Kerncijfers van de huishoudensprognose 2011-2060
Verklaring van tekens
Tabeltoelichting
Deze tabel bevat cijfers over de prognose van de bevolking van Nederland
in huishoudens en particuliere huishoudens in Nederland.
De cijfers hebben betrekking op de situatie per 1 januari.
De volgende uitsplisingen zijn mogelijk:
- Personen naar positie in het huishouden;
- Particuliere huishoudens naar samenstelling van het huishouden;
- Particuliere huishoudens naar grootte van het huishouden;
- Paren en eenouderhuishoudens naar kindertal;
- Huishoudens met kinderen naar leeftijd van het jongste thuiswonende
kind.
Gegevens beschikbaar vanaf: 2011
Status van de cijfers
Alle in de tabel opgenomen cijfers zijn berekende prognosecijfers.
Wijzigingen per 4 april 2011.
De prognose is bijgesteld op basis van de meest recente inzichten, de
prognoseperiode loopt nu van 2011 tot en met 2060.
Wanneer komen er nieuwe cijfers?
In de eerste helft van 2013 komt de nieuwe huishoudensprognose uit.
Toelichting onderwerpen
- Personen naar positie in het huishouden
- Personen naar positie in het huishouden, 1 januari.
.
Huishouden:
Particulier of institutioneel huishouden.
.
Particulier huishouden:
Eén of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf, dus
niet-bedrijfsmatig, voorzien in de dagelijkse levensbehoeften.
.
Institutioneel huishouden:
Huishouden bestaande uit één of meer personen, die bedrijfsmatig worden
voorzien van huisvesting en dagelijkse levensbehoeften.
Het gaat om instellingen zoals verpleeg-, verzorgings- en kindertehuizen,
gezinsvervangende tehuizen, revalidatiecentra en penitentiaire
inrichtingen, waarin de personen in principe voor langere tijd (zullen)
verblijven.
.
Positie in het huishouden:
Plaats die een persoon in een huishouden inneemt ten opzichte van de
referentiepersoon van het huishouden.
.
Referentiepersoon:
Lid van het huishouden ten opzichte van wie de posities van de andere
leden in het huishouden worden bepaald en van wie de kenmerken eventueel
ook aan het huishouden worden toegekend.
Uit de leden van het huishouden wordt de referentiepersoon als volgt
gekozen:
- als er een paar is binnen het huishouden: de man;
- als het paar van gelijk geslacht is: de oudste van het paar;
- in een eenouderhuishouden: de ouder;
- in een overig huishouden: de oudste meerderjarige man of - als deze
ontbreekt - de oudste meerderjarige vrouw.- Totaal personen in huishoudens
- Thuiswonend kind
- Persoon ongeacht leeftijd of burgerlijke staat die een kind-ouder
relatie heeft met één of twee tot het huishouden behorende ouders.
Onder thuiswonende kinderen worden ook begrepen adoptie- en
stiefkinderen maar geen pleegkinderen.
- Alleenstaand
- Persoon die alleen in een woonruimte woont en een eenpersoonshuishouden
vormt.
Tot eenpersoonshuishoudens, ook wel alleenstaanden genoemd, worden ook
personen gerekend die met anderen op eenzelfde adres wonen maar een eigen
huishouding voeren.
- Samenwonend
- Persoon die samen met iemand anders (ongeacht geslacht) als paar, al dan
niet met elkaar gehuwd, al dan niet regeristreerd partners en al dan niet
met kinderen, een particulier huishouden vormt.
- Ouder in eenouderhuishouden
- Eenouderhuishouden:
Particulier huishouden bestaande uit één ouder met één of meer
thuiswonende kinderen.
.
Thuiswonend kind:
Persoon ongeacht leeftijd of burgerlijke staat die een kind-ouder relatie
heeft met de ouder die tot het huishouden behoort.
Onder thuiswonende kinderen worden ook begrepen adoptie- en stiefkinderen,
maar geen pleegkinderen.
- Overig lid huishouden
- Persoon die anders dan als partner, ouder in een eenouderhuishouden of
als thuiswonend kind deel uitmaakt van een particulier huishouden.
Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een kostganger die bij een gezin
inwoont, twee broers die samen één huishouding vormen, of pleegkinderen.
.
Eenouderhuishouden:
Particulier huishouden bestaande uit één ouder met één of meer
thuiswonende kinderen.
.
Thuiswonend kind:
Persoon ongeacht leeftijd of burgerlijke staat die een kind-ouder relatie
heeft met één of twee tot het huishouden behorende ouders. Onder
thuiswonende kinderen worden ook begrepen adoptie- en stiefkinderen maar
geen pleegkinderen.
- Persoon in institutioneel huishouden
- Institutioneel huishouden:
Huishouden bestaande uit één of meer personen, die bedrijfsmatig worden
voorzien van huisvesting en dagelijkse levensbehoeften.
Het gaat om instellingen zoals verpleeg-, verzorgings- en kindertehuizen,
gezinsvervangende tehuizen, revalidatiecentra en penitentiaire
inrichtingen, waarin de personen in principe voor langere tijd (zullen)
verblijven.
- Particuliere huishoudens
- Particuliere huishoudens, 1 januari.
.
Particulier huishouden:
Eén of meer personen die samen een woonruimte bewonen en zichzelf, dus
niet-bedrijfsmatig, voorzien in de dagelijkse levensbehoeften.- Naar samenstelling van het huishouden
- Samenstelling van het huishouden:
Typering van een particulier huishouden op basis van de onderlinge
relaties van de personen binnen het huishouden.- Totaal particuliere huishoudens
- Eenpersoonshuishoudens
- Eenpersoonshuishouden:
Particulier huishouden bestaande uit één persoon.
- Paren
- Paar:
Twee op basis van huwelijk, partnerschapsregistratie of samenwoonrelatie
bij elkaar behorende personen.
- Eenouderhuishoudens
- Eenouderhuishouden:
Particulier huishouden bestaande uit één ouder met één of meer
thuiswonende kinderen.
.
Thuiswonend kind:
Persoon ongeacht leeftijd of burgerlijke staat die een kind-ouder relatie
heeft met de ouder die tot het huishouden behoort. Onder thuiswonende
kinderen worden ook begrepen adoptie- en stiefkinderen maar geen
pleegkinderen.
- Overige huishoudens
- Particulier huishouden dat uitsluitend bestaat uit overige leden.
.
Overig lid van een huishouden:
Persoon die anders dan als partner, ouder in een eenouderhuishouden of
als thuiswonend kind deel uitmaakt van een particulier huishouden.
Te denken valt hier bijvoorbeeld aan twee broers (zussen) die samen een
huishouden vormen.