Regionale inkomensverdeling 1999, kerncijfers.

Regionale inkomensverdeling 1999, kerncijfers.

Regio's Inkomens van personen Totale bevolking Aantal personen Bevolking op 1 januari 2000 (x 1 000) Inkomens van personen Totale bevolking Aantal personen Personen met 52 wk. inkomen % bevolking (%) Inkomens van personen Autochtonen / Allochtonen Aantal personen Totaal bevolking (x 1 000) Inkomens van personen Autochtonen / Allochtonen Gemiddeld besteedbaar inkomen Totaal bevolking (1 000 euro) Inkomens van huishoudens Particuliere huishoudens Aantal huishoudens Totaal bevolking (x 1 000) Inkomens van huishoudens Particuliere huishoudens Gemiddeld besteedbaar inkomen Totaal bevolking (1 000 euro) Inkomens van huishoudens Particuliere huishoudens Huishoudens met een laag inkomen Totaal bevolking Aantal huishoudens (x 1 000) Inkomens van huishoudens Particuliere huishoudens Huishoudens met een laag inkomen Totaal bevolking Percentage met laag inkomen (%) Inkomens van huishoudens Huishoudensleden Aantal personen Bevolking (x 1 000) Inkomens van huishoudens Inkomensverdeling Particuliere huishoudens met inkomen Totaal bevolking (x 1 000) Inkomens van huishoudens Inkomensverdeling Huishoudens met inkomen Totaal bevolking (x 1 000)
Nederland 15.863,9 64,4 10.218,6 15,6 6.572,3 24,6 6.424,2 13,7 15.863,9 6.572,3 6.973,7
Noord-Nederland 1.656,8 63,3 1.049,0 14,5 681,7 22,6 668,1 16,0 1.656,8 681,7 735,3
Oost-Nederland 3.314,0 63,2 2.094,7 15,1 1.301,2 24,7 1.276,2 13,2 3.314,0 1.301,2 1.380,9
West-Nederland 7.395,8 65,1 4.814,4 16,2 3.180,2 24,8 3.102,7 14,0 7.395,8 3.180,2 3.366,1
Zuid-Nederland 3.497,2 64,6 2.260,5 15,2 1.409,2 24,9 1.377,2 12,5 3.497,2 1.409,2 1.491,4
Groningen 562,5 63,6 358,0 14,3 238,5 21,7 233,1 17,9 562,5 238,5 267,8
Friesland 624,5 62,1 388,0 14,5 253,3 22,6 248,1 16,4 624,5 253,3 269,3
Drenthe 469,8 64,5 303,0 14,7 189,9 23,8 186,8 13,0 469,8 189,9 198,2
Overijssel 1.077,7 62,8 677,1 14,7 420,3 24,1 412,2 14,2 1.077,7 420,3 446,3
Flevoland 317,2 60,4 191,6 15,5 121,8 24,9 119,5 13,4 317,2 121,8 125,1
Gelderland 1.919,2 63,9 1.226,1 15,2 759,1 25,0 744,6 12,6 1.919,2 759,1 809,5
Utrecht 1.107,8 64,6 715,9 16,7 456,0 26,5 446,3 11,0 1.107,8 456,0 492,5
Noord-Holland 2.518,4 66,3 1.669,9 16,2 1.122,6 24,5 1.094,2 14,8 2.518,4 1.122,6 1.184,5
Zuid-Holland 3.397,8 64,5 2.190,6 16,1 1.447,6 24,6 1.411,8 14,4 3.397,8 1.447,6 1.528,3
Zeeland 371,9 64,0 238,0 15,3 154,0 24,1 150,5 12,3 371,9 154,0 160,9
Noord-Brabant 2.356,0 64,7 1.523,6 15,3 941,7 25,2 925,1 12,0 2.356,0 941,7 995,1
Limburg 1.141,2 64,6 736,9 14,7 467,5 24,1 452,1 13,5 1.141,2 467,5 496,3
