Financieel risico hypotheekschuld; eigenwoningbezitters, 2006-2015

Financieel risico hypotheekschuld; eigenwoningbezitters, 2006-2015

Huishoudenskenmerken Perioden Eigenaar-bewoner, totaal Hypotheekschuld eigen woning (1 000 euro) Eigenaar-bewoner, totaal Bruto-inkomen (1 000 euro) Eigenaar-bewoner, totaal Besteedbaar inkomen (1 000 euro) Eigenaar-bewoner, totaal Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit Hypotheekschuld / woningwaarde (%) Eigenaar-bewoner, totaal Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit Hypotheekschuld / bruto-inkomen (%) Eigenaar-bewoner, totaal Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit Hypotheekschuld / besteedbaar inkomen (%) Eigenaar-bewoner, totaal Aantal huishoudens naar schuldrisico Hypotheekschuld / woningwaarde Geen schuld (x 1 000) Eigenaar-bewoner, totaal Aantal huishoudens naar schuldrisico Hypotheekschuld / woningwaarde 0 tot 0,25 (x 1 000) Eigenaar-bewoner, totaal Aantal huishoudens naar schuldrisico Hypotheekschuld / woningwaarde 0,25 tot 0,75 (x 1 000) Eigenaar-bewoner, totaal Aantal huishoudens naar schuldrisico Hypotheekschuld / woningwaarde 0,75 tot 1,00 (x 1 000) Eigenaar-bewoner, totaal Aantal huishoudens naar schuldrisico Hypotheekschuld / woningwaarde 1 of hoger (x 1 000) Eigenaar-bewoner, totaal Aantal huishoudens naar schuldrisico Hypotheekschuld / bruto-inkomen Geen schuld (x 1 000) Eigenaar-bewoner, totaal Aantal huishoudens naar schuldrisico Hypotheekschuld / bruto-inkomen 0 tot 2 (x 1 000) Eigenaar-bewoner, totaal Aantal huishoudens naar schuldrisico Hypotheekschuld / bruto-inkomen 2 tot 4 (x 1 000) Eigenaar-bewoner, totaal Aantal huishoudens naar schuldrisico Hypotheekschuld / bruto-inkomen 4 of hoger (x 1 000) Eigenaar-bewoner, totaal Aantal huishoudens naar schuldrisico Hypotheekschuld / besteedbaar inkomen Geen schuld (x 1 000) Eigenaar-bewoner, totaal Aantal huishoudens naar schuldrisico Hypotheekschuld / besteedbaar inkomen 0 tot 3,5 (x 1 000) Eigenaar-bewoner, totaal Aantal huishoudens naar schuldrisico Hypotheekschuld / besteedbaar inkomen 3,5 tot 7 (x 1 000) Eigenaar-bewoner, totaal Aantal huishoudens naar schuldrisico Hypotheekschuld / besteedbaar inkomen 7 of hoger (x 1 000) Eigenaar-bewoner met hypotheekschuld Aantal huishoudens (x 1 000) Eigenaar-bewoner met hypotheekschuld Hypotheekschuld eigen woning (1 000 euro) Eigenaar-bewoner met hypotheekschuld Waarde eigen woning (1 000 euro) Eigenaar-bewoner met hypotheekschuld Bruto-inkomen (1 000 euro) Eigenaar-bewoner met hypotheekschuld Besteedbaar inkomen (1 000 