Auteur: Mariska Dank, Cath van Meurs, Jeroen van Tessel, Marius Reitsema

Monitor Duurzame Agro-grondstoffen 2021

Validering palmolie, soja en hout

Over deze publicatie

Duurzaamheid staat hoog op de politieke agenda. Vanuit de markt zijn legio initiatieven ontstaan om producten te verduurzamen. In deze publicatie laten we de resultaten van de verduurzaming van palmolie, soja en hout in 2020 zien die uit de monitoring naar voren zijn gekomen. De manier waarop deze monitoring is uitgevoerd, is door het CBS gevalideerd.

1. Inleiding

Het begin van de monitoring

De Monitor Duurzame Agro-grondstoffen 2021 laat cijfers en trends zien op het terrein van verduurzaming van de agro-grondstoffen soja, palmolie en hout. De monitor, die voor de zesde keer verschijnt, is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). In 2013 is de monitor voor het eerst verschenen (CBS, 2013). In die tijd waren er verschillende initiatieven om meer duurzame agrogrondstoffen te gebruiken. Het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I), in die fase een belangrijke aanjager van het gebruik van duurzame agrogrondstoffen, wilde meer inzicht in het gebruik van deze duurzame varianten.  

Markpartijen in de lead

Na het rapport uit 2013 is de monitor met enige regelmaat verschenen. De industrie heeft in de loop der jaren als aanjager voor het gebruik van duurzame agrogrondstoffen zelf een belangrijke rol op zich genomen. Nederlandse marktpartijen hebben zich gecommitteerd aan concrete mijlpalen op weg naar maximaal gebruik van duurzaam geproduceerde grondstoffen voor de Nederlandse markt. Dit is vastgelegd in verschillende doelstellingen. De partijen monitoren middels koepelorganisaties als MVO voor palmolie, PROBOS voor tropisch hout en NEVEDI voor soja in de eerste plaats zelf of deze doelstellingen ook daadwerkelijk worden behaald. 

De monitor

Het ministerie volgt ontwikkelingen inzake de toepassing van duurzame agrogrondstoffen met veel belangstelling. Het CBS heeft de processen die worden gehanteerd voor de monitoring gevalideerd, dat wil zeggen de gebruikte methoden getoetst aan verschillende kwaliteitscriteria. De uitkomsten van de monitoring zijn niet gevalideerd, dat wil zeggen de berekening van de gepresenteerde cijfers is niet gecontroleerd.
 
Het CBS hanteert in de Monitor Duurzame Agro-grondstoffen de definitie van duurzaamheid zoals die binnen de verschillende doelstellingen is vastgesteld. De meeste afspraken baseren zich op één of meerdere duurzaamheidsstandaarden of keurmerken. In de praktijk worden termen als duurzaam, verantwoord en gecertificeerd, door elkaar gebruikt. De doelstellingen verschillen ook in hun bereik, dat wil zeggen welke eisen gelden aangaande duurzaamheid en welk deel van de keten (van winning tot consumptie) ze bestrijken. Daarom zijn de cijfers over de agro-grondstoffen niet zonder meer één op één te vergelijken. Zo wordt in Nederland voor palmolie één type keurmerk gehanteerd namelijk RSPO, terwijl voor soja verschillende keurmerken worden gebruikt met elk een eigen pakket aan duurzaamheidseisen.
 
Naast de monitoring van duurzame agro-grondstoffen in Nederland zijn ook gegevens over de wereldwijde duurzame productie van agro-grondstoffen weergegeven. Deze gegevens heeft het CBS overgenomen van diverse (internationale) bronnen. 

Recente ontwikkelingen

De ontwikkelingen staan niet stil. Eind 2021 komt de Europese Commissie met een generiek wetgevend voorstel voor gepaste zorgvuldigheidswetgeving (Due Diligence). Dit voorstel moet de omstandigheden voor mens en milieu in de toeleveringsketens bevorderen. Vooruitlopend op dit voorstel heeft de Sociaal Economisch Raad recent de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking geadviseerd hoe eventuele nationale wetgeving op dit terrein vorm te geven. Daarnaast heeft de Europese Commissie ook zorgvuldigheidsregelgeving aangekondigd voor duurzaamheidseisen aan specifieke agroketens, zoals onder meer palmolie, soja, tropisch hout en cacao. Met de invoering van deze nieuwe regelgeving zullen de bestaande OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en duurzaamheid en de VN-beginselen voor mensenrechten en bedrijfsleven een verplichtend karakter krijgen op EU niveau.

2. Palmolie

In 2020 was 90 procent van het verbruik van palmolie door de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie als duurzaam gecertificeerd. De voedingsmiddelenindustrie verwerkte in 2020 in totaal 239,2 duizend ton palmolie (DASPO, 2021c), beduidend minder dan de 289,0 duizend ton in 2019 (DASPO, 2020). De groei van het aandeel duurzame palmolie ligt vooral in de jaren 2011 tot en met 2015. In die periode nam het aandeel toe van 30 procent naar 84 procent duurzaam gecertificeerd. Na 2015 stabiliseert het aandeel gebruik van duurzame palmolie voor voedingsmiddelen rond de 90 procent. De duurzame palmolie wordt wel vaker fysiek gescheiden van de reguliere handelsstroom verhandeld: het aandeel Segregated nam toe van 59 procent in 2015 naar 71 procent in 2019 tot 73 procent in 2020. Mass Balance maakte in 2020 19 procent uit van de handel in duurzame palmolie en Book & Claim 8 procent (DASPO, 2021c).
In Nederland is de omvang van Identity Preserved palmolie gering en samengevoegd met Segregated.

Verbruik duurzame palmolie door Nederlandse voedingsmiddelenindustrie
JaarGecertificeerd (%)Regulier (%)
20113070
20125347
20136139
20147228
20158416
20169010
20178812
20188911
20198713
20209010
Bron: MVO, DASPO

Van de palmolie die de Nederlandse diervoederindustrie in 2020 gebruikte, was 61 procent duurzaam gecertificeerd. Bij de productie van diervoeder is 83 duizend ton palmolie gebruikt (bron: Nevedi). Bij de productie van voer voor gezelschapsdieren wordt nagenoeg geen palmolie gebruikt (bron: NVG).

In 2010 heeft de Nederlandse Task Force Duurzame Palmolie (Task Force Duurzame Palmolie, 2010) de doelstelling geformuleerd, dat uiterlijk eind 2015 alle voor de Nederlandse markt bestemde palmolie duurzaam geproduceerd is. Met ‘duurzame palmolie’ wordt bedoeld dat de palmolie is gecertificeerd volgens de principes en criteria van de Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO) en dat de palmolie wordt verhandeld volgens één van de vier door de RSPO goedgekeurde handelssystemen: Segregated, Mass Balance, Book & Claim of Identity Preserved (RSPO, 2013). Het toezicht op de voortgang in het bereiken van de doelstellingen is met ingang van 2014 overgenomen door de private ketenorganisatie Margarine, Vetten en Oliën (MVO). Voor die tijd werd de voortgang gemonitord door het Productschap MVO.

De Task Force heeft besloten om vanaf 2013 de voortgang per sector te rapporteren, omdat de uitwerking van het initiatief in de verschillende sectoren op eigen wijze wordt ingevuld. De Task Force volgt hierbij de voortgang voor de voedingsmiddelenindustrie en Nevedi die voor de diervoederindustrie.

Als opvolger van de Task Force is in 2016 de Dutch Alliance for Sustainable Palm Oil (DASPO) opgericht. Het is een samenwerkingsverband van de in Nederland gevestigde schakels in de palmolieketen (raffinadeurs, verwerkers en retail) en bestaat uit dezelfde leden als de Task Force. Deze partijen werken samen aan het stimuleren van meer fysiek gecertificeerde duurzame palmolie en de verbetering van de certificeringsstandaarden zoals de RSPO.

Wereldwijde productie van duurzaam gecertificeerde palmolie

Circa 20 procent van de wereldwijd geproduceerde palmolie is in oktober 2021  RSPO-gecertificeerd (DASPO, 2021a). In de afgelopen jaren werd meer palmolie volgens de RSPO-criteria geproduceerd, dan uiteindelijk als RSPO-gecertificeerde palmolie werd verkocht. De vraag naar fysiek duurzame palmolie is dus kleiner dan het aanbod. Een bedrijf dat palmolie koopt met certficaten van het Book & Claim systeem, koopt niet noodzakelijk duurzaam gecertificeerde palmolie. Wel staat elk certificaat garant voor een ton duurzame palmolie, die werd geproduceerd op een RSPO-gecertificeerde plantage. Op deze manier bevordert Book & Claim de productie van duurzame palmolie. Alleen bij de aankoop van Segregated of Identity Preserved palmolie, wordt volledig duurzaam geproduceerde palmolie gekocht.

Aanbod RSPO palmolie wereldwijd
JaarMass Balance (miljoen ton)Identity Preserved (miljoen ton)
20155,066,86
20165,716,35
20175,246,62
20186,336,96
20196,957,4
20208,287,85
Bron: RSPO

Verkoop RSPO palmolie wereldwijd
JaarBook & Claim (miljoen ton)Mass Balance (miljoen ton)Segregated (miljoen ton)Identity Preserved (miljoen ton)
20153,40,42,10,3
201620,61,81,2
20171,21,21,61,8
20181,90,91,42,1
20191,81,41,12,7
20201,82,31,22,7
Bron: RSPO

2.1 Achtergrondinformatie en handelsstromen

Palmolie is plantaardige olie die wordt gewonnen uit de vruchten van de oliepalm. Palmolie wordt gebruikt in veel voedingsmiddelen, zoals margarine, frituurolie, chips, soepen, sauzen en koekjes. Palmolie wordt ook gebruikt als grondstof bij de productie van diervoeders, zeep en biodiesel. Ook wordt palmolie gebruikt als brandstof voor de opwekking van groene stroom.

Voor het gebruik in de voedingsmiddelenindustrie wordt de gele tot donkerrode ruwe palmolie gezuiverd, ontkleurd en ontgeurd tot RBD-olie (refined, bleeched, deodorized). De geraffineerde palmolie kan op zijn beurt worden gefractioneerd, waarbij de vloeibare en vaste fracties van elkaar worden gescheiden.

De vrucht van de oliepalm bevat ook palmpitten. Deze worden geplet en geperst, wat palmpittenolie, palmpittenmeel en palmpittenschilfers oplevert. De palmpittenolie wordt gebruikt voor onder andere margarine en het produceren van gebak, zeep en zeeppoeder. Het palmpittenmeel en de schilfers worden verwerkt in diervoeders.

Productie

In 2020 werd wereldwijd naar schatting 74,2 miljoen ton palmolie geproduceerd, een daling van 2,5 procent ten opzichte van de 76,1 miljoen ton in 2019 (Oil World & DASPO, 2021c). Gedetailleerde cijfers van  de FAO zijn tot 2018 beschikbaar en laten zien dat in 2018 wereldwijd 71,7 miljoen ton palmolie werd geproduceerd (FAOSTAT, 2021b). Indonesië en Maleisië zijn de belangrijkste producenten en zorgen voor 84 procent van de wereldproductie aan palmolie.  Naast palmolie wordt ook palmpitolie geproduceerd. In 2020 bedroeg de productie 7,8 miljoen ton (Oil World & DASPO, 2021c).

Wereldproductie palmolie
JaarIndonesië (miljoen ton)Maleisië (miljoen ton)Thailand (miljoen ton)Colombia (miljoen ton)Nigeria (miljoen ton)Overig (miljoen ton)
201022171,30,813,8
201123,118,91,70,80,94,1
20122618,81,810,94,2
201326,919,2210,94,4
201429,319,721,10,94,4
201531,1202,11,30,94,8
201631,717,31,81,115,4
20173819,92,61,615,5
201840,619,52,81,61,15,8
Bron: FAOSTAT, 1 december 2021
 

Handelsstromen

Producerende landen exporteren zowel ruwe als verwerkte palmolie en palmpittenolie. Nederland is de grootste palmolie-importeur van Europa met Spanje en Italië op gepaste afstand (FAOSTAT, 2021a). In 2020 werd in Nederland 2,1 miljoen ton palmolie en 0,2 miljoen ton palmpittenolie ingevoerd, bestemd voor vervaardiging van producten voor menselijke consumptie (CBS, StatLine, palmolie). De invoer bestaat vooral uit ruwe palmolie en in mindere mate uit fracties van palmolie (palmoleïne en palmstearine). De invoer van palmolie is ten opzichte van 2019 met 10 procent gedaald. De invoer van palmpitolie is in dezelfde periode met 4 procent gedaald. In vergelijking met 2010 is er in 2020 14 procent meer palmolie (inclusief palmpittenolie) ingevoerd voor verwerking in de Nederlandse voedingsmiddelen- en diervoederindustrie.