Groningen 332,6 63,6 211,4 14,9 142,2 22,2 138,5 17,3 332,6 142,2 168,4
Leeuwarden 154,5 63,2 97,7 14,5 64,7 22,1 63,4 17,5 154,5 64,7 72,8
Zwolle 169,3 64,5 109,2 15,3 68,3 24,5 67,1 11,7 169,3 68,3 74,7
Enschede 304,9 63,8 194,6 14,4 125,6 22,8 122,6 16,7 304,9 125,6 136,1
Apeldoorn 210,0 66,2 139,0 15,5 84,9 25,4 83,7 11,3 210,0 84,9 90,3
Arnhem 321,7 65,9 212,1 15,4 137,1 24,1 134,0 14,3 321,7 137,1 147,5
Nijmegen 268,2 65,2 174,8 15,1 113,3 23,5 110,6 16,0 268,2 113,3 126,8
Amersfoort 254,6 64,0 162,9 16,6 102,6 26,8 100,7 9,6 254,6 102,6 107,0
Utrecht 535,8 65,8 352,7 16,4 229,8 25,4 224,0 12,6 535,8 229,8 256,1
Amsterdam 1.378,9 66,5 916,4 16,0 642,1 23,3 622,7 17,5 1.378,9 642,1 679,3
Haarlem 389,9 67,7 264,1 16,6 170,6 25,8 167,5 11,1 389,9 170,6 180,8
Leiden 327,6 63,7 208,6 16,7 133,0 26,5 129,2 11,0 327,6 133,0 146,5
's-Gravenhage 859,9 66,1 568,2 16,3 389,3 24,1 377,0 15,7 859,9 389,3 416,2
Rotterdam 1.173,5 64,8 760,2 15,5 521,0 23,0 507,1 17,8 1.173,5 521,0 546,3
Dordrecht 280,4 63,5 178,0 15,9 115,3 24,8 113,3 12,5 280,4 115,3 119,5
Breda 296,7 65,5 194,3 15,7 122,5 25,1 120,2 11,4 296,7 122,5 130,9
Tilburg 279,7 65,4 182,9 14,8 114,1 24,0 112,0 14,8 279,7 114,1 125,2
's-Hertogenbosch 182,1 66,4 120,8 15,8 75,7 25,5 74,4 12,2 182,1 75,7 81,0
Eindhoven 383,1 65,6 251,5 15,8 163,7 24,8 160,0 12,5 383,1 163,7 174,7
Geleen/Sittard 168,7 64,9 109,5 15,2 69,9 24,4 68,3 12,4 168,7 69,9 72,8
Heerlen 267,8 64,2 172,0 14,4 115,4 22,9 109,6 15,5 267,8 115,4 120,8
Maastricht 186,1 65,1 121,1 15,0 77,1 23,9 75,1 14,7 186,1 77,1 88,1
Geen stadsgewest 7.138,0 63,3 4.516,7 15,3 2.794,2 25,3 2.743,0 12,1 7.138,0 2.794,2 2.911,8
Groningen 191,7 64,5 123,6 14,4 87,5 20,4 84,4 21,2 191,7 87,5 110,8
Leeuwarden 88,9 64,8 57,6 14,1 39,3 20,7 38,3 20,2 88,9 39,3 46,6
Zwolle 105,8 65,8 69,6 15,2 44,8 23,7 43,9 13,1 105,8 44,8 50,5
Enschede 149,5 62,9 94,1 13,9 62,7 21,3 60,6 20,8 149,5 62,7 70,3
Apeldoorn 153,3 66,6 102,1 15,6 63,3 25,2 62,4 11,7 153,3 63,3 67,6
Arnhem 139,6 67,3 94,0 14,8 64,0 21,9 62,3 19,0 139,6 64,0 70,6
Nijmegen 152,2 66,1 100,6 14,6 68,8 21,5 66,8 19,6 152,2 68,8 80,2
Amersfoort 154,9 64,7 100,3 16,7 64,2 26,3 62,8 9,9 154,9 64,2 67,6
Utrecht 366,2 66,3 242,8 15,7 160,8 24,1 156,2 14,2 366,2 160,8 182,1
Amsterdam 1.002,9 67,3 675,3 15,9 491,7 22,2 474,8 19,7 1.002,9 491,7 524,4
Haarlem 191,1 68,9 131,6 16,7 86,6 25,5 84,9 12,1 191,1 86,6 93,0
Leiden 250,3 63,4 158,7 16,7 103,5 25,9 100,2 11,6 250,3 103,5 114,5
Den Haag 610,2 67,0 408,9 16,3 287,3 23,4 277,6 17,2 610,2 287,3 305,2
Rotterdam 990,0 65,0 643,9 15,2 447,5 22,3 434,9 19,3 990,0 447,5 470,9