euro) Eigenaar-bewoner met hypotheekschuld Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit Hypotheekschuld / woningwaarde (%) Eigenaar-bewoner met hypotheekschuld Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit Hypotheekschuld / bruto-inkomen (%) Eigenaar-bewoner met hypotheekschuld Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit Hypotheekschuld / besteedbaar inkomen (%) Eigenaar-bewoner zonder hypotheekschuld Aantal huishoudens (x 1 000) Eigenaar-bewoner zonder hypotheekschuld Waarde eigen woning (1 000 euro) Eigenaar-bewoner zonder hypotheekschuld Bruto-inkomen (1 000 euro) Eigenaar-bewoner zonder hypotheekschuld Besteedbaar inkomen (1 000 euro)
1. Inkomen uit arbeid 2015 185 89,4 46,1 0,80 2,1 4,0 198 137 615 436 1.074 198 876 1.102 284 198 757 1.158 348 2.263 201 230 89,2 45,9 0,87 2,3 4,4 198 255 91,6 47,7
1.3 Overig inkomen uit arbeid 2015 335 106,2 60,7 0,84 3,2 5,5 14 5 29 22 47 14 26 35 41 14 27 36 38 102 381 400 104,9 60,6 0,95 3,6 6,3 14 . . .
2. Inkomen uit eigen onderneming 2015 189 91,5 57,1 0,63 2,1 3,3 145 48 188 114 234 145 195 222 166 145 226 236 122 583 236 292 92,3 57,2 0,81 2,6 4,1 145 332 88,5 57,0
3. Overdrachtsinkomen 2015 67 45,0 31,5 0,27 1,5 2,1 472 200 338 76 71 472 312 219 154 472 383 202 100 684 113 245 45,7 31,5 0,46 2,5 3,6 472 262 43,9 31,5
3.1 Uitkering inkomensverzekering 2015 66 45,4 31,8 0,26 1,5 2,1 465 198 332 73 66 465 309 216 144 465 380 198 92 669 113 246 46,3 31,8 0,46 2,4 3,6 465 262 44,1 31,7
3.3 Overig overdrachtsinkomen 2015 . . . . . . 2 0 2 1 0 2 1 1 2 2 1 1 1 3 . . . . . . . 2 . . .
Besteedbaar inkomen: 1e 25%-groep 2015 98 30,1 19,5 0,49 3,3 5,0 299 118 262 136 271 299 158 299 330 299 195 294 299 787 135 191 31,8 19,7 0,71 4,2 6,9 299 227 25,7 18,8
Besteedbaar inkomen: 2e 25%-groep 2015 126 53,8 32,6 0,58 2,3 3,9 208 107 273 147 351 208 273 455 150 208 289 457 133 879 156 208 55,4 32,7 0,75 2,8 4,8 208 253 47,1 32,2
Besteedbaar inkomen: 3e 25%-groep 2015 164 79,5 44,9 0,67 2,1 3,7 148 83 288 164 403 148 386 474 79 148 371 487 81 939 190 237 80,9 45,0 0,80 2,3 4,2 148 284 70,5 44,4
Besteedbaar inkomen: 4e 25%-groep 2015 227 148,2 79,2 0,68 1,5 2,9 160 77 318 177 354 160 567 314 45 160 512 357 57 926 267 327 148,2 78,0 0,82 1,8 3,4 160 372 148,8 85,7
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel bevat gegevens over het financieel risico van eigenwoningbezitters door hypotheekschuld, gemiddelde woningwaarde en inkomen aan elkaar te relateren. Peildatum is 1 januari van het verslagjaar. Het inkomen heeft betrekking op het voorgaande verslagjaar.

