Sectorrekeningen; kerngegevens 1969 - kw4 2013

Tabeltoelichting


Deze tabel geeft de kerncijfers van economische sectoren weer. Kerncijfers zijn variabelen waarin de belangrijkste informatie over een sector wordt uitgedrukt. Voorbeelden zijn: de nettowinst voor belastingen voor de sector niet-financiële vennootschappen, het beschikbaar inkomen voor de sector huishoudens en het nationaal inkomen voor de totale economie.

Deze kerncijfers worden samengesteld voor de totale economie en voor de hoofdsectoren van de economie: niet-financiële vennootschappen, financiële instellingen, overheid, huishoudens inclusief instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens en het buitenland.

Gegevens beschikbaar vanaf:
Jaren vanaf 1969 tot 2013.
Kwartalen vanaf eerste kwartaal 2005 tot vierde kwartaal 2013 .

Status van de cijfers:
De cijfers in deze tabel zijn vanaf 1969 definitief. De jaar- en kwartaalgegevens van het lopende jaar en de twee voorgaande jaren hebben nog een (nader)voorlopig karakter. Aangezien deze tabel is stopgezet, worden de voorlopige gegevens niet meer definitief gemaakt.

Wijzigingen per 25 juni 2014:
Geen, deze tabel is stopgezet.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Niet meer van toepassing.
Deze tabel wordt opgevolgd door tabel Sectorrekeningen; kerngegevens. Zie paragraaf 3.

Toelichting onderwerpen

Niet-financiële vennootschappen
De sector niet-financiële vennootschappen bevat alle vennootschappen met als hoofdfunctie het produceren van goederen en verhandelbare niet-financiële diensten.
---
Onder deze sector vallen:
- alle vennootschappen (nv's, bv's, cv’s, vof’s) en coöperatieve verenigingen die niet tot de financiële instellingen worden gerekend. Ook grote zelfstandig opererende (niet-financiële) ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid worden tot de niet-financiële vennootschappen gerekend. Voorbeelden van deze zogenoemde quasi-vennootschappen zijn grote familiebedrijven;
- alle instellingen zonder winstoogmerk (stichtingen en verenigingen) die voor de markt produceren en niet tot de financiële instellingen worden gerekend. Voorbeelden zijn bejaardentehuizen, ziekenhuizen en woningcorporaties. Minimaal 50 procent van de productiekosten dient door de verkoop gedekt te worden anders wordt de betreffende instelling gerekend tot de sector overheid of de sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens;
- overheidsbedrijven (vennootschappen die geheel of gedeeltelijk eigendom zijn van de overheid) zoals de Nederlandse Spoorwegen.

Productiewaarde
De waarde van alle voor de verkoop bestemde goederen (ook de nog niet verkochte) en de ontvangsten voor bewezen diensten. Verder omvat de productie producten met een marktequivalent die voor eigen gebruik zijn geproduceerd zoals investeringen in eigen beheer, eigen woningdiensten en landbouwproducten voor eigen consumptie door landbouwers. De productiewaarde hiervan wordt berekend door de geproduceerde hoeveelheid te waarderen tegen de prijs die de producent bij verkoop zou hebben ontvangen. De productie is gewaardeerd tegen basisprijzen. De basisprijs is de prijs die de producent daadwerkelijk overhoudt, dus exclusief de handels- en vervoersmarges van derden en exclusief het saldo van productgebonden belastingen (waaronder belasting over de toegevoegde waarde (btw)) en productgebonden subsidies.
Bruto toegevoegde waarde
De toegevoegde waarde is gelijk aan het verschil tussen de productie en het intermediair verbruik (exclusief aftrekbare belasting over de toegevoegde waarde (btw)). De toegevoegde waarde kan, afhankelijk van de waardering van de productie, worden gewaardeerd tegen basisprijzen en tegen marktprijzen. Bruto is inclusief afschrijvingen.
Financiële instellingen
Deze sector bevat alle (quasi-)vennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie, dat wil zeggen het aantrekken, transformeren en distribueren van financiële middelen.
De sector financiële instellingen bestaat uit drie subsectoren:
- monetaire financiële instellingen,
- verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen en
- overige financiële instellingen.
Onder de monetaire financiële instellingen vallen DNB en de geldscheppende instellingen, zoals algemene banken, spaarbanken e.d.
De verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen bevatten alle (quasi-)vennootschappen met als hoofdfunctie het omzetten van individuele risico's in collectieve risico's.
Tot de overige financiële instellingen behoren o.a.
- beleggingsinstellingen;
- financiële instellingen die niet onder DNB-toezicht staan, zoals gemeentelijke kredietbanken;
- financiële hulpbedrijven voor het bankwezen zoals de Amsterdamse Effectenbeurs;
- financiële hulpbedrijven voor het verzekeringswezen;
- houdstermaatschappijen van monetaire financiële instellingen en verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen voor zover die zelf niet onder de toezichtwetgeving vallen;
Bruto toegevoegde waarde
De toegevoegde waarde is gelijk aan het verschil tussen de productie en het intermediair verbruik (exclusief aftrekbare belasting over de toegevoegde waarde (btw)). De toegevoegde waarde kan, afhankelijk van de waardering van de productie, worden gewaardeerd tegen basisprijzen en tegen marktprijzen. Bruto is inclusief afschrijvingen.