De invoer van palm(pitten)olie voor non-food toepassingen is in 2020 verder gedaald tot nog geen  0,4 miljoen ton (een daling van 14 procent ten opzicht van 2019 en aanzienlijk minder dan de 2,1 miljoen ton in 2010. Daarmee is de geïmporteerde hoeveelheid bestemd voor non-food aanzienlijk kleiner dan die voor food.

Nederlandse invoer van palmolie en palmpittenolie bestemd voor menselijke consumptie
JaarRuwe palmolie (miljoen ton)Fracties van palmolie (miljoen ton)Palmpittenolie (incl. babassunotenolie) (miljoen ton)
20101,60,30,1
20111,30,30,1
20121,10,20,2
20131,30,20,1
201410,30,2
201510,20,2
20161,30,20,2
20171,70,30,2
20181,80,30,2
201920,30,2
20201,80,30,2
Bron: CBS
 

Nederland voert ook veel palmolie uit: 1,1 miljoen ton palm(pitten)olie voor vervaardiging van producten voor menselijke consumptie in 2020 (CBS, StatLine, palmolie). Het volume is inclusief de wederuitvoer (geen bewerking, maar wel tijdelijk een Nederlandse eigenaar) en exclusief doorvoer (geen bewerking en een buitenlandse eigenaar) en betreft vooral vloeibare fracties. De belangrijkste bestemmingslanden zijn België, Duitsland, Frankrijk en Polen.

2.2 Convenant en certificering

Doelstelling, deelnemers en indicator

Door de Nederlandse Task Force Duurzame Palmolie is in 2010 de doelstelling geformuleerd, dat uiterlijk eind 2015 alle voor de Nederlandse markt bestemde palmolie duurzaam geproduceerd is. Binnen de Task Force hebben de raffinadeurs van palmolie, de sectoren die palmolie gebruiken en de detailhandel zich indertijd in een convenant verbonden aan deze doelstelling.

De Task Force is in 2016 opgevolgd door de Dutch Alliance for Sustainable Palm Oil (DASPO). Dit is een samenwerkingsverband van de in Nederland gevestigde schakels in de palmolieketen, bestaande uit raffinadeurs, verwerkers en retail en bestaat uit dezelfde leden als de Task Force. Het doel van de Alliance is wel uitgebreider dan dat van de Task Force. Richtte de Task force zich vooral op dat de in Nederland verhandelde palmolie duurzaam was, de Alliance richt zich ook op ‘de stimulering van ‘Mass Balance’ en ‘Segregated’ gecertificeerde duurzame palmolie en de continue verbetering van de certificeringsstandaarden voor duurzame palmolie.’ Dit is vastgelegd in een commitment. (DASPO, 2016)

De scope van het commitment richt zich op alle voor de Nederlandse markt bestemde palmolie. Dit betekent dat palmolie die wordt geïmporteerd maar die, na eventuele bewerking, weer wordt geëxporteerd buiten beschouwing blijft. Palmolie in Nederland verwerkt in producten die daarna worden geëxporteerd maakt wel onderdeel uit van het convenant.

In de monitoring door MVO blijft palm- en palmpittenolie die gebruikt wordt voor het opwekken van energie en voor non-food toepassingen, zoals zeep en cosmetica, buiten beschouwing. DASPO is wel in gesprek met de non-food sector om het gebruik van duurzame palmolie naar de sectoren Out-of-Home, Foodservice en Personal Care uit te breiden.

Voor energetische toepassing van palmolie moet deze, evenals andere plantaardige oliën, voldoen aan de duurzaamheidseisen uit de Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED). Dat betekent dat de grondstoffen niet afkomstig mogen zijn van plantages waarvoor na 2008 ontbossing heeft plaatsgevonden. De RED dicteert dat lidstaten tussen 2023 en 2030 biobrandstoffen op basis van grondstoffen met een hoog risico op indirecte veranderingen in landgebruik (ILUC) uitfaseren. Omdat Nederland het gebruik van biobrandstoffen uit afvalstoffen en residuen succesvol stimuleert, wordt in Nederland geen biobrandstof op basis van palmolie gebruikt.

Certificering

Onder duurzame palmolie wordt door DASPO de palmolie verstaan die is gecertificeerd volgens de principes en criteria van de Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO). RSPO is het internationale platform waarbinnen maatschappelijke organisaties, industrie en detailhandel de wereldwijde palmolieproductie en -handel verduurzamen. De palmolie moet worden verhandeld volgens één van de vier door de RSPO goedgekeurde handelssystemen:

  • Book & Claim (B&C):
    Book & Claim is een model waarbij verwerkers van palmolie en palmpittenolie die RSPO lid zijn  RSPO credits kunnen kopen voor duurzaam geproduceerde palmolie of palmpitolie. Het IT platform RSPO PalmTrace faciliteert deze online handel in de certificaten voor verkopers die RSPO-gecertificeerd zijn, kopers hoeven niet RSPO-gecertificeerd te zijn. Een desktop audit wordt wel verplicht zodra een koper meer dan 500 RSPO credits claimt. Een RSPO Credit staat voor een ton duurzaam geproduceerde palmolie. Indien de duurzame palmolie als RSPO Credit verkocht wordt gaat de duurzame palmolie als conventionele palmolie de keten in, aangezien de claim maar een keer gemaakt kan worden. Dit model is vergelijkbaar met het systeem van groene stroom waarvoor in Europa in zogenoemde Garanties van Oorsprong gehandeld word.
  • Mass Balance (MB):
    Duurzame palmolie van gecertificeerde bronnen wordt administratief gevolgd in de keten, maar kan vermengd worden met reguliere palmolie.
  • Segregated (SG):
    Duurzame palmolie van verschillende gecertificeerde plantages wordt door de hele keten apart gehouden van reguliere palmolie.
  • Identity Preserved (IP):
    Duurzame palmolie van één enkele gecertificeerde oliemolen wordt door de hele keten apart gehouden van reguliere palmolie. 

De vier systemen hebben elke hun eigen eisen en vormen een soort groeimodel. Zo worden certificaten van het Book & Claim systeem vooral gebruikt door (kleinere) bedrijven die eerste stappen zetten in het gebruik van duurzame palmolie. Het is vaak een opstapje naar een van de andere vormen van certificering zoals Mass Balance of Segregated. Identity Preserved heeft binnen het RSPO model het certificaat met de strengste eisen. Sinds 2018 heeft RSPO de eisen aan de certificaten aangescherpt. Eén vijfde deel van de wereldproductie aan palmolie is RSPO gecertificeerd. (DASPO, 2021b)

Bedrijven die onderdeel worden van de handelsketen voor duurzame palmolie van de RSPO, moeten zelf ook worden gecertificeerd door een onafhankelijk certificeringsbureau. Zo waarborgt de RSPO dat alle schakels in de keten aan de vereisten voldoen.

In 2019 heeft het IUCN-NL een benchmark uitgevoerd voor zes veel gebruikte certificaten voor duurzame palmolie. Naast RSPO zijn de volgende duurzaamheidsstandaarden voor Palmolie onderzocht: Sustainable Agriculture Network (SAN), Malaysia Sustainable Palm Oil (MSPO), Indonesia Sustainable Palm Oil (ISPO) en twee varianten van International Sustainability and Carbon Certification, namelijk ISCC-EU en ISCC Plus. Uit het onderzoek bleek dat de nieuwe certificaten van RSPO op biodiversiteit en zekerheid beter scoort dan de andere vijf onderzochte certificeringssystemen: RSPO presteert zowel hoog op de bescherming van de biodiversiteit (70 procent van de totaal score) als op de zekerheid dat de eisen die worden gesteld aan de certificaten ook daadwerkelijk worden behaald (85 procent van de totaalscore) (IUCN-nl, 2019).

2.3 Palmolie – Monitoring van de doelstelling

De monitoring voor de voedingsmiddelenindustrie is uitgevoerd door de ketenorganisatie MVO en die voor de diervoederindustrie door de brancheorganisatie Nevedi. Beide organisaties richten zich op de hoeveelheid duurzame palmolie (en palmpittenolie) die door raffinadeurs in Nederland is verkocht voor verwerking door de voedingsmiddelen- en diervoederindustrie in Nederland. Ook voedingsmiddelen en diervoeders die in Nederland worden geproduceerd en vervolgens worden geëxporteerd vallen binnen de scope. In de monitoring door MVO blijft palm- en palmpittenolie die gebruikt wordt voor het opwekken van energie buiten beschouwing. Dat geldt nu ook nog voor non-food toepassingen, maar DASPO is in gesprek met de non-food sector om de samenwerking op dit gebied te versterken.

In 2011 was het aandeel duurzame palmolie in het totale palmolieverbruik door de voedingsmiddelenindustrie 30 procent. In 2016 is dit aandeel gestegen tot 90 procent. In 2020 is het aandeel duurzame palmolie gelijk aan het niveau van 2016 namelijk 90 procent. Het totale volume palmolie dat door de voedingsmiddelenindustrie in 2020 werd verwerkt, was 239 duizend ton. Dit verbruik is 21 procent lager dan 2019 toen 289,0 duizend ton is gebruikt. In de onderstaande figuur worden de aandelen duurzame palmolie in het totale palmolieverbruik per sector van de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie weergegeven. De aardappelverwerkende industrie maakte net als voorgaande jaren in 2020 volledig gebruik van duurzame palmolie (bron: MVO).

Verbruik duurzame palmolie per voedingsmiddelensector, 2020
VoedingsmiddelensectorGecertificeerd (%)Regulier (%)
Aardappelverwerking1000
Bakkerij/zoetwaren8317
Gemaksvoeding9010
Zuivel/melkvervanger982
Overige voeding8515
Margarine/sauzen8911
Bron: DASPO

Leden van de brancheorganisatie Nederlandse Vereniging voor de Diervoederindustrie (Nevedi) hebben in 2020 het volume aan palmolie dat via diervoeders gebruikt wordt voor de productie van vlees, zuivel en eieren voor 61 procent afgedekt met duurzame palmolie. De leden kopen de gecertificeerde palmolie via Palm Trace, het volgsysteem van RSPO voor aangeboden en verkochte gecertificeerde palmolieproducten. Werd in 2015 de gebruikte palmolie binnen diervoerderindustrie volledig afgedekt met de inkoop van Book & Claim-certificaten, in 2020 wordt ook gebruik gemaakt van Mass balance en Segregated gecertificeerde palmolie.

Voor de monitoring van het gebruik van duurzame palmolie ontvangt MVO van zes raffinadeurs de gegevens over de leveringen van (duurzame) palmolie aan de zeven onderscheiden sectoren binnen de Nederlandse voedingsmiddelenindustrie. 
Voor de levering wordt sinds vorig jaar een template gebruikt. De raffinadeurs geven per sector van de voedingsmiddelenindustrie op hoeveel reguliere palmolie en duurzame palmolie is geleverd. Duurzame palmolie is opgedeeld in twee categorieën namelijk Mass Balance afzonderlijk en Segregation en Identity Preserved tezamen.
Door het gebruik van de template worden de cijfers op een geaggregeerd niveau aangeleverd. Dit levert minder detailgegevens op waardoor MVO minder controlemogelijkheden heeft dan voorheen. MVO controleert de cijfers op bedrijfsniveau. Zo wordt er bekeken in hoeverre de cijfers afwijken van voorgaande jaren. Als er opmerkelijke wijzigingen zijn of andere afwijkingen wordt er bij de betreffende raffinadeur gecheckt of dit klopt en wat de verklaring is.  
Ook legt MVO elk jaar de cijfers naast de cijfers van het nationale initiatief voor duurzame palmolie in Engeland. Deze organisatie gebruikt voor de bepaling van de hoeveelheid duurzame palmolie dezelfde methode als MVO wat vergelijking mogelijk maakt. Er wordt contact gezocht om waarnemingen te checken.
Wat de certificaten volgens het Book & Claimsysteem betreft: het MVO controleert deze cijfers zelf. Dit gebeurt door het aantal via het platform van Palm Trace aangekochte certificaten te leggen naast het aantal ton verwerkte reguliere palmolie. Daarbij is een Book & Claim certificaat gelijk aan 1 ton reguliere palmolie. MVO ontvangt de cijfers aangaande de Book & Claim certificaten rechtstreeks van RSPO.