De tabel bevat drie kengetallen voor het financieel risico van eigen woningbezit:
- hypotheekschuld / woningwaarde,
- hypotheekschuld / bruto-inkomen en
- hypotheekschuld / besteedbaar inkomen.

Het eerste verhoudingsgetal wordt ook wel Loan-To-Value (LTV) genoemd, terwijl de andere twee bekend zijn als Loan-to-Income ratio's (LTI).

Gegevens beschikbaar van 2006 t/m 2015.

Status van de cijfers
De cijfers over de jaren 2006 - 2015 zijn definitief.

Wijzigen per 10 april 2018
Geen, deze tabel is stopgezet.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Niet meer van toepassing.
Vanwege een herziening van de inkomensstatistiek wordt deze tabel vervangen. Nieuwe cijfers worden gepubliceerd onder het thema Inkomen en bestedingen, zie hieronder bij koppelingen.

Toelichting onderwerpen

Eigenaar-bewoner, totaal
Huishoudens die een eigen woning bezitten welke gebruikt wordt als hoofdverblijf.
Hypotheekschuld eigen woning
Gemiddelde hypotheekschuld in verband met de eigen woning, stand per 1 januari van het verslagjaar.
---
Dit betreft de stand van de schuld waarover rente is verschuldigd. Opgebouwde tegoeden voor de aflossing van de hypotheek via kapitaalsverzekeringen, spaar-, beleggingshypotheken en dergelijke kunnen niet worden waargenomen en zijn derhalve niet in mindering gebracht.
Bruto-inkomen
Gemiddeld bruto-inkomen per huishouden van het voorgaande verslagjaar.
---
Het bruto-inkomen bestaat uit het primair inkomen verhoogd met:
- uitkeringen inkomensverzekering zoals uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Ouderdomswet (AOW),
- uitkeringen sociale voorziening zoals de Bijstandsuitkering,
- gebonden overdrachten zoals huursubsidie en tegemoetkoming studiekosten, en
- ontvangen inkomensoverdrachten zoals alimentatie van de ex-echtgeno(o)t(e).
Besteedbaar inkomen
Gemiddeld besteedbaar inkomen per huishouden van het voorgaande verslagjaar .
---
Het besteedbaar inkomen bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met
- betaalde inkomensoverdrachten zoals alimentatie van de ex-echtgeno(o)t(e),
- premies inkomensverzekeringen zoals premies betaald voor sociale verzekeringen, volksverzekeringen en particuliere verzekeringen in verband met werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en ouderdom en nabestaanden,
- premies ziektekostenverzekeringen, en
- belastingen op inkomen en vermogen.
Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit
Deze verhoudingsgetallen geven een indicatie van het financiële risico dat eigenaar-bewoners lopen door het hebben van een hypotheekschuld.
---
Drie kengetallen worden onderscheiden:
-hypotheekschuld / woningwaarde (LTV),
-hypotheekschuld / bruto-inkomen (LTI) en
-hypotheekschuld / besteedbaar inkomen (LTI).

