briefadres is dan ook veelal een instelling voor opvang, vrienden of familie.
- Bodemgesteldheid en oeverlengte
- Bodemgesteldheid en oeverlengte bevat:
- De bodemfactoren
- De oppervlakten kleigrond, kleiveengrond, veengrond en zandgrond/overig
- De totale oeverlengte
- De oeverlengte op kleiveengronden en veengronden
Bij voldoende aanwezigheid van kleigrond, kleiveengrond en veengrond in de bodem wordt gesproken van ‘slechte grond’. De oppervlakte 'slechte grond' is de oppervlakte in hectare van een minimaal vijf meter dik aaneengesloten pakket holocene klei- en/of veenlagen dat zich binnen de eerste acht meter onder het maaiveld bevindt, voor zover de betrokken lagen niet zijn gelegen onder water(Gf-Fvw).
Er is sprake van een aaneengesloten pakket:
- Kleigrond, wanneer de cumulatieve veendikte binnen de bovenste vijf meter slechte grond maximaal 50 cm bedraagt;
- Kleiveengrond, wanneer de cumulatieve veendikte binnen de bovenste vijf meter slechte grond tussen de 50 cm en de 400 cm bedraagt;
- Veengrond, wanneer de cumulatieve veendikte binnen de bovenste vijf meter slechte grond minimaal 400 cm bedraagt.
Niet tot kleigrond, kleiveengrond of veengrond onderscheiden land wordt tot zandgrond/overig gerekend.
De contouren van 'slechte gronden' zijn in 1997 door NITG-TNO vastgesteld. Per 2022 zijn de contouren ‘slechte gronden’ voor het overgrote deel van het gebied met slechte grond aangepast door de Geologische Dienst Nederland aan de hand van het model Geotop, onderdeel van de Basisregistratie Ondergrond.- Bodemfactor
- Een bodemfactor van een regio is het gewogen gemiddelde aandeel van verschillende grondsoorten onder land(Gf-Fvw) en van het binnenwater(Gf-Fvw) ten opzichte van het totale oppervlak van land(Gf-Fvw) en binnenwater(Gf-Fvw) binnen deze regio.
Bij weging van grondsoorten worden de volgende wegingsfactoren gehanteerd:
Weging Categorie
1,00 - Land: zandgrond/overig
1,30 - Land: klei
1,45 - Land: kleiveen
2,10 - Land: veen
1,00 - Binnenwater
De oppervlakken klei-, kleiveen- en veengrond, zandgrond/overig en binnenwater(Gf-Fvw) van een gemeente naar woonkernen en buitengebied wordt berekend met behulp van een Geografisch informatiesysteem waarbij topografische kaartbladen van de Basisregistratie Topografie, kaartbladen van het Bodemgebruik, bodemgesteldheidskaart, dichtheden uit de BAG per 500m x 500m rastervierkant en gemeentegrenzen worden gecombineerd.
Bodemfactoren woonkern en buitengebied worden mede uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen afgeleid door aan verblijfsobjecten, standplaatsen en ligplaatsen een 500 meter bij 500 meter vierkant toe te kennen.
Definitieve cijfers
Berekening vindt plaats met definitieve gemeentegrenzen van het peiljaar, definitieve gegevens van de BAG van het peiljaar en de meest recent gepubliceerde topografische kaarten BRT.
Voorlopige cijfers
Berekening vindt plaats in november van het voorgaand jaar. Gemeentegrenzen worden afgeleid van die van het voorgaand jaar waarbij een herindeling en eventueel een opsplitsing van gemeenten naar de gemeentelijke indeling van het peiljaar wordt toegepast.
De verdeling van land en water is gebaseerd op definitieve topografische kaartbladen van het peiljaar twee jaar daarvoor.
De begrenzing van woonkernen en buitengebied van het peiljaar wordt afgeleid van de BAG van 1 september van het jaar voorafgaand aan het peiljaar.- Zandgrond/overig
- Niet tot kleigrond, kleiveengrond of veengrond behorend oppervlakte land bestaande uit zandgrond en antropogene ophoging.