Jaarlijks moeten de leden van Nevedi de Mengvoederenquête invullen waarin ook gevraagd wordt naar informatie omtrent de gebruikte palmolie. Voor deze enquête is een template ontwikkeld. De leden worden steekproefsgewijs gecontroleerd door een onafhankelijk accountantskantoor voor de cijfers die zij aan Nevedi doorgeven en de invulling van collectieve afspraken zoals het gebruik van duurzame palmolie die voor het betreffende lid van toepassing zijn. Daarnaast worden de resultaten van de enquête gecontroleerd op afwijkende resultaten ten opzichte van cijfers uit voorgaande jaren.

 

3. Soja

In 2020 was 96 procent van de in mengvoer verwerkte soja (sojameel en hullen) duurzaam gecertificeerd. Volgens Nevedi (Nederlandse Vereniging Diervoederindustrie) gebruikten diervoederbedrijven 1,50 miljoen ton sojameel in mengvoer. Dit is minder dan in 2019 waarin in totaal 1,57 miljoen ton sojameel in mengvoer werd gebruikt.

Voor de afdekking van de in mengvoer verwerkte soja zijn certificaten aangekocht die voldeden aan de duurzaamheidsstandaarden die op Europees niveau zijn gemaakt binnen de FEFAC en die vastgelegd zijn in de FEFAC Soy Sourcing Guidelines (FSSG). FEFAC, de Europese brancheorganisatie voor de diervoederindustrie, spant zich in om verantwoorde soja transparant te maken en het gebruik ervan te stimuleren. De FEFAC Soy Sourcing Guidelines stellen minimumeisen aan verantwoorde soja. In 2021 zijn 19 standaarden goedgekeurd volgens de FEFAC Soy Sourcing Guidelines. Alle standaarden stellen eisen aan het tegengaan van illegale ontbossing. Daarbij zijn er schema’s zoals RTRS en Proterra die ook legale ontbossing en het converteren van andere waardevolle ecosystemen verbieden.

In 2020 werd 1,70 miljoen ton certificaten aangekocht. Daarvan is ruim 1 miljoen ton RTRS, 119 duizend ton van andere conversievrije standaarden (o.a. Proterra) en 520 duizend ton van overige standaarden. Uitgaande van een totaal van 1,70 miljoen ton, bedroeg het aandeel RTRS in 2020 ongeveer 62 procent. Dit is nagenoeg gelijk aan het jaar daarvoor. In 2019 werd in totaal 1,67 miljoen ton certificaten aangekocht. Daarvan was ruim 1 miljoen ton RTRS, 191 duizend ton van andere conversievrije schema’s en 422 duizend ton van overige schema’s. Het aandeel RTRS in 2019 komt daarmee op 63 procent uit.

Inkoop verantwoord geproduceerde RTRS-soja door de Nederlandse diervoederindustrie
Jaarintentieverklaring 2011 (x 1.000 ton)minimum duurzaamheidseisen Nevedi (x 1.000 ton)
2011140
2012315
2013417
2014253
2015756
20161015
20171200
20181070
20191057
2020*1060
Bron: Nevedi, IDH

Op initiatief van het Initiatief Duurzame Handel (IDH) en de verschillende partijen in de dierlijke productieketen, was in 2011 de doelstelling geformuleerd dat Nederland in 2015 volledig overgestapt zou zijn op het gebruik van verantwoorde soja (en sojaproducten) voor de productie van vlees, zuivel, eieren en andere voedingsmiddelen. Dit werd vastgelegd in de Intentieverklaring voor ketentransitie naar Verantwoorde Soja. Voor 2014 was de doelstelling om 1,5 miljoen ton verantwoord geproduceerde RTRS-soja in te kopen. Om dit te bereiken werd de Stichting Ketentransitie Verantwoorde Soja opgericht, een samenwerkingsverband van de diervoederindustrie, zuivel-, vlees- en eiersector, supermarkten en IDH. De monitoring van het aandeel duurzame soja werd uitgevoerd door deze stichting. De intentieverklaring is in 2015 afgelopen.
Door een tekort aan (internationale) marktvraag naar verantwoorde RTRS-soja is de doelstelling niet bereikt, zoals werd vermeld in een kamerbrief van de staatsecretaris van Economische Zaken (Kamerbrief, 2015). De stichting is in 2015 opgeheven, terwijl de activiteiten met een nieuwe doelstelling zijn voortgezet onder de vlag van Nevedi. De overheid is niet meer betrokken bij het nieuwe Nevedi-convenant. Het gaat nu om een initiatief van de diervoederindustrie. In het nieuwe convenant hebben de leden van Nevedi met elkaar afgesproken om vanaf 1 januari 2015 alleen soja in te kopen die voldoet aan minimum duurzaamheidseisen (Nevedi, 2014).
In de afgelopen drie jaar is door de Nederlandse diervoederbedrijven jaarlijks minimaal 1 miljoen ton verantwoorde soja volgens de duurzaamheidsstandaard RTRS ingekocht. Dit is meer ten opzichte van eerdere jaren. Waar het relatieve aandeel RTRS-soja in 2014 nog 16 procent was, is dit in 2020 62 procent (IDH, 2021).

Wereldwijde productie van duurzaam gecertificeerde soja

Het aandeel duurzaam gecertificeerde soja ten opzichte van de totale wereldproductie liep naar schatting op van minimaal 5 procent in 2017 tot minimaal 10 procent in 2019. Dit is berekend op basis van gegevens van IDH over duurzaam geproduceerde sojabonen en gegevens van FAOSTAT over de totale productie van sojabonen. Voor duurzaam gecertificeerde sojabonen is uitgegaan van de keurmerken die voldoen aan de FEFAC-richtlijnen. Van niet alle keurmerken is de hoeveelheid geproduceerde soja bekend. (IDH, 2021; IDH, 2020; IDH en IUCN-NL, 2019; FAOSTAT, 2021a).
In 2020 werd ruim 4,1 miljoen ton RTRS gecertificeerde soja verkocht via book & claim (B&C) certificaten en ruim 0,6 miljoen ton als fysiek product bij een aanbod van 4,8 miljoen ton RTRS gecertificeerde soja. In vergelijking met 2019 is er 20 procent meer soja via book & claim verkocht en 14 procent meer als fysiek product (RTRS, 2021).
Het keurmerk CRS hanteert minder strenge voorwaarden voor duurzame productie en biedt boeren de mogelijkheid om geleidelijk aan naar RTRS-certificering toe te werken. Donau/Europe-soja heeft twee essentiële kenmerken: de soja is afkomstig uit de Donau-regio (het stroomgebied van de Donau) of Europa en de sojabonen zijn niet genetisch gemodificeerd. In 2019 werd er 205 duizend ton Donau/Europe-soja verkocht, bij een aanbod van 670 duizend ton. De belangrijkste sectoren die in 2019 Donau/Europe soja-gecertificeerde sojaproducten verbruikten waren voornamelijk de landbouw en aquacultuursectoren, gevolgd door plantaardige voedingsproducten- en diervoedingssectoren (Donau Soja Organisation, 2020).

Wereldproductie duurzame soja
JaarDonau/Europe soja (miljoen ton)RTRS (miljoen ton)CRS (miljoen ton)ProTerra (miljoen ton)Biologisch (miljoen ton)
20110,420,334,050,85
20121,010,33,510,61
20131,160,382,930,62
20141,360,752,830,5
20152,31,343,60,86
20163,271,533,90,8
20170,24,150,913,90,8
20180,64,470,683,51,5
20190,684,110,623
20204,8
Bron: Donau/Europe soja, ProTerra, RTRS, CRS, IDH

3.1 Achtergrondinformatie en handelsstromen

De sojaboon is een peulvrucht die groeit aan de sojaplant. De langwerpige peulen zijn met dons bedekt en bevatten één tot vier bonen. Door veredeling kan de van oorsprong subtropische plant in een steeds groter gebied worden verbouwd, waaronder Nederland. Omdat de soja, nadat het is geoogst, wordt bewaard in collectieve silo’s, gaan de identiteit van ras en teler vroeg in de keten verloren en is duurzaam geproduceerde soja niet fysiek te volgen in de handelsketen.

Meer dan driekwart (77 procent) van de wereldproductie aan soja is bestemd voor het diervoeder van vee voor vlees- en zuivelproductie. De rest is bestemd voor biobrandstoffen, de industrie of plantaardige oliën. Slechts zeven procent wordt direct gebruikt in humane voedingsmiddelen, zoals tofoe en sojamelk (Ritchie, H. & Roser, M., 2021). Bij het crushen (uitpersen) van sojabonen ontstaat (eiwithoudend) schroot/meel (71 procent) en sojaolie (20 procent). Daarnaast komen hullen (6 procent) vrij en gaat een gedeelte van het volume verloren (3 procent) (LEI Wageningen UR, 2014). Door de hoge eiwitopbrengst per hectare en de goede aminozuursamenstelling, heeft soja een gunstige voedingswaarde en prijs-kwaliteitverhouding ten opzichte van andere eiwitbronnen voor diervoeders (Stichting Vlees.nl, 2021).

In Nederland wordt het merendeel van de sojaproducten verwerkt door de diervoederindustrie. Daarnaast wordt een klein deel van de sojaproducten (vooral sojaolie) verwerkt in de voedingsmiddelenindustrie (als in bakolie, margarine en noedels) en voor non-food-toepassingen (zoals cosmetische producten en biodiesel) (Profundo, 2014; LEI Wageningen UR, 2006). Bij de productie van voer voor gezelschapsdieren wordt nagenoeg geen soja gebruikt (NVG Diervoeding, 2021).

Productie

Om in de groeiende vraag naar soja voor voedsel en diervoeders vanuit Europa en Azië te voorzien, neemt de productie van soja al toe sinds de jaren zestig. In 2019 werd wereldwijd ruim 333 miljoen ton sojabonen geproduceerd. De Verenigde Staten waren tot 2019 de grootste producent van soja. In 2019 was dat Brazilië (FAOSTAT, 2021a).

Wereldproductie sojabonen
SojaproductieVerenigde Staten (miljoen ton)Brazilië (miljoen ton)Argentinië (miljoen ton)China (miljoen ton)India (miljoen ton)Overig (miljoen ton)
2010916953151325
2011847549141227
2012836640131525
2013918249121232
20141088753121138
2015107976112937
20161179659131338
201712011555151341
201812111838161142
20199711455161338
Bron: FAOSTAT, 1 december 2021
 

Nederland produceert nauwelijks sojabonen en is voor sojaproducten afhankelijk van de import (Profundo, 2014).

Handelsstromen

In 2019 werd wereldwijd 155 miljoen ton sojabonen geëxporteerd. Dit betreft 47 procent van de wereldwijde geproduceerde hoeveelheid sojabonen. De grootste exporteurs zijn Brazilië (74 miljoen ton), de Verenigde Staten (52 miljoen ton) en Paraguay (10 miljoen ton). De export van sojaolie is kleiner in omvang. In 2019 werd 12 miljoen ton sojaolie geëxporteerd. De grootste exporteurs van sojaolie zijn achtereenvolgend Argentinië (5 miljoen ton), Brazilië (1 miljoen ton) en de Verenigde Staten (1 miljoen ton). Recentere wereldwijde exportcijfers zijn nog niet gepubliceerd door FAOSTAT.

De invoer van sojaolie is voor ongeveer twee derde in handen van raffinagebedrijven, de rest wordt ingevoerd door handelsbedrijven en door de industrie. In 2019 werd wereldwijd 152 miljoen ton sojabonen en 12 miljoen ton sojaolie geïmporteerd. Binnen de EU is Nederland een grote importeur van sojabonen. Daarentegen importeert Nederland relatief weinig sojaolie, omdat het zelf een relatief grote producent is van sojaolie, die gecrusht wordt uit geïmporteerde sojabonen (IDH, 2021).