Hypotheekschuld / woningwaarde
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddelde waarde van de eigen woning.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Value (LTV). Dit verhoudingsgetal hangt samen met het risico op restschuld na verkoop van de eigen woning.
---
Een LTV gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als de LTV gelijk is aan 1 dan is de hypotheekschuld precies gelijk aan de woningwaarde. Bij een LTV groter dan 1 is de hypotheekschuld groter dan de onderliggende woningwaarde. Er is dan een relatief groot risico op restschuld afhankelijk van de looptijd van de hypotheek.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en Woningwaarde is 2,5 ton.
De LTV is dan gelijk aan 0,80.
Hypotheekschuld / bruto-inkomen
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddeld bruto inkomen.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Income (LTI), waarbij hier gekozen is voor het 'bruto-inkomen'. Dit verhoudingsgetal hangt samen met het kunnen dragen van de maandelijkse hypotheeklasten (betalingsrisico).
---
Een LTI gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als er wel een hypotheekschuld bestaat, dan geldt 'hoe lager het inkomen, hoe hoger de LTI en hoe hoger het betalingsrisico'.
Een grove vuistregel: er is sprake van een relatief groot betalingsrisico voor een eigenaar-bewoner als de LTI groter is dan 4. Deze indicatieve grenswaarde geldt alleen bij het gebruik van het 'bruto-inkomen'. Bij een ander inkomensbegrip zoals bijvoorbeeld het besteedbaar inkomen hoort een andere grenswaarde.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en het bruto-inkomen is 60 duizend euro.
De LTI is dan gelijk aan 3,3.
Hypotheekschuld / besteedbaar inkomen
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddeld besteedbaar inkomen.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Income (LTI), waarbij hier gekozen is voor het 'besteedbaar inkomen'. Dit verhoudingsgetal hangt samen met het kunnen dragen van de maandelijkse hypotheeklasten (betalingsrisico).
---
Een LTI gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als er wel een hypotheekschuld bestaat, dan geldt 'hoe lager het inkomen, hoe hoger de LTI en hoe hoger het betalingsrisico'.
Een grove vuistregel: er is sprake van een groot betalingsrisico voor een eigenaar-bewoner als de LTI groter is dan 7. Deze indicatieve grenswaarde geldt alleen bij het gebruik van het 'besteedbaar inkomen'. Bij een ander inkomensbegrip zoals bijvoorbeeld het bruto inkomen hoort een andere grenswaarde.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en Besteedbaar inkomen is 35 duizend euro.
De LTI is dan gelijk aan 5,7.
Aantal huishoudens naar schuldrisico
Hypotheekschuld / woningwaarde
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddelde waarde van de eigen woning.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Value (LTV). Dit verhoudingsgetal hangt samen met het risico op restschuld na verkoop van de eigen woning.
---
Een LTV gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als de LTV gelijk is aan 1 dan is de hypotheekschuld precies gelijk aan de woningwaarde. Bij een LTV groter dan 1 is de hypotheekschuld groter dan de onderliggende woningwaarde. Er is dan een relatief groot risico op restschuld afhankelijk van de looptijd van de hypotheek.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en Woningwaarde is 2,5 ton.
De LTV is dan gelijk aan 0,80.
Geen schuld
Klassen van de schuldindicator Hypotheekschuld / Woningwaarde (Loan-To-Value (LTV)).
0 tot 0,25
Klassen van de schuldindicator Hypotheekschuld / Woningwaarde (Loan-To-Value (LTV)).
0,25 tot 0,75
Klassen van de schuldindicator Hypotheekschuld / Woningwaarde (Loan-To-Value (LTV)).
0,75 tot 1,00
Klassen van de schuldindicator Hypotheekschuld / Woningwaarde (Loan-To-Value (LTV)).
1 of hoger
Klassen van de schuldindicator Hypotheekschuld / Woningwaarde (Loan-To-Value (LTV)).
Hypotheekschuld / bruto-inkomen
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddeld bruto inkomen.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Income (LTI), waarbij hier gekozen is voor het 'bruto-inkomen'. Dit verhoudingsgetal hangt samen met het kunnen dragen van de maandelijkse hypotheeklasten (betalingsrisico).
---
Een LTI gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als er wel een hypotheekschuld bestaat, dan geldt 'hoe lager het inkomen, hoe hoger de LTI en hoe hoger het betalingsrisico'.
