Wat behelst het onderzoek
Doel
De statistieken over financiën van gemeenten geven een kwantitatieve beschrijving van de baten en lasten naar functies (beleidsterreinen), de opbrengsten uit heffingen en de balansstanden van de gemeenten. De statistieken zijn samengesteld op basis van de administratieve gegevens. De definities en indelingen in deze statistieken sluiten aan op de gemeentelijke administraties.
Doelpopulatie
Alle gemeenten.
Statistische eenheid
Gemeente.
Aanvang onderzoek
Begrotingen per regio en grootteklasse: 2004.
Jaarrekeningen per grootteklasse: 2004.
Begrotingen en jaarrekeningen per gemeente: 2005.
Frequentie
Jaarlijks.
Publicatiestrategie
Gegevens over de begrote heffingsopbrengsten worden in de maand januari (voorlopige uitkomsten) en de maand maart (nader voorlopige uitkomsten) van de verslagperiode geplaatst. Gegevens over de begrote baten en lasten worden in de maand maart van het verslagjaar geplaatst.
De balansgegevens en de functionele gegevens uit de jaarrekeningen worden achttien maanden na de verslagperiode geplaatst.
De cijfers kunnen worden bijgesteld op grond van het beschikbaar komen van nieuw of geactualiseerd bronmateriaal. Over het algemeen zijn de bijstellingen gering van omvang. De bijstellingen worden doorgevoerd op het moment dat een nieuw jaarcijfer aan de reeks wordt toegevoegd.
Hoe wordt het uitgevoerd
Soort onderzoek
Integrale waarneming van alle gemeenten
Waarnemingsmethode
De gemeenten sturen hun gegevens elektronisch in. De in de gegevensleveringen aan het CBS gebruikte indelingen naar functies en/of balansposten zijn voorgeschreven in het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) van 17 januari 2003. Het BBV bevat de regelgeving voor de jaarlijkse begrotings- en verantwoordingsstukken voor o.a. de gemeenten.
Berichtgevers
Alle gemeenten
Steekproefomvang
N.v.t.
Controle- en correctiemethoden
Op de door gemeenten aan het CBS verstrekte gegevens past het CBS kwaliteitstoetsen toe. Hierbij wordt gecontroleerd op interne consistentie, volledigheid en volgtijdelijkheid. Zonodig worden in overleg met de gemeente de aangeleverde gegevens aangepast. Indien naar het oordeel van het CBS de gegevens, al dan niet na corrigeren, van onvoldoende kwaliteit zijn, worden deze niet op individueel gemeenteniveau gepubliceerd en ook niet gebruikt bij het samenstellen van de overige publicaties naar grootteklasse- en/of regio-indelingen.
Weging
Gemeenten die geen of kwalitatief onvoldoende gegevens hebben ingestuurd worden bijgeraamd om te komen tot ramingen op grootteklasse-niveau (voor begrotingen en jaarrekeningen) en regioniveaus (alleen voor begrotingen).
Bij de begrotingen wordt van elke bij te ramen gemeente de gegevensset van het voorgaande statistiekjaar genomen (welke eventueel ook al was bijgeraamd). Vervolgens wordt elke functie vermenigvuldigd met een ontwikkeling. Voor deze ontwikkeling wordt genomen de gemiddelde ontwikkeling van het functietotaal van alle gemeenten in dezelfde grootteklasse die wel in dit en het voorgaande statistiekjaar een goede gegevensset hebben aangeleverd.
Voor de jaarrekeningen wordt met ingang van 2007 de raming per grootteklasse verkregen door elke ontbrekende gemeenten apart bij te ramen. Bij voorkeur wordt hierbij de gegevenset van vorig jaar gebruikt (indien kwalitatief voldoende) en wordt deze met behulp van de jaarrekening aangepast om te komen tot een vervangende raming. Voor de kleinere gemeenten worden de gegevenssets automatisch bijgeraamd, waarbij de gegevensset van voorgaand jaar vermenigvuldigd wordt met de ontwikkeling van die functie van de goede gemeenten in dezelfde imputatieklasse. De imputatieklasse is hierbij gelijk aan de grootteklasse naar inwoner, waarbij de gemeenten in de grootteklasse 20 000-50 000 en 50 000-100 000 verder verdeeld zijn naar de landsdelen Noord-, Oost, Zuid- en West-Nederland.
Indien er geen goede gegevensset uit het voorgaande verslagjaar beschikbaar is, of indien een functie of balansstand niet goed met voorgaande methode kan worden bijgeraamd (zoals het geval is bij b.v. de functie Bouwgrondexploitatie en (de investeringen in) Vaste activa), dan worden de ontbrekende gegevens geraamd door de klassegemiddele per inwoner te nemen en deze te vermenigvuldigen met het inwoneraantal van de ontbrekende gemeente. Indien aanvullende externe informatie beschikbaar is, wordt deze gebruikt bij het imputeren. Bijvoorbeeld de hoogte van de ontvangen algemene uitkering, en het wel of niet hebben van een zeehaven of luchthaven of openbare scholen.
Voor de jaarrekeningen 2004 tot en met 2006 is de raming per grootteklasse verkregen door het totaal van de gegevenssets van de gemeenten (functies en balansposten) met een voldoende kwaliteit te vermenigvuldigen met de verhouding tussen het totale inwoneraantal van die grootteklasse gedeeld door het totaal aantal inwoners van de gemeenten met een goede gegevensset. Anders gezegd: er is per grootteklasse opgehoogd op basis van inwoneraantal
Wat is de kwaliteit van de uitkomsten
Nauwkeurigheid
De (kwalitatief voldoende) respons ligt op circa 95%. De veronderstelling die gedaan wordt bij het maken van de bijraming is dat de ontwikkeling (bij de bijraming van begrotingen) en de structuur (bij de bijraming van de jaarrekeningen) van gemeenten die geen of een kwalitatief onvoldoende gegevensset hebben aangeleverd, gemiddeld gelijk is aan die van de gemeenten die wel een goede gegevensset hebben ingezonden. Naar deze veronderstelling is geen direct onderzoek gedaan.
Volgtijdelijke vergelijkbaarheid
Redelijk.
Beschrijving kwaliteitsstrategie
Uitgangspunt is een integrale waarneming van de gemeenten.