Wat behelst het onderzoek?
Doel
Vaststellen van het areaal akkerbouwproducten en de (geraamde) opbrengsten per hectare bij Nederlandse bedrijven met akkerbouw. De gegevens worden gebruikt voor onderzoek en voor beleid (nationaal en internationaal). Het statistische bureau van de EU gebruikt de cijfers om de marktsituatie van akkerbouwproducten goed in kaart te brengen.
De uitkomsten worden verder onder andere gebruikt door productschappen, voor voorzieningsbalansen, behandeling van de rijkslandbouwbegroting en voor beleid van de Europese Unie
Aanvang onderzoek
De oogstraming akkerbouw in de huidige vorm wordt sinds 1997 berekend.
Frequentie
Er worden voorlopige ramingen gemaakt in de periode augustus-oktober voor granen, peulvruchten, handelsgewassen, aardappelen en uien. In de periode december-februari volgt dan de definitieve raming voor een breed assortiment akkerbouwproducten.
Publicatiestrategie
Zodra de gegevens zijn geanalyseerd worden deze op Statline geplaatst en verzonden aan Eurostat. Voor de voorlopige ramingen is dat in september of oktober.
De definitieve oogstraming wordt twee maanden na afloop van het kalenderjaar gepubliceerd.
Hoe wordt het uitgevoerd?
Soort onderzoek
De berekening van de voorlopige ramingen is gebaseerd op informatie uit de Landbouwtelling over de oppervlakten per akkerbouwgewas en informatie van DLV Plant over de (verwachte) opbrengsten. De definitieve berekeningen in januari en februari zijn gebaseerd op steekproefonderzoek onder bedrijven met akkerbouw.
Waarnemingsmethode
Dataverzameling vindt plaats via inspectie van de gewassen (door DLV Plant) en door schriftelijke enquêtering onder agrarische bedrijven met akkerbouw.
Toelichting:
Voorlopige oogstraming:
Twee keer in het jaar krijgen vier regionale contactpersonen van DLV Plant een invullijst voor de diverse gewassen per landbouwgebied.
Deze contactpersonen winnen informatie in bij hun collega's in de gebieden. Op basis van hun ervaringen bij de klanten en gesprekken met andere betrokkenen in het gebied, maken zij een inschatting van de opbrengstverwachting. In een aantal gevallen zullen de adviseurs bij hun klanten kleine proefrooiingen uitvoeren om inzicht te krijgen in de opbrengstpotentie. Mede op basis van de ervaringen van voorgaande jaren wordt een voorlopige raming van de opbrengst per hectare opgesteld. Tijdens de inventarisatie van de gegevens zijn veel aardappelen, uien en soms ook granen nog niet geoogst. Weersomstandigheden na die periode kunnen de opbrengst nog beïnvloeden.
Definitieve oogstraming:
De definitieve oogstraming komt tot stand op grond van cijfers uit een
CBS-steekproefonderzoek onder bedrijven met akkerbouw. Bij de definitieve uitkomsten wordt de geteelde oppervlakte verminderd met de oppervlakte waarvan niet geoogst wordt.
In de jaren vóór 1998 werden de gegevens verzameld door de regionale
oogstramingscommissies. 1997 was een overgangsjaar, toen werd de definitieve oogstraming gebaseerd op gegevens van de regionale oogstramingcommissies en opgaven uit het steekproefonderzoek onder akkerbouwers.
Waarnemingspopulatie
Agrarische bedrijven met akkerbouwgewassen, exclusief luzerne, graszaad, teunisbloem, poot-, plant- en zilveruien en enkele kleinere gewassen, groter dan 3 NGE en vastgelegd in het Bedrijfsregistratiesysteem (BRS) van de Dienst Regelingen van het ministerie van LNV. De NGE (Nederlandse Grootte-eenheid) is een economische maatstaf waarin de omvang van een agrarisch bedrijf wordt uitgedrukt. Bedrijven kleiner of gelijk aan 3 NGE zijn zeer kleine bedrijven, gedacht moet worden aan bijvoorbeeld een bedrijf met 200 are consumptieaardappelen. Ruim de helft van de bedrijven in de waarnemingspopulatie bestaat uit gespecialiseerde akkerbouwbedrijven. Bedrijven in de rundveehouderij worden niet in de waarneming betrokken.
Steekproefomvang
De steekproef omvat circa 2.500 bedrijven van in totaal circa 20 000 bedrijven (2007) die volgens de opgave in de Landbouwtelling tot de waarnemingspopulatie behoren.
Controle- en correctiemethoden
De gegevens worden bij binnenkomst op microniveau gecontroleerd op direct aanwijsbare fouten en vervolgens gecorrigeerd. Bij de verdere analyse (op meso- en macroniveau) wordt op plausibiliteit van de gegevens gecontroleerd, o.a. door relatiecontroles en vergelijkingen met vorig jaar.
Weging
Ophoging op basis van totalen (kaders) uit de Landbouwtelling.
Wat is de kwaliteit van de uitkomsten?
Nauwkeurigheid
De statistische betrouwbaarheid van de gepubliceerde opbrengsten uit de definitieve raming zijn per gewas verschillend. Grofweg geldt dat de statistische marge, bij een 95 procent betrouwbaarheidsinterval, als volgt is:
Marge is < 5 procent voor: de granen, de aardappelen (met uitzondering van pootaardappelen op zand), veldbonen, cichorei, suikerbieten, zaaiuien. Marge is tussen 5 en 10 procent voor: kapucijners, bruine bonen, koolzaad, blauwmaanzaad, hennep, pootaardappelen op zand.
Marge is tussen 10 en 25 procent voor: groene erwten, karwijzaad, vlas, voederbieten, GPS-triticale (Gehele Plant Silage triticale).
Marge is >=25 procent: Gehele Plant Silage-gewassen (met uitzondering van GPS-triticale).