Dordrecht 241,2 64,0 154,4 15,7 100,3 24,6 98,4 13,0 241,2 100,3 104,3
Breda 160,6 66,3 106,5 15,7 69,1 24,4 67,5 12,9 160,6 69,1 75,4
Tilburg 215,4 65,8 141,8 14,6 89,5 23,3 87,7 16,0 215,4 89,5 99,8
Den Bosch 154,4 67,0 103,4 15,8 65,4 25,2 64,2 12,7 154,4 65,4 70,2
Eindhoven 302,3 66,2 200,2 15,7 131,7 24,2 128,5 13,1 302,3 131,7 142,3
Geleen/Sittard 127,3 65,4 83,2 15,2 53,8 24,0 52,5 13,1 127,3 53,8 56,2
Heerlen 218,1 64,3 140,3 14,2 95,8 22,2 90,7 16,7 218,1 95,8 100,6
Maastricht 122,1 65,4 79,9 14,6 52,2 22,6 50,6 17,2 122,1 52,2 61,8
Geen grootstedelijke agglomeratie 9.776,0 63,5 6.206,0 15,6 3.842,6 25,6 3.774,0 11,6 9.776,0 3.842,6 4.008,7
Oost Groningen 152,9 64,6 98,8 13,8 64,0 21,6 62,9 17,6 152,9 64,0 65,9
Delfzijl en omgeving 52,3 63,3 33,2 14,6 21,8 22,3 21,5 16,4 52,3 21,8 22,9
Overig Groningen 357,3 63,3 226,1 14,5 152,7 21,6 148,7 18,3 357,3 152,7 179,0
Noord-Friesland 323,3 61,6 199,0 14,4 130,8 22,3 127,7 17,2 323,3 130,8 141,7
Zuidwest-Friesland 102,1 61,9 63,2 14,6 41,4 22,6 40,7 16,4 102,1 41,4 43,0
Zuidoost-Friesland 199,1 63,1 125,7 14,6 81,1 22,9 79,8 15,1 199,1 81,1 84,6
Noord-Drenthe 177,9 64,7 115,2 15,4 72,1 24,6 71,0 12,4 177,9 72,1 76,2
Zuidoost-Drenthe 167,0 64,8 108,1 14,2 67,8 23,0 66,6 13,9 167,0 67,8 70,1
Zuidwest-Drenthe 124,9 63,8 79,7 14,7 50,0 23,8 49,1 12,8 124,9 50,0 51,9
Noord-Overijssel 345,7 62,0 214,5 14,9 132,8 24,4 130,4 12,8 345,7 132,8 141,2
Zuidwest-Overijssel 135,6 65,1 88,3 14,7 54,6 24,0 53,8 13,9 135,6 54,6 58,4
Twente 596,4 62,8 374,3 14,5 232,9 23,9 228,0 15,1 596,4 232,9 246,8
Veluwe 627,4 62,4 391,5 15,7 238,1 26,0 234,3 10,7 627,4 238,1 254,9
Achterhoek 378,1 64,6 244,2 14,6 147,7 24,7 144,7 12,5 378,1 147,7 153,9
Arnhem/Nijmegen 690,6 65,4 451,4 15,2 289,5 23,9 283,1 14,6 690,6 289,5 314,7
Zuidwest-Gelderland 223,1 62,3 138,9 15,6 83,9 26,5 82,6 11,0 223,1 83,9 86,0
Utrecht 1.107,8 64,6 715,9 16,7 456,0 26,5 446,3 11,0 1.107,8 456,0 492,5
Kop van Noord-Holland 353,6 63,6 224,8 15,3 141,5 24,8 139,2 12,3 353,6 141,5 146,7
Alkmaar en omgeving 230,6 64,1 147,8 15,9 94,0 25,4 91,8 12,2 230,6 94,0 98,9
IJmond 172,5 66,4 114,6 16,2 72,3 25,9 71,3 9,9 172,5 72,3 75,3
Agglomeratie Haarlem 217,4 68,8 149,5 16,8 98,3 25,6 96,2 12,0 217,4 98,3 105,4
Zaanstreek 151,0 66,8 100,9 15,6 63,3 25,2 62,4 11,0 151,0 63,3 65,5
Groot-Amsterdam 1.160,6 67,0 778,0 16,2 552,8 23,1 535,0 18,2 1.160,6 552,8 587,6
Het Gooi en Vechtstreek 232,7 66,3 154,3 18,0 100,3 28,0 98,3 10,2 232,7 100,3 105,0
Agglomeratie Leiden/Bollenstreek 384,6 64,0 246,0 16,7 155,5 26,6 151,4 10,6 384,6 155,5 169,7