Een grove vuistregel: er is sprake van een relatief groot betalingsrisico voor een eigenaar-bewoner als de LTI groter is dan 4. Deze indicatieve grenswaarde geldt alleen bij het gebruik van het 'bruto-inkomen'. Bij een ander inkomensbegrip zoals bijvoorbeeld het besteedbaar inkomen hoort een andere grenswaarde.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en het bruto-inkomen is 60 duizend euro.
De LTI is dan gelijk aan 3,3.
Geen schuld
Klassen van de schuldindicator Hypotheekschuld / Bruto-inkomen (Loan-To-Income (LTI)).
0 tot 2
Klassen van de schuldindicator Hypotheekschuld / Bruto-inkomen (Loan-To-Income (LTI)).
2 tot 4
Klassen van de schuldindicator Hypotheekschuld / Bruto-inkomen (Loan-To-Income (LTI)).
4 of hoger
Klassen van de schuldindicator Hypotheekschuld / Bruto-inkomen (Loan-To-Income (LTI)).
Hypotheekschuld / besteedbaar inkomen
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddeld besteedbaar inkomen.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Income (LTI), waarbij hier gekozen is voor het 'besteedbaar inkomen'. Dit verhoudingsgetal hangt samen met het kunnen dragen van de maandelijkse hypotheeklasten (betalingsrisico).
---
Een LTI gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als er wel een hypotheekschuld bestaat, dan geldt 'hoe lager het inkomen, hoe hoger de LTI en hoe hoger het betalingsrisico'.
Een grove vuistregel: er is sprake van een groot betalingsrisico voor een eigenaar-bewoner als de LTI groter is dan 7. Deze indicatieve grenswaarde geldt alleen bij het gebruik van het 'besteedbaar inkomen'. Bij een ander inkomensbegrip zoals bijvoorbeeld het bruto inkomen hoort een andere grenswaarde.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en Besteedbaar inkomen is 35 duizend euro.
De LTI is dan gelijk aan 5,7.
Geen schuld
Klassen van de schuldindicator Hypotheekschuld / Besteedbaar inkomen (Loan-To-Income (LTI)).
0 tot 3,5
Klassen van de schuldindicator Hypotheekschuld / Besteedbaar inkomen (Loan-To-Income (LTI)).
3,5 tot 7
Klassen van de schuldindicator Hypotheekschuld / Besteedbaar inkomen (Loan-To-Income (LTI)).
7 of hoger
Klassen van de schuldindicator Hypotheekschuld / Besteedbaar inkomen (Loan-To-Income (LTI)).
Eigenaar-bewoner met hypotheekschuld
Huishoudens die een eigen woning bezitten (welke gebruikt wordt als hoofdverblijf) met hypotheekschuld op de eigen woning.
Aantal huishoudens
Aantal particuliere huishoudens met een eigen woning op 1 januari van het verslagjaar.
Hypotheekschuld eigen woning
Gemiddelde hypotheekschuld in verband met de eigen woning, stand per 1 januari van het verslagjaar.
---
Dit betreft de stand van de schuld waarover rente is verschuldigd. Opgebouwde tegoeden voor de aflossing van de hypotheek via kapitaalsverzekeringen, spaar-, beleggingshypotheken en dergelijke kunnen niet worden waargenomen en zijn derhalve niet in mindering gebracht.
Waarde eigen woning
Gemiddelde waarde van de woning in eigendom en in gebruik als hoofdverblijf, stand per 1 januari van het verslagjaar.
Bruto-inkomen
Gemiddeld bruto-inkomen per huishouden van het voorgaande verslagjaar.
---
Het bruto-inkomen bestaat uit het primair inkomen verhoogd met:
- uitkeringen inkomensverzekering zoals uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Ouderdomswet (AOW),
- uitkeringen sociale voorziening zoals de Bijstandsuitkering,
- gebonden overdrachten zoals huursubsidie en tegemoetkoming studiekosten, en
- ontvangen inkomensoverdrachten zoals alimentatie van de ex-echtgeno(o)t(e).
Besteedbaar inkomen
Gemiddeld besteedbaar inkomen per huishouden van het voorgaande verslagjaar .
---
Het besteedbaar inkomen bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met
- betaalde inkomensoverdrachten zoals alimentatie van de ex-echtgeno(o)t(e),
- premies inkomensverzekeringen zoals premies betaald voor sociale verzekeringen, volksverzekeringen en particuliere verzekeringen in verband met werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en ouderdom en nabestaanden,
- premies ziektekostenverzekeringen, en
- belastingen op inkomen en vermogen.
Schuldrisico-indicator eigenwoningbezit
Deze verhoudingsgetallen geven een indicatie van het financiële risico dat eigenaar-bewoners lopen door het hebben van een hypotheekschuld.
---
Drie kengetallen worden onderscheiden:
-hypotheekschuld / woningwaarde (LTV),
-hypotheekschuld / bruto-inkomen (LTI) en
-hypotheekschuld / besteedbaar inkomen (LTI).

Hypotheekschuld / woningwaarde
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddelde waarde van de eigen woning.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Value (LTV). Dit verhoudingsgetal hangt samen met het risico op restschuld na verkoop van de eigen woning.
---
Een LTV gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als de LTV gelijk is aan 1 dan is de hypotheekschuld precies gelijk aan de woningwaarde. Bij een LTV groter dan 1 is de hypotheekschuld groter dan de onderliggende woningwaarde. Er is dan een relatief groot risico op restschuld afhankelijk van de looptijd van de hypotheek.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en Woningwaarde is 2,5 ton.
De LTV is dan gelijk aan 0,80.
Hypotheekschuld / bruto-inkomen
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddeld bruto inkomen.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Income (LTI), waarbij hier gekozen is voor het 'bruto-inkomen'. Dit verhoudingsgetal hangt samen met het kunnen dragen van de maandelijkse hypotheeklasten (betalingsrisico).
---
Een LTI gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als er wel een hypotheekschuld bestaat, dan geldt 'hoe lager het inkomen, hoe hoger de LTI en hoe hoger het betalingsrisico'.
Een grove vuistregel: er is sprake van een relatief groot betalingsrisico voor een eigenaar-bewoner als de LTI groter is dan 4. Deze indicatieve grenswaarde geldt alleen bij het gebruik van het 'bruto-inkomen'. Bij een ander inkomensbegrip zoals bijvoorbeeld het besteedbaar inkomen hoort een andere grenswaarde.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en het bruto-inkomen is 60 duizend euro.
De LTI is dan gelijk aan 3,3.
Hypotheekschuld / besteedbaar inkomen
Verhouding tussen gemiddelde hypotheekschuld van de eigen woning en gemiddeld besteedbaar inkomen.
---
Ook wel bekend als Loan-To-Income (LTI), waarbij hier gekozen is voor het 'besteedbaar inkomen'. Dit verhoudingsgetal hangt samen met het kunnen dragen van de maandelijkse hypotheeklasten (betalingsrisico).
---
Een LTI gelijk aan 0 komt overeen met een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Als er wel een hypotheekschuld bestaat, dan geldt 'hoe lager het inkomen, hoe hoger de LTI en hoe hoger het betalingsrisico'.
Een grove vuistregel: er is sprake van een groot betalingsrisico voor een eigenaar-bewoner als de LTI groter is dan 7. Deze indicatieve grenswaarde geldt alleen bij het gebruik van het 'besteedbaar inkomen'. Bij een ander inkomensbegrip zoals bijvoorbeeld het bruto inkomen hoort een andere grenswaarde.
Rekenvoorbeeld:
Hypotheekschuld is 2 ton en Besteedbaar inkomen is 35 duizend euro.
De LTI is dan gelijk aan 5,7.
Eigenaar-bewoner zonder hypotheekschuld
Huishoudens die een eigen woning bezitten (welke gebruikt wordt als hoofdverblijf) zonder hypotheekschuld op de eigen woning.
Aantal huishoudens
Aantal particuliere huishoudens met een eigen woning op 1 januari van het verslagjaar.
Waarde eigen woning
Gemiddelde waarde van de woning in eigendom en in gebruik als hoofdverblijf, stand per 1 januari van het verslagjaar.
Bruto-inkomen
Gemiddeld bruto-inkomen per huishouden van het voorgaande verslagjaar.
---
Het bruto-inkomen bestaat uit het primair inkomen verhoogd met:
- uitkeringen inkomensverzekering zoals uitkeringen ingevolge de Werkloosheidswet (WW), de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Ouderdomswet (AOW),
- uitkeringen sociale voorziening zoals de Bijstandsuitkering,
- gebonden overdrachten zoals huursubsidie en tegemoetkoming studiekosten, en
- ontvangen inkomensoverdrachten zoals alimentatie van de ex-echtgeno(o)t(e).
Besteedbaar inkomen
Gemiddeld besteedbaar inkomen per huishouden van het voorgaande verslagjaar .
---
Het besteedbaar inkomen bestaat uit het bruto-inkomen verminderd met
- betaalde inkomensoverdrachten zoals alimentatie van de ex-echtgeno(o)t(e),
- premies inkomensverzekeringen zoals premies betaald voor sociale verzekeringen, volksverzekeringen en particuliere verzekeringen in verband met werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en ouderdom en nabestaanden,
- premies ziektekostenverzekeringen, en
- belastingen op inkomen en vermogen.