Nederlandse invoer van sojaproducten
JaarSojaschroot/-meel (miljoen ton)Sojabonen (miljoen ton)Sojaolie (miljoen ton)
20104,83,50
20114,630,1
20124,52,80,1
20134,33,60,1
20144,33,60,1
20153,94,40,1
201634,70,1
201733,80,1
20182,74,30,1
20192,64,10,1
20202,54,50,1
Bron: CBS
 

De meeste van de in Nederland geïmporteerde sojaproducten worden zonder verdere bewerking of verwerking doorgevoerd naar andere Europese landen. Ook de sojaproducten die de Nederlandse raffinadeurs maken, worden voor het grootste gedeelte geëxporteerd (Profundo, 2014). Sinds 2015 is er een wisseling in de samenstelling van geïmporteerde sojaproducten. Sojabonen vormen sindsdien het belangrijkste soja importproduct.

Nederlandse in- en uitvoer van sojabonen
Jaarinvoer (miljoen ton)uitvoer (miljoen ton)
20103,51,2
201130,7
20122,81,6
20133,61,3
20143,61,2
20154,41,1
20164,71,1
20173,81
20184,31
20194,10,9
20204,51,1
Bron: CBS
 

Verwerkende industrie

In Nederland wordt de meeste soja verbruikt in de diervoederindustrie, waarbij het dan voornamelijk gaat om sojaschroot. In de jaren 2017-2019 werd bij de productie van diervoeders in Nederland gemiddeld 1,9 miljoen ton sojaproducten (inclusief sojahullen) per jaar verbruikt (IDH, 2019-21).

De voedingsmiddelenindustrie in Nederland verbruikt veel minder soja. Het gaat dan vooral om sojaolie en in mindere mate om sojaschroot en sojabonen. De overige industrie verwerkt sojaolie in onder andere wasmiddelen, verf en cosmetica. Verder wordt sojaolie gebruikt voor energietoepassingen als biodiesel.

Consumptie

De menselijke consumptie van soja vindt in Nederland vooral indirect plaats in de vorm van veeteeltproducten en maar voor een klein deel direct in voedingsmiddelen (bijvoorbeeld sojamelk en tofoe) (Profundo, 2014; LEI Wageningen UR, 2006).

3.2 Convenant en certificering

Doelstelling, deelnemers en indicator

De partijen in de sojaketen hadden met het Initiatief voor Duurzame Handel (IDH) afgesproken om een transitie naar het gebruik van verantwoorde soja in Nederland te realiseren. Om dit te bereiken werd de Stichting Ketentransitie Verantwoorde Soja opgericht, een samenwerkingsverband van de diervoederindustrie, zuivel-, vlees- en eiersector, supermarkten en IDH. Het doel van de stichting was om in 2015 het volledige gebruik van sojaproducten voor de productie van vlees, zuivel, eieren en andere voedingsmiddelen in Nederland af te dekken met verantwoord geproduceerde soja.

Om deze overgang mogelijk te maken, hadden de partijen de intentie om elk jaar meer verantwoord geproduceerde sojaproducten (exclusief sojahullen) aan te kopen voor verwerking in de diervoederindustrie: 0,5 miljoen ton in 2012, 1 miljoen ton in 2013 en 1,5 miljoen ton in 2014. In 2015 zou er dan 1,8 miljoen ton aan duurzame sojaproducten (exclusief sojahullen) beschikbaar moeten zijn voor de Nederlandse diervoederindustrie en 80 miljoen kg duurzame sojaolie voor de voedingsmiddelenindustrie.

Door een tekort aan (internationale) marktvraag naar verantwoorde RTRS-soja was de doelstelling niet bereikt, zoals werd vermeld in een kamerbrief van de staatsecretaris van Economische Zaken (Kamerbrief, 2015). De stichting werd in 2015 opgeheven, terwijl de activiteiten met een nieuwe doelstelling zijn voortgezet onder de vlag van Nevedi. De overheid is niet meer betrokken bij het nieuwe Nevedi-convenant. Het gaat nu om een initiatief van de diervoederindustrie (Nevedi, 2014).

In het nieuwe convenant hebben de leden van Nevedi met elkaar afgesproken om vanaf 1 januari 2015 alleen soja in te kopen die voldoet aan minimum duurzaamheidseisen. Voor de soja die een diervoederbedrijf inkoopt zijn er vier verschillende situaties:

  1. De Nederlandse retailers zullen via hun inkoopvoorwaarden verantwoorde soja (RTRS of hieraan gelijkwaardig) als standaardeis opnemen voor de inkoop van dierlijke producten.
  2. Voor de Nederlandse productie van alle zuivel, dus ook voor de export, dient het diervoeder alleen RTRS- of gelijkwaardig gecertificeerde sojaproducten (inclusief hullen) te bevatten.
  3. Voor varkensvlees en pluimveevlees met de certificering SMK (Stichting Milieukeur) zal de vraag naar verantwoorde soja (RTRS of gelijkwaardig) van de slachterijen komen.
  4. Voor de overige soja die de Nederlandse diervoederbedrijven inkopen waarvoor nog geen concrete marktvraag naar verantwoorde soja (exclusief hullen) is, gelden de eisen van het Nevedi-convenant. De Nevedi-leden gebruiken vanaf 1 januari 2016 de FEFAC Soy Sourcing Guidelines als criteria.

Certificering

Verantwoord geproduceerde soja zou volgens de Stichting Ketentransitie Verantwoorde Soja moeten voldoen aan de principes en criteria van de Round Table on Responsible Soy (RTRS) of een hieraan gelijkwaardige standaard. De RTRS is een internationaal platform waarbinnen sojaproducenten, sojahandel, verwerkende industrie, banken en maatschappelijke organisaties de wereldwijde sojaproductie en -handel verduurzamen. De RTRS heeft niet alleen de duurzaamheidscriteria voor de mondiale sojateelt ontwikkeld, maar is tevens verantwoordelijk voor de accreditatie van certificeringsinstellingen.

Bij de RTRS-certificering bestaan verschillende handelsmodellen om verantwoorde soja in te kopen. Doordat er wereldwijd nog te weinig vraag is naar verantwoorde soja, wordt gecertificeerde soja gemengd met gangbare soja. Een volledige logistieke scheiding zou te hoge meerkosten met zich meebrengen. Voor het inkopen van verantwoorde soja worden daarom de volgende handelsopties gebruikt:

  • Area Mass Balance (AMB): de duurzame grondstof is afkomstig van gecertificeerde bronnen uit specifieke gebieden en wordt administratief gevolgd in de keten, maar kan vermengd worden met niet-duurzame grondstof;
  • Mass Balance (MB): de duurzame grondstof van gecertificeerde bronnen wordt administratief gevolgd in de keten, maar kan vermengd worden met niet-duurzame grondstof;
  • Book & Claim (B&C): binnen een B&C-systeem kunnen eindgebruikers van bepaalde grondstoffen certificaten kopen voor duurzaam geproduceerde grondstoffen. Een certificaat staat dan voor de productie van een ton duurzaam gecertificeerde grondstof.

Bedrijven die onderdeel worden van de handelsketen voor verantwoorde soja moeten zelf ook worden gecertificeerd door een onafhankelijk certificeringsbureau. Bij de Chain of Custody (CoC) certificering wordt gecontroleerd of een bedrijf op een adequate manier bijhoudt hoeveel van het gecertificeerde product is verhandeld.

3.3 Monitoring van de doelstelling

De monitoring van het aandeel duurzame soja richtte zich tot en met 2014 op de doelstelling voor de diervoederindustrie. Deze werd uitgevoerd door de Stichting Ketentransitie Verantwoorde Soja. De doelstelling voor de jaren 2012 tot en met 2014 betrof alleen het gebruik van sojaschroot/sojameel in de Nederlandse diervoederindustrie, exclusief de voeders voor huisdieren (petfood). De doelstelling van Nevedi richt zich op alle aangekochte soja door de leden van Nevedi.

Verbruik verantwoorde soja Nederlandse diervoederindustrie

Het totaal aan verbruikte duurzame soja is de hoeveelheid soja die via B&C-certificaten wordt ingezet plus de hoeveelheid soja die ingekocht is via de handelsopties Area Mass Balance en Mass Balance. Het gebruik van certificaten wordt geregistreerd op de website van RTRS. De fysieke stroom verantwoorde soja verloopt via organisaties die een Chain of Custody certificering hebben.

Berekening aandeel verantwoorde soja

Sinds de stopzetting van de monitoring door Stichting Keten Transitie in 2015 heeft Nevedi de monitoring van soja op zich genomen. Via een verplichte enquête onder haar leden vergaart Nevedi jaarlijks gegevens over de Nederlandse import, export en het verbruik van soja. Nevedi dekt tenminste 95 procent van de diervoederbedrijven in Nederland. Voor het deel dat niet aangesloten is bij Nevedi wordt in de cijfers niet gecorrigeerd, maar hun geschatte aandeel is klein. 
De gegevens worden jaarlijks geleverd aan FEFAC voor de opmaak van de European Soy Monitor. Op basis van deze gegevens van Nevedi over de inkoop van verantwoorde RTRS-soja, heeft het CBS het aandeel verantwoord geproduceerde RTRS-soja berekend.

 

4. Hout

In 2020 was 93,7 procent aan naaldhout, hardhout en plaatmateriaal dat door Nederlandse groothandelsbedrijven in hout en plaatmaterialen werd geïmporteerd voorzien van een CoC-certificaat voor duurzaam bosbeheer. In 2019 was 91,9 procent CoC-gecertificeerd. Het volume van de import, gecertificeerd en niet-gecertificeerd, groeide in 2020 met 16,2 procent ten opzichte van 2019 en bedroeg ruim 2 miljoen kubieke meter (m³). Dit volume bestond uit 1,1 miljoen m³ naaldhout, 0,3 miljoen m³ hardhout en 0,6 miljoen m³ plaatmaterialen. Het aandeel gecertificeerd bedroeg voor naaldhout 98,8 procent, voor hardhout 67,2 procent en voor plaatmaterialen 98,2 procent (VVNH/Probos 2021).

Import duurzaam naaldhout, hardhout en plaatmateriaal door Nederlandse groothandelsbedrijven
 gecertificeerd (%)regulier (%)
20107129
20117723
20128317
20138614
20148812
201588,711,3
201690,29,8
201791,88,2
201891,98,1
201991,98,1
202093,76,3
Bron: VVNH, PROBOS

In 2020 was 78 procent van de ingekochte hoeveelheid hout (inclusief import) bij de productie en reparatie van pallets en emballagemateriaal door EPV-leden aantoonbaar duurzaam gecertificeerd. In 2019 was dit 71 procent. Het volume ingekocht hout in 2020 bedroeg 1 miljoen m³ ten behoeve van productie of reparatie van houten verpakkingen. Dat is bijna 2 procent minder dan in 2019 (EPV/KANTAR, 2021).

Ingekocht duurzaam hout door EPV-leden
JaarFSC (%)PEFC (%)geen certificering (%)
2017114940
2018145927
2019125929
2020116722
Bron: EPV, KANTAR

Wereldwijde productie van duurzaam geproduceerd hout

In 2019 was er wereldwijd 434,5 miljoen hectare (ha) duurzaam beheerd bos. Dit duurzaam gecertificeerde areaal bedraagt bijna 11 procent van het totale areaal aan bos (productiebos en overig bos). Hierbij is rekening gehouden met dubbeltellingen. Een areaal kan namelijk meerdere keurmerken hebben. Volgens UNECE was in 2016 naar schatting 29 procent van de wereldproductie aan rondhout duurzaam gecertificeerd en dat omvatte circa 511 miljoen m³ gecertificeerd rondhout. 
In de figuur zijn de arealen per keurmerk weergegeven, omdat er geen recente gegevens over de laatste jaren beschikbaar zijn over gecertificeerde houtvolumes (m³). Medio 2020 bedroeg het areaal dat zowel PEFC als FSC gecertificeerd is 95 miljoen hectare (PEFC, 2021b).

Wereldareaal duurzaam beheerd bos
 PEFC (miljoen ha)FSC (miljoen ha)
2015272,3187,9
2016301,7197,1
2017316,3197,7
2018309,5196,9
2019326,6202,5
2020324,6221,6
Bron: PEFC, FSC

Zowel FSC als PEFC publiceert jaarlijks gedetailleerde cijfers over de arealen gecertificeerde bossen, maar niet over de geproduceerde volumes gecertificeerd hout.

4.1 Achtergrondinformatie en handelsstromen, hout

Hout heeft een grote verscheidenheid aan eigenschappen en is daardoor geschikt voor allerlei toepassingen. Het wordt gebruikt als bouwmateriaal, verpakkingsmateriaal, als grondstof voor onder andere papier en spaanplaat en als energiebron. Er komt steeds meer vraag naar nieuwe bronnen voor houtige producten, zoals snoeihout uit stedelijk en landelijk gebied voor de productie van energie. Ook wordt hout steeds belangrijker voor de biochemische industrie (Probos, 2012).

Bij de productie van hout worden drie stromen onderscheiden (Probos, 2012):

  • Primair: hout met een vochtgehalte van ongeveer 50 procent dat rechtstreeks van de bron afkomstig is (bijvoorbeeld rondhout uit het bos en chips van snoeihout uit het landschap) en resthout van de rondhoutverwerkende industrie (primaire houtverwerking).
  • Secundair: houtige biomassa die al een bewerking heeft ondergaan, zoals gezaagd hout en plaatmateriaal, of het resthout dat vrijkomt bij de bewerking van gezaagd hout en plaatmateriaal. Het vochtgehalte van secundair hout is ongeveer 15 procent.
  • Tertiair: gebruikt hout, zoals bouw- en sloophout, weggegooide pallets en kisten. Resthout van de bewerking van plaatmateriaal kan zowel tot secundair als tot tertiair worden gerekend en zal dan ook in beide stromen voorkomen.

Productie

Het wereldareaal aan bos neemt af. In 2019 was er 42,5 miljoen hectare bos minder dan in 2010. Dat is gelijk aan tien keer de landoppervlakte van Nederland. Het aandeel bos van het wereldlandareaal was 31 procent in 2019 en had een oppervlakte van bijna 4,1 miljard hectare (FAOSTAT, 2021a). Het meeste bos is te vinden in Rusland, Brazilië, Canada en de Verenigde Staten (FAOSTAT, 2021a).

In 2020 is wereldwijd 3,9 miljard m³ rondhout geproduceerd, waarvan 2,0 miljard m³ industrieel rondhout, en 1,9 miljard m³ brandhout. De productie van gezaagd hout bedroeg 0,5 miljard m³. De grootste producent van industrieel rondhout en gezaagd hout is de Verenigde Staten. India is de grootste producent van brandhout (voor eigen gebruik). De productie van plaathout bedroeg bijna 0,4 miljard m³ met China als de grootste producent.

Wereldproductie rondhout
 Verenigde Staten (miljoen ton)India (miljoen ton)China (miljoen ton)Brazilië (miljoen ton)Rusland (miljoen ton)Overig (miljoen ton)
20103773583512351752091
20113953583462531912127
20123883583422671922139
20133973573482611942180
20143993573382592032207
20153993563212482062225
20164373553342672142244
20174373543292722122274
20184643533452822362336
20194593523422662182327
20204303523422662172308
Bron: FAOSTAT, 1 december 2021
 

Nederland beschikte in 2020 over 369,5 duizend hectare (ha) bos, waarvan ongeveer de helft in privaat eigendom is. Van het areaal bos is  3,0 duizend ha specifiek bestemd voor houtproductie, 221,2 duizend ha voor multifunctioneel gebruik en 145,3 duizend ha is beschermd bosgebied (FAO, 2021). Van het Nederlandse bos is 171,1 duizend ha gecertificeerd, bijna volledig met het FSC keurmerk (98 procent) (FSC, 2021b & PEFC, 2021a).

Handelsstromen

In 2019 was de hoeveelheid in Nederland geoogst rondhout 2 805 duizend m³ onderverdeeld in 742 duizend m³ industrieel rondhout en 2 063 miljoen m³ brandhout. Er is 283 duizend m³ industrieel rondhout geïmporteerd en 498 duizend m³ geëxporteerd. De Nederlandse productie van gezaagd hout bedroeg 141 duizend m³ en er werd 3 355 duizend m³ gezaagd hout ingevoerd en 767 duizend m³ uitgevoerd. Van plaatmateriaal was de Nederlandse productie 29 duizend m³, de import 1 757 duizend m³ en de export 357 duizend m³ (FAOSTAT, 2021a).

Het in Nederland verwerkte industrieel rondhout dat werd ingevoerd bedroeg circa 0,28 miljoen m³ in 2019. Dit rondhout is vooral afkomstig uit België, Duitsland en Frankrijk en betreft voor 58 procent naaldhout (FAOSTAT, 2021a). In 2019 werd gezaagd naaldhout vooral uit Zweden en Duitsland ingevoerd en plaatmateriaal uit Duitsland en België.

4.2 Convenant en certificering, hout

Doelstelling, deelnemers en indicator

In 2013 werd de Green Deal “Bevorderen duurzaam bosbeheer” ondertekend door publieke en private partijen, zoals de ministeries van Infrastructuur en Milieu, Economische Zaken en Buitenlandse Zaken, de houtsector, branches in de bouw-, meubel- en retail-keten, FNV Bouw, CNV Vakmensen, het Initiatief Duurzame Handel en Tropenbos International. De doelstelling van de Green Deal was het aandeel hout uit duurzaam beheerd bos op de Nederlandse markt te vergroten. Eind 2015 liep de Green Deal af. In 2017 kwam er een vervolg op deze Green Deal met het convenant “Bevorderen duurzaam bosbeheer”. In dit convenant hebben 23 partijen hun krachten gebundeld om duurzaam bosbeheer te bevorderen en internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen in de gehele houtketen te versterken. Het streven van het convenant was de houtketen verder te verduurzamen door duurzaam geproduceerd hout de norm te maken. Doelstellingen zijn onder andere gericht op vereenvoudiging van certificering, uitbreiding van het areaal onder duurzaam bosbeheer en de marktvraag naar duurzaam geproduceerd hout vergroten. De doelstelling was dat in 2020:

  • 100% van het plaatmateriaal dat op de Nederlandse markt wordt gebracht duurzaam geproduceerd en/of geïmporteerd is met een FLEGT-vergunning waarbij geldt dat ten minste 90% duurzaam is.
  • 100% van het naaldhout dat op de Nederlandse markt wordt gebracht en gebruikt duurzaam geproduceerd is.
  • Ten minste 60% van het gematigd loofhout dat op de Nederlandse markt wordt gebracht en gebruikt duurzaam geproduceerd is.
  • Ten minste 95% van het tropisch loofhout dat op de Nederlandse markt wordt gebracht en gebruikt duurzaam geproduceerd is en/of geïmporteerd met een FLEGT-vergunning waarbij geldt dat tenminste 75% duurzaam is.

Het convenant had een looptijd van drie jaar. In december 2020 werd het convenant afgesloten. In het convenant zijn geen afspraken gemaakt over monitoring van de doelstellingen.

De indicatoren waar het convenant zich op richt hebben alleen betrekking op de primaire houtproducten op de Nederlandse markt. Kant-en-klare houtproducten, zoals tafels, stoelen en tuinschermen, vallen niet binnen de scope van de marktmeting. Ook houtige biomassa, die vooral voor de opwekking van energie wordt gebuikt, valt buiten de scope.

Certificering

Duurzaam geproduceerd hout wordt gedefinieerd als hout dat aantoonbaar afkomstig is uit een gecertificeerd bos, waarbij het certificatiesysteem geaccepteerd moet zijn voor het duurzaam inkoopbeleid van de Nederlandse overheid. De basis voor dat inkoopbeleid zijn de inkoopcriteria van de Nederlandse overheid voor duurzaam geproduceerd hout (Timber Procurement Assessment System, TPAS). Forest Stewardship Council International (FSC) en Programme for Endorsement of Forest Certification International (PEFC) inclusief het Malaysian Timber Certification Scheme (MTCS) zijn goedgekeurd binnen het duurzaam inkoopbeleid. Hout met een FLEGT-vergunning wordt door partijen die deelnemen aan het convenant niet beschouwd als duurzaam geproduceerd, maar omdat de FLEGT-vergunning een belangrijke opstap is voor duurzaam bosbeheer in tropische landen wordt het gebruik ervan wel gestimuleerd.

4.3 Monitoring van de doelstelling

Binnen het convenant zijn geen afspraken gemaakt over monitoring van de doelstelling. Er is daarom vanuit het convenant ook niet gemonitord. Stichting Probos stelt in opdracht van VVNH (Koninklijke Vereniging van Nederlandse Houtondernemingen) jaarlijks een rapportage op waarmee het door de VVNH-leden gerapporteerde aandeel aantoonbaar duurzaam geïmporteerde of ingekochte hout wordt gemonitord. Voor de jaren 2005, 2008, 2011, 2013, 2015 en 2017 heeft Stichting Probos in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ook marktmetingen uitgevoerd. De indicatoren waar de marktmeting zich op richt sluiten goed aan op de doelstelling uit het convenant.

Gegevensverzameling totale volumes hout

Voor de meting door Stichting Probos worden de Nederlandse primaire houtverwerkers en de importeurs van primaire houtproducten ondervraagd. De totale Nederlandse productie van primaire houtproducten is afgeleid uit de jaarlijkse Probos-rondhoutenquête. De cijfers over de import en export heeft Probos afgeleid uit de CBS-handelsstatistieken.

Voor de productgroep “gezaagd hout en plaatmateriaal” wordt in de eerste plaats geïnventariseerd bij de leden van de verschillende brancheorganisaties die dit hout invoeren en mogelijk uitvoeren, met daaraan toegevoegd de Chain of Custody (CoC) gecertificeerde bedrijven en de overige bedrijven die volgens het “Houtadresboek” hout importeren.

Gegevensverzameling volumes duurzaam geproduceerd hout

Voor het verkrijgen van gegevens over het verhandelde en verwerkte volume Nederlands FSC-rondhout en buitenlands FSC- en PEFC-rondhout is gebruik gemaakt van de jaarlijkse Probos-rondhoutenquête.

Bij de eigenaren van Nederlands FSC-gecertificeerd bos is de hoeveelheid geoogst hout opgevraagd. Voor het monitoren van de geëxporteerde en in Nederland verwerkte volumes van het bij de Nederlandse boseigenaren geoogste FSC-rondhout, werden alle FSC-CoC-gecertificeerde bedrijven benaderd die aangesloten zijn bij de Algemene Vereniging Inlands Hout (AVIH).

Voor het volume duurzaam geproduceerd gezaagd hout en plaatmateriaal is in de eerste plaats bij de verschillende brancheorganisaties geïnventariseerd wie van de leden dit hout invoeren (en mogelijk uitvoeren). Aan deze bedrijven zijn enquêtes verstuurd. Daaraan toegevoegd zijn FSC en PEFC CoC-gecertificeerde bedrijven en overige bedrijven die volgens het Houtadresboek hout importeren.

Berekeningen

Nadat de gegevens zijn verzameld, ontbrekende gegevens zijn geïmputeerd, opvallende gegevens zijn gecontroleerd en zo nodig gecorrigeerd, worden de totalen (uitgesplitst naar onder andere certificering, land van herkomst en houtsoort) berekend. Daarna worden de totalen voor non-respons geschat in overleg met de houtsector. Voor kleinere bedrijven (die in de enquête ontbreken) is in overleg met de brancheverenigingen een bijschatting binnen alle productgroepen gehanteerd. De verschillende hoeveelheden hout worden vervolgens omgerekend naar rondhoutequivalent. Daarna is het aandeel duurzaam geproduceerd hout voor de Nederlandse markt en per uitsplitsing (onder andere naar certificering, land van herkomst en productgroep) bepaald.

Kantar heeft in opdracht van de embalage -en palletindustrievereniging (EPV) een brancheonderzoek uitgevoerd onder EPV-leden waarin ook onderzoek is gedaan naar het aandeel aantoonbaar duurzaam geproduceerd hout. Hiervoor heeft Kantar een vragenlijst uitgezet onder EPV-leden. Voor non-respons is gecorrigeerd middels een ophoogfactor.

5. Aspecten

5.1 Duurzaamheid

Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld, in gevaar te brengen, aldus de definitie van de VN-commissie Brundtland uit 1987. In het Brundtland-rapport ‘Our common future’ wordt een verbinding gelegd tussen economische groei, milieuvraagstukken en armoede- en ontwikkelingsproblematiek. Het rapport stelt dat armoede een belemmering vormt voor duurzaam gebruik van de natuurlijke omgeving en dat integratie van natuurbehoud en economische ontwikkeling nodig is voor duurzame ontwikkeling. Bij duurzame ontwikkeling is dus sprake van een ideaal evenwicht tussen ecologische, economische en sociale belangen. Alle ontwikkelingen die op technologisch, economisch, ecologisch, politiek of sociaal vlak bijdragen aan een gezonde aarde met welvarende bewoners en goed functionerende ecosystemen, zijn duurzaam.

Onder het begrip ‘duurzaamheid’ kan men veel verstaan. Om consumenten, handelaren en producenten te helpen bij het maken van de keuze voor de aanschaf van een duurzaam product bestaan er inmiddels diverse standaarden die aangeven of de agro-grondstof duurzaam verbouwd of geproduceerd is. Standaarden voor de zakelijke markt, zoals Global Good Agricultural Practice (Global Gap) en Business Social Compliance Intiative (BSCI), zijn niet herkenbaar voor de consument. Standaarden voor de consumentenmarkt, zoals Fairtrade-Max Havelaar, Forest Stewardship Council, Utz Certified, EKO-keurmerk en Beter Leven zijn wel herkenbaar aan een keurmerk op de verpakking. Duurzaamheidskeurmerken richten zich op welzijn van mens en dier, eerlijke handel en natuur en milieu. Om voor een keurmerk in aanmerking te komen, moet de productie van een agro-grondstof aan bepaalde voorwaarden voldoen. Tussen de keurmerken bestaan verschillen en overeenkomsten. Vaak zijn keurmerkorganisaties lid van de International Social and Environmental Accreditation and Labeling Alliance (ISEAL Alliance), die als missie het versterken van geloofwaardige effectieve duurzaamheidsstandaarden heeft.

Over de kwaliteit van keurmerken kan discussie bestaan. Voor palmolie en soja is onderzoek gedaan door IUCN-nl en Profundo naar verschillende aspecten van duurzaamheid bij verschillende certificaten voor de genoemde agrogrondstoffen.

Duurzaamheid en ontbossing

Jaarlijks gaat er wereldwijd areaal bos verloren. Het is voornamelijk de landbouw die deze wereldwijde ontbossing veroorzaakt (FAO, 2016). Vaak wordt de productie van palmolie en soja genoemd als oorzaak van de ontbossing. Nederland behoort tot de grootste importeurs van palmolie en soja ter wereld. Een duurzame productie van deze agro-grondstoffen kan bijdragen aan het verminderen en uiteindelijk voorkomen van verdere ontbossing en aan het beschermen van natuurlijke ecosystemen, van biodiversiteit en van gebieden met een hoge beschermingswaarde, de zogenaamde “High Conservation Value areas” op en rond gecertificeerde productiegebieden (boerderijen en plantages). Er wordt steeds vaker onderscheid gemaakt tussen ontbossingsvrij en conversievrij. Conversievrij gaat verder dan ontbossingsvrij, waarbij niet alleen bos maar ook savanne, weidegebieden en wetlands niet mogen worden omgezet in soja- of palmolieplantages.

Nederlandse marktpartijen hebben zich gecommitteerd aan concrete mijlpalen op weg naar een maximaal gebruik van duurzaam geproduceerde grondstoffen voor de Nederlandse markt, wat vastgelegd is in verschillende convenanten. Het CBS hanteert in de Monitor Duurzame Agro-grondstoffen de definitie van duurzaamheid zoals die binnen de verschillende convenanten is vastgesteld. De meeste afspraken baseren zich op een of meerdere keurmerken.

IUCN-NL en soja: ontbossing

De eisen die de diverse keurmerken stellen om ontbossing bij de productie te voorkomen kunnen aanzienlijk verschillen als het gaat om criteria voor bosbescherming. Voor soja gaat het hier om de duurzaamheidskeurmerken die voldoen aan de FEFAC Soy Sourcing Guidelines. Voor de Nederlandse diervoederindustrie gelden die als minimumeisen voor de verantwoorde soja die in diervoeders verwerkt wordt. Anno 2021 zijn 19 standaarden goedgekeurd volgens de FEFAC Soy Sourcing Guidelines. In 2019 voerde Profundo in opdracht van IUCN-NL een benchmark-onderzoek uit naar de meest gebruikte duurzaamheidsstandaarden. Wat betreft het voorkomen van ontbossing laten de duurzaamheidsstandaarden verschillende interpretaties zien. Sommigen zetten in op nationale wetgeving door alleen illegale ontbossing te verbieden. Anderen hanteren een duidelijk verbod op ontbossing dat wordt toegepast op alle inheemse vegetatie en waarbij geen conversie voor sojaproducten is toegestaan na een bepaalde cutoff datum. De standaarden ISCC Plus en RTRS omvatten de meeste criteria over bossen, wetlands en behoud van biodiversiteit, evenals het hoogste zekerheidsniveau.

IUCN-NL en palmolie: biodiversiteit

Voor palmolie wordt RSPO als enige duurzaamheidskenmerk gebruikt in Nederland. RSPO certificering omvat een totaalverbod op ontbossing voor de productie van duurzame palmolie. Daarnaast moeten bossen met grote sociale en milieutechnische waarde (zogenoemde HCV en HCS bossen) die in de buurt van palmplantages liggen worden beschermd. Tevens is er binnen het RSPO ook een totaalverbod op palmplantages op veenland. (DASPO, 2021).

In 2019 publiceerde IUCN een benchmark waarin zes veel gebruikte certificeringssystemen voor duurzame palmolie werden beoordeeld op het aspect van behoud van de biodiversiteit. Van de zes beoordeelde systemen is RSPO het enige systeem dat op het moment in Nederland door DASPO wordt gehanteerd. De certificeringssystemen zijn op verschillende aspecten beoordeeld.  Om een aantal te noemen: bescherming biodiversiteit, instandhouding habitat, voorkoming sterfte onder diersoorten die onder druk staan, wederopbouw van de natuurlijk habitat en het betrekken van de lokale bevolking bij de bescherming van de biodiversiteit. Tot slot is er ook gekeken naar of de verschillende systemen ook daadwerkelijk waarmaken wat wordt beloofd.

Uit de benchmark bleek dat het RSPO het beste scoort op zowel de bescherming van de biodiversiteit (70 procent van maximaal mogelijke score) als ook de zekerheid dat het systeem doet wat het beloofd te doen (85 procent van de maximale score). RSPO scoort bijvoorbeeld erg sterk op de bescherming van de biodiversiteit. Dat geldt ook voor het voorkomen van habitatfragmentatie. Op de andere aspecten van de benchmark scoort RSPO op deelaspecten sterk terwijl andere deelaspecten ruimte laten zien voor verbetering. In vergelijking met de andere vijf certificeringssystemen RSPO scoort beduidend hoger. (IUCN-NL, 2019)

Een van de aanbevelingen van IUCN-NL in het rapport is dat spelers in de aanbodketen voor de Palmolie moeten vragen naar RSPO gecertificeerde palmolie.

Hout en duurzaamheid

Legaal hout is gekapt en verhandeld volgens de geldende wet- en regelgeving van het land van herkomst. Legaal hout is niet hetzelfde als duurzaam hout. Duurzaam hout is hout dat aantoonbaar afkomstig is uit duurzaam beheerde bossen. Dit zijn bossen waarbij de ecologische functie van het bos als leefomgeving van planten –en diersoorten in stand wordt gehouden. Daarnaast wordt er bij duurzaam bosbeheer rekening gehouden met sociale aspecten, zoals de rechten van bosarbeiders. Voor de instandhouding van het bos is het van belang dat het bos economische waarde krijgt, zodat het beschermd kan worden tegen de omzetting naar onder andere soja- en palmolieplantages. Duurzaam hout is voorzien van een certificaat of logo. Er zijn twee internationale keurmerken die duurzaam bosbeheer aantoonbaar en transparant maken, FSC en PEFC (inclusief het Maleisische MTCS). Deze keurmerken zijn goedgekeurd binnen het duurzaam inkoopbeleid van de overheid.

5.2 Valideren van de monitoring

Voor de Monitor Duurzame Agro-grondstoffen 2021 heeft het CBS gekeken naar de voortgang van de verduurzaming voor de grondstoffen palmolie, soja en hout. De monitoring van de voortgang van verduurzaming zelf wordt uitgevoerd door andere organisaties. Het CBS heeft beoordeeld in hoeverre de manier waarop de monitoring is uitgevoerd voldoende valide is en betrouwbare resultaten oplevert. Hierbij is alleen het proces gevalideerd.

Alle stappen in het proces moeten op een correcte manier worden uitgevoerd om tot betrouwbare resultaten te komen. De methode op basis waarvan de organisaties de monitoring uitvoeren is onderzocht door rapporten te bestuderen, gesprekken met betrokkenen te voeren en bevindingen terug te koppelen. Op deze wijze is een zo goed mogelijk beeld verkregen van de manier waarop de voortgang van de verduurzaming gemonitord wordt.

Bij het beoordelen van de monitoring is in het bijzonder gekeken naar de volgende onderdelen:

  • onderzoeker/onderzoeksinstituut
  • dataverzameling
  • onderzoekspopulatie
  • gehanteerde methoden
  • rapportage

Deze onderdelen zijn beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

  • validiteit
  • betrouwbaarheid
  • reproduceerbaarheid en documentatie
  • objectiviteit
  • representativiteit

5.2.1 Validiteit

Voor een goede interpretatie van de resultaten is het van belang dat de populatie duidelijk afgebakend en omschreven is. Ook is het van belang na te gaan in hoeverre de populatie waarover uitspraken wordt gedaan aansluit bij de populatie waarover gegevens zijn verzameld. De dataverzameling en onderzoeksmethode zijn valide wanneer ze ook daadwerkelijk informatie opleveren over de variabelen die men wil waarnemen. De resultaten in de rapportage zijn valide wanneer correcte conclusies worden getrokken op basis van de waarnemingen die antwoord geven op de onderzoeksvraag.

In de validatie van de monitoring is gekeken of de gemeten indicator goed aansluit op de indicator die als doelstelling was opgenomen in het initiatief. In de meeste gevallen was de indicator en/of de scope die in het initiatief was vermeld vanwege praktische redenen (tijdelijk) vervangen door een andere indicator en/of scope. De populatie van bedrijven waarover uitspraken worden gedaan, zijn (nagenoeg) dekkend voor de indicatoren van palmolie, soja en hout.

Voor de monitoring van de palmolie wordt gemeten wat de Nederlandse raffinadeurs aan Nederlandse levensmiddelenproducenten leveren. Dit wijkt iets af van de scope, namelijk het gebruik van duurzame palmolie door de Nederlandse levensmiddelenindustrie. Naar verwachting levert dit slechts kleine verschillen op omdat de Nederlandse levensmiddelenindustrie vrijwel geen palmolie in het buitenland koopt.

Voor hout is geen recent compleet beeld beschikbaar. Voor het gebruik van duurzaam hout zijn de importgegevens van de Nederlandse houthandel bekeken op aantoonbaar duurzaam. Daarnaast is de inkoop van de Nederlands Emballage- en Palletindustrie gemonitord op aantoonbaar duurzaam hout voor zover ze lid zijn van EPV die samen circa 80 procent van de houten verpakkingen in Nederland produceren.

Bij het rapporteren van de resultaten is het van belang dat altijd duidelijk beschreven wordt waar de uitkomsten betrekking op hebben. In de documentatie en rapportage is dit het geval.

5.2.2 Betrouwbaarheid

Op basis van de verzamelde data kan worden berekend wat het aandeel duurzaam is. Hier gaan vaak nog diverse bewerkingen aan vooraf en bovendien kunnen er aannames aan de berekeningen ten grondslag liggen. Betrouwbaarheid heeft betrekking op de vraag of en in hoeverre de resultaten beïnvloed worden door toevalfouten. De dataverzameling, methode en resultaten zijn betrouwbaar wanneer ze bij herhaling hetzelfde resultaat zouden opleveren.

Voor de grondstoffen palmolie en soja geldt dat de resultaten gebaseerd zijn op een zo goed als volledige dekking van de populatie. Er is geen gebruik gemaakt van steekproeven.

Voor de monitoring van de meeste grondstoffen geldt dat op de data en resultaten controles worden uitgevoerd. Deze controles hebben onder andere betrekking op de consistentie door de jaren heen. Ook worden resultaten vergeleken met andere bronnen en worden experts of accountants voor controles ingeschakeld. Waar nodig wordt aan de berichtgevers teruggekoppeld dat er verschillen zijn geconstateerd en worden eventuele fouten in de opgaven gecorrigeerd. Uitbreiding van controles door accountants van door leveranciers en producenten opgegeven (duurzame) hoeveelheden draagt bij aan grotere betrouwbaarheid van de resultaten. Bij soja geldt dat er jaarlijks door een onafhankelijk accountantskantoor een steekproef wordt uitgevoerd waarbij gecontroleerd wordt of de door de Nevedi-leden opgegeven informatie in de enquête overeenkomt met de gegevens die de diervoerbedrijven zelf bijhouden.

Bij palmolie geldt doordat de raffinadeurs sinds 2019 zelf via een template de cijfers per voedingsmiddelensector aanleveren, MVO minder mogelijkheden heeft om de cijfers te controleren. De controles die plaatsvinden is vooral een check in het licht van de cijfers van voorgaande jaren.

Bij hout geldt dat niet de gehele houtketen in beeld is. De dekking van de populatie bedrijven in de houtsector is dan ook niet volledig.

5.2.3 Reproduceerbaarheid en documentatie

Een goed uitgevoerd onderzoek moet controleerbaar en reproduceerbaar zijn. Daarvoor is een volledige en beschikbare/openbare documentatie van de dataverzameling, onderzoeksmethode en resultaten noodzakelijk. De procedures waren in veel gevallen niet of niet voldoende gedocumenteerd. Uitzondering is de EPV branchemonitor waar in de onderzoeksverantwoording het onderzoek volledig beschreven is.

Omdat de gegevensverzameling en de gegevensverwerking volgens een vast stramien verlopen, is de onvolledigheid van de documentatie momenteel niet zwaar meegewogen. Het CBS beveelt aan in alle gevallen, met uitzondering van de EPV branchemonitor, om de documentatie van de monitoring te verbeteren.

5.2.4 Objectiviteit

Monitoring door een onafhankelijke, objectieve partij levert een grotere kans op betrouwbare resultaten omdat er geen belangen meespelen. Wanneer de monitorende instantie zelf belangen heeft bij het resultaat, dienen er voldoende waarborgen voor objectieve resultaten te zijn.

De onderzoeksmethode is objectief (of intersubjectief) wanneer de methode is vastgesteld zonder rekening te houden met de mogelijke uitkomst en onafhankelijk van de belangen of motieven van de onderzoeker of opdrachtgever. De rapportage is objectief (of intersubjectief) wanneer de conclusies die op basis van de resultaten getrokken worden niet afhankelijk zijn van de mening of belangen van de onderzoeker of opdrachtgever.

Voor palmolie geldt dat de monitorende instantie MVO – de ketenorganisatie voor oliën en vetten, belangenbehartiger is van de betreffende sector. Dit is dus niet onafhankelijk. Voor soja geldt dat in mindere mate. Nevedi is belangenbehartiger van de Nederlandse diervoederindustrie en soja is een belangrijk bestanddeel van diervoeder. Bij de monitoring van hout is het onderzoek uitgevoerd door onafhankelijke partijen. Probos stelt als onafhankelijk kennisinstituut het belang van het bos centraal. De enquête onder EPV-leden is uitgevoerd door Kantar, een onafhankelijk onderzoeksbureau.

5.2.5 Representativiteit

Een onderzoek is meestal gebaseerd op een registratie of op een steekproef. Wanneer gebruik is gemaakt van een steekproef heeft representativiteit betrekking op de vraag of de conclusie over deze specifieke steekproef ook geldig is voor de totale populatie. Met andere woorden: kunnen op basis van de resultaten uit het onderzoek conclusies getrokken worden die geldig zijn voor de hele populatie? Het is hierbij van belang dat een steekproef groot genoeg is en aselect is getrokken, dat er voldoende respons is en dat deze respons niet selectief is.

De representativiteit is door het CBS als ruim voldoende beoordeeld. Voor duurzame palmolie is de monitoring nagenoeg volledig. De leden van DASPO zijn integraal meegenomen in het onderzoek. Van de niet-leden heeft één raffinadeur data verstrekt. De niet deelnemende niet-leden vertegenwoordigen een zeer gering aandeel van enkele procenten. Voor duurzame soja is de monitoring nagenoeg volledig. Nevedi dekt tenminste 95 procent van de diervoederbedrijven in Nederland. Alle leden van Nevedi worden integraal meegenomen in het onderzoek middels een verplichte enquête. Voor het deel dat niet aangesloten is bij Nevedi wordt in de cijfers niet gecorrigeerd, omdat het aandeel gering is. Voor duurzaam geproduceerd hout was er sprake van een (beperkte) non-respons. De respons was vrij hoog en de bijschattingen vonden plaats in overleg met inhoudelijke deskundigen uit de houtsector (VVNH monitoring) en met een ophoogfactor bij het EPV Brancheonderzoek.

5.3 Productieketen

Agro-grondstoffen doorlopen meestal een heel traject voordat zij in een bepaalde vorm worden geconsumeerd. Het economische proces van boer/tuinder/visser/bosbouwer tot consument wordt de productieketen genoemd. Het gaat om een netwerk van organisaties, mensen en activiteiten, dat de grondstof(fen) verwerkt en ervoor zorgt dat het eindproduct bij de gebruiker komt. Men kan verschillende deelprocessen onderscheiden in een productieketen. Actoren in de keten kunnen een of meerdere van deze deelprocessen voor hun rekening nemen. In onderstaande figuur zijn de deelnemers van een productieketen op vereenvoudigde wijze schematisch weergegeven.

schematische weergaveDeze schematische weergave laat zien hoe de productieketen van agro-grondstoffen van grond tot mond verloopt. Vanaf de boer, tuinder, visser of bosbouwer gaat de grondstof via nationale- of internationale handel naar de fabrikant die dit verwerkt tot zijn eindproduct dat via groothandel en detailhandel bij de consument komt.

Een productieketen van agro-grondstoffen begint bij de boeren en tuinders die agro-grondstoffen verbouwen, de vissers die vis vangen en de bosbouwers die hout kappen. Veel agro-grondstoffen worden in het buitenland geproduceerd (1 buitenlandse productie), maar ook in Nederland vindt deze productie plaats (2 Nederlandse productie). De buitenlandse grondstoffen worden in verschillende vormen geëxporteerd: in ruwe vorm, in voorbewerkte vorm, als halffabricaten of als eindproduct.

Exporteurs in het land van herkomst kopen vaak grote partijen op en verhandelen deze aan importeurs in andere landen, waaronder Nederland (3 import). In het land van bestemming worden de producten indien nodig door fabrikanten verder bewerkt/verwerkt tot halffabricaten of eindproducten. Fabrikanten in Nederland kunnen grondstoffen of halffabricaten uit Nederland of uit het buitenland betrekken (5 inkoop door fabrikanten). Na verwerking verkoopt de fabrikant de halffabricaten en eindproducten aan Nederlandse of buitenlandse bedrijven (6 verkoop binnen Nederland; 4 export). De detailhandelaren kopen producten van groothandelaren, de veiling of visafslag (7 inkoop door detailhandel) om ze vervolgens aan consumenten te verkopen (8 verkoop door detailhandel). De consument koopt producten via de detailhandel voor thuisgebruik, maar consumeert daarnaast ook buitenshuis zoals in restaurants, op kantoor en in sportkantines (9 consumptie).

Niet alle in Nederland geïmporteerde grondstoffen komen ook daadwerkelijk op de Nederlandse markt terecht. Wanneer de geïmporteerde producten zonder verdere bewerking, en zonder (tijdelijk) eigendom te worden van een ingezetene, direct weer geëxporteerd worden, spreekt men van doorvoer. Wanneer de goederen via Nederland vervoerd worden, daarbij (tijdelijk) eigendom worden van een ingezetene en zonder significante industriële bewerking geëxporteerd worden, dan spreekt men van wederuitvoer. Wanneer de goederen eigendom worden van een ingezetene van Nederland en na significante industriële bewerking geëxporteerd worden, dan spreekt men van uitvoer. De wederuitvoer en uitvoer zijn in de handelsstatistieken meestal samengenomen (4 export).

Meetpunten in de productieketen

Het gebruik van duurzame agrarische grondstoffen kan op verschillende punten in de productieketen worden gemeten. We onderscheiden de volgende meetbare indicatoren in de productieketen:

  1. duurzame productie als percentage van totale buitenlandse productie;
  2. duurzame productie als percentage van totale productie in Nederland;
  3. duurzame invoer als percentage van totale invoer in Nederland;
  4. duurzame uitvoer als percentage van totale uitvoer uit Nederland;
  5. duurzame inkoop als percentage van totale inkoop door Nederlandse fabrikanten;
  6. duurzame verkoop als percentage van totale verkoop door Nederlandse fabrikanten;
  7. duurzame inkoop als percentage van totale inkoop door Nederlandse detailhandelaren;
  8. duurzame verkoop als percentage van totale verkoop door Nederlandse detailhandelaren;
  9. duurzame consumptie als percentage van totale Nederlandse consumptie.

De monitoring van de agro-grondstoffen richt zich op verschillende punten in de agroketen. Bij palmolie gaat het om de verkoop van fabrikanten (in dit geval raffinadeurs) in Nederland (indicator 6). Bij soja gaat het om de inkoop door fabrikanten (in de diervoederindustrie) in Nederland (indicator 5). Bij hout ligt de focus op duurzame invoer (indicator 3) bij de VVNH monitoring en voor de inkoop (indicator 5) bij het EPV brancheonderzoek.

Scope van de indicatoren

Uitgangspunt voor het monitoren van duurzaamheid van agro-grondstoffen zijn in principe de indicatoren die zijn vastgelegd in convenanten of intentieverklaringen. Om praktische redenen (meetbaarheid) beperkt de monitoring zich tot een deelsegment van de complete markt. De scope voor palmolie beperkt zich tot palmolie bestemd voor de voedingsmiddelenindustrie en gebruik in de diervoederindustrie in Nederland, de scope voor soja betreft de soja bestemd voor de diervoederindustrie in Nederland. De scope voor hout beperkt zich tot de invoer van naaldhout, loofhout en plaatmaterialen door handelsbedrijven en de inkoop van een deel van de emballage- en palletindustrie (EPV-leden).

Bronnen wereldwijde productie

Voor de weergave van de wereldwijde duurzame productie zijn veel verschillende statistische gegevens gebruikt, die afkomstig zijn van de websites van internationaal erkende organisaties en keurmerkorganisaties. Het CBS heeft geen inzicht in de werkwijze van deze organisaties en kan de door hen gerapporteerde cijfers dan ook niet goed op waarde schatten. Wat de keurmerkorganisaties betreft is nagegaan of de organisaties transparant zijn en ze hun arealen en volumes duurzaam gecertificeerde agro-grondstoffen openbaar maken. Ook is bekeken of ze lid zijn van de International Social and Environmental Accreditation and Labeling Alliance (ISEAL Alliance), de wereldwijde niet-gouvernementele ledenorganisatie (ngo) voor keurmerkorganisaties. Dit lidmaatschap waarborgt dat de naleving van de standaarden door de keurmerkorganisaties wordt getoetst door auditors. De standaarden zelf zijn multi stakeholder, dat wil zeggen dat producenten, overheden, ngo’s en industrie inspraak hebben. ISEAL Alliance maakt sinds november 2020 onderscheid in ‘Code compliance Members’, ‘Accreditation Members’ en ‘Community Members’, waarbij de laatste groep leden nog in  ontwikkeling is om volwaardig lid te kunnen worden (ISEAL 2020).

Bronnen internationale organisaties

FAOSTAT is de Food and Agriculture Organization Statistics Division van de Verenigde Naties. In de database van FAOSTAT zijn productiecijfers opgenomen die door de nationale statistische bureaus worden aangeleverd. FAOSTAT publiceert cijfers over de totale wereldwijde productie van alle agro-grondstoffen.

International Trade Centre (ITC) is een agentschap van de Wereldhandelsorganisatie en de Verenigde Naties en ondersteunt de internationalisering van de kleine en middelgrote ondernemingen. ITC heeft samen met IISD en FiBL de publicatie ‘The State of Sustainable Markets 2019: Statistics and Emerging Trends’ uitgebracht.

Bronnen keurmerkorganisaties

Certified Responsible Soya (CRS) is geen lid van ISEAL Alliance. De CRS-standaard is in 2008 opgericht door Cefetra en Control Union Certifications. De standaard hanteert minder strenge voorwaarden voor duurzame productie en biedt boeren daarmee de mogelijkheid om geleidelijk aan naar RTRS-certificering toe te werken. CRS publiceert jaarlijks de wereldwijde gecertificeerde volumes.

Forest Stewardship Council (FSC) is ‘Code Compliance Member’ van de ISEAL Alliance. FSC publiceert jaarlijks de wereldwijde gecertificeerde arealen bos.

Global G.A.P. is geen lid van ISEAL Alliance. Deze business-to-business standaard is ontwikkeld als minimum norm voor toelating in de Europese supermarkten om de traceerbaarheid en voedselveiligheid te garanderen. Consumenten kunnen een Global G.A.P. product herkennen aan het GGN- nummer op de verpakking. De standaard hanteert beperkte milieucriteria en wordt in Nederland niet als duurzaam beschouwd.

Programme for Endorsement of Forest Certification Schemes (PEFC) is geen lid van de ISEAL Alliance. PEFC publiceert jaarlijks de wereldwijde gecertificeerde arealen bos.

ProTerra Foundation is geen lid van ISEAL Alliance. ProTerra hanteert als voorwaarde dat de soja niet-genetisch gemodificeerd is. ProTerra publiceert jaarlijks de wereldwijde gecertificeerde volumes.

Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO) is ‘Code Compliance Member’ van de ISEAL Alliance. RSPO publiceert jaarlijks de wereldwijd gecertificeerde (arealen en) productievolumes van palmolie.

Round Table on Responsible Soy (RTRS) is ‘Çommunity Member’ van de ISEAL Alliance. RTRS publiceert jaarlijks de gecertificeerde (arealen en) productievolumes van soja per deelnemer.

Bronnenoverzicht

Voor informatie over werkwijze bij het uitvoeren van de monitoring en achtergronden zijn gesprekken gevoerd met MVO, Nevedi, NVG, Probos en IUCN-nl.

Bibliografie

CBS, Statline (2021). Informatie palmolie. Opgehaald van: https://opendata.cbs.nl/ - /CBS/nl/dataset/81260ned/table?searchKeywords=palmolie

CBS (2013). Monitor duurzame agro-grondstoffen 2013. Opgehaald van: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2013/47/monitor-duurzame-agro-grondstoffen-2013

DASPO (2016). Commitment. Opgehaald van: https://duurzamepalmolie.nl/over-daspo/missie/

DASPO (2019). Voortgangsrapportage over het gebruik van duurzame palmolie in Nederland - 2018. Opgehaald van: https://duurzamepalmolie.nl/resultaten/hoe-ver-zijn-wij/rapportages/

DASPO (2020). Voortgangsrapportage over het gebruik van duurzame palmolie in Nederland - 2019. Opgehaald van: https://duurzamepalmolie.nl/resultaten/hoe-ver-zijn-wij/rapportages/

DASPO (2021a). Waar komt palmolie vandaan?. Opgehaald van: https://duurzamepalmolie.nl/over-daspo/veelgestelde-vragen/

DASPO (2021b). Gaan de standaarden voor duurzame palmolie wel ver genoeg? Opgehaald van: https://duurzamepalmolie.nl/over-daspo/veelgestelde-vragen/

DASPO (2021c). Voortgangsrapportage over het gebruik van duurzame palmolie in Nederland - 2020. Opgehaald van: https://duurzamepalmolie.nl/resultaten/hoe-ver-zijn-wij/rapportages/

Donau Soja Organisation (2020). Donau Soja Annual Report 2019. Opgehaald van: https://www.donausoja.org/fileadmin/user_upload/Downloads/Annual_Report_International_2019_ENG.pdf

Donau Soja Organisation. (2021). Home. Opgehaald van: https://www.donausoja.org/en/home/

EPV (2010). Beleidsplan. Houten verpakkingen: een bewuste keuze. Opgehaald van: https://www.epv.nl/cms/files/documenten/beleidsplan-juni-2010-dec-2015.pdf

EPV (2021). Duurzaamheid. Opgehaald van: https://www.epv.nl/dienstverlening/duurzaamheid

FAO (2021). FRA 2020 Global Forest Assessment. Opgehaald van: https://fra-data.fao.org/NLD/fra2020/home/ en https://www.fao.org/3/cb0041en/cb0041en.pdf

FAOSTAT (2021a). Data. Opgehaald van: https://www.fao.org/faostat/en/#data

FAOSTAT (2021b). Productiecijfers wereldwijd. Opgehaald van: https://www.statista.com/statistics/613471/palm-oil-production-volume-worldwide/

FSC (2021a) Bouw convenant. Opgehaald van: https://nl.fsc.org/nl-nl/hout-in-de-bouw/bouw-en-hout-convenant

FSC (2021b) Facts & figures. Opgehaald van: https://fsc.org/en/facts-figures

IDH & IUCN-NL (2019). European Soy Monitor: Insights on the European supply chain and the use of responsible and deforestation-free soy in 2017. Opgehaald van: https://www.idhsustainabletrade.com/uploaded/2019/04/European-Soy-Monitor.pdf

IDH (2020). European Soy Monitor: Insights on European responsible and deforestation-free soy consumption in 2018. Opgehaald van: https://www.idhsustainabletrade.com/uploaded/2020/05/IDH-European-Soy-Monitor-v2.pdf

IDH (2021). European Soy Monitor: Insights on the uptake of responsible and deforestation-free soy in 2019. Opgehaald van: https://www.idhsustainabletrade.com/uploaded/2021/06/2019-IDH-European-Soy-Monitor-report.pdf

ITC (2019). The state of sustainable markets 2019: statistics and emerging trends. Opgehaald van: http://www.intracen.org/publication/Sustainable-Markets-2019/

ISEAL (2020). Our new membershup structure. Opgehaald van: https://www.isealalliance.org/get-involved/how-our-membership-changing

IUCN-NL (2019a). Setting the Biodiversity Bar for Palm Oil Certifcation. Opgehaald van: https://www.iucn.nl/nieuws/iucn-nl-legt-duurzaamheidsstandaarden-voor-palmolie-langs-de-meetlat/

IUCN-NL (2019b). Setting the Biodiversity Bar for Palm Oil Certifcation. Executive summary Opgehaald van: https://www.iucn.nl/app/uploads/2021/03/executive_summary_palm_oil_benchmark_2.pdf

IUCN-NL (2021). Dutch Soy Platform. Opgehaald van: https://www.iucn.nl/en/dutchsoyplatform/

Kamerbrief (2015). Toezegging Tweede Kamer te informeren over stand van zaken afspraken import duurzame soja. Opgehaald van: https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/kamerstukken/2015/06/02/kamerbrief-over-stand-van-zaken-afspraken-duurzame-soja/kamerbrief-over-stand-van-zaken-afspraken-duurzame-soja.pdf

LEI Wageningen UR (2006). Soja handel- en ketenrelaties. Sojaketens in Brazilië, Argentinië en Nederland. Opgehaald van: http://edepot.wur.nl/29788

LEI Wageningen UR (2014). Palmolieverbruik in de Nederlandse diervoederindustrie 2011-2013: Inventarisatie in opdracht van Nevedi (No. 14-099). Opgehaald van: https://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/477242

Nevedi (2021). Home. Opgehaald van: Nederlandse Vereniging Diervoederindustrie: https://www.nevedi.nl/

Nevedi (z.d.). Bestuursbesluit Nevedi gebruik palmolie in diervoederindustrie. Opgehaald van: https://www.nevedi.nl/Content/Files/file/201340702 Palmolie.pdf

Nevedi (2014). Verantwoorde soja in de diervoedersector. Opgehaald van: https://www.graan.com/dynamic/media/1/documents/20150522Networkeventsoy/Inkoop_verantwoorde_soja_brochure.pdf

NVG Diervoeding (2021). Pet Monitor Publisher vs 01. Opgehaald van: https://www.nvg-diervoeding.nl/assets/files/pet-monitor-2021-web.pdf

NVG Diervoeding (z.d.). Dübendorf St, sufficient animal protein for pet food - or do we need alternatives in the future? Opgehaald van: https://www.nvg-diervoeding.nl/assets/files/artikel-zijn-er-voldoende-dierlijke-eiwitten-voor-huisdierenvoeding.pdf

PEFC (2020). Double certification FSC and PEFC - 2019 estimation. Opgehaald van: https://cdn.pefc.org/pefc.org/media/2020-01/de73c4e1-7a28-46d2-b71d-b86100497b9d/f995b54a-aab1-52af-a47e-83ddc9825712.pdf

PEFC (2021a). Facts and figures. Opgehaald van: https://www.pefc.org/discover-pefc/facts-and-figures

PEFC (2021b). Estimated forest area under both FSC and PEFC/PEFC-Endorsed Certification in 2020. Opgehaald van: https://cdn.pefc.org/pefc.org/media/2021-03/b402c56b-78b2-496b-91ae-76f0008473b8/404e3c25-9e81-5d4c-a9d0-28bd3ee42478.pdf.

Probos (2020). Kerngegevens Bos en Hout in Nederland. Opgehaald van: https://www.bosenhoutcijfers.nl/de-houtmarkt/houtproducten/papier/

Profundo (2014). Soy Barometer 2014: A Research Report for the Dutch Soy Coalition. Opgehaald van: https://www.profundo.nl/download/sojacoalitie1410

Ritchie, H. & Roser, M. (2021). Forests and Deforestation. Opgehaald van: https://ourworldindata.org/forests-and-deforestation

RSPO (2013). RSPO Supply Chain Certification: A Primer. Opgehaald van: https//www.rspo.org/files/docs/rspo_fact_sheets_systems_primer.pdf

RSPO (2021a). Impact: Certified Supply and sales (by supply chain model). Opgehaald van: https://rspo.org/impact

RSPO (2021b). Palm Trace. Opgehaald van: https://rspo.org/palmtrace

RTRS (2021). RTRS Management Report 2020. Opgehaald van: https://responsiblesoy.org/management-report-2020?lang=en

Stichting Vlees.nl (2021). Soja gebruik bij vleesproductie. Opgehaald van: https://www.vlees.nl/themas/diervoer/soja/

Task Force Duurzame Palmolie (2010). Manifest Task Force Duurzame Palmolie. Opgehaald van Task Force Duurzame Palmolie (2010) - Manifest Task Force Duurzame Palmolie - http://www.taskforceduurzamepalmolie.nl/uploads/media/Manifest_Task_Force_Duurzame_Palmolie.pdf

Two sides (2016). Wood consumption figures and source 2014. Opgehaald van: https://twosides.info/includes/files/upload/files/UK/Myths_and_Facts_2016_Sources/2-3/Wood_consumption_figures_and_source_2014.pdf

Verhue, D. (2021). Brancheonderzoek EPV 2020. Verkrijgbaar bij EPV

VNP (2021). Duurzaamheid in de papier- en kartonsector. Opgehaald van: https://vnp.nl/papier-karton/duurzaamheid/

VVNH (2021). Duurzame VVNH importen. Opgehaald van: https://www.vvnh.nl/duurzame-vvnh-importen