Agglomeratie 's-Gravenhagen 715,3 66,6 476,3 16,4 329,3 24,0 319,1 16,2 715,3 329,3 348,6
Delft en Westland 231,1 63,9 147,8 16,0 92,1 26,0 89,7 11,9 231,1 92,1 100,9
Oost-Zuid-Holland 321,5 62,8 202,0 16,7 124,2 27,6 122,3 9,3 321,5 124,2 129,3
Groot-Rijnmond 1.335,0 64,4 860,1 15,6 582,2 23,5 567,5 16,8 1.335,0 582,2 609,5
Zuidoost-Zuid-Holland 410,3 63,0 258,5 15,9 164,4 25,4 161,8 11,5 410,3 164,4 170,1
Zeeuwsch-Vlaanderen 107,1 64,9 69,5 15,2 45,5 24,3 43,9 12,7 107,1 45,5 47,3
Overig Zeeland 264,8 63,6 168,5 15,3 108,6 24,1 106,5 12,2 264,8 108,6 113,6
West-Noord-Brabant 590,9 65,0 383,9 15,6 240,7 25,2 236,2 11,1 590,9 240,7 253,3
Midden-Noord-Brabant 440,0 64,6 284,3 15,0 174,6 24,8 171,8 13,5 440,0 174,6 187,7
Noordoost-Noord-Brabant 615,6 64,6 397,6 15,3 238,9 25,8 235,4 11,4 615,6 238,9 251,1
Zuidoost-Noord-Brabant 709,4 64,5 457,8 15,5 287,5 25,1 281,7 12,4 709,4 287,5 303,0
Noord-Limburg 273,0 64,8 176,9 14,5 106,7 25,0 104,0 12,5 273,0 106,7 111,6
Bron: CBS.
Verklaring van tekens

Tabeltoelichting

Besteedbaar inkomen en inkomensverdelingen van personen en huishoudens
Per gemeente (1 - 1- 2000), COROP-gebied, provincie, landsdeel, stads-
1999
Gewijzigd op 02 juli 2004.
Verschijningsfrequentie: Eenmalig.

Toelichting onderwerpen

Inkomens van personen
Het besteedbaar inkomen is het bruto-inkomen verminderd met de premies
sociale zekerheid en andere betaalde overdrachten (o.a. alimentatie voor
ex-partner) en de loon-, inkomsten- en vermogensbelasting.
Personen die het gehele jaar inkomen hebben, worden tot de categorie 'met
52 weken inkomen' gerekend. De categorie zelfstandigen behoort tot de
groep die het gehele jaar inkomen hebben.
Personen die in het onderzoeksjaar gedurende kortere tijd of over een qua
tijdsduur onbekende periode inkomen hebben, worden samengenomen in de
groep 'minder dan 52 weken inkomen'. Studenten, dat wil zeggen personen
met een studiebeurs in het kader van de Wet Studiefinanciering, worden
altijd tot deze groep gerekend, ook al hebben zij het gehele jaar een
baan. Uitzondering op deze algemene regel vormen de studenten die naast
hun studiebeurs ook nog winst uit onderneming hebben. Deze groep wordt
altijd ingedeeld bij de categorie '52 weken inkomen'. Ook personen die
uitsluitend kinderbijslag, individuele huursubsidie en of tegemoetkoming
studiekosten ontvangen worden bij de categorie '52 weken inkomen' buiten
beschouwing gelaten. Vanuit het grondmateriaal is het niet mogelijk om de
groep parttime werkers van de fulltimers te onderscheiden. Hierdoor
zullen ook bij de personen met 52 weken inkomen lage inkomens voorkomen.
Totale bevolking
Als indicator van de bestedingsmogelijkheden in een regio wordt vaak
gebruik gemaakt van het gemiddeld besteedbaar inkomen per hoofd van de
bevolking. De hoogte van dit gemiddeld inkomen per inwoner hangt samen
met het percentage inwoners met inkomen en hun gemiddeld inkomen.
Personen die het gehele jaar inkomen hebben, worden tot de categorie 'met
52 weken inkomen' gerekend. De categorie zelfstandigen behoort tot de
groep die het gehele jaar inkomen hebben.
Personen die in het onderzoeksjaar gedurende kortere tijd of over een qua
tijdsduur onbekende periode inkomen hebben, worden samengenomen in de
groep 'minder dan 52 weken inkomen'. Studenten, dat wil zeggen personen
met een studiebeurs in het kader van de Wet Studiefinanciering, worden
altijd tot deze groep gerekend, ook al hebben zij het gehele jaar een
baan. Uitzondering op deze algemene regel vormen de studenten die naast
hun studiebeurs ook nog winst uit onderneming hebben. Deze groep wordt
altijd ingedeeld bij de categorie '52 weken inkomen'. Ook personen die
uitsluitend kinderbijslag, individuele huursubsidie en of tegemoetkoming
studiekosten ontvangen worden bij de categorie '52 weken inkomen' buiten
beschouwing gelaten. Vanuit het grondmateriaal is het niet mogelijk om de
groep parttime werkers van de fulltimers te onderscheiden. Hierdoor
zullen ook bij de personen met 52 weken inkomen lage inkomens voorkomen.
Aantal personen
De hier opgenomen populatie omvat de totale bevolking van Nederland. Bij
de bepaling van de bevolkingsaantallen en het gemiddeld inkomen per
inwoner zijn ook de huishoudens zonder (waargenomen) belastbaar inkomen
(een procent) opgenomen. Personen die het gehele jaar inkomen hebben
genoten dus ook de bevolking in instellingen, inrichtingen en tehuizen
worden tot de categorie "met 52 weken inkomen" gerekend. Huishoudens
waarvan alle huishoudensleden een WSF-uitkering ontvangen behoren tot de
groep studenten-huishoudens en per definitie niet tot deze categorie.
Bevolking op 1 januari 2000
De totale geregistreerde bevolking in Nederland op 1 januari 2000.
Personen met 52 wk. inkomen % bevolking
Het aantal personen met 52 weken inkomen in procenten van de bevolking.
Autochtonen / Allochtonen
Een allochtoon is een persoon van wie ten minste een ouder in het
buitenland is geboren. Allochtonen worden onderscheiden in een eerste
generatie, d.w.z. zelf en tenminste een ouder in het buitenland geboren,
en een tweede generatie, d.w.z. zelf in Nederland geboren en ten minste
een ouder in het buitenland geboren. In het laatste geval is bij het
vaststellen van het land van herkomst prioriteit gegeven aan het
geboorteland van de moeder indien beide ouders in het buitenland zijn
geboren. De informatie over het land van herkomst is ontleend aan de
Gemeentelijke Basisadministratie. In de uitkomsten wordt onderscheid
gemaakt tussen westerse en niet-westerse allochtonen.
Tot de westerse allochtonen worden alle personen gerekend die als
herkomstland hebben Europa (met uitzondering van Turkije), Noord-Amerika,
Oceanië, Japan en Indonesië (met inbegrip van het voormalig
Nederlands-Indië). De niet-westerse landen bestaan uit Turkije, alle
landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (met uitzondering van Japan en
Indonesië). Mocht zowel het geboorteland van de onderzoekspersoon als van
de vader en de moeder ontbreken dan is betrokkene ingedeeld bij de groep
niet-westerse landen.
Aantal personen
De hier opgenomen populatie heeft betrekking op alle personen
voorzover deze 52 weken inkomen hebben genoten. Personen behorend tot
de huishoudens zonder (waargenomen) belastbaar inkomen en personen
behorend tot de studentenhuishoudens zijn in deze tabellen buiten
beschouwing gelaten.
Totaal bevolking
Totaal aantal personen van de autochtone en allochtone bevolking met 52
weken inkomen.
Gemiddeld besteedbaar inkomen
Gemiddeld besteedbaar inkomen van de autochtone en allochtone bevolking
met 52 weken inkomen.
Het besteedbaar inkomen is het bruto-inkomen verminderd met de premies
sociale zekerheid en andere betaalde overdrachten (o.a. alimentatie voor
ex-partner) en de loon-, inkomsten- en vermogensbelasting.
Personen die het gehele jaar inkomen hebben, worden tot de categorie 'met
52 weken inkomen' gerekend. De categorie zelfstandigen behoort tot de
groep die het gehele jaar inkomen hebben.
Personen die in het onderzoeksjaar gedurende kortere tijd of over een qua
tijdsduur onbekende periode inkomen hebben, worden samengenomen in de
groep 'minder dan 52 weken inkomen'. Studenten, dat wil zeggen personen
met een studiebeurs in het kader van de Wet Studiefinanciering, worden
altijd tot deze groep gerekend, ook al hebben zij het gehele jaar een
baan. Uitzondering op deze algemene regel vormen de studenten die naast
hun studiebeurs ook nog winst uit onderneming hebben. Deze groep wordt
altijd ingedeeld bij de categorie '52 weken inkomen'. Ook personen die
uitsluitend kinderbijslag, individuele huursubsidie en of tegemoetkoming
studiekosten ontvangen worden bij de categorie '52 weken inkomen' buiten
beschouwing gelaten. Vanuit het grondmateriaal is het niet mogelijk om de
groep parttime werkers van de fulltimers te onderscheiden. Hierdoor
zullen ook bij de personen met 52 weken inkomen lage inkomens voorkomen.
Totaal bevolking
Gemiddeld besteedbaar inkomen van alle (autochtone en allochtone) personen
met 52 weken inkomen.
Inkomens van huishoudens
Het besteedbaar inkomen is het bruto-inkomen verminderd met de premies
sociale zekerheid en andere betaalde overdrachten (o.a. alimentatie voor
ex-partner) en de loon-, inkomsten- en vermogensbelasting.
Het huishoudensinkomen bestaat uit de som van inkomens van de
afzonderlijke huishoudensleden. Bij ongeveer een procent van de
huishoudens is geen belastbaar inkomen waargenomen. Voor een deel is dit
het gevolg van het onvoldoende kunnen toerekenen van studietoelagen aan
studenten en van andere onvolkomenheden in de gekozen werkwijze.
In het algemeen geldt voor de inkomensstatistiek dat huishoudens waar
uitsluitend kinderbijslag, individuele huursubsidie en of tegemoetkoming
studiekosten wordt waargenomen gerekend wordt tot de huishoudens zonder
(waargenomen) belastbaar inkomen.
Particuliere huishoudens
Particuliere huishoudens worden onderscheiden naar samenstelling van
het huishouden. Er wordt een onderscheid gemaakt in een- en
meerpersoonshuishoudens. Een eenpersoonshuishouden bestaat uit een
persoon die alleen in een (deel van een) woonruimte is gehuisvest en zelf
in de dagelijkse levensbehoeften voorziet of die een woonruimte deelt met
anderen zonder met hen gemeenschappelijk in de dagelijkse levensbehoeften
te voorzien. Een meerpersoonshuishouden bestaat uit twee of meer personen
die samen in een (deel van een) woonruimte zijn gehuisvest en
gemeenschappelijk in hun dagelijkse levensbehoeften voorzien. De
meerpersoonshuishoudens worden verder onderscheiden op basis van het
aantal meerderjarigen en het aantal minderjarige kinderen. Minderjarige
kinderen zijn personen die jonger zijn dan 18 jaar en die aan de zorg
van ouderen zijn toevertrouwd. Personen boven de 18 jaar worden als
meerderjarige aangemerkt.
Aantal huishoudens
De hier opgenomen populatie omvat de particuliere huishoudens (exclusief
studentenhuishoudens) met inkomen.
Totaal bevolking
Totaal aantal particuliere huishoudens (exclusief studentenhuishoudens).
Gemiddeld besteedbaar inkomen
Gemiddeld besteedbaar inkomen van particuliere huishoudens (exclusief
studentenhuishoudens) met inkomen.
Het besteedbaar inkomen is het bruto-inkomen verminderd met de premies
sociale zekerheid en andere betaalde overdrachten (o.a. alimentatie voor
ex-partner) en de loon-, inkomsten- en vermogensbelasting.
Het huishoudensinkomen bestaat uit de som van inkomens van de
afzonderlijke huishoudensleden. Bij ongeveer een procent van de
huishoudens is geen belastbaar inkomen waargenomen. Voor een deel is dit
het gevolg van het onvoldoende kunnen toerekenen van studietoelagen aan
studenten en van andere onvolkomenheden in de gekozen werkwijze.
In het algemeen geldt voor de inkomensstatistiek dat huishoudens waar
uitsluitend kinderbijslag, individuele huursubsidie en of tegemoetkoming
studiekosten wordt waargenomen gerekend wordt tot de huishoudens zonder
(waargenomen) belastbaar inkomen.
Totaal bevolking
Gemiddeld besteedbaar inkomen van alle particuliere huishoudens
(exclusief studentenhuishoudens).
Huishoudens met een laag inkomen
Particuliere huishoudens waarvan het hoofd of de partner het gehele jaar
inkomen hebben genoten die zijn ingedeeld bij de lage inkomens.
Studentenhuishoudens en dat deel van de bevolking dat in een instelling,
inrichting of tehuis verblijft, zijn buiten beschouwing gelaten. Het in
deze tabel gebruikte begrip inkomen is afgeleid van het besteedbaar
inkomen. Het inkomen is gelijk aan het besteedbaar inkomen vermindert met
eventueel ontvangen huursubsidie. De kinderbijslag en de
koopkrachttoeslag die in de huursubsidie inbegrepen is, is aan het
inkomen toegevoegd. Het inkomen is gecorrigeerd voor de verschillen in
samenstelling en grootte van het huishouden en voor de inflatie. Om de
vergelijkbaarheid tussen de uitkomsten van de verschillende jaren te
bevorderen zijn de inkomens met het prijsindexcijfer van de
gezinsconsumptie voor een- en meerpersoonshuishoudens herleid naar het
prijspeil in het basisjaar 1990.
Het resulterende inkomen is vergelijkbaar met de koopkracht van een
alleenstaande in 1990. De grens die de inkomens verdeelt in lage en
overige inkomens, is gesteld op 7260 euro. Hiermede wordt bereikt
dat de sociale minima tot de huishoudens met een laag inkomen worden
gerekend. Zo neemt bijvoorbeeld een alleenstaande die in 1990 7260 euro
te besteden had een gelijke welvaartspositie in als een alleenstaande die
in 1999 een inkomen van 9220 euro had of als een echtpaar met een inkomen
van 12 390 euro in 1999.
Totaal bevolking
De hier opgenomen populatie omvat de particuliere huishoudens waarvan het
hoofd of de partner het gehele jaar inkomen hebben genoten.
Studentenhuishoudens en institutionele huishoudens zijn niet meegeteld.
Aantal huishoudens
Totaal aantal particuliere huishoudens waarvan het hoofd of de partner
het gehele jaar inkomen hebben genoten.
Percentage met laag inkomen
Het percentage huishoudens met een laag inkomen.
Huishoudensleden
Het aantal personen in particuliere huishoudens met inkomen, en
het gemiddeld gestandaardiseerd huishoudensinkomen van leden van
particuliere huishoudens met inkomen.
Aantal personen
De hier opgenomen populatie omvat de totale bevolking woonachtig in
Nederland en het aantal huishoudensleden in particuliere huishoudens
(exclusief studentenhuishoudens) met inkomen. In de kolommen met gegevens
over de inkomenstrekkers worden ook personen in institutionele
huishoudens tot deze populatie gerekend; studentenhuishouden en
huishoudens zonder (waargenomen) inkomen zijn ook hier buiten beschouwing
gelaten.
Bevolking
Totale bevolking woonachtig in Nederland per ultimo 1999.
Inkomensverdeling
In de tabellen met de inkomensverdelingen zijn de huishoudens in tien
inkomensklassen verdeeld.
De klassengrenzen van de verdeling zijn als volgt bepaald.
De huishoudens van geheel Nederland worden gerangschikt naar hoogte van
besteedbaar inkomen. Daarna worden de huishoudens in tien, qua aantal
gelijke groepen (zogenaamde decielgroepen) verdeeld en wordt het hoogste
inkomen in elke groep bepaald. Deze inkomens vormen de klassengrenzen
(zogenaamde decielen).
De landelijke inkomensgrenzen van het besteedbaar inkomen per 10%-groep
zijn:
en institutioneel)
10%-gr.
1e
2e
3e
4e
5e
6e
7e
8e
9e
10e
Particuliere huishoudens met inkomen
De hier opgenomen populatie omvat de particuliere huishoudens (exclusief
studentenhuishoudens) met inkomen.
Inkomensverdeling van particuliere huishoudens per 10% groep van de
landelijke verdeling van het besteedbaar inkomen in 1999.
De klassengrenzen van de verdeling zijn als volgt bepaald.
De inkomenseenheden van geheel Nederland worden gerangschikt naar hoogte
van besteedbaar inkomen. Daarna worden de eenheden in tien, qua aantal
gelijke groepen (zogenaamde decielgroepen) verdeeld en wordt het hoogste
inkomen in elke groep bepaald. Deze inkomens vormen de klassengrenzen
(zogenaamde decielen).
Particuliere huishoudens worden onderscheiden naar samenstelling van
het huishouden. Er wordt een onderscheid gemaakt in een- en
meerpersoonshuishoudens. Een eenpersoonshuishouden bestaat uit een
persoon die alleen in een (deel van een) woonruimte is gehuisvest en zelf
in de dagelijkse levensbehoeften voorziet of die een woonruimte deelt met
anderen zonder met hen gemeenschappelijk in de dagelijkse levensbehoeften
te voorzien. Een meerpersoonshuishouden bestaat uit twee of meer personen
die samen in een (deel van een) woonruimte zijn gehuisvest en
gemeenschappelijk in hun dagelijkse levensbehoeften voorzien. De
meerpersoonshuishoudens worden verder onderscheiden op basis van het
aantal meerderjarigen en het aantal minderjarige kinderen. Minderjarige
kinderen zijn personen die jonger zijn dan 18 jaar en die aan de zorg
van ouderen zijn toevertrouwd. Personen boven de 18 jaar worden als
meerderjarige aangemerkt.
Totaal bevolking
Huishoudens met inkomen
De hier opgenomen populatie omvat alle huishoudens inclusief
studentenhuishoudens en institutionele huishoudens; huishoudens zonder
(waargenomen) belastbaar inkomen zijn buiten beschouwing gelaten.
Inkomensverdeling van particuliere, studenten- en institutionele
huishoudens per 10% groep van de landelijke verdeling van het besteedbaar
inkomen in 1999.
De klassengrenzen van de verdeling zijn als volgt bepaald.
De inkomenseenheden van geheel Nederland worden gerangschikt naar hoogte
van besteedbaar inkomen. Daarna worden de eenheden in tien, qua aantal
gelijke groepen (zogenaamde decielgroepen) verdeeld en wordt het hoogste
inkomen in elke groep bepaald. Deze inkomens vormen de klassengrenzen
(zogenaamde decielen).
Huishoudens worden onderverdeeld in particuliere en institutionele
huishoudens. Een particulier huishouden bestaat uit een of meer personen
die alleen of samen in een woonruimte gehuisvest zijn en zelf in hun
dagelijkse levensbehoeften voorzien. Een institutioneel huishouden is
gedefinieerd als een uit een of meer leden bestaande verzameling van
personen, woonachtig in een tot bewoning bestemd gebouw of in een andere
bewoonde ruimte, die daar door derden wordt voorzien van huisvesting en
van dagelijkse levensbehoeften.
Huishoudens waarvan alle huishoudensleden een WSF-uitkering ontvangen
behoren tot de groep studentenhuishoudens; werkstudenten behoren ook
tot deze categorie.
Totaal bevolking