Overheidsuitgaven; regulier onderwijs, 1900 - 2008
| Perioden | Secundair onderwijs Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie Totaal uitgaven (mln euro) | Secundair onderwijs Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie Lopende uitgaven per deelnemer (euro) | Percentage van netto nationaal inkomen (%) |
|---|---|---|---|
| 2008* | 4.752,5 | . | 6,6 |
| Bron: CBS. | |||
Tabeltoelichting
In deze historische tabel worden de uitgaven van de Nederlandse overheid
aan regulier onderwijs weergegeven. De uitgaven zijn verdeeld naar de
hedendaagse onderwijssoorten. Voor niet meer bestaande onderwijssoorten is
een zo goed mogelijke omzetting naar een bestaande soort nagestreefd, zodat
de verschillende jaren met elkaar vergeleken kunnen worden. Vanaf 1995
worden de uitgaven voor onderwijs alleen nog berekend volgens
internationaal afgesproken richtlijnen. Deze richtlijnen zijn opgesteld
door een samenwerkingsverband tussen de United Nations Educational,
Scientific and Cultural Organization (Unesco), de Organisatie voor
Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en Eurostat.
Gegevens beschikbaar vanaf: 1900
Frequentie: stopgezet
Status van de cijfers
De uitkomsten van 1900 tot en met 2007 zijn definitief, de uitkomsten voor
2008 zijn voorlopig.
Wijzigingen per 7 december 2009:
De voorlopige cijfers voor 2008 zijn opgenomen.
De cijfers voor 2007 zijn nu definitief.
Wanneer komen er nieuwe cijfers?
Niet van toepassing.
Toelichting onderwerpen
- Secundair onderwijs
- Secundair onderwijs betreft het voortgezet onderwijs, middelbaar
beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie en voor de jaren 1957 tot en
met 1992 het overig onderwijs. Zowel in het primair onderwijs als in het
secundair onderwijs zijn er leerlingen die speciaal onderwijs krijgen
vanwege een lichamelijke of verstandelijke handicap of vanwege ernstige
gedrags- en/of leerproblemen. Afhankelijk van de leeftijd van deze
leerlingen worden ze ingedeeld bij het primair onderwijs of het secundair
onderwijs. Leerlingen van 4 tot ongeveer 12 jaar behoren tot het primair
onderwijs en vallen onder de term: speciaal onderwijs. Leerlingen boven de
12 jaar behoren tot het secundair onderwijs en vallen onder de term:
voortgezet onderwijs.- Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
- Het gaat om het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie
volgens de Wet Educatie en Beroepsonderwijs. Het middelbaar
beroepsonderwijs bestaat uit gekwalificeerde beroepsopleidingen waarbij de
theorie (beroepsopleidende leerweg of bol geheten) of de praktijk
(beroepsbegeleidende leerweg of bbl geheten) centraal staat.
Gekwalificeerd wil zeggen dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap of het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de
opleiding heeft erkend. Daarnaast gaat het om de particuliere
mbo-opleidingen die niet erkend zijn en buiten de Wet Educatie en
Beroepsonderwijs vallen. Van de uitgaven voor volwasseneneducatie worden
vanaf 1995 alleen de uitgaven voor het voortgezet algemeen volwassenen
onderwijs (vavo) meegenomen. Voortgezet algemeen volwassenen onderwijs is
tweedekansonderwijs, waarbij volwassenen alsnog hun diploma of een
deelcertificaat op het niveau van de theoretische leerweg van het vmbo
(voorheen mavo), de havo of het vwo kunnen behalen.
Vanaf 1993 tot en met 1996 is de splitsing van de uitgaven aan secundair
onderwijs in enerzijds voortgezet onderwijs en anderzijds beroepsonderwijs
en volwasseneneducatie geschat.
Tot en met 1992 worden de uitgaven, voor het vbo bij scholengemeenschappen
met vwo/havo/mavo, bij de uitgaven voor beroepsonderwijs en
volwasseneneducatie opgenomen. Vanaf 1992 werden deze uitgaven bij het
voortgezet onderwijs opgenomen.
De splitsing tussen middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroepsonderwijs
is tot en met 1974 geschat.- Totaal uitgaven
- Totale overheidsuitgaven aan beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.
- Lopende uitgaven per deelnemer
- Uitgaven exclusief afschrijvingen, gemiddeld per leerling.
- Percentage van netto nationaal inkomen
- De totale overheidsuitgaven voor onderwijs als percentage van het netto
nationaal inkomen (exclusief afschrijvingen). Dit zijn de
overheidsuitgaven aan onderwijsinstellingen, de overdrachten van het Rijk
aan de gemeenten en de overheidsuitgaven aan huishoudens, bedrijven en
non-profit instellingen.
Alleen uitgaven aan regulier onderwijs worden meegenomen.