Overledenen; zelfdoding (inwoners), diverse kenmerken

Overledenen; zelfdoding (inwoners), diverse kenmerken

Geslacht Leeftijd Perioden Totaal zelfdoding (aantal) Relatieve aantallen Totaal zelfdoding (per 100 000 van gem. bev.)
Totaal mannen en vrouwen Totaal alle leeftijden 2010 1.600 9,6
Totaal mannen en vrouwen Jonger dan 20 jaar 2010 55 1,4
Totaal mannen en vrouwen 20 tot 30 jaar 2010 148 7,3
Totaal mannen en vrouwen 30 tot 40 jaar 2010 198 9,2
Totaal mannen en vrouwen 40 tot 50 jaar 2010 397 15,3
Totaal mannen en vrouwen 50 tot 60 jaar 2010 369 16,2
Totaal mannen en vrouwen 60 tot 70 jaar 2010 240 12,8
Totaal mannen en vrouwen 70 tot 80 jaar 2010 109 9,7
Totaal mannen en vrouwen 80 jaar of ouder 2010 84 12,8
Mannen Totaal alle leeftijden 2010 1.124 13,7
Mannen Jonger dan 20 jaar 2010 42 2,1
Mannen 20 tot 30 jaar 2010 112 11,0
Mannen 30 tot 40 jaar 2010 130 12,1
Mannen 40 tot 50 jaar 2010 285 21,8
Mannen 50 tot 60 jaar 2010 260 22,8
Mannen 60 tot 70 jaar 2010 169 18,1
Mannen 70 tot 80 jaar 2010 76 14,8
Mannen 80 jaar of ouder 2010 50 22,4
Vrouwen Totaal alle leeftijden 2010 476 5,7
Vrouwen Jonger dan 20 jaar 2010 13 0,7
Vrouwen 20 tot 30 jaar 2010 36 3,6
Vrouwen 30 tot 40 jaar 2010 68 6,3
Vrouwen 40 tot 50 jaar 2010 112 8,7
Vrouwen 50 tot 60 jaar 2010 109 9,6
Vrouwen 60 tot 70 jaar 2010 71 7,6
Vrouwen 70 tot 80 jaar 2010 33 5,4
Vrouwen 80 jaar of ouder 2010 34 7,8
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting


Deze tabel bevat cijfers over overledenen door zelfdodingen, voor zover het inwoners van Nederland betroffen. De cijfers zijn uitgesplitst naar burgerlijke staat, wijze van zelfdoding, motief van zelfdoding, leeftijd en geslacht.

De cijfers in deze tabel komen overeen met die uit de doodsoorzakenstatistiek, omdat ze gebaseerd zijn op dezelfde bronbestanden. In de doodsoorzakenstatistiek komen echter geen gegevens voor over motief van zelfdoding. Dit gegeven is voor de periode 1950-1995 overgenomen vanuit een historische bestand Zelfdodingen. Voor de periode 1996-heden wordt het motief overgenomen uit het bestand Niet-Natuurlijke dood.
In ICD 6 tot en met ICD 8, gebruikt in de jaren 1950-1978, was het niet mogelijk om 'springen voor trein/metro' te coderen. Voor de jaren 1950-1978 wordt daarom 'springen voor trein/metro' niet gevuld, maar zijn de overledenen ondergebracht in de groep 'Overige methoden'.

De relatieve cijfers zijn berekend per 100 000 van de overeenkomstige bevolkingsgroep. De cijfers zijn berekend op de gemiddelde bevolking van het desbetreffende jaar.

Het CBS is in het statistiekjaar 2013 overgestapt op het gebruik van internationale software voor automatisch coderen van de doodsoorzaken (Iris). Hiermee zijn de cijfers beter reproduceerbaar en internationaal vergelijkbaar. Wel zijn er enkele forse verschuivingen te zien in de doodsoorzaken. Externe doodsoorzaken zijn echter net als voorheen handmatig verwerkt.

Gegevens beschikbaar vanaf: 1950

Status van de cijfers:
De cijfers tot en met 2024 zijn definitief.

Wijzigingen per 26 februari 2026:
De cijfers over 2024 zijn definitief gemaakt.

Wanneer komen er nieuwe cijfers?
In het derde kwartaal van 2026 verschijnen er voorlopige cijfers over 2025.

Toelichting onderwerpen

Totaal zelfdoding
Het slachtoffer heeft ZELF een handeling verricht met als uitdrukkelijk doel zichzelf het leven te benemen. Gevallen van euthanasie en pogingen tot zelfdoding zijn niet in de cijfers opgenomen.

Het betreft de volgende ICD-codes:
- Voor 1950-1957 ICD-6: E963, E970-E979
- Voor 1958-1968 ICD-7: E963, E970-E979
- Voor 1969-1978 ICD-8: E950-E959
- Voor 1979-1995 ICD-9: E950-E959
- Vanaf 1996 ICD-10: X60-X84
Relatieve aantallen
Per 100 000 van de overeenkomstige bevolkingsgroep. De cijfers zijn berekend op de gemiddelde bevolking van het desbetreffende jaar.
Totaal zelfdoding
Per 100 000 van de gemiddelde